← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061024.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061024.10 Rolnummer: P.05.0698.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2007-01-17 Raadplegingen: 579 - laatst gezien 2026-07-04 06:40 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Inzake communautair douanevervoer moet het kantoor van vertrek de aangever verplicht wijzen op de termijn van drie maanden waarbinnen aan dit kantoor, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, de regelmatigheid van het douanevervoer kan worden bewezen of de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan, zodat de bevoegde autoriteit slechts tot inning kan overgaan nadat hij de aangever er expliciet op gewezen heeft dat hij over drie maanden beschikt om het gevraagde bewijs te leveren en wanneer dat bewijs niet binnen deze termijn geleverd is

(1).
(1)H.v.J., 6 april 2006, nr C-407/05, Reyniers & Sogama B.V.B.A. t./ Belgisch Interventie- en Restitutiebureau en Belgische Staat, http://curia.eu.int. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Communautair douanevervoer Invoerrechten Landbouwheffingen Invordering Bewijs van regelmatigheid van het douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid werd begaan Termijn van drie maanden waarbinnen dit bewijs moet geleverd worden Verplichting van het kantoor van vertrek om de aangever te wijzen op deze termijn Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 13-12-1976 - Art.36,derdel Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Communautair douanevervoer Invoerrechten Landbouwheffingen Invordering Bewijs van regelmatigheid van het douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid werd begaan Termijn van drie maanden waarbinnen dit bewijs moet geleverd worden Afwezigheid van kennisgeving van deze termijn aan de aangever DOUANE EN ACCIJNZEN Communautair douanevervoer Invoerrechten Landbouwheffingen Invordering Bewijs van regelmatigheid van het douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid werd begaan Termijn van drie maanden waarbinnen dit bewijs moet geleverd worden Afwezigheid van kennisgeving van deze termijn aan de aangever Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.05.0698.N REYNIERS & SOGAMA bvba, met zetel te Gent, Stapelplein 38, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
  1. BELGISCH INTERVENTIE- EN RESTITUTIEBUREAU (BIRB), openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel te Brussel, Trierstraat 82, burgerlijke partij,
  2. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Economie, met kantoor te Brussel, de Meeûsquare 23, burgerlijke partij, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. BESTREDEN BESLISSING Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 20 april 2005 op verwijzing gewezen ingevolge arrest van het Hof van 29 april 2003, dat omwille van een verschrijving verbeterd werd bij arrest van het Hof van 30 september
  3. II. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De eiseres heeft in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aangevoerd. Het Hof heeft bij arrest van 8 november 2005 de eerste drie middelen die gericht waren tegen de beslissing van het bestreden arrest betreffende de bevoegdheid van de tweede verweerster om hier dergelijke rechtsvordering in te stellen, reeds afgewezen. Het Hof heeft bij hetzelfde arrest van 8 november 2005 een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Het Hof van Justitie heeft op deze vraag geantwoord bij de beschikking van 6 april 2006 (zaak C-407/05). Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Vierde middel Eerste onderdeel Het Hof van de Europese Gemeenschappen heeft op de door het Hof gestelde prejudiciële vraag voor recht verklaard: "Artikel 36, lid 3, van verordening (EEG) nr.222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair douanevervoer, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 474/90 van de Raad van 22 februari 1990 met het oog op de afschaffing van het inleveren van een kennisgeving van doorgang bij het overschrijden van een binnengrens van de Gemeenschap, juncto artikel 11bis van verordening (EEG) nr. 1062/87 van de Commissie van 27 maart 1987 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1429/90 van de Commissie van 29 mei 1990, en artikel 34 van verordening (EEG) nr. 2726/90 van de Raad van 17 september 1990 betreffende communautair douanevervoer, juncto artikel 49 van verordening (EEG) nr. 1214/92 van de Commissie van 21 april 1992 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer, moeten aldus worden uitgelegd dat het kantoor van vertrek de aangever verplicht moet wijzen op de termijn van drie maanden waarbinnen aan dit kantoor, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, de regelmatigheid van het douanevervoer kan worden bewezen of de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan, zodat de bevoegde autoriteit slechts tot inning kan overgaan nadat hij de aangever er expliciet op gewezen heeft dat hij over drie maanden beschikt om het gevraagde bewijs te leveren en wanneer dat bewijs niet binnen deze termijn geleverd is". Uit dit antwoord blijkt dat, in zoverre het bestreden arrest beslist dat de door de verordeningsbepalingen vereiste kennisgeving hier kon blijken uit het feit en de omstandigheden van de kennisgeving van de niet-aanzuivering van de betrokken T1-documenten, het deze in het middel aangehaalde verordeningsbepalingen schendt. Tweede onderdeel Het tweede onderdeel dat niet tot ruimere cassatie kan leiden, behoeft geen antwoord meer. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het beslist over de door de door de tweede verweerster ingestelde rechtsvordering, behalve in zoverre het oordeelt dat de tweede verweerster hier de bevoegdheid had om die rechtsvordering uit te oefenen. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de verweerders in de kosten. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Begroot de kosten op 153,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 24 oktober 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061024.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.15 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090109.4 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110114.7 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150213.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111108.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.