id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061027.4 Rolnummer: D.06.0001.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-01-17 Raadplegingen: 565 - laatst gezien 2026-07-03 23:22 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De controle door de architect op de uitvoering van de werken impliceert een regelmatig bezoek aan de werf die hem toelaat na te gaan of de werken effectief conform de plannen worden uitgevoerd en, gelet op zijn vakkennis, op te treden wanneer problemen bij de uitvoering rijzen en deze desgevallend op te lossen. Thesaurus CAS: ARCHITECT (TUCHT EN BESCHERMING VAN DE TITEL) Vrije woorden: ARCHITECT (TUCHT EN BESCHERMING VAN DE TITEL) Controle op de uitvoering van de werken Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 18-04-1985 - Art.21 Fiche 2 De vereiste van persoonlijke controle op de uitvoering der werken door de architect, tenzij wanneer deze de verzekering heeft dat een andere architect hiermee wordt belast, brengt met zich mee dat deze taak in beginsel niet aan medewerkers niet-architecten mag worden gedelegeerd. Thesaurus CAS: ARCHITECT (TUCHT EN BESCHERMING VAN DE TITEL) Vrije woorden: ARCHITECT (TUCHT EN BESCHERMING VAN DE TITEL) Persoonlijke controle op de uitvoering van de werken Wettelijke bepalingen: Wet - 20-02-1939 - Art.4 Tekst van de beslissing Nr. D.06.0001.N V.L. eiser, vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 523, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen ORDE VAN ARCHITECTEN, publiekrechtelijk rechtspersoon, optredend door haar Nationale Raad, vertegenwoordigd door zijn voorzitter, met zetel te 1050 Brussel, Livornostraat 160, bus 2, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing, op 7 december 2005 gewezen door de raad van beroep van de Orde van architecten met het Nederlands als voertaal. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 21 van het reglement van beroepsplichten der architecten op 16 december 1983 vastgesteld door de nationale raad van de Orde der architecten en goedgekeurd bij koninklijk besluit van 18 april 1985; - artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect. Aangevochten beslissingen De bestreden beslissing doordat ze aan de eiser een schorsing gedurende een termijn van twee maanden oplegt, ondermeer op grond van de volgende motieven: "In de eerste betichting wordt aan (de eiser) verweten onvolledige opdrachten te aanvaarden. Daarvoor wordt onder meer verwezen naar een gebrek aan controle op de uitvoering van de werken. Krachtens art. 4 van de wet van 20 februari 1939 is de architect verplicht controle uit te oefenen op de werken. (De eiser) erkent trouwens uitdrukkelijk het bestaan van deze verplichting in zijn conclusies. Het is bewezen dat hij te kort is gekomen aan deze verplichting. Uit het onderzoek van de overgelegde bouwdossiers heeft het bureau vastgesteld dat de werfverslagen beperkt blijven tot een formaliteit en eigenlijk niet meer bevatten dan de aanwezigheden en het weerverlet. Geconfronteerd met deze vaststelling heeft de architect deze vaststelling in zijn verhoor op 4 december 2003 niet tegengesproken en zelfs impliciet bevestigd met de toevoeging dat de summiere inhoud van de zogenaamde werfverslagen te wijten is "aan het volste vertrouwen" dat hij heeft in het werk van de aannemer. Deze gegevens vormen het bewijs dat hij geen of onvoldoende controle uitoefent op de werken. Verder in dit verhoor geeft architect V.L. toe dat hij "de dossiers van zelfbouwers op dezelfde wijze behandelt als deze vergelijkbaar met aannemer L. ", hetgeen impliceert dat ook hier geen ernstige controle van de werken gebeurt. De eerste betichting is in die mate bewezen. Het behoort tot de essentiële taken van de architect controle uit te voeren op de werken en dit op basis van de wetgeving die (de eiser) zelf vermeldt in conclusies. De verwaarlozing van deze essentiële taak betekent vanzelfsprekend een inbreuk op de eer en waardigheid van het beroep van architect. (...) De derde betichting luidt: zich schuldig te hebben gemaakt aan naamlening, minstens onbevoegde derden in staat te hebben gesteld taken uit te voeren die voorbehouden zijn aan het beroep van architect. Bij zijn verhoor op 4 december 2003 verklaarde (de eiser): "De mensen die voor mij het tekenwerk doen zorgen meestal ook voor de opmetingen en gaan soms ook wel eens langs de werf omdat er zich tussen het oorspronkelijk opgetekende plan en de feitelijke situatie bij realisatie wel eens verschillen kunnen voordoen". Deze verklaring kan niet anders begrepen worden dan dat (de eiser) de controle van de werken ten dele laat uitvoeren door derden, niet architecten. De medewerkers waarnaar hij verwijst zijn vermeld in het verhoor van 26 juni
