← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061030.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061030.5 Rolnummer: S.05.0085.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-01-17 Raadplegingen: 597 - laatst gezien 2026-07-03 07:14 Versie(s): Vertaling FR Fiche Voor de toepassing van artikel 117, ,§2, van de Programmawet van 30 december 1988 moet het bestaan van een zelfde technische bedrijfseenheid worden bepaald op grond van sociale en economische criteria; de enkele omstandigheid dat de bedrijvigheid van de ene juridische entiteit niet wordt voortgezet door de andere entiteit, belet niet van die beide entiteiten dezelfde technische bedrijfseenheid uitmaken, bepaald aan de hand van sociale en economische criteria

(1).
(1)Zie Cass., 19 mei 2003, AR S.02.0117.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030519.4, nr
  1. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen - Algemeen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen - Sociale-zekerheidsbijdragen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Verminderingen Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Werkgevers Bijdragen Vermindering Zelfde technische bedrijfseenheid Begrip Wettelijke bepalingen: Wet - 30-12-1988 - Artt.115,115bi Annotaties Publicaties: R.W. - W. RAUWS; Het begrip technische bedrijfseenheid in ... - 2006-2007, 1677-1679 Tekst van de beslissing Nr. S.05.0085.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen C. N., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 17 februari 2005 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Raadsheer Ghislain Dhaeyer heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 115, 115bis en 117, ,§2, van de Programmawet van 30 december 1988; - artikel 149 van de Grondwet. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart, met vernietiging van het vonnis van de arbeidsrechtbank, de vordering van de eiser ongegrond. De beslissing dat de verweerster uit hoofde van de tewerkstelling van de heer I.M. van de bijdragevermindering kan genieten voorzien in de artikelen 115 en 115bis van de Programmawet van 30 december 1988 nu deze werknemer niet tevoren in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam was geweest, was op de volgende overwegingen gestoeld: (p. 7-9) "Het bestaan van een technische bedrijfseenheid moet worden vastgesteld op het tijdstip waarop de indienstneming plaatsvond. In casu is dit 10 april
  2. Zelf bepaalt de Programmawet niet wat er precies moet worden begrepen onder een 'technische bedrijfseenheid'. Sommigen houden voor dat naar de inhoud van dit begrip alsdan moet worden gezocht in andere wetgevingen. Zo is het begrip 'technische bedrijfseenheid' omschreven in artikel 14 van de wet van 20 september 1948, houdende de organisatie van het bedrijfsleven. Het (arbeidshof) meent dat de definitie in deze wet slechts een element van beoordeling is en is het er niet mee eens dat bij ontstentenis van een definitie van het begrip 'technische bedrijfseenheid' in de Programmawet van 30 december 1988 zelf, men zich zonder meer kan verlaten op de inhoud van dit begrip, zoals het in andere wetten wordt gedefinieerd. De begripsomschrijving van de andere wetten is hoogstens een toetssteen. De finaliteit van elke wet is immers anders. Bovendien is er ook rekening te houden met het veranderde tijdsbeeld sinds een bepaalde wet van kracht is geworden. Cruciaal is het begrip bedrijfseenheid. In casu is er geen sprake van een dergelijke eenheid omdat de bedrijvigheid van vader C. juridisch niet werd voortgezet door de dochter, (de verweerster). Van een voortgezette bedrijvigheid kan maar sprake zijn als de overlater en de overnemer de voortzetting helemaal zelf in handen hebben en enkel zij tot die voortzetting kunnen beslissen. Dat is hier niet het geval: de uitbating van het Zilverbos is een bedrijvigheid die beperkt is in de tijd. Zij is namelijk het voorwerp van een concessie, die slechts voor zes jaren wordt toegewezen door de provincie Antwerpen, eigenaar van het provinciaal domein 'Het Zilvermeer'. Voor de concessiehouder neemt deze bedrijvigheid in principe een einde na afloop van deze zes jaren. De concessie wordt vervolgens opnieuw toegewezen en de nieuwe concessiehouder start dan een nieuwe bedrijvigheid voor zes jaren. In casu heeft dit scenario zich perfect voltrokken. De concessie die aan vader C. was toegewezen, nam een einde op 31 maart
