id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art.469
,eerste Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Allerlei Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Allerlei Aanvullende gemeentebelasting Doorstorting Ontstentenis Laattijdigheid Bestuur Fout Wettelijke bepalingen:
Art.469
,eerste Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Vrije woorden: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Personenbelasting Aanvullende gemeentebelasting Doorstorting Ontstentenis Laattijdigheid Bestuur Fout Wettelijke bepalingen:
Art.469
,eerste Annotaties Publicaties: Fiscologue/Fiscoloog - CB; La Cour de cassation sur le reversement tardif/ Cassatie over lattijdige doorstorting. - 2008, 11 T.Gem. - E.VAN DE VELDE; Geen schadevergoeding door de Belgische Staat voor het laattijdig doorstorten van een aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting. - 2007, 69-73 Tekst van de beslissing Nr. C.03.0584.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, eiser, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen GEMEENTE LENNIK, vertegenwoordigd door het College van burgemeester en schepenen, met burelen te 1750 Lennik, Markt 10, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar keuze van woonplaats wordt gedaan. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 25 april 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 25, 26, 29 en 30 van de Grondwet, thans de artikelen 33, 36, 37 en 40 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet, van het principe betreffende de scheiding der machten dat door voormelde artikelen wordt uitgewerkt, de artikelen 92 en 93 van de Grondwet, thans de artikelen 144 en 145 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet, en artikel 11 van het koninklijk besluit van 12 januari 1973 houdende coördinatie van de wetgeving op de Raad van State, en waarbij de bevoegdheid van de rechterlijke macht wordt omschreven; de artikelen 351 tot en met 357 van het Wetboek der Inkomstenbelastingen
(1964), thans de artikelen 464 tot en met 469 van het Wetboek der Inkomstenbelastingen
(1992), 240 tot en met 242 van het koninklijk besluit van 4 maart 1964 tot uitvoering van het wetboek der inkomstenbelastingen, nadien artikel 231 en 232 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek der Inkomstenbelastingen 1992, al deze wetbepalingen zoals van kracht voor de jaren 1990 tot en met 2000, zijnde de jaren waarop het onderhavige geschil betrekking heeft; de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest bevestigt in principe de uitspraak van de eerste rechter, welke oordeelt: "verklaart de vordering van de gemeente Lennik ontvankelijk, doch uitsluitend in zoverre zij betrekking heeft op: - de betaling van de som van 11.614.305 BEF; - de betaling van een schadevergoeding op grond van de door de Belgische Staat begane fout, bestaande in het nalaten de bestaande achterstallen terug te betalen, en zodoende in het overschrijden van de redelijke termijn-eis; - de aanstelling van een deskundige met het oog op het bepalen van de schade die de eiseres opliep ingevolge de laattijdige doorstorting vanwege de Belgische Staat. Verklaart de vordering voor het overige onontvankelijk. Verklaart de vordering van de gemeente Lennik in de hierna bepaalde mate gegrond. Veroordeelt de Belgische Staat tot betaling aan de gemeente Lennik van een provisioneel bedrag van 10.000.000 BEF op een totale eis van 11.614.305 BEF, geen rekening houdend met de betalingen die de Belgische Staat sedertdien desgevallend heeft gedaan of nog zal doen. Verzendt de zaak, voor wat het saldo van het door de gemeente Lennik gevorderde bedrag betreft, naar de rol, teneinde de Belgische Staat toe te laten de gedetailleerde afrekening op te maken wat de ontheffingen betreft, en partijen toe te laten daarover te concluderen. Veroordeelt de Belgische Staat tot betaling aan de gemeente Lennik van een schadevergoeding ex aequo et bono begroot op de wettelijke interestvoet (vastgesteld op 7 pct.) op het bedrag van 11.924.912 BEF, met ingang van 1 januari 2000, tot de datum van de dagvaarding (zijnde 19 januari 2000). Wijst het meergevorderde af". Het arrest actualiseert deze uitspraak met de beschikking: "Stelt vast dat de achterstallen werden aangezuiverd. Veroordeelt de Belgische Staat tot het betalen van een schadevergoeding gelijk aan de intrest van 7 pct. op het bedrag van de openstaande achterstallen vanaf 1 januari 2000 tot op de dag van de volledige aanzuivering". Het hof van beroep motiveert deze uitspraak met de volgende overwegingen: "Wat betreft de grenzen van de bevoegdheid van de burgerlijke rechter verwijst het hof van beroep naar de oordeelkundige motieven van de eerste rechter die deze binnen het kader van de aan hem voorgelegde