id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061030.4 Rolnummer: S.05.0034.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-01-17 Raadplegingen: 539 - laatst gezien 2026-07-03 07:14 Versie(s): Vertaling FR Fiche De beslissing tot annulering van de aangifte die de werkgever deed voor een persoon die geen werknemer was, is geen latere gebeurtenis die de bijdrageplicht van de werkgever verandert zodat de verjaringstermijn voor de terugvordering van de onverschuldigd betaalde bijdragen ingaat vanaf de betaling ervan en niet vanaf de voormelde annulering
(1).
(1)Cass., 24 jan. 2000, AR S.98.0150.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000124.7, nr
- Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Bijdragen Terugvordering Verjaring Latere gebeurtenis Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - Art.42,tweede Tekst van de beslissing Nr. S.05.0034.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen INDUSTRIAL PRODUCTS AND PNEUMATICS, naamloze vennootschap, met zetel te 2610 Wilrijk, Biesthoevelaan 25, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 22 oktober 2004 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Raadsheer Ghislain Dhaeyer heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in een verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1, ,§1, 5, 9, 21, 22 en 42, tweede lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (R.S.Z.-Wet), artikel 21, vóór zijn vervanging bij artikel 5 van de wet van 24 februari 2003, artikel 42, tweede lid, vóór zijn wijziging bij wet van 29 april 1996; - de artikelen 1235, 1376, 1377, 1378, 2251 tot en met 2258 van het Burgerlijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel luidens hetwelk de verjaring van een vordering niet loopt tegen degene die in de onmogelijkheid verkeert om deze rechtsvordering in te stellen ten gevolge van een uit de wet voortvloeiend beletsel, waarvan de artikelen 2251 tot en met 2258 een toepassing uitmaken. Bestreden beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiser ongegrond en het incidenteel beroep van de verweerster gegrond, veroordeelt de eiser dienvolgens tot betaling aan de verweerster van een bedrag van 48.915,47 euro, te vermeerderen met de verwijlinteresten vanaf 30 juli 1994 en de gerechtelijke interesten, en vernietigt het vonnis van de eerste rechter in zoverre het de vordering van de verweerster slechts gedeeltelijk heeft ingewilligd. De beslissing dat de vordering van de verweerster niet was verjaard, werd gegrond op de volgende motieven en overwegingen: "De verjaring - de verjaringstermijn - de aanvang van de verjaringstermijn: Artikel 42, tweede lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de arbeiders bepaalt, in de toepasselijke lezing, dat de vorderingen, ingesteld tegen de R.S.Z., tot terugvordering van niet-verschuldigde bijdragen, verjaren na drie jaren, die ingaan op de dag van de betaling. Bij dagvaarding van 13 december 1995 vorderde (de verweerster) van (de eiser) de door haar betaalde bijdragen terug, die zij had betaald voor J.V.D.V. in de periode januari 1991 tot en met maart
- (De eiser) laat thans gelden dat deze vordering verjaard is bij zoverre zij in de tijd verder reikt dan 13 december 1992, datum die drie jaar de datum van de dagvaarding voorafgaat. (De verweerster) antwoordt hierop in hoofdorde dat het klopt dat de verjaringstermijn drie jaar beloopt, maar dat deze termijn pas is beginnen te lopen op 6 mei 1994, de dag waarop het bericht van wijziging der bijdragen door (eiser) werd opgesteld. Dit bericht wordt gestaafd in de volgende zin: 'Annulatie van de aangiften voor Van Der Voort Jean daar volgens het verslag van verhoor van 3 maart 1994 blijkt dat hij geen prestaties leverde onder de voorwaarden van een arbeidsovereenkomst' . (De verweerster) verwijst verder naar een arrest van het Hof van Cassatie van 24 januari 2000 (Soc. Kron. 2000, 480) waarin wordt geoordeeld dat het ingaan van de verjaringstermijn, bepaald bij artikel 42, tweede lid, van de R.S.Z.