- Het betreft twee tekenaars, niet-architecten. De naamlening is niet bewezen: uit niets blijkt dat (de eiser) werfverslagen, opgesteld door deze medewerkers, als van hem zelf zijnde heeft voorgesteld. Wel is bewezen dat hij op voormelde wijze onbevoegden in de mogelijkheid heeft gesteld opdrachten uit te voeren die exclusief voorbehouden zijn aan architecten. Uit artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 volgt dat de wetgever de controle op de uitvoering van de werken aan de architecten heeft willen toevertrouwen. De architecten kunnen deze wettelijke taak niet delegeren aan derden, niet-architecten. Door zijn medewerkers toe te laten werfcontrole uit te oefenen heeft (de eiser) inbreuk gepleegd op deze verplichting en heeft daardoor de eer en waardigheid van het beroep geschonden. Deze betichting is derhalve bewezen". Grieven Eerste onderdeel Artikel 21 van het reglement van beroepsplichten der architecten op 16 december 1983 vastgesteld door de nationale raad van de Orde der architecten en goedgekeurd bij koninklijk besluit van 18 april 1985 bepaalt dat, in toepassing van de wet van 20 februari 1939, de architect de opdracht voor het opmaken van een uitvoeringsontwerp niet mag aanvaarden zonder tegelijkertijd te zijn belast met de controle op de uitvoering der werken, tenzij hij de verzekering heeft dat een andere architect met de controle is belast. Artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect legt de medewerking van een architect op voor het opmaken van de uitvoeringsplannen en de controle op de uitvoering der werken. De controle van de werken betekent concreet een vorm van leiding, controle en (niet permanent) toezicht over de werken. De leiding van de werken impliceert dat de architect aan de aannemer precieze en duidelijke richtlijnen geeft voor de goede uitvoering van de ontworpen plannen. De controle heeft betrekking op de uitvoering van de werken conform de plannen, veeleer dan op de concrete uitvoeringshandelingen van de aannemer. De controletaak van de architect omvat geen opdracht van bestendig toezicht of permanentie op de werf. De taak van toezichthouder op de werf valt immers normaal ten laste van de aannemer. De architect mag op de normale competentie van de aannemer rekenen. Uit de enige summiere inhoud van de werfverslagen en het volste vertrouwen dat de architect in het werk van de aannemer heeft, blijkt niet noodzakelijk dat de architect geen controle op de uitvoering der werken zou uitoefenen. In casu werd de eiser voor de Provinciale Raad vervolgd uit hoofde van, in overtreding van artikel 21 van het reglement van beroepsplichten, onvolledige opdrachten te aanvaarden, minstens onvoldoende bijstand aan de opdrachtgever te verschaffen. De bestreden beslissing stelt vast dat: "Uit het onderzoek van de overgelegde bouwdossiers heeft het bureau vastgesteld dat de werfverslagen beperkt blijven tot een formaliteit en eigenlijk niet meer bevatten dan de aanwezigheden en het weerverlet. Geconfronteerd met deze vaststelling heeft architect deze vaststelling in zijn verhoor op 4 december 2003 niet tegengesproken en zelfs impliciet bevestigd met de toevoeging dat de summiere inhoud van de zogenaamde werfverslagen te wijten is 'aan het volste vertrouwen' dat hij heeft in het werk van de aannemer. Deze gegevens vormen het bewijs dat hij geen of onvoldoende controle uitoefent op de werken. Verder in dit verhoor geeft architect V.L. toe dat hij 'de dossiers van zelfbouwers op dezelfde wijze behandelt als deze vergelijkbaar met aannemer L. ', hetgeen impliceert dat ook hier geen ernstige controle van de werken gebeurt". Uit deze enige overwegingen heeft de rechter niet wettig kunnen afleiden dat de architect de opdracht voor het opmaken van een uitvoeringsontwerp heeft aanvaard, zonder