zaak juist heeft omschreven. Vermits de achterstallen na de uitspraak door de eerste rechter volkomen werden aangezuiverd is de vordering in betaling van het bedrag van deze achterstallen thans zonder voorwerp geworden. Om oordeelkundige motieven heeft de eerste rechter geoordeeld dat hij bevoegd was om kennis te nemen van de vordering die erop gericht was vergoeding te bekomen van de schade die door (de verweerster) werd geleden ingevolge het onbehoorlijk talmen van (de eiser) bij de terugbetaling van de door hem vastgestelde en aan de (de verweerster) door middel van de formulieren 173X meegedeelde achterstallen. De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat in de mate dat de achterstallen niet meer werden veroorzaakt door het systeem en zij slechts een fossiel waren van het verleden, een behoorlijke terugbetaling binnen een redelijke termijn geen zes maanden mocht overschrijden en dat de schade van (de verweerster) kan worden begroot op de intrest die zij heeft moeten derven op deze bedragen tot op het ogenblik van de volledige aanzuivering". Benevens deze overwegingen en de afwijzing, door het arrest, van een door de verweerster ingeleide uitbreiding van haar oorspronkelijke vordering, is de uitspraak van het arrest aldus volledig gesteund op de motivering van het vonnis van de eerste rechter. Deze motivering is ingedeeld volgens de onderscheiden betwiste punten. ln het beroepen vonnis wordt overwogen: "
- Wat betreft de onontvankelijkheid van de vordering van (de verweerster): 1.a. Wat betreft de vordering tot betaling van de som van 11.614.305 BEF. 1.a.1 Wat betreft het al dan niet bekritiseren van het door de overheid opgezette systeem. De rechtbank stelt vast dat de argumentatie van (de verweerster) is dat (de eiser), door het niet terugbetalen van de bestaande en onbetwiste achterstallen binnen een redelijke termijn, samen met een billijke schadevergoeding, een manifeste inbreuk heeft gepleegd op de zorgvuldigheidsnorm, geconcretiseerd door de beginselen van behoorlijk bestuur. Naar haar oordeel pleegt (de eiser) een inbreuk op het beginsel dat de Staat geen machtsmisbruik mag plegen en een redelijke termijn in acht moet nemen. De rechtbank komt derhalve tot het besluit dat (de verweerster) aldus in generlei mate het door de overheid opgezette systeem bekritiseert, zelfs niet onrechtstreeks, en meer in het bijzonder geenszins de efficiëntie van dit systeem in twijfel trekt. (De verweerster) vraagt de rechtbank daarentegen over te gaan tot een rechtmatigheidstoetsing van het optreden (of beter het stilzitten) van het fiscale bestuur. 1.a.2 Wat betreft de rechtmatigheidstoetsing door de rechtbank van bestuurlijke handelingen. In tegenstelling tot wat (de eiser) voorhoudt, houdt de rechterlijke controle op het overheidshandelen niet op, eenmaal vaststaat dat de overheid binnen haar min of meer beperkte beleids- en beoordelingsbevoegdheid is gebleven. Uit het reeds aangehaalde cassatiearrest van 10 juni 1994 kan derhalve niet worden afgeleid dat de rechter in het geheel geen bevoegdheid zou hebben om, op aanvraag van de gemeente, de handelingen van het fiscaal bestuur in het kader van zijn wettelijke opdracht van inkohiering, inning en doorstorting van de aanvullende gemeentebelastingen op hun rechtmatigheid, in het licht van de artikelen 1382 en 1383 B.W., te toetsen (..). Er dient daarentegen te worden aangenomen dat het fiscaal bestuur, ook wanneer het zijn wettelijke opdracht inzake aanvullende gemeentebelastingen vervult, onderworpen blijft aan de artikelen 1382 en 1383 B.W. In het licht van art. 1382 B.W. dienen twee soorten van onrechtmatig handelen te worden onderscheiden: het onrechtmatig handelen wegens de schending van een (grond)wettelijke of reglementaire norm die een welbepaald gebod of verbod oplegt, enerzijds, en het onrechtmatig handelen wegens een inbreuk op de algemene zorgvuldigheidsnorm, anderzijds (...). ln casu verwijt (de verweerster) (de eiser) onrechtmatig te handelen wegens een inbreuk op de algemene zorgvuldigheidsnorm, aangezien (de eiser) voor de uitvoering van zijn wettelijke opdracht van inning en doorstorting van de aanvullende gemeentebelastingen niet aan een normatieve termijn is gebonden. Derhalve dient de beweerde foutieve overheidshandeling te worden getoetst aan de wijze waarop een normaal, zorgvuldige en redelijk handelende overheid, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden zou zijn opgetreden (...). ln de rechtspraak werd de algemene zorgvuldigheidsnorm geconcretiseerd met de ontwikkeling van de algemene beginselen van behoorlijke bestuur. Een van die beginselen is de verplichting voor de overheid om binnen een redelijke termijn te handelen. Welnu, in het licht van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, kan