  3. Vader C. was geen kandidaat meer bij de toewijzing van de volgende concessie. Zijn bedrijvigheid nam aldus een einde. Consequent hiermee werd I.M., die voor vader C. werkte, tijdig opgezegd. Even consequent kwam I.M. op de werkloosheid terecht. Noch op het ogenblik dat I.M. werd opgezegd (23 december 1994), noch op het ogenblik dat zijn dienstbetrekking werkelijk een einde nam (22 januari 1995) was er door de Bestendige Deputatie een beslissing gevallen over wie er nieuwe concessionaris zou worden (deze beslissing dateert van 16 februari 1995). Er bestond dan ook geen juridische mogelijkheid voor vader en dochter C. om zich van de voortzetting van de bedrijvigheid te verzekeren. De toewijzing van de concessie door een derde instantie, de provincie, vormt een breuk tussen de bedrijvigheid van vader C. en de nieuwe bedrijvigheid van dochter C.. Precies omdat vader en dochter C., omwille van de toewijzing van de concessie, zich niet van de voortzetting van de bedrijvigheid konden verzekeren, konden zij aan I.M. geen enkele garantie bieden van verdere tewerkstelling. Aldus is het zogezegde 'ommetje' via de werkloosheid hier niet klaarblijkelijk. De bedrijvigheid van (de verweerster) is een nieuwe bedrijvigheid die kadert in de concessie die haar voor zes jaren werd toegewezen door de provincie. Aldus staat er geen bedrijfseenheid vast tussen de bedrijvigheid van vader C. die omwille van een externe factor (de looptijd van de concessie) teneinde kwam op 31 maart 1995 en de nieuwe bedrijvigheid van (de verweerster) die slechts het levenslicht kon zien dankzij een externe factor, namelijk de toewijzing van de concessie. Deze externe factor, waarvan vader en dochter wezenlijk afhankelijk waren, sluit juridisch de voortzetting van de bedrijvigheid uit. Er zijn geen andere elementen die tussen hen een bedrijfseenheid aantonen. De verwantschap tussen vader en dochter C. is niet relevant omdat de uitbating van het Zilverbos niet hun eigendom was, waarover ze vrij en bij uitsluiting konden beschikken. Er is dan ook niet voldaan aan artikel 117, ,§2, van de Programmawet van 30 december 1988 dat vereist dat de werkzaamheid van de nieuwe werknemer moest plaatshebben binnen dezelfde technische bedrijfseenheid. Tussen vader en dochter C. is er geen sprake van een technische bedrijfseenheid, zoals hogerop is aangegeven. Het stopzetten van zijn bedrijvigheid door vader C. leidde noodzakelijkerwijze tot het opnieuw ter beschikking komen van de werknemers op de arbeidsmarkt. Deze stopzetting leidde tot een verlies van tewerkstelling. Dit verlies was objectief omdat het veroorzaakt werd door een externe factor, namelijk de duurtijd van de concessie. Op het ogenblik dat I.M. in dienst kwam van (de verweerster), betekende hij een netto aanwinst voor de tewerkstelling in het algemeen. Zij mag immers niet ongelijk worden behandeld tegenover een derde aan wie (per hypothese) de nieuwe concessie zou zijn toegewezen, die een andere werkloze dan I.M. in dienst zou hebben genomen. In dit laatste scenario immers zou de tewerkstelling van deze andere werkloze door die niet verwante derde wel als een nieuwe tewerkstelling zijn beschouwd. Voor het overige zijn de partijen het er over eens dat (de verweerster) voldoet aan de voorwaarden van artikel 117, ,§1, van de Programmawet van 30 december
  4. Het hoger beroep in hoofdorde is dan ook gegrond. Het vonnis van de eerste rechter wordt vernietigd. De oorspronkelijke vorderingen van de (de eiser) zijn ongegrond". Grieven Eerste onderdeel
  5. De werkgever die, zoals de verweerster, voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 117, ,§1, van de Programmawet van 30 december 1988, kan aanspraak maken op een tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid ter bevordering van de tewerkstelling, voor de nieuw in dienst genomen werknemer die met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt aangenomen en die een netto-aangroei van het personeelsbestand uitmaakt (zie de artikelen 115, 115bis en 116). Overeenkomstig artikel 117, ,§2, van de Programmawet van 30 december 1988, kan deze werkgever evenwel niet genieten van de tijdelijke bijdragevermindering, voorzien in hoofdstuk VII van de Programmawet, indien de nieuw in dienst genomen werknemer een werknemer vervangt die in de loop van de twaalf kalendermaanden voorafgaand aan de indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam geweest is. Deze bepaling heeft tot doel te vermijden dat een loutere wijziging van het juridisch statuut van de werkgever, zonder enige reële werkgelegenheidsschepping, recht geeft op het voordeel van de vermindering. Zo zal een toename van het personeelsbestand tengevolge van een fusie, splitsing, omzetting of opslorping van ondernemingen, of elke andere constructie waarbij aan een bestaande bedrijvigheid