-Wet slechts geldt bij zoverre de verplichtingen van de bijdrageplichtige op het ogenblik van de betaling geen verandering ondergaan door een latere gebeurtenis die voor de bijdrageplichtige rechten doet ontstaan voor de periode waarvoor de betaling werd verricht. (De eiser) antwoordt dat dit cassatiearrest geen afbreuk doet en slechts een verfijning is van een vroeger arrest van het Hof van Cassatie van 18 januari 1982 (Arr. Cass. 1981-82, 621) waarmee het Hof van Cassatie besliste dat de bedoelde verjaringstermijn loopt vanaf de datum van betaling en niet vanaf de datum van een latere beslissing, waarbij een werknemer werd geacht onderworpen te zijn aan het sociaal statuut der zelfstandigen. In het arrest van 18 januari 1982 merkt het Hof van Cassatie op dat het arbeidshof had vastgesteld dat R.N. niet door een arbeidsovereenkomst met de vennootschap was verbonden, maar als werkend vennoot van die vennootschap de hoedanigheid van zelfstandige bezat. Deze vaststelling is niet verzoenbaar, volgens het Hof van Cassatie, met de beslissing van het arbeidshof dat de vordering tot terugbetaling van ten onrechte betaalde bijdragen pas is ontstaan bij de beslissing dat R.N. onderworpen is aan het sociaal statuut der zelfstandigen met terugwerkende kracht. Het arrest van het arbeidshof werd omwille van deze tegenstijdigheid verbroken. In hetzelfde arrest van het arbeidshof kon men immers niet tegelijk beslissen dat men altijd zelfstandige is geweest (met als inherent gevolg dat geen R.S.Z-bijdragen verschuldigd waren en de vordering tot terugbetaling van bijdragen die toch waren betaald onmiddellijk openstond) en de vordering tot terugbetaling van onverschuldigde R.S.Z.-bijdragen pas ontstond, tot leven kwam bij de latere beslissing tot onderwerping aan het sociaal statuut der zelfstandigen. Het Hof van Cassatie heeft in het arrest van 24 januari 2000 niet een dergelijke tegenstrijdigheid vastgesteld in het arrest, waartegen het cassatieberoep was ingesteld. In dit arrest van 24 januari 2000 beslist het Hof van Cassatie 'dat de regel dat de termijn van verjaring ingaat vanaf de dag van de betaling slechts geldt in zoverre de verplichtingen van de bijdrageplichtige op het ogenblik van de betaling geen verandering ondergaan door een latere gebeurtenis die voor de bijdrageplichtige rechten doet ontstaan voor de periode waarvoor de betaling werd verricht' . Het Hof van Cassatie kijkt dus naar het tijdstip waarop de verjaringstermijn een aanvang neemt en de aard van de verplichtingen van de bijdrageplichtige op dat moment. Deze aard moet dan dezelfde blijven gedurende de loop van verjaringstermijn, wil de verjaring effect sorteren, is er te lezen tussen de lijnen van de overweging in het cassatiearrest. Artikel 42, tweede lid, van de R.S.Z-Wet heeft het over de terugvordering van niet verschuldigde bijdragen. Bijdragen zijn verschuldigd in de context van huidige betwisting wanneer er sprake is van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Immers artikel 1, ,§1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt: 'Deze wet vindt toepassing op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden'. In casu hadden (de verweerster) en J.V.D.V. hun samenwerking gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. Zij hadden deze kwalificatie gematerialiseerd in een geschreven arbeidsovereenkomst (stuk 9 van (de verweerster). Consequent met deze kwalificatie werden de prestaties van J.V.D.V. aangegeven bij (de eiser) en werden de bijdragen betaald. Er was geen wil aanwezig, noch bij (de verweerster) noch bij J.V.D.V. om hun samenwerking op zelfstandige basis te organiseren. Dus was (de verweerster) bijdrageplichtig en betaalde zij in haar hoedanigheid van werkgever. Op het ogenblik van de betaling en met de kaarten die toen op tafel lagen, waaronder het gegeven dat (de eiser) de aangiften en de bijdragen aanvaardde, had (de verweerster) geen grond om een vordering in terugbetaling van deze bijdragen op te steunen. Het is pas op het ogenblik dat (de eiser) als het ware 'inbreekt' in de samenwerking tussen (de verweerster) en J.V.D.V. en voor zichzelf beslist dat de samenwerking tussen (de verweerster) en J.V.D.V. een zelfstandig karakter had, dat de situatie verandert. Het is op het ogenblik van deze beslissing (28 april - 6 mei 1994), waar (de verweerster), noch J.V.D.V. om gevraagd hadden, dat de aard van de verplichtingen van (de verweerster) verandert. Waar zij voorheen bijdrageplichtig was, wordt zij dat door de beslissing van (de eiser) niet meer. Zij legt zich bij de beslissing van (de eiser) blijkbaar neer want haar sociaal secretariaat vordert de betaalde bijdragen terug. Het is dus de beslissing van (de eiser) van april-mei 1994, een latere gebeurtenis, die de verplichtingen van (de verweerster) verandert. Nadien zijn deze niet meer veranderd. Vermits, ook volgens het Hof van Cassatie, de verplichtingen van de bijdrageplichtige geen verandering mogen ondergaan, wil de verjaringstermijn van artikel 42, tweede lid, van de R.S.Z.-Wet beginnen lopen, staat het in casu vast dat deze verplichtingen wél een verandering hebben ondergaan door de beslissing van (de eiser) van april-mei
