id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.11 Rolnummer: P.06.0890.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Strafrecht Invoerdatum: 2007-02-27 Raadplegingen: 209 - laatst gezien 2026-07-03 07:13 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 40, lid 2.b(v) van het Verdrag inzake de rechten van het kind, dat het recht toekent om het oordeel over het strafbaar feit gepleegd door een minderjarige opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege is, ingevolge de interpretatieve verklaring die België bij de neerlegging van de bekrachtigingoorkonde heeft afgelegd, niet toepasselijk op de personen die krachtens de Belgische wet rechtstreeks naar het hof van assisen worden verwezen, ook al zijn zij jonger dan achttien jaar. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Vrije woorden: JEUGDBESCHERMING Beslissing tot uit handen geven van de jeugdrechtbank Verwijzing naar het Hof van Assisen Veroordeling Verdrag inzake de rechten van het kind Kind dat schuldig geacht wordt aan een strafbaar feit Recht op beoordeling door een hogere rechterlijke instantie Toepasselijkheid Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - ALLERLEI Vrije woorden: HOF VAN ASSISEN - ALLERLEI Beschuldigde minderjarig op het ogenblik van de feiten Beslissing tot uit handen geven van de jeugdrechtbank Verwijzing naar het Hof van Assisen Veroordeling Verdrag inzake de rechten van het kind Kind dat schuldig geacht wordt aan een strafbaar feit Recht op beoordeling door een hogere rechterlijke instantie Toepasselijkheid Fiche 3 De uithandengeving maakt de zaak niet aanhangig bij het onderzoeksgerecht of het vonnisgerecht. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Vrije woorden: JEUGDBESCHERMING Beslissing tot uit handen geven van de jeugdrechtbank Wettelijke bepalingen: Wet - 08-04-1965 - Artt.38,50,§ Fiches 4 - 7 De beslissing waarbij de jeugdrechter een zaak uit handen geeft, of een verwijzingsbeschikking van het onderzoeksgerecht omschrijven het feit slechts voorlopig en het staat de vonnisrechter, met eerbiediging van het recht van verdediging, aan het feit zijn juiste omschrijving te geven; het belang van het kind doet hieraan geen afbreuk
(1)Zie: Cass., 23 sept. 1983, AR 6005, nr 51; Cass., 3 dec. 1985, AR 9053, nr 225; Cass., 14 april 1987, AR 946, nr 491. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Vrije woorden: JEUGDBESCHERMING Beslissing tot uit handen geven van de jeugdrechtbank Omschrijving van het strafbaar feit door de Jeugdrechtbank Draagwijdte Verplichting van de vonnisrechter Belang van het kind Wettelijke bepalingen: Wet - 08-04-1965 - Artt.38,50,§ Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: ONDERZOEKSGERECHTEN Verwijzing naar het vonnisgerecht na beslissing tot uit handen geven van de jeugdrechtbank Omschrijving van het strafbaar feit Verplichting van de vonnisrechter Belang van het kind Wettelijke bepalingen: Wet - 08-04-1965 - Artt.38,50,§ Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Zaak aanhangig gemaakt na uithandengeving door de jeugdrechtbank Omschrijving van het strafbaar feit door de Jeugdrechtbank Draagwijdte Verplichting van de vonnisrechter Belang van het kind Wettelijke bepalingen: Wet - 08-04-1965 - Artt.38,50,§ Vrije woorden: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Beslissing tot uit handen geven van de jeugdrechtbank Zaak aanhangig gemaakt ingevolge verwijzing door het onderzoeksgerecht Omschrijving van het strafbaar feit Draagwijdte Verplichting van de vonnisrechter Belang van het kind Wettelijke bepalingen: Wet - 08-04-1965 - Artt.38,50,§ Tekst van de beslissing Nr. P.06.0890.N B Y, beschuldigde, eiser, met als raadsman mr. Walter Van Steenbrugge, advocaat bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest gewezen op 18 mei 2006 door het Hof van Assisen van de Provincie Oost-Vlaanderen, waarbij uitspraak gedaan wordt over de tegen de eiser ingestelde strafvordering. