← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.4 Rolnummer: P.06.0898.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 519 - laatst gezien 2026-07-03 21:44 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het artikel 235ter, Wetboek van Strafvordering voert een afzonderlijke, inquisitoire en niet-tegensprekelijke rechtspleging in, waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling enkel de regelmatigheid beoordeelt van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, voor zover zij daartoe het vertrouwelijk dossier, bedoeld in de artikelen 47septies en 47novies, Wetboek van Strafvordering, moet controleren

(1).
(1)Cass., 31 okt. 2006, AR P.06.1016.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.5, nr ...; 31 okt. 2006, AR P.06.0841.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.2, nr ... Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Beoordeling van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie - Artikel 235ter Sv. Fiche 2 De rechtspleging van artikel 235ter, Wetboek van Strafvordering doet geen afbreuk aan de eventuele toepassing van de rechtspleging van de artikelen 235 en 235bis, Wetboek van Strafvordering, maar wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling, ter gelegenheid van de controle van het vertrouwelijk dossier, wil overgaan tot een onderzoek van de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure met inbegrip van het onderzoek van de wettigheid en de regelmatigheid van de observatie en infiltratie aan de hand van het strafdossier, dan moet zij een debat openen overeenkomstig artikel 235bis, § 3, Wetboek van Strafvordering. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie - Artikel 235ter Sv. - Controle van de regelmatigheid van de gehele procedure - Artikel 235bis Sv. - Bevoegdheid op grond van artikel 235, Sv. - Samenloop van de bevoegdheden ex 235, 235bis en 235ter, Sv. Fiches 3 - 4 Wanneer in een cassatiemiddel, bij wijze van prejudiciële vraag, wordt aangevoerd dat artikel 235ter, § 6, Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat tegen de controle van het vertrouwelijk dossier door de kamer van inbeschuldigingstelling, in het kader van het onderzoek van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, geen rechtsmiddel openstaat, de artikelen 10 en 11, Grondwet schendt, moet het Hof van cassatie deze prejudiciële vraag, die betrekking heeft op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, stellen aan het Arbitragehof
(1).
(1)Zie Cass., 18 juni 1992, AR 9235-9316, nr 547; Cass., 16 dec. 1997, AR P.97.0510.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991214.7, nr
  1. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Vraag betreffende de ontvankelijkheid van het cassatieberoep - Verplichting van het Hof Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art. 26 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Arbitragehof - Hof van Cassatie - Vraag betreffende de ontvankelijkheid van het cassatieberoep - Verplichting van het Hof Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art. 26 Tekst van de beslissing Nr. P.06.0898.N I V, inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 3000 Gent, Recolettenlei 39-40, alwaar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 9 mei
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslager heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Bestreden arrest
  3. Het bestreden arrest is gewezen met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering ingevoegd bij de wet van 27 december 2005 houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering en van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de onderzoeksmethoden in de strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde criminaliteit, in werking getreden op 30 december
  4. Het arrest wijst het stellen van prejudiciële vragen aan het Arbitragehof af en stelt, op vordering het Openbaar Ministerie, vast dat de toegepaste bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie regelmatig zijn verlopen. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  5. Het artikel 235ter Wetboek van Strafvordering voert een afzonderlijke rechtspleging in waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling enkel de regelmatigheid beoordeelt van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie voor zover ze daartoe het vertrouwelijk dossier, bedoeld in de artikelen 47septies en 47nonies Wetboek van Strafvordering, moet controleren. Deze afzonderlijke rechtspleging is inquisitoir en geschiedt niet op tegenspraak.
  6. De kamer van inbeschuldigingstelling hoort, afzonderlijk en buiten de aanwezigheid van de partijen, de opmerkingen van de procureur-generaal. Ze hoort, op dezelfde wijze, ook de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde, na kennisgeving die hen door de griffier ten laatste achtenveertig uur vóór de zitting per faxpost of bij een ter post aangetekende brief werd gedaan en waarbij hen ook ter kennis wordt gebracht dat het strafdossier tijdens deze periode op de griffie in origineel of in kopie ter inzage ligt. De kamer van inbeschuldigingstelling kan ook, nog steeds op dezelfde wijze, de onderzoeksrechter en de officier van gerechtelijke politie die de leiding heeft over de uitvoering van de bijzondere opsporingsmethoden, horen. Zij kan ten slotte de onderzoeksrechter gelasten de politieambtenaren te horen die met de uitvoering van de bijzondere opsporingsmethoden zijn belast of de getuige aan wie overeenkomstig de artikelen 86bis en 86ter Wetboek van Strafvordering anonimiteit werd verleend, en beslissen bij dit verhoor aanwezig te zijn of één van haar leden daartoe af te vaardigen.