aan de gemeenten niet worden ontzegd dat zij in rechte het fiscaal bestuur verwijten een fout te hebben begaan omdat laatstgenoemde zijn wettelijke opdracht inzake inkohiering, inning en doorstorting van de aanvullende gemeentebelastingen niet binnen een redelijke termijn heeft vervuld (...). Bij ontstentenis van een normatieve termijnstelling, zoals in casu, is het bestuur gehouden om binnen een redelijke termijn te handelen. Nu de verplichting om binnen een redelijke termijn te handelen een formeel beginsel van behoorlijk bestuur uitmaakt, en als een onderdeel van de formele zorgvuldigheidsplicht kan worden beschouwd, dient de rechterlijke toetsing van bestuurshandelingen aan de redelijke termijn-eis te worden beschouwd als een rechtmatigheidstoetsing, waarvoor de burgerlijke rechter bevoegd is, en niet als een opportuniteitscontrole, waarvoor de burgerlijke rechter niet bevoegd zou zijn (...). Derhalve dient de vordering van (de verweerster), voor zover zij betrekking heeft op de betaling van de som van 11.614.305 BEF, ontvankelijk te worden verklaard. 1.b. Wat betreft de vordering tot schadevergoeding. Terzake roept (de verweerster) een fout in hoofde van (de eiser) in, niet alleen door na te laten in te grijpen in een bestaand innings- en doorstortingssysteem waarvan geweten was dat dit een inkomstenverschuiving ten voordele van de federale staat en ten nadele van de gemeenten tot gevolg had, maar ook door na te laten de bestaande achterstallen terug te betalen, en zodoende de redelijke termijn-eis te hebben overtreden. De miskenning van de redelijke termijn als een onderdeel van de algemene zorgvuldigheidsplicht wordt volgens (de verweerster) gesanctioneerd door de artikelen 1382 en 1383 B.W., op grond waarvan zij vergoeding vordert voor de door haar geleden schade. Volgens (de eiser) kan de aquiliaanse aansprakelijkheid weliswaar tegen openbare overheden worden ingeroepen, maar zijn de mogelijkheden om dit te doen niet onbeperkt. Hij stelt dat het Hof van Cassatie in zijn reeds aangehaald arrest van 10 juni 1994 duidelijk heeft gesteld dat de burgerlijke rechter niet bevoegd is om de wijze van verdeling tussen de gemeenten van de aanvullende belastingen, waaruit de huidige achterstand volgt, te beoordelen, zodat de burgerlijke rechter derhalve niet bevoegd is om zich uit te spreken aangaande het al dan niet bestaan van een fout, voortvloeiend uit een louter bestuurlijke beslissing. Aangezien de rechter niet mag onderzoeken of de Staat gebruik heeft gemaakt van een verkeerd boekhoudsysteem om de bedragen van de toekenning aan de gemeente te bepalen, volgt daaruit, naar zijn oordeel, logischerwijze de onbevoegdheid van de rechter om te oordelen over de eventueel door (de verweerster) geleden schade, alsook het oorzakelijk verband tussen fout en schade. De rechtbank dient evenwel vast te stellen dat het Hof van Cassatie in zijn reeds aangehaald arrest van 10 juni 1994 heeft bevestigd dat geen enkele grondwettelijke of wettelijke bepaling of algemeen rechtsbeginsel de administratieve overheid in de uitoefening van haar taak vrijstelt van de verplichting voortvloeiend uit de artikelen 1382 en 1383 B.W. Derhalve is de administratieve overheid op basis van de artikelen 1382 en 1383 B.W. gehouden de door haar fout aan een ander toegebrachte schade te vergoeden (...). ln zijn arrest van 10 juni 1994 voegde het Hof van Cassatie er nog aan toe dat dit beginsel ook geldt als aan het bestuur wordt verweten onzorgvuldig te zijn opgetreden. Op grond van de hiervoor onder 1.a uiteengezette redenen, is de rechtbank dan ook van oordeel dat zij wel degelijk bevoegd is om van deze vordering kennis te nemen. ln dat verband kan de rechtbank evenwel enkel nagaan of (de eiser) een fout heeft begaan door na te laten de bestaande achterstallen terug te betalen en zodoende de redelijke termijn-eis te hebben overtreden. Daarentegen kan de rechtbank zich niet uitspreken over de kwestie of (de eiser) een fout heeft begaan door na te laten in te grijpen in het bestaande innings- en doorstortingssysteem, waarvan geweten was dat dit een inkomstenverschuiving ten voordele van de federale Staat en ten nadele van de gemeenten tot gevolg had. Deze laatste kwestie betreft immers een kritiek op (de efficiëntie van) het systeem, waarvoor de rechtbank zich ratione materiae onbevoegd dient te verklaren. Derhalve dient de vordering van (de verweerster), voor zover zij betrekking heeft op de betaling van een schadevergoeding, in de hiervoor aangehaalde mate ontvankelijk te worden verklaard". Ten gronde, na uitspraak over de gevorderde achterstallen, waarover het arrest vaststelt dat ze inmiddels betaald werden, wordt in het vonnis in de volgende termen geoordeeld over de gevraagde schadevergoeding: "2.b.