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. FEITEN De eiser die geboren werd op 30 november 1987, wordt door het bestreden arrest veroordeeld wegens "te Gent, op 19 januari 2004, een zaak die hem niet toebehoorde bedrieglijk weggenomen te hebben, namelijk een bedrag van 190,00 euro en een bankkaart, ten nadele van D C, met de omstandigheid dat doodslag op D C, zijnde opzettelijke doding met het oogmerk om te doden, werd gepleegd om die diefstal te vergemakkelijken of om de straffeloosheid ervan te verzekeren" (art. 392, 393, 461, eerste lid, en 475 Strafwetboek). De onderzoeksrechter te Gent verwees bij beschikking van 29 november 2004 de eiser naar de Jeugdrechtbank te Gent wegens "door middel van geweld of bedreiging ten nadele van D C, een bedrag van 190,00 euro en een bankkaart die hem niet toebehoorden, bedrieglijk weggenomen te hebben, met de verzwarende omstandigheid dat het geweld of de bedreiging gepleegd zonder het oogmerk om te doden, toch de dood heeft veroorzaakt van D C". Bij arrest van het Hof van Beroep te Gent, Jeugdkamer, van 9 mei 2005 werd de zaak lastens de eiser wegens dezelfde omschrijving bij toepassing van artikel 38, eerste lid, Jeugdbeschermingswet uit handen gegeven. De raadkamer bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent heeft op 30 november 2005 een beschikking tot gevangenneming lastens de eiser verleend en bevolen dat de stukken overeenkomstig artikel 133 Wetboek van Strafvordering aan de procureur-generaal worden opgestuurd. Bij arrest van het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 december 2005 werd de beschikking tot gevangenneming bekrachtigd en werd de eiser naar het Hof van Assisen van de provincie Oost-Vlaanderen verwezen uit hoofde van: "te Gent, op 19 januari 2004, door middel van geweld of bedreiging ten nadele van D C, een bedrag van 190,00 euro en een bankkaart die hem niet toebehoorden, bedrieglijk weggenomen te hebben, met de verzwarende omstandigheid dat het geweld of de bedreiging gepleegd zonder het oogmerk om te doden, toch de dood heeft veroorzaakt van D C" (art. 461, 468, 474 en 483 Strafwetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 40, lid 2.b (
- v)van het verdrag van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind (hierna: Verdrag Rechten van het Kind) omdat het hof van assisen de eiser veroordeelt en tegen die veroordeling geen hoger beroep openstaat. 2. Voornoemd artikel 40 bepaalt: "40. 1. De staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind dat wordt verdacht van, vervolgd wegens of veroordeeld omwille van het begaan van een strafbaar feit, op een wijze van behandeling die geen afbreuk doet aan het gevoel van waardigheid en eigenwaarde van het kind, die de eerbied van het kind voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van anderen vergroot, en waarbij rekening wordt gehouden met de leeftijd van het kind en met de wenselijkheid van het bevorderen van de herintegratie van het kind en van de aanvaarding door het kind van een opbouwende rol in de samenleving. 2. Hiertoe, en met inachtneming van de desbetreffende bepalingen van internationale akten, waarborgen de Staten die partij zijn met name dat: (...)
- b)ieder kind dat wordt verdacht van of vervolgd wegens het begaan van een strafbaar feit, ten minste de volgende garanties heeft: (...) (
- v)indien het schuldig wordt geacht aan het begaan van een strafbaar feit, dat dit oordeel en iedere maatregel die dientengevolge wordt opgelegd, opnieuw wordt beoordeeld door een hogere bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit of rechterlijke instantie overeenkomstig de wet". 3. Het Verdrag Rechten van het Kind werd bekrachtigd bij wet van 25 november 1991 die bekendgemaakt werd in het Belgisch Staatsblad op 7 januari 1992 met inwerkingtreding op 15 januari 1992. Bij de neerlegging van de bekrachtigingoorkonde heeft België onder meer de volgende interpretatieve verklaring afgelegd: "Met betrekking tot lid 2 b.(
- v)van artikel 40 is de Belgische Regering van oordeel dat de uitdrukking 'overeenkomstig de wet' in fine van deze bepaling betekent dat: (...)
