← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061024.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061024.6 Rolnummer: P.06.0688.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2007-01-17 Raadplegingen: 624 - laatst gezien 2026-07-04 03:21 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Overeenkomstig artikel 235bis, ,§ 1 en 2, Wetboek van Strafvordering kan de kamer van inbeschuldigingstelling telkens zij kennis neemt van de zaak, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van een van de partijen, en zelfs ambtshalve, de regelmatigheid van de haar voorgelegde rechtspleging onderzoeken: dit onderzoek betreft onder meer de instelling van het gerechtelijk onderzoek ten gevolge van een burgerlijke partijstelling. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: ONDERZOEKSGERECHTEN Kamer van inbeschuldigingstelling Onderzoek van de regelmatigheid van de procedure Onderzoek van de ontvankelijkheid van een burgerlijke partijstelling Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Burgerlijke partijstelling Kamer van inbeschuldigingstelling Onderzoek van de regelmatigheid van de procedure Onderzoek van de ontvankelijkheid van een burgerlijke partijstelling Fiche 3 Het oordeel van de kamer van inbeschuldigingstelling dat de voorwaarden voor een ontvankelijke burgerlijke partijstelling niet waren vervuld, doet geen uitspraak over de afwezigheid van bezwaren na gerechtelijk onderzoek. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: ONDERZOEKSGERECHTEN Kamer van inbeschuldigingstelling Onderzoek van de regelmatigheid van de procedure Onderzoek van de ontvankelijkheid van een burgerlijke partijstelling Beslissing waarbij de niet-ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling wordt vastgesteld Fiches 4 - 5 Een burgerlijke partijstelling is slechts ontvankelijk wanneer het aanvaardbaar is dat de feiten waarvoor betrokkene klacht neerlegt, ook al zijn zij nog niet voldoende bepaald, hem schade hebben veroorzaakt; de rechter oordeelt daarover onaantastbaar, voor zover hij uit de feitelijke gegevens die hij vaststelt, geen gevolg afleidt dat daardoor niet kan worden verantwoord

(1).
(1)Cass., 21 sept. 1999, AR P.99.0743.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990921.9, nr 475; 22 mei 2001, AR P.99.1655.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010522.5, nr 303; 8 okt. 2002, AR P.02.0419.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021008.8, nr
  1. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Burgerlijke partij Burgerlijke partijstelling Ontvankelijkheid Voorwaarde Aannemelijke schade Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling Grenzen Marginale toetsing Tekst van de beslissing Nr. P.06.0688.N I.
  2. D C J C, burgerlijke partij,
  3. K R, burgerlijke partij, eisers, met als raadslieden mr. Christian Van Buggenhout en mr. Hans Van Bavel, advocaten bij de balie te Brussel, tegen
  4. B R, inverdenkinggestelde, met als raadslieden mr. Pascal Vanderveeren en mr. Pierre Monville, advocaten bij de balie te Brussel,
  5. B J M M T M, inverdenkinggestelde, met als raadslieden mr. Raf Verstraeten en mr. Caroline De Baets, advocaten bij de balie te Brussel. verweerders, II. D R D B F, burgerlijke partij, eiser, tegen
  6. B R, reeds vermeld, inverdenkinggestelde,
  7. B J, reeds vermeld, inverdenkinggestelde, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 4 april 2006, (KI 517). De eisers I voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eisers II voeren geen middel aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  8. Overeenkomstig artikel 218 Wetboek van Strafvordering behandelt de kamer van inbeschuldigingstelling de regeling van de rechtspleging in raadkamer, dit is niet openbaar. Wanneer de regeling van de rechtspleging openbaar wordt behandeld, is de beslissing nietig. De niet-openbaarheid van de behandeling houdt in dat enkel de leden van de kamer van inbeschuldigingstelling, de griffier, het openbaar ministerie, de zaalwachter, het personeel dat met de bewaking van de gedetineerden is gelast, de tolken, de verdachten en inverdenkinggestelden, de burgerlijke partijen of toekomstige burgerlijke partijen of de andere personen die gerechtigd zijn in de regeling van de rechtspleging tussen te komen en hun raadslieden, de behandeling of het deel ervan, waarvoor hun aanwezigheid is vereist, mogen bijwonen. De kamer van inbeschuldingstelling beslist wie in de wettelijke voorwaarden verkeert om tot de behandeling van de zaak te worden toegelaten.
  9. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de kamer van inbeschuldigingstelling van 4 oktober 2005 vermeldt dat de rechtspleging met gesloten deuren verloopt en dat de raadslieden van partijen in andere voor de kamer van inbeschuldingstelling hangende zaken ter terechtzitting verschijnen "Gezien de vraag tot voeging van de bundels". Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt verder: "Er is geen verzet tegen hun aanwezigheid. (De kamer van inbeschuldigingstelling) voegt de vraag tot voeging bij de grond en stelt de zaak voor sluiten debatten op 15 november 2005 om 9 uur".
  10. De beslissing de vraag tot voeging bij de grond te voegen, verantwoordt de toelating tot de verdere gehele behandeling van de zaak van de raadslieden van de partijen in andere voor de kamer van inbeschuldigingstelling hangende zaken. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  11. Overeenkomstig artikel 235bis, ,§ 1 en 2, Wetboek van Strafvordering kan de kamer van inbeschuldiging telkens zij kennisneemt van de zaak, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van een van de partijen, en zelfs ambtshalve, de regelmatigheid van de haar voorgelegde rechtspleging onderzoeken. Dit onderzoek betreft onder meer de instelling van het gerechtelijk onderzoek ten gevolge van een burgerlijkepartijstelling.
  12. Het oordeel van de kamer van inbeschuldigingstelling dat de voorwaarden voor een ontvankelijke burgerlijkepartijstelling niet vervuld waren, is geen uitspraak over de afwezigheid van bezwaren na gerechtelijk onderzoek. Het onderdeel dat beide door elkaar haalt, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  13. Een burgerlijkepartijstelling is slechts ontvankelijk wanneer het aanvaardbaar is dat de feiten waarvoor de betrokkene klacht neerlegt, ook al zijn ze nog niet voldoende bepaald, hem schade hebben veroorzaakt. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar, voor zover hij uit de feitelijke gegevens die hij vaststelt, geen gevolg afleidt dat daardoor niet kan worden verantwoord.
  14. Anders dan het middel stelt, verantwoordt het bestreden arrest met de vaststellingen die het doet, de beslissing naar recht over de niet-ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling van de eisers. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde middel
  15. Het onderzoeksgerecht dat oordeelt dat een burgerlijke partijstelling niet ontvankelijk is na de betrokkene daarover te hebben gehoord, miskent noch diens recht van verdediging, noch diens recht op tegenspraak. Het middel faalt in zoverre naar recht.
  16. Het middel preciseert niet waarin het bestreden arrest een van de aangehaalde wetsbepalingen schendt. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun respectieve cassatieberoepen. Begroot de kosten in het geheel op 115,46 euro waarvan I op de cassatieberoepen van K D en R K 27,73 euro verschuldigd en 30 euro door de eisers betaald is en II op het cassatieberoep van F d R d B 27,73 euro verschuldigd en 30 euro betaald is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 24 oktober 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061024.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990921.9 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010522.5 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021008.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101005.6 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110118.5 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.