- Wat betreft de beweerde fout van (de eiser). (De verweerster) steunt haar vordering op de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, nu (de eiser) nalaat binnen een redelijke termijn de bestaande en onbetwiste achterstallen terug te betalen, samen met een billijke schadevergoeding, hetgeen naar haar oordeel machtsmisbruik uitmaakt. Zij baseert haar vordering op de artikelen 1382-1383 B.W., waarbij de aan (de eiser) verweten fout een inbreuk op de algemene zorgvuldigheidsnorm uitmaakt. Deze algemene zorgvuldigheidsnorm moet ten aanzien van de overheid geconcretiseerd worden via de beginselen van behoorlijk bestuur. (De eiser) werpt op dat de federale overheid instaat voor de inning en doorstorting van de aanvullende belasting op de personenbelasting, zonder dat zij hiervoor aan een normatieve termijn is gebonden. Derhalve wordt aan het bestuur enige beoordelings- of beleidsvrijheid toevertrouwd over de termijn waarbinnen de toegekende bevoegdheid wordt uitgeoefend. Discretionaire bevoegdheden worden evenwel begrensd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De beginselen van behoorlijk bestuur zijn inderdaad niets anders dan jurisprudentiële concretiseringen van de vage zorgvuldigheidsnorm van art. 1382 B.W. naar het bestuur toe. Deze beginselen laten de rechterlijke macht toe onrechtmatig overheidsoptreden te sanctioneren bij gebreke aan wettelijke of reglementaire bepalingen waarbij de overheid wordt opgelegd op een vooraf bepaalde wijze te handelen. (...) Ten onrechte roept (de eiser) in dat de verplichting om binnen een redelijke termijn te handelen, geen formeel beginsel van behoorlijk bestuur uitmaakt. (...) Bovendien verzet niets zich ertegen dat de redelijke termijn-eis ook tussen besturen wordt ingeroepen. Onder verwijzing naar I. Opdebeek (...) stelt (de eiser) terecht dat het doel van de redelijke termijn-eis in het administratief recht van tweeërlei aard is: enerzijds het doen respecteren van de rechtsplicht tot handelen, anderzijds het bevorderen van de rechtszekerheid. Maar hij trekt daaruit naar het oordeel van de rechtbank verkeerde besluiten. Zo stelt hij dat de overheid, naar zijn oordeel, haar rechtsplicht tot handelen niet ontloopt, daar de gelden werden en worden gestort, zonder dat er in het systeem gelden ten nadele van de gemeenten verdwenen. Anderzijds is naar zijn oordeel het argument van (de verweerster) inzake het ontnemen van de rechtszekerheid niet aan de orde, vermits zij aan de hand van het 173X-formulier maandelijks wordt ingelicht omtrent het bedrag waarop zij, theoretisch gezien, nog recht heeft, zodat zij hoegenaamd niet in onzekerheid verkeert aangaande de gelden die zij nog kan verwachten. Onder het doen respecteren van de rechtsplicht tot handelen dient te worden verstaan dat aan het bestuur niet kan worden toegelaten de rechtsplicht tot handelen te ontlopen door de uitvoering van deze verplichting op de lange baan te schuiven. In deze is het dan ook zonder belang dat (de eiser) uiteindelijk tot betaling aan (de verweerster) zal overgaan van het volledige aan haar verschuldigde bedrag, zonder dat in het systeem gelden ten nadele van (de verweerster) verdwijnen. Het is het lange tijdsverloop dat daarvoor nodig is, dat met de redelijke termijn-eis op de korrel wordt genomen. Van zijn kant beoogt het tweede doel van de redelijke termijn-eis, nl. het bevorderen van de rechtszekerheid, dat er wordt vermeden dat burgers, maar ook bestuurlijke overheden gedurende lange termijn onzeker zouden zijn over hun rechtstoestand, en bijgevolg ook over hun vermogenstoestand. Naar het oordeel van de rechtbank biedt (de eiser) de beoogde rechtszekerheid niet door maandelijks het zg. 173X-formulier aan (de verweerster) op te sturen. In het kader van de door (de verweerster) gevraagde betaling van het bedrag van 11.614.305 BEF (zie 2.a., hiervoor) deed (de eiser) trouwens zelf opmerken dat het op het 173X-formulier vermelde bedrag niet vaststaand, noch zeker is, aangezien hierin begrepen zijn de inmiddels aangevochten aanslagen die mogel"jks nog geheel of gedeeltelijk zullen worden ontlast, dus nooit effectief zullen worden betaald. Bovendien heeft de rechtsonzekerheid, waarmee (de verweerster) te maken heeft, in de eerste plaats te maken met het op de lange baan schuiven van de doorstorting van de aanvullende gemeentebelastingen waarop zij recht heeft. De rechtbank komt bijgevolg tot het besluit dat (de eiser) niet aantoont dat hij a priori is tegemoet gekomen aan de doelstellingen van de redelijke termijn-eis, zodat de rechtbank in casu wel degelijk dient na te gaan of (de eiser) de redelijke termijn heeft overschreden in het kader van de (niet) doorstorting van de aanvullende gemeentebelastingen. ln dat verband doet (de eiser) in eerste instantie opmerken dat het manuele boekhoudsysteem, dat werd ingevoerd in 1954, met de daarbij