- Het is pas op dat laatste ogenblik dat deze verjaringstermijn in casu begon te lopen. De terugvordering van (de verweerster) is over heel de lijn ontvankelijk en gegrond vermits de dagvaarding van 13 december 1995 tijdig werd uitgebracht. Uit de bovenstaande motivering volgt dat het incidenteel beroep logischerwijze gegrond is. De terugvordering van (de eiser) op incidenteel beroep is immers over heel de lijn gegrond, zo wordt er beslist". Grieven Overeenkomstig artikel 42, tweede lid, R.S.Z.-Wet (vóór zijn wijziging bij wet van 29 april 1996) verjaren de vorderingen, ingesteld tegen eiser, tot terugvordering van niet verschuldigde bijdragen, na drie jaar, welke ingaan op de dag van de betaling. Hoewel voormelde bepaling het vertrekpunt van de verjaringstermijn uitdrukkelijk vastlegt op de dag van de betaling der bijdragen, geldt deze regel slechts in zoverre de verplichtingen van de bijdrageplichtige op het ogenblik van de betaling geen verandering ondergaan door een latere gebeurtenis die voor de bijdrageplichtige rechten doet ontstaan voor de periode waarvoor de betaling werd verricht. Een latere gebeurtenis die de verplichtingen van de bijdrageplichtige sedert de betaling van de bijdragen verandert en die in zijne hoofde rechten doet ontstaan voor de periode waarvoor de betaling werd verricht, is een gebeurtenis die:
(1)de betaling retroactief onverschuldigd maakt
(2)en constitutief is ten aanzien van de vestiging van subjectieve rechten. De bedoelde gebeurtenis dient m.a.w. van die aard te zijn dat ze als een wettelijk beletsel kan worden opgevat die verhinderde dat de vordering tot terugvordering eerder kon worden ingesteld. Wanneer de latere gebeurtenis aan voormelde voorwaarden beantwoordt, doet zij het aanvangspunt van de verjaringstermijn voor de vordering tot terugvordering van niet verschuldigde bijdragen, ingaan vanaf die gebeurtenis. De overheidsbeslissing die op grond van een discretionaire beoordelingsbevoegdheid een vermindering toekent van sociale bijdragen voor bijdragen die reeds zijn betaald, vormt een latere gebeurtenis die de betaling van de bijdragen retroactief onverschuldigd maakt en die subjectieve rechten doet ontstaan voor de periode waarvoor de betaling werd gedaan. De overheidsbeslissing, daarentegen, die in uitvoering van een gebonden bevoegdheid werd genomen, kan niet als een latere gebeurtenis worden beschouwd in voormelde zin waardoor de verjaringstermijn begint te lopen vanaf de datum van die beslissing nu een beslissing genomen in het raam van een gebonden bevoegdheid strekt tot de bevestiging van bestaande rechten en niet tot de vestiging van nieuwe rechten zodat aan de aard van de verplichtingen niet wordt geraakt. Eerste onderdeel Wanneer de eiser ambtshalve beslist om een werknemer aan het stelsel van de sociale zekerheid te onttrekken dan handelt de eiser niet op grond van een discretionaire bevoegdheid, maar steunt deze beslissing op een gebonden bevoegdheid. Hoewel de eiser, ambtshalve, kan beslissen over de toepassing van de R.S.Z.-Wet, zonder voorafgaand verhaal bij de rechter, dient hij hierbij immers steeds te handelen volgens de ter zake toepasselijke wettelijke bepalingen. De eiser is een openbare instelling die slechts kan optreden krachtens de wet (artikel 9 R.S.Z.-Wet) en tot taak heeft, overeenkomstig artikel 5 van de R.S.Z.-Wet, om de bijdragen van de werkgevers en werknemers te innen die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden (artikel 1, ,§1, R.S.Z.-Wet). Waar krachtens deze laatste bepaling de toepassing van de R.S.Z.