id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061030.3 Rolnummer: S.06.0035.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-01-17 Raadplegingen: 305 - laatst gezien 2026-07-03 16:05 Versie(s): Vertaling FR Fiche Voor het bestaan van een arbeidsongeval is niet vereist dat de oorzaak of één van de oorzaken van de plotselinge gebeurtenis buiten het organisme van de getroffene ligt
(1)Cass., 7 jan. 1991, AR 7263, nr 229; Cass., 6 maart 2006, AR S.05.0104.N, nr ... Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - BEGRIP. BESTAAN. BEWIJS Vrije woorden: ARBEIDSONGEVAL - BEGRIP. BESTAAN. BEWIJS Plotselinge gebeurtenis Geen externe oorzaak vereist Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - Artt.7en9 Tekst van de beslissing Nr. S.06.0035.N M. B., eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen VIVIUM, naamloze vennootschap, met zetel gevestigd te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koningsstraat 153, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 december 2005 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Grond van niet-ontvankelijkheid van het eerste en tweede onderdeel.
- De verweerster werpt op dat de onderdelen niet ontvankelijk zijn omdat de beslissing verantwoord blijft door de vaststelling dat de eiser geen aanwijsbaar element aantoont dat zijn letsel heeft kunnen veroorzaken.
- Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid is onafscheidbaar verbonden met het onderzoek over de grond van de onderdelen, zodat de grond van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aangenomen. Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 7, eerste lid, van de Arbeidsongevallenwet wordt, voor de toepassing van deze wet, als arbeidsongeval aangezien elk ongeval dat een werknemer tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst overkomt en dat een letsel veroorzaakt. Volgens het tweede lid van dit artikel wordt het ongeval overkomen tijdens de uitvoering van de overeenkomst, behoudens tegenbewijs, geacht als overkomen door het feit van de uitvoering van die overeenkomst.
- Krachtens artikel 9 van dezelfde wet wordt wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden benevens het bestaan van het letsel, een plotselinge gebeurtenis aanwijzen, het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed door een ongeval te zijn veroorzaakt. Op grond van deze bepalingen moet de getroffene het bestaan van een letsel en van een plotselinge gebeurtenis aantonen, overkomen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Voor het bestaan van een arbeidsongeval mag het letsel weliswaar niet uitsluitend te wijten zijn aan de inwendige gesteldheid van de getroffene, maar is het niet vereist dat de oorzaak of een van de oorzaken van de plotselinge gebeurtenis buiten het organisme van de getroffene ligt.
- De appelrechters oordelen dat voor de toepassing van de Arbeidsongevallenwet een arbeidsongeval vooreerst een plotselinge gebeurtenis moet zijn dewelke een lichamelijk letsel teweegbrengt en waarvan de oorzaak of één der oorzaken buiten het organisme van de getroffene ligt.
- De appelrechters stellen vast dat de eiser zijn voet "omgeklinkt" heeft bij het uitstappen van de container en tengevolge daarvan ten val is gekomen. De appelrechters wijzen zodoende een element aan in het gebeuren, namelijk het omzwikken van de voet en de val, maar oordelen dat dit niet het vereiste aanwijsbaar element is van de plotselinge gebeurtenis omdat hierbij geen externe oorzaak is aangetoond.
- Door aldus als vereiste te stellen dat de oorzaak of één van de oorzaken van de plotselinge gebeurtenis buiten het organisme van de getroffene ligt, schendt het arrest de artikelen 7 en 9 van de Arbeidsongevallenwet.
- Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
- De uitvoering van de gewone en normale dagtaak kan de plotselinge gebeurtenis uitmaken, voor zover in die uitvoering een element aanwijsbaar is dat het letsel kan hebben veroorzaakt. Het is niet vereist dat dit aanwijsbaar element te onderscheiden is van de uitvoering van de normale dagtaak.
- Het arrest oordeelt dat een normaal voorkomende beweging, zoals het afstappen uit een container en waarin geen aanwijsbaar element te onderscheiden is van het normale verloop van het uitstappen uit een container, niet als een plotselinge gebeurtenis in aanmerking kan worden genomen.
- Door voor de plotselinge gebeurtenis een uitzonderlijk aanwijsbaar element te vereisen dat onderscheiden is van de uitvoering van de normale dagtaak, schendt het arrest de de artikelen 7 en 9 van de Arbeidsongevallenwet. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Kosten
- Overeenkomstig artikel 68 van de Arbeidsongevallenwet dient de verweerster in de kosten te worden veroordeeld. Dictum Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de verweerster in de kosten. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel. De kosten begroot op de som van 100,27 euro jegens de eisende partij en op de som van 208,33 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van dertig oktober tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061030.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090119.13 ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090420.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div