horende proportionele verdeelsleutels, het meest coherente en praktisch het meest haalbare systeem was. Bij gebrek aan toen bestaande informatica was een verdeelsleutel per gemeente, zoals die thans in het geïnformatiseerde systeem wordt toegepast, vanuit praktisch oogpunt gewoon onmogelijk omwille van de massa aan gegevens, die, manueel, niet konden worden verwerkt. Door gebruik te maken van het meest correcte systeem, gelet op de technische mogelijkheden van het moment, heeft de overheid volledig gehandeld als een goede huisvader. Dit argument van (de eiser), dat betrekking heeft op de efficiëntie van het systeem, waarover de rechtbank zich niet uit te spreken heeft, is evenwel naast de kwestie, nu de grieven van (de verweerster) verband houden met de laattijdige doorstorting van de aanvullende gemeentebelastingen en het gebrek aan schadevergoeding. In tweede instantie stelt (de eiser) nog dat de redelijke termijn-eis in concreto moet worden beoordeeld, rekening houdend met de specifieke gegevens van de zaak. Daarbij moet naar zijn oordeel een volledige belangenafweging gebeuren, waarbij dient te worden gestreefd naar een evenwicht tussen enerzijds de noodwendigheden van de dienst en anderzijds het belang van de betrokkene. Verder stelt (de eiser) dat het niet onmiddellijk terugbetalen van de verschuldigde achterstallen, maar het spreiden in de tijd van het wegwerken van de achterstand, juist kan worden gezien als de daad van goed beheer van de overheid, en zeker niet als een fout in haren hoofde(n), en wel om de volgende drie redenen: - de complexiteit van de zaak rechtvaardigt de geleidelijke oplossing van de achterstand; - de vertraging in doorstorting van gelden aan bepaalde gemeenten wordt gerechtvaardigd door het belang van de dienst die de federale overheid verstrekt ten aanzien van alle gemeenten van het Rijk; zo hebben een aantal gemeenten door de hantering van het systeem belangrijke voorschotten gekregen, die zij nu, ook op een geleidelijke en gespreide manier, terugbetalen; indien deze gemeenten plots alles in éénmaal zouden moeten terugstorten, zouden zij in zeer zware financiële moeilijkheden komen te verkeren, hetgeen de solidariteit tussen de verschillende gemeenten niet ten goede zou komen: omwille van de verplichting alle gemeenten zo gelijk mogelijk te behandelen, kan dan ook, nog steeds volgens verweerder (lees: de eiser), geen afwijkend gedrag ten opzichte van één enkele of van enkele gemeenten worden getolereerd; - een spreiding in de tijd van de terugbetaling van de achterstallen is om financiële redenen in het algemeen belang aangewezen; (de eiser) stelt dat een dadelijke realisatie van de rechtzetting van de historisch ontstane discordanties niet tot de materiële mogelijkheden van de Schatkist behoort. (De eiser) heeft het juist voor, wanneer hij stelt dat in concreto moet worden beoordeeld welke termijn als redelijk, dan wel als onredelijk moet worden beschouwd, rekening houdende met de specifieke gegevens van de zaak (zie ook :
- Opdebeek, op.cit., nr. 274, p. 136). Wat de hierboven door (de eiser) aangehaald redenen betreft, treedt de rechtbank de zienswijze van (de verweerster) bij dat die in feite drogredenen uitmaken. De door (de eiser) ingeroepen complexiteit van de zaak kan niet worden bijgetreden, nu (de eiser) zelf sedert medio 1999 maandelijks aan de gemeenten het zg. 173X-formulieer opstuurt, waarop het bedrag vermeld staat dat elke gemeente nog moet krijgen op basis van de bevindingen van de interne audit. Het door (de eiser) ingeroepen argument dat daarop vermelde bedragen geen definitieve bedragen zijn, had gemakkelijk ondervangen kunnen worden door tot provisionele uitkeringen over te gaan. Het tweede argument van (de eiser), de solidariteit tussen de gemeenten, werkt in de opinie van (de eiser) blijkbaar uitsluitend in het voordeel van de gemeenten die te veel hebben gekregen door middel van voorschotten. Ingevolge de invulling, die (de eiser) geeft aan deze solidariteit tussen de gemeenten, profiteren laatstgenoemde gemeenten uiteindelijk tweemaal, een eerste maal doordat zij voorschotten ontvingen, daar waar andere gemeenten achterstallen hebben, een tweede maal doordat zij deze voorschotten slechts geleidelijk dienen terug te betalen. Deze manifeste ongelijke behandeling tussen de gemeenten met voorschotten enerzijds en de gemeenten met achterstallen anderzijds valt niet te rechtvaardigen, zelfs niet aan de hand van het beginsel van de solidariteit tussen de gemeenten. De laatste door (de eiser) ingeroepen rechtvaardigingsgrond kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden aangenomen. Het is immers niet mogelijk te stellen dat het niet doorstorten van gelden, die aan (de verweerster) verschuldigd zijn, zou stroken met het algemeen belang. Het enige belang dat door een gespreide terugbetaling wordt gediend, is dat van (de