  7. Bij deze rechtspleging hebben enkel de magistraten van de kamer van inbeschuldigingstelling het recht het vertrouwelijk dossier in te zien. De burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde hebben dat recht niet.
  8. De rechtspleging van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering doet geen afbreuk aan de eventuele toepassing van de rechtspleging van de artikelen 235 en 235bis Wetboek van Strafvordering.
  9. De kamer van inbeschuldigingstelling moet een debat openen overeenkomstig artikel 235bis, ,§ 3, Wetboek van Strafvordering, wil ze ter gelegenheid van de controle van het vertrouwelijk dossier, overgaan tot een onderzoek van de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure met inbegrip van het onderzoek van de wettigheid en de regelmatigheid van de observatie en infiltratie aan de hand van het strafdossier.
  10. Artikel 235ter, ,§ 6, Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat tegen de controle van het vertrouwelijk dossier door de kamer van inbeschuldigingstelling geen rechtsmiddel openstaat, houdt in dat tegen een arrest dat enkel de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie of infiltratie beoordeelt aan de hand van de controle van het vertrouwelijk dossier, geen cassatieberoep openstaat. Prejudiciële vraag
  11. Het tweede onderdeel van het tweede middel voert aan dat waar enerzijds omtrent de bewijsgaring ten gevolge van een telefoontap of een huiszoeking voor de inverdenkinggestelde een onmiddellijk cassatieberoep openstaat tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling waarin uitspraak wordt gedaan over de wettigheid en de regelmatigheid van de bewijsgaring tengevolge van onderzoeksmethoden als telefoontap en een huiszoeking, er anderzijds geen cassatieberoep mogelijk is tegen een arrest dat overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering uitspraak doet over de wettigheid en de regelmatigheid van de bewijsgaring ten gevolge van observatie en infiltratie. Het onderdeel verzoekt het Arbitragehof daarom de vraag te stellen: "Schendt artikel 235ter, ,§ 6, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet in samenlezing met artikel 13 Grondwet en artikel 6 EVRM in de interpretatie dat inverdenkinggestelden die het voorwerp hebben uitgemaakt van observatie en infiltratie tegen een arrest overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering waarbij uitspraak wordt gedaan omtrent de wettigheid van de bewijsgaring ingevolge de observatie en infiltratie de mogelijkheid tot een cassatieberoep wordt ontzegd terwijl voor personen die het voorwerp hebben uitgemaakt van even ingrijpende onderzoeksmethoden zoals telefoontap en huiszoeking zich tegen een arrest dat zich uitspreekt omtrent de wettigheid van de bewijsgaring ingevolge de toepassing van huiszoeking of telefoontap, steeds de mogelijkheid hebben om een cassatieberoep in te stellen, en dit zowel tijdens het vooronderzoek als tijdens de vonnisfase?" Er is grond het Arbitragehof de hierna heromschreven prejudiciële vraag te stellen. Dictum Het Hof, Houdt zijn uitspraak aan tot het Arbitragehof uitspraak zal hebben gedaan over de vraag: "Schendt artikel 235ter, ,§ 6, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet, doordat deze wetsbepaling geen enkel cassatieberoep toelaat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling betreffende de controle van de regelmatigheid over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, in zoverre daartoe de controle van het vertrouwelijk dossier is vereist, terwijl artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering een onmiddellijk cassatieberoep toelaat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling betreffende de toepassing van onder meer artikel 235bis Wetboek van Strafvordering en de artikelen 407, 408, 409, 413 en 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering cassatieberoep toelaten tegen elk eindarrest of eindvonnis?" Houdt ook de beslissing over de kosten aan. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 31 oktober 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.4 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080129.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991214.7 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.2 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.