tegelijkertijd te zijn belast met de controle op de uitvoering der werken en daardoor de eer en waardigheid van het beroep heeft geschonden (schending van de artikelen 21 van het reglement van beroepsplichten der architecten op 16 december 1983 vastgesteld door de nationale raad van de Orde der architecten en goedgekeurd bij koninklijk besluit van 18 april 1985 en 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect). Tweede onderdeel Artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect legt de medewerking van een architect op voor het opmaken van de uitvoeringsplannen en de controle op de uitvoering der werken. De controle van de werken betekent concreet een vorm van leiding, controle en (niet-permanent) toezicht over de werken. De leiding van de werken impliceert dat de architect aan de aannemer precieze en duidelijke richtlijnen geeft voor de goede uitvoering van de ontworpen plannen. De controle heeft betrekking op de uitvoering van de werken conform de plannen, veeleer dan op de concrete uitvoeringshandelingen van de aannemer. De controletaak van de architect omvat geen opdracht van bestendig toezicht of permanentie op de werf. De taak van de controle op de uitvoering der werken komt persoonlijk toe aan de architect. Indien een derde, niet-architect, deze controle zou uitoefenen zonder duidelijke instructies of controle door een architect is er sprake van een schending van de Architectenwet. Uit de enige omstandigheid dat de tekenaars van de architect ook voor de opmetingen zorgen en soms ook wel eens langs de werf gaan, blijkt niet noodzakelijk dat deze werfcontrole uitoefenen zonder duidelijke instructies of controle door een architect. In casu werd de eiser voor de Provinciale Raad vervolgd uit hoofde van onbevoegde derden in staat te hebben gesteld taken uit te voeren die voorbehouden zijn aan het beroep van architect. De bestreden beslissing stelt vast dat: "Bij zijn verhoor op 4 dec. 2003 verklaarde architect V.L.: 'De mensen die voor mij het tekenwerk doen zorgen meestal ook voor de opmetingen en gaan soms ook wel eens langs de werf omdat er zich tussen het oorspronkelijk opgetekende plan en de feitelijke situatie bij realisatie wel eens verschillen kunnen voordoen'. Deze verklaring kan niet anders begrepen worden dan dat (de eiser) de controle van de werken ten dele laat uitvoeren door derden, niet architecten. De medewerkers waarnaar hij verwijst zijn vermeld in het verhoor van 26 juni
- Het betreft twee tekenaars, niet-architecten ( ..). Wel is bewezen dat hij op voormelde wijze onbevoegden in de mogelijkheid heeft gesteld opdrachten uit te voeren die exclusief voorbehouden zijn aan architecten. Uit artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 volgt dat de wetgever de controle op de uitvoering van de werken aan de architecten heeft willen toevertrouwen. De architecten kunnen deze wettelijke taak niet delegeren aan derden, niet-architecten. Door zijn medewerkers toe te laten werfcontrole uit te oefenen heeft (de eiser) inbreuk gepleegd op deze verplichting en heeft daardoor de eer en waardigheid van het beroep geschonden". Uit deze enige overwegingen heeft de rechter niet wettig kunnen afleiden dat de eiser onbevoegden in de mogelijkheid heeft gesteld opdrachten uit te voeren die exclusief voorbehouden zijn aan architecten en daardoor de eer en waardigheid van het beroep heeft geschonden (schending van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect moeten de Staat, de provincies, de gemeenten, de openbare instellingen en de particulieren een beroep doen op de medewerking van een architect voor het opmaken van de plans en de controle op de uitvoering van de werken, voor welke door de wetten, besluiten en reglementen een voorafgaande aanvraag om toelating tot bouwen is opgelegd. Krachtens artikel 21 van het Reglement van beroepsplichten der architecten op 16 december 1983 door de Nationale Raad van de Orde der architecten vastgelegd en goedgekeurd bij koninklijk besluit van 18 april 1985, mag de architect de opdracht voor het opmaken van een uitvoeringsontwerp niet aanvaarden zonder tegelijkertijd te zijn belast met de controle op de uitvoering der werken, tenzij hij de verzekering heeft dat een andere architect hiermee wordt belast.