eiser) zelf. Daarnaast is er het vitale belang van de gemeenten, en uiteindelijk van hun inwoners, dat een tijdige doorstorting van de aanvullende gemeentebelastingen vereist. Voorts kan de rechtbank niet voorbijgaan aan het imperatief van het begrotingsevenwicht dat aan de gemeenten werd opgelegd door het K.B. nr. 110 van 13 december 1982, zoals nadien gewijzigd. Om de hiervoor aangehaalde redenen is het in dat verband opnieuw zonder belang dat de federale overheid nooit een frank heeft weggemaakt ten nadele van de gemeenten, maar dat de gemeenten op termijn, d.w.z. na betaling of aanzuivering op een andere wijze van alle gevestigde aanslagen, krijgen waarop ze recht hebben. Evenmin is van belang dat de administratie, zoals (de eiser) stelt, sedert de audit gereageerd heeft met tal van operationele maatregelen teneinde de blootgelegde tekortkomingen optimaal te ondervangen. De rechtbank is van oordeel dat (de eiser) in casu een redelijke termijn-eis heeft miskend. De nota Rosoux, die de tekortkomingen van het manuele systeem aan het licht heeft gebracht, dateert van 29 september
- Op 28 april 1999 werden de resultaten van het definitief rapport COGEM 2 besproken op een hoorzitting in het Parlement, en op 4 juni 1999 richtte de minister van Financiën aan de burgemeesters van het Rijk een brief waarin de conclusies van dit rapport werden hernomen. Sedert medio 1999 wordt het bedrag dat elke gemeente nog dient te ontvangen, bekendgemaakt op het zg. 173X-formulier. Tot op heden heeft (de eiser) de achterstallen van (de verweerster) nog steeds niet aangezuiverd, en dit: - niettegenstaande de financiële noden van (de verweerster), en uiteindelijk van haar inwoners, waarvoor de tijdige doorstorting van de belastingheffing van vitaal belang was; ter zake kan de parallel worden getrokken met het geval waarin de fiscale administratie uitspraak moet doen over een bezwaarschrift tegen een fiscale aanslag voor een enorm bedrag, die de kredietwaardigheid van de betrokkene in het gevaar brengt, en waarvan wordt aangenomen dat bijzondere spoed vereist is (...); - niettegenstaande het feit dat de zaak, zoals reeds aangehaald, niet complex is; - niettegenstaande het feit dat het beroep van (de eiser) op begrotingsmoeilijkheden en op het gebrek aan financiële middelen, als argument om zijn verzuim of vertraging te rechtvaardigen, niet kan worden aanvaard: de overheid is immers verplicht haar financiën zo te regelen, dat alle juridische verplichtingen kunnen worden nageleefd (...). Gelet op het voorgaande, had een normaal, zorgvuldige en redelijk handelende overheid, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden, zich dermate moeten organiseren om uiterlijk tegen het einde van de maand december 1999 de op dat ogenblik bestaande achterstallige gemeentebelastingen door te storten. Door dit niet te doen, heeft (de eiser), naar het oordeel van de rechtbank, inderdaad een fout begaan. 2.b.
- Wat betreft de beweerde schade aan (de verweerster). Naar het oordeel van de rechtbank heeft (de verweerster) schade geleden, die voor vergoeding in aanmerking komt, omdat zij persoonlijk en zeker is, en bestaat in de krenking van een rechtmatig belang. ln dat verband doet (de eiser) terecht opmerken dat wanneer hij aansprakelijk wordt gesteld voor het niet-handelen binnen een redelijk termijn, alleen de schade die is ontstaan na het verstrijken van deze redelijke termijn voor vergoeding in aanmerking komt (...) De rechtbank volgt (de eiser) evenwel niet wanneer hij stelt dat (de verweerster) ter zake geen enkel element aanbrengt om haar schade-eis te staven. De rechtbank dient immers vast te stellen dat (de verweerster) in de dagvaarding zelf heeft aangehaald dat zij voorbehoud formuleerde voor het interestverlies en de geldontwaarding, die zij door een gerechtsdeskundige precies wou laten begroten. Indien (de eiser) desondanks een begroting van deze schade wenst, vordert (de verweerster) in haar besluiten provisioneel de interesten a rato van 9,6 pct. zijnde het fiscaal gebruikelijk rentetarief, en dit op de aanvankelijke som van 14.453.646 BEF sedert 1994, verminderd met dezelfde interesten op de bedragen die reeds werden afbetaald en dit sedert hun betaling. Derhalve komt de rechtbank tot het besluit dat, in tegenstelling tot wat (de eiser) beweert, (de verweerster) wel degelijk een aantal elementen aanbrengt om haar schade-eis te staven. De rechtbank dient deze elementen te appreciëren". Na deze uitspraak over fout en schade wijst het vonnis een aanspraak van de verweerster van de hand, ertoe strekkende de schade te begroten door toepassing van de fiscale moratoriumintresten, en wat betreft de kwijtschelding van de 3 pct. wettelijk bepaalde forfaitaire kosten. Het bestaan van een oorzakelijk verband tussen fout en schade wordt daarna door de rechtbank vastgesteld met de volgende overwegingen: "2.b.