- b)deze bepaling niet van toepassing is op minderjarigen die krachtens de Belgische wet rechtstreeks verwezen worden naar een hoger rechtscollege zoals het Hof van Assisen." 4. Wegens deze interpretatieve verklaring betreffende artikel 40, lid 2.b (
- v)Verdrag Rechten van het Kind, dat het recht toekent om het oordeel over het strafbaar feit, gepleegd door een minderjarige, opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege, is die bepaling van dat verdrag niet toepasselijk op de personen die krachtens de Belgische wet rechtstreeks naar het hof van assisen worden verwezen, ook al zijn zij jonger dan achttien jaar. Het middel faalt naar recht. Tweede middel 5. Het middel voert schending aan van artikel 6, lid 3, a en b, EVRM omdat op de voorlaatste dag van het assisenproces de kwalificatie in het nadeel van de eiser werd verzwaard. 6. Dit artikel bepaalt: "3. Eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, heeft ten minste de volgende rechten :
- a)onverwijld, in een taal welke hij verstaat, en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;
- b)te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten welke nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging". 7. Aan de bepaling van artikel 6, lid 3, a, EVRM, krachtens hetwelk eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, onverwijld, in een taal die hij verstaat, en in bijzonderheden, op de hoogte moet worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging, is voldaan wanneer de verdachte, de beklaagde of de beschuldigde zodanig is ingelicht dat hij zijn recht van verdediging ten volle kan uitoefenen. 8. Op de terechtzitting van het hof van assisen van 17 mei 2006 (blad 39) werd de beschuldigde uitgenodigd zich te verdedigen op "de verzwarende omstandigheid van doodslag op D C waaromtrent het openbaar ministerie een bijkomende vraag aan de jury wil gesteld zien". Namens de beschuldigde heeft zijn raadsman geen bezwaar gemaakt tegen deze eventuele herkwalificatie of geen opmerking gemaakt over een eventueel gebrek aan tijd om zich hierop te verdedigen en heeft hij integendeel over deze eventuele herkwalificatie gepleit. 9. Het blijkt niet dat de eiser voor het Hof van Assisen schending van zijn rechten, vervat in artikel 6, lid 3, a en b, EVRM, heeft aangevoerd. Hij kan dit niet voor het eerst voor het Hof doen. Het middel is niet ontvankelijk. Derde middel 10. Het middel voert schending aan van artikel 3.1 Verdrag Rechten van het Kind omdat het bestreden arrest aan de feiten waarvoor de eiser door de jeugdrechter uit handen werd gegeven, een zwaardere kwalificatie heeft gegeven, wat niet in het belang van het kind is. 11. De uithandengeving maakt de zaak niet aanhangig bij het onderzoeksgerecht of het vonnisgerecht. De zaak wordt slechts verwezen naar het openbaar ministerie met het oog op vervolging voor het gerecht bevoegd krachtens het gemeen recht als daartoe grond bestaat. De beslissing waarbij de jeugdrechter een zaak uit handen geeft, of een verwijzingsbeschikking van een onderzoeksgerecht omschrijven het feit slechts voorlopig. Het staat de vonnisrechter, met eerbiediging van het recht van verdediging, aan het feit zijn juiste omschrijving te geven. Het belang van het kind doet hieraan geen afbreuk. De juiste omschrijving kan andere feitelijke bestanddelen van dit feit releveren dan die van de voorlopige omschrijving van de beslissing tot uithandengeving of van de verwijzingsbeschikking. 12. Het arrest geeft aan het feit geen omschrijving die onverenigbaar is met de voorlopige omschrijving ervan in de beslissing tot uithandengeving of van de verwijzingsbeschikking en de eiser heeft de kans gekregen zich hierop te verdedigen. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering 13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 60,26 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 31 oktober 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div