- Voormelde controle door de architect op de uitvoering van de werken impliceert een regelmatig bezoek aan de werf die hem toelaat na te gaan of de werken effectief conform de plannen worden uitgevoerd en, gelet op zijn vakkennis op te treden wanneer problemen bij de uitvoering rijzen en deze desgevallend op te lossen.
- De bestreden beslissing neemt een inbreuk aan op de eer en de waardigheid van het beroep van architect op grond van de verwaarlozing van diens essentiële taak controle uit te voeren op de werken en stelt aan de hand van het onderzoek van de bouwdossiers vast: "dat de werfverslagen beperkt blijven tot een formaliteit en eigenlijk niet meer bevatten dan de aanwezigheden en het weerverlet. Geconfronteerd met deze vaststelling heeft (de) architect deze vaststelling in zijn verhoor op 4 december 2003 niet tegengesproken en zelfs impliciet bevestigd met de toevoeging dat de summiere inhoud van de zogenaamde werfverslagen te wijten is 'aan het volste vertrouwen' dat hij heeft in het werk van de aannemer. Deze gegevens vormen het bewijs dat hij geen of onvoldoende controle uitoefent op de werken. Verder in dit verhoor geeft architect V.L. toe dat hij 'de dossiers van zelfbouwers op dezelfde wijze behandelt als deze vergelijkbaar met aannemer L. ', hetgeen impliceert dat ook hier geen ernstige controle van de werken gebeurt".
- De raad van beroep die met die redenen oordeelt dat de eiser zich schuldig heeft gemaakt aan tekortkomingen aan de regels van de plichtenleer inzake de controle, schendt de in het onderdeel aangewezen wettelijke bepalingen niet.
- Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- De vereiste van persoonlijke controle op de uitvoering der werken door de architect, tenzij wanneer deze de verzekering heeft dat een andere architect hiermee wordt belast, brengt met zich mee dat deze taak in beginsel niet aan medewerkers niet-architecten mag worden gedelegeerd.
- Aan de hand van de verklaringen van eiser dat "de mensen die voor mij het tekenwerk doen zorgen meestal ook voor de opmetingen en gaan soms ook wel eens langs de werf omdat er zich tussen het oorspronkelijk opgetekend plan en de feitelijke situatie bij realisatie wel eens verschillen kunnen voordoen", neemt de bestreden beslissing aan dat de eiser onbevoegden in de mogelijkheid heeft gesteld opdrachten uit te voeren die exclusief voorbehouden zijn aan architecten en de wettelijke controletaak heeft gedelegeerd aan derden, niet-architecten.
- De beslissing schendt zodoende artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 niet.
- Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 449,26 euro jegens de eisende partij en op de som van 111,76 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Ghislain Londers, Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 27 oktober 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061027.4 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div