- Wat betreft het oorzakelijk verband tussen de fout van (de eiser) en de schade van (de verweerster). (De eiser) stelt dat (de verweerster) geen enkel element aanbrengt ter staving van het oorzakelijke verband tussen de fout en de schade, hoewel de bewijslast bij haar berust. In ons land wordt in het burgerlijk aansprakelijkheidsrecht de equivalentieleer gehuldigd inzake het oorzakelijk verband dat dient aanwezig te zijn tussen fout en schade (...) Volgens deze leer moet elke fout, zonder dewelke de schade zich niet zou hebben voorgedaan zoals ze zich in concreto voordeed, als de oorzaak van de schade worden beschouwd. Naar het oordeel van de rechtbank kan in casu het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade als zeker en vaststaand worden beschouwd. Ter zake wordt met zekerheid aangetoond dat de nagelaten handeling (in casu het tijdig doorstorten van de aanvullende gemeentebelastingen) het schadegebeuren zou hebben belet". Grieven
- De eiser heeft, met verwijzing naar het grondwettelijke principe van de scheiding der machten, de ontvankelijkheid van de verweersters vordering bestreden. Dit verweer werd door het arrest afgewezen, met overname van de motieven van het vonnis van eerste aanleg. ln de overwegingen van het vonnis wordt een onderscheid gemaakt tussen, enerzijds, de zorgvuldigheidsnorm, waarnaar de eiser zich niet zou gedragen, en, anderzijds, een kritiek op het opgezette systeem, die niet de grondslag van de verweersters vordering zou uitmaken. In het arrest en in het vonnis wordt benadrukt dat de uitspraak enkel op grond van een tekortkoming aan de algemene zorgvuldigheidsnorm is gemotiveerd, en daardoor binnen de perken van de bevoegdheid van de civiele rechter blijft. De beoordeling van de ontvankelijkheid van de vordering is aldus verbonden aan de beoordeling van de grond van het geschil.
- Het staat wel vast dat de Staat, zoals alle andere openbare overheden, in beginsel onderworpen blijft aan de algemene aansprakelijkheidsnorm zoals zij voortvloeit uit de artikelen 1382 en 1383 van het burgerlijk wetboek. Anderzijds staat ook vast dat de rechterlijke macht geen bevoegdheid heeft om de methodes te beoordelen, die door de uitvoerende macht worden aangewend om haar opdracht te vervullen. Dit wordt in casu herhaaldelijk door de bodemrechter erkend en onderstreept. Ondanks deze stellingname blijkt echter dat de uitspraak de rechter op het terrein brengt van een kritiek van administratieve beslissingen. In het vonnis (blz. 12, derde en vierde alinea) wordt gepreciseerd dat de administratie wel gehandeld heeft "als een goede huisvader" in het toepassen van een nieuw boekhoudsysteem, tot vervanging van het vroegere waardoor de achterstanden ontstaan waren, doch dat de grieven van de verweerster enkel verband houden met de laattijdige doorstorting van de vastgestelde achterstallen. De verrichte doorstorting mag echter niet gezien worden in het enige geval van de verweerster. De administratie moest dit probleem voor het geheel van de Belgische gemeenten in acht nemen. De beslissing om één gemeente onmiddellijk en volledig uit te betalen, impliceert dat dezelfde gelden elders zullen gemist worden. Dit is een beleidsbeslissing, waarover de rechterlijke macht geen controle kan uitoefenen. In het vervullen van haar opdracht moet de overheid, en in casu de fiscale administratie, rekening houden met het algemeen belang. Dit betekent dat de financiële verrichtingen tussen de Staat en een bepaalde gemeente niet uitsluitend met het oog op het afzonderlijk belang van die gemeente mogen beoordeeld worden, maar dat ook de weerslag ervan ten opzichte van andere verplichtingen van de Staat, onder meer in verband met andere gemeenten, in acht moeten genomen worden. De aansprakelijkheid van de Staat kan bijgevolg niet beoordeeld worden uitsluitend op grond van de verhouding tussen de Staat en een bepaalde gemeente. Zulke afzonderlijke beoordeling zou immers impliceren dat de rechter de beslissingen van de Staat zou mogen beoordelen zonder acht te slaan op de andere getroffen ten aanzien van zijn andere verplichtingen, wanneer die maatregelen tot het oplossen van hetzelfde administratief probleem moeten bijdragen. De maatregelen getroffen voor het inhalen van de achterstallen die, zoals in het vonnis vastgesteld wordt, ontstaan zijn door de toepassing van een voordien gehanteerde verdeelsleutel, behoren aldus tot het gebied van de administratieve beslissingen. De civiele rechter heeft geen bevoegdheid om, op aanvraag van een individuele gemeente, de opportuniteit of de doeltreffendheid van die maatregelen te beoordelen.