een einde wordt gesteld om onder een nieuwe juridische vorm te worden voortgezet, nooit recht geven op de bijdragevermindering waarin hoofdstuk VII van de Programmawet voorziet (zie artikel 129). Ook wanneer een nieuwe werkgever de bestaande bedrijvigheid juridisch niet kan voortzetten omwille van het feit dat de verderzetting van de bedrijfsactiviteit afhankelijk is van de toewijzing van een concessie door de overheid, zal deze werkgever, wanneer hij de concessie verwerft, geen aanspraak kunnen maken op de bijdragevermindering voor een nieuw in dienst genomen werknemer die in de loop van de twaalf kalendermaanden voorafgaand aan de indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam is geweest bij de vorige concessiehouder. De omstandigheid dat een bestaande bedrijvigheid door de opvolgende entiteit juridisch niet wordt voortgezet, heeft alleszins niet tot gevolg dat tussen beide entiteiten geen technische bedrijfseenheid kan bestaan. Het bestaan van een "technische bedrijfseenheid" in de zin van artikel 117, ,§2, dient in de eerste plaats immers te worden beoordeeld aan de hand van de sociale en economische verwevenheid tussen beide entiteiten (zie het tweede onderdeel), veeleer dan aan hun juridische samenhang. Niet van belang voor het bepalen van de bedrijfseenheid tussen enerzijds de uitbating van de horecazaak door vader C., waaraan een einde was gekomen ingevolge het verstrijken van zijn concessie, en, anderzijds, de uitbating van diezelfde zaak door dochter C. krachtens de toewijzing op 16 februari 1995 van de nieuwe concessie, waren derhalve het feit: - dat de bedrijvigheid van vader C. juridisch niet werd voortgezet door zijn dochter; - dat de bedrijvigheid het voorwerp uitmaakte van een concessie met beperkte looptijd die door de overheid moet worden toegewezen; - dat er hierdoor geen juridische mogelijkheid bestond voor vader en dochter om zich van de voortzetting van de bedrijvigheid te verzekeren; - dat zij bijgevolg aan I.M. geen enkele garantie konden bieden van verdere tewerkstelling. Het gegeven dat de toewijzing van een concessie aldus een externe factor vormde waarvan vader en dochter wezenlijk afhankelijk waren en die juridisch gezien een breuk vormde tussen beide bedrijvigheden, kan bijgevolg geen afbreuk doen aan de vaststelling dat de heer I.M. door de verweerster, na het verwerven van de concessie, binnen identiek dezelfde bedrijfseenheid werd tewerkgesteld, zijnde het cafetaria "Zilverbos", gelegen in het provinciaal domein "Zilvermeer" te Mol. De werknemer die zijn bestaande tewerkstelling binnen dezelfde technische bedrijfseenheid voortzet voor een nieuwe werkgever, waardoor er geen reële netto-aangroei is van de tewerkstelling, vervangt een werknemer in de zin van artikel 117, ,§2, in casu zichzelf, waarvoor zijn nieuwe werkgever niet kan genieten van de tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen. Het argument dat verweerster omwille van haar verwantschap met de vorige uitbater niet ongelijk mag worden behandeld tegenover een derde aan wie, bij veronderstelling, de concessie zou zijn toevertrouwd en die een andere uitkeringsgerechtigde werkloze dan I.M. zou hebben aangeworden, waarvoor volgens het bestreden arrest wel de bijdragevermindering zou worden genoten nu dit als een nieuwe tewerkstelling zou kunnen worden beschouwd, snijdt geen hout. In die hypothese zou die andere werknemer immers eveneens de "vervanger" zijn van I.M. wiens tewerkstelling hij voortzet in dezelfde technische bedrijfseenheid zodat ook die "nieuwe" werkgever voor deze "nieuwe" werknemer met toepassing van artikel 177, ,§2, niet van het recht op eer tijdelijke vermindering van werkgeversbijdragen zou kunnen genieten. De beslissing dat I.M. een netto aanwinst betekende voor de tewerkstelling in het algemeen kon derhalve evenmin wettig worden geschraagd op voormelde beschouwingen met betrekking tot de ongelijke behandeling van verweerster ten opzichte van derden. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig heeft kunnen oordelen dat er geen technische bedrijfseenheid tussen de eenmanszaken van vader en dochter C. was aangetoond op grond van het ontbreken van een juridische voortzetting van de bestaande bedrijvigheid door verweerster (schending van de artikelen 115, 115bis en 117, ,§2, van de Programmawet van 30 december 1988). Tweede onderdeel Ten bewijze van het bestaan van een technische bedrijfseenheid tussen de respectievelijke uitbating door vader en dochter C. van de horecazaak werden door de eiser in zijn beroepsbesluiten meerdere sociale en economische factoren aangehaald die duiden op de feitelijke voortzetting door de verweerster van de bestaande bedrijvigheid: - het feit dat vader en dochter dezelfde horecazaak "Zilverbos" exploiteerden; - het feit dat twee van de vroegere werknemers van haar vader, door de verweerster bij aanvang van de exploitatie werden aangeworven; - het feit dat de activiteit op dezelfde plaats werd uitgeoefend; - dat de activiteiten identiek zijn; - dat het bedrijfsmateriaal hetzelfde is (zie de antwoordconclusie in graad van beroep, p. 5). Het bestreden arrest antwoordt niet op deze beroepsbesluiten en beperkt zich tot de vaststelling dat "er (...) geen andere elementen (zijn) die tussen hen een bedrijfseenheid aantonen" Hieruit volgt dat het bestreden arrest geen rekening heeft gehouden met voormelde door de eiser in zijn besluiten aangevoerde elementen. De beslissing dat tussen vader en dochter C. geen bedrijfseenheid was aangetoond, was bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  6. Krachtens de bepalingen van de artikelen 115, 115bis en 116, van de Programmawet van 30 december 1988, kan de werkgever, die aan de voorwaarden bepaald in artikel 117, ,§1, van diezelfde wet voldoet, genieten van een tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid ter bevordering van de tewerkstelling voor de nieuw in dienst genomen werknemer die met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt aangenomen en die een netto-aangroei van het personeelsbestand uitmaakt.
  7. Overeenkomstig artikel 117, ,§2, van de voormelde Programmawet, geniet de in paragraaf 1 bedoelde werkgever niet van de tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen indien de nieuw in dienst genomen werknemer een werknemer vervangt die in de loop van de twaalf kalendermaanden voorafgaand aan de indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam is geweest. Uit deze bepaling volgt dat een nieuwe indienstneming geen recht geeft op de bedoelde bijdragevermindering wanneer zij niet gepaard gaat met enige reële werkgelegenheidsschepping in dezelfde technische bedrijfseenheid.
  8. Voor de toepassing van artikel 117, ,§2, dient het bestaan van een technische bedrijfseenheid bepaald te worden op grond van sociale en economische criteria. Dit betekent dat nagegaan moet worden of de entiteit waarin de nieuw in dienst genomen werknemer wordt tewerkgesteld, sociaal en economisch verweven is met de entiteit waarin, in de loop van de 12 maanden voorafgaand aan zijn indienstneming, een werknemer werkzaam is geweest die hij vervangt.
  9. De enkele omstandigheid dat de bedrijvigheid van de ene entiteit juridisch niet wordt voortgezet door de andere entiteit, belet niet dat die beide entiteiten dezelfde bedrijfseenheid uitmaken, bepaald aan de hand van sociale en economische criteria.
  10. Het arrest stelt vast dat: - de verweerster vanaf 1 april 1995 een horecazaak uitbaatte, waarvoor zij de concessie door de overheid kreeg toegewezen en die tot 31 maart 1995 werd uitgebaat door de vorige concessiehouder; - de verweerster vanaf 22 april 1995 een werknemer tewerkstelde die tot 22 januari 1995 in dezelfde horecazaak werkzaam was geweest bij de vorige concessiehouder.
  11. Het arrest oordeelt dat er geen sprake is van dezelfde technische bedrijfseenheid omdat de bedrijvigheid van de vorige concessiehouder juridisch niet werd voortgezet door de verweerster, nu de toewijzing van de concessie door een derde instantie een externe factor vormt die de voortzetting van de bedrijvigheid juridisch uitsluit.
  12. Op grond van het ontbreken van een juridische voortzetting en zonder aan de hand van sociale en economische criteria na te gaan of de bedrijvigheid van de verweerster verweven was met deze van de vorige concessiehouder, kon het bestreden arrest niet wettig beslissen dat er geen zelfde technische bedrijfseenheid bestond.
  13. Zodoende schendt het arrest artikel 117, ,§2, van de Programmawet van 30 december
  14. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven
  15. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van dertig oktober tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061030.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260209.3F.4 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260209.3F.5 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260209.3F.6 ECLI:BE:CTLIE:2022:ARR.20220830.1 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.088 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030519.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071112.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100201.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.