-Wet, in beginsel, wordt onderworpen aan de voorwaarde dat de werknemers en werkgevers door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden, houdt zulks in dat, wanneer de eiser vaststelt dat de overeenkomst die tussen partijen werd gesloten niet beantwoordt aan de wettelijke definitie van een arbeidsovereenkomst, zoals omschreven in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (zie de artikelen 1 t.e.m.5), hij wettelijk verplicht is om de partijen bij deze overeenkomst aan de toepassing van de R.S.Z.-Wet te onttrekken, zonder dat een andersluidende beslissing mogelijk is. Niet de beslissing van eiser tot onttrekking van de heer J.V.D.V. aan het stelsel van de sociale zekerheid bepaalde aldus het statuut dat op laatstgenoemde van toepassing was, maar wel de wettelijke voorwaarden die het toepasselijke statuut omschrijven. Het door de eiser in casu opgestelde bericht van wijziging bevatte in die zin niets meer dan de vaststelling dat de heer J.V.D.V. op grond van de wet nooit bij de verweerster onder de voorwaarden van een arbeidsovereenkomst heeft gewerkt en dat uit hoofde van die werkzaamheden bijgevolg nooit bijdragen waren verschuldigd. Het wijzigingsbericht zelf heeft zodoende aan de verplichtingen van de bijdrageplichtige niets veranderd sedert de betalingen van de bijdragen, noch rechten doen ontstaan voor de periode waarvoor de betalingen werden verricht. Het ambtshalve optreden van de eiser strekt in dat geval slechts tot bevestiging van een vooraf bestaande toestand zodat de werknemer, bij onttrekking aan het R.S.Z.-statuut, spijts de bijdragebetalingen gedaan door zijn werkgever, geacht moet worden steeds als zelfstandige te hebben gewerkt. De bijdragen die een werkgever heeft betaald voor zijn werknemer die nadien onverschuldigd blijken te zijn betaald omdat de werknemer niet is onderworpen aan de regeling van de sociale zekerheid voor werknemers, dienen bijgevolg als niet-verschuldigde bijdragen te worden beschouwd vanaf de dag van de betaling en niet vanaf de dag van de latere beslissing waarop door de eiser ambtshalve wordt vastgesteld dat de samenwerking tussen partijen een zelfstandig karakter had. Hieruit volgt dat bestreden arrest niet wettig heeft kunnen oordelen dat de beslissing (van april-mei 1994) van eiser tot onttrekking van de heer J.V.D.V. aan het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers, een latere gebeurtenis is die de aard van de verplichtingen van de verweerster sedert de betaling van de bijdragen heeft veranderd waardoor de verjaringstermijn pas was ingegaan vanaf het ogenblik van die beslissing (schending van alle in de aanhef van het middel aangevoerde bepalingen en van het aangehaalde algemeen rechtsbeginsel). Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 2251 van het Burgerlijk Wetboek loopt de verjaring niet tegen hen voor wie de wet een uitzondering maakt, waardoor voorkomen wordt dat de verjaring zou intreden terwijl een wettelijke regel de schuldeiser verhindert de betaling te verkrijgen van zijn vordering. De ambtshalve beslissing van de eiser om een werknemer aan het stelsel van de sociale zekerheid te onttrekken omdat geen prestaties werden geleverd in uitvoering van een arbeidsovereenkomst vormt geen wettelijk beletsel dat voor de werkgever tot gevolg heeft dat hij in de onmogelijkheid verkeert om zijn vordering tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bijdragen reeds uit te oefenen vanaf de respectievelijke betalingen van die bijdragen. Overeenkomstig artikel 21 R.S.Z.-Wet staat het aan iedere werkgever om, los van enige actie van eiser, de R.S.Z.-Wet op een correcte wijze toe te passen en enkel aangifte te doen van een werknemer die effectief krachtens een arbeidsovereenkomst wordt tewerkgesteld (cf. artikel 21bis R.S.Z.-Wet). Bij iedere aangifte kan en moet de werkgever derhalve telkens voor zichzelf uitmaken of in zijne hoofde een bijdrageplicht bestaat voor de prestaties die hij bij de eiser aangeeft. De rechtsdwaling in hoofde van de verweerster omtrent het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen haarzelf en de heer J.V.D.V. was bijgevolg enkel aan haar toe te rekenen en werd niet gecreëerd door de wet, noch door het latere optreden van de eiser. Een rechtsdwaling kan nooit een oorzaak van schorsing zijn voor de loop van de verjaring, zelfs niet wanneer zij onoverkomelijk is. Ten onrechte zag het bestreden arrest derhalve in de beslissingen van de eiser van 28 april en 6 mei 1994 een wettelijk beletsel waardoor de verjaringstermijn voor de vordering tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde bijdragen nog niet tegen verweerster was beginnen lopen. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig heeft kunnen oordelen dat de verjaringstermijn voor de vordering van verweerster pas inging vanaf de beslissing van eiser tot onttrekking van de heer J.V.D.V. aan de toepassing van het stelsel van de sociale zekerheid, noch wettig heeft kunnen oordelen dat haar vordering, ingesteld bij dagvaarding op 13 december 1995, niet was verjaard en gegrond was (schending van het algemeen rechtsbeginsel en de bepalingen aangehaald in de aanhef van het middel). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat: - de verweerster haar algemeen directeur onder arbeidsovereenkomst tewerkstelde van 1 augustus 1990 tot 31 maart 1993; - vanaf 1 april 1993 deze persoon in de vennootschap actief bleef als zelfstandige; - de eiser bij brief van 28 april 1994 aan de verweerster liet weten dat uit onderzoek was gebleken dat die persoon niet als werknemer in dienst was geweest zodat de aangiften voor de niet verjaarde kwartalen werden geannuleerd; - de eiser op 6 mei 1994 een bericht van wijziging opstelde met betrekking tot de onverschuldigde bijdragen over het eerste kwartaal 1991 tot het eerste kwartaal 1993, met de mededeling dat dit bedrag in het voordeel van de verweerster mocht gecompenseerd worden met de bijdragen die zij verder verschuldigd zouden zijn; - de verweerster via haar sociaal secretariaat terugbetaling vroeg waarop de eiser niet is op ingaan; - de verweerster de eiser op 13 december 1995 dagvaardde tot terugbetaling. 2. Artikel 42, tweede lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt, zoals te dezen van toepassing, dat de vorderingen ingesteld tegen de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tot terugbetaling van niet verschuldigde bijdragen, verjaren na drie jaar, welke ingaan op de dag van de betaling. De regel dat de termijn van verjaring ingaat vanaf de dag van de betaling geldt slechts in zoverre de verplichtingen van de bijdrageplichtige op het ogenblik van de betaling geen verandering ondergaan door een latere gebeurtenis die voor de bijdrageplichtige rechten doet ontstaan voor de periode waarvoor de betaling werd verricht. 3. Een bericht van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan een werkgever waarin hem wordt medegedeeld dat na onderzoek is gebleken dat een persoon die hij als werknemer had ingeschreven en voor wie hij bijdragen heeft betaald, geen prestaties als werknemer leverde zodat de aangiften voor die persoon worden geannuleerd, maakt geen latere gebeurtenis uit die de verplichtingen van de bijdrageplichtige op het ogenblik van de betaling verandert en die voor hem rechten doet ontstaan voor de periode waarvoor de betaling werd verricht. Wanneer een werkgever bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aangifte doet van een persoon die geen werknemer is, is die aangifte overeenkomstig artikel 21 van de voormelde wet van 27 juni 1969 niet verantwoord en kan dit geen bijdrageplicht tot gevolg hebben, zodat de annulering van die aangifte de niet bestaande bijdrageplicht niet verandert en voor hem geen rechten doet ontstaan voor de periode waarvoor de betaling werd verricht. 4. Het arrest dat oordeelt dat eisers beslissing tot annulering van de aangifte die de verweerster deed voor een persoon die geen werknemer was, een latere gebeurtenis uitmaakt die de bijdrageplicht van de verweerster verandert, zodat de verjaringstermijn voor de terugvordering van de onverschuldigd betaalde bijdragen ingaat nadat de eiser van die annulering aan de verweerster kennis gaf, is niet naar recht verantwoord. 5. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel 6. Het onderdeel kan niet tot een ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van dertig oktober tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061030.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110211.5 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130429.5 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130517.1 ECLI:BE:CTBRL:2011:ARR.20110616.12 precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000124.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div