- Daaruit vloeit voort dat de beoordeling over de vraag of de Staat de door vroegere methodes ontstane achterstand in de uitkering aan de verweerster van het haar toekomend aandeel in de personenbelasting, in dit bepaald geval binnen de door de bodemrechter vastgestelde termijn van zes maanden kon inhalen, een beoordeling over de werkwijze van de fiscale administratie inhoudt, en derhalve buiten de bevoegdheid treedt van de rechterlijke macht. Meer bepaald, wanneer de eerste rechter, wiens motieven in het arrest worden overgenomen, eisers verweer betreffende de verplichtingen van de Staat tegenover andere gemeenten afwijst (cfr. vonnis, blz. 13, derde en vierde alinea) betreedt hij het gebied van de beoordeling over het beleid van de Staat, waardoor hij zijn bevoegdheid te buiten gaat. Hieruit volgt dat het arrest, dat met bevestiging van de uitspraak en overname van de motieven van de eerste rechter de eiser aansprakelijk verklaart voor een fout, terwijl de verweten gedragingen tot het gebied van de overheidsbeslissingen van de uitvoerende macht behoort, bijgevolg het grondwettelijk principe van de scheiding der machten schendt en de artikelen van de grondwet waarin dit principe is vastgelegd (schending van de in de aanhef van het middel vermelde artikelen van de Grondwet, en van artikel 11 van het koninklijk besluit van 12 januari 1973, waardoor ook de in de aanhef van het middel vermelde fiscale wetsbepalingen geschonden zijn). Tevens, door het veroordelen van de eiser tot een schadevergoeding wegens een aangevoerde fout, in toepassing van de artikelen 1382 en 1383 van het burgerlijk wetboek, terwijl de rechter geen bevoegdheid had om de verweten gedragingen te bekritiseren, maakt het arrest een onwettige toepassing van de artikelen 1382 en 1383 van het burgerlijk wetboek (schending van deze artikelen). BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Geen enkele grondwettelijke of wettelijke bepaling of enig algemeen rechtsbeginsel stelt de administratieve overheid in de uitoefening van haar bevoegdheden vrij van de verplichting voortvloeiend uit de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek om de door haar fout aan een ander toegebrachte schade te vergoeden. Dit beginsel geldt ook wanneer aan het bestuur verweten wordt onzorgvuldig te zijn opgetreden door, onder meer, na te laten te handelen binnen een redelijke termijn. Hieruit volgt dat de Rechterlijke Macht bevoegd is om het bestuur te veroordelen tot vergoeding van de schade die een derde lijdt ingevolge zijn onzorgvuldig optreden, zonder daarbij evenwel aan het bestuur zijn beleidsvrijheid te ontnemen en zonder zich in zijn plaats te stellen. Aldus moet de Rechterlijke Macht de beoordelingsvrijheid eerbiedigen die het bestuur de mogelijkheid biedt zelf te oordelen over de wijze waarop het zijn bevoegdheid uitoefent en de meest geschikt lijkende oplossing te kiezen binnen de door de wet gestelde grenzen. Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 469, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), worden de vestiging en de inning van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting toevertrouwd aan de administratie der directe belastingen, onder de voorwaarden en volgens de regelen die de Koning bepaalt. Krachtens artikel 470 van hetzelfde wetboek, wordt op het bedrag van de gemeentelijke aanvullende belastingen een korting van 3 pct. ingehouden voor de terugbetaling van de administratiekosten aan de Schatkist. Overeenkomstig die bepalingen zorgt de administratie der directe belastingen voor de inkohiering en de inning van de aanvullende gemeentelijke belastingen op de personenbelasting, onder de verplichting die belasting, na aftrek van de korting, door de storten aan de steden en gemeenten. Geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling voorziet in een termijn binnen dewelke de administratie der directe belastingen die aanvullende gemeentebelastingen moet doorstorten. Aldus beschikt het bestuur ter zake over een ruime beoordelingsvrijheid. Het niet of laattijdig doorstorten van de aanvullende gemeentebelasting maakt in die omstandigheden slechts een fout uit in hoofde van het bestuur wanneer blijkt dat, alle omstandigheden in acht genomen, het bestuur kennelijk niet heeft gehandeld binnen een redelijke termijn. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis en op grond van eigen redenen, oordelen de appelrechters dat de doorstorting van de aanvullende gemeentebelasting door de eiser niet is gebeurd binnen een redelijke termijn. Bij hun beoordeling van de redelijke termijn, weigeren de appelrechters, met overname van de redenen van het beroepen vonnis, rekening te houden met de door de eiser aangevoerde noodwendigheden van het algemeen belang en meer in het bijzonder de verplichting van het bestuur om alle gemeenten op een zo gelijk mogelijke manier te behandelen. De appelrechters sluiten evenwel niet uit dat dit criterium dat de eiser aanvoert als grondslag van zijn optreden, in aanmerking moest genomen worden maar ze beoordelen de aansprakelijkheid van de stad uitsluitend op grond van de verhouding tussen de Staat en een bepaalde gemeente. Door aldus te oordelen beperken de appelrechters de beleidsvrijheid van het bestuur en schenden zij het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Ghislain Londers, Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 27 oktober 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061027.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100201.13 ECLI:BE:CALIE:2013:ARR.20131108.7 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090508.3 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090508.3 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121109.5 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200312.1N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970620.11 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040304.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220616.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div