id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.5 Rolnummer: P.06.1016.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 811 - laatst gezien 2026-07-04 05:09 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het staat de rechter de toelaatbaarheid van onrechtmatig verkregen bewijs dat de wet niet uitdrukkelijk uitsluit, te beoordelen in het licht van de artikelen 6, E.V.R.M. en 14, I.V.B.P.R., rekening houdende met de elementen van de zaak in haar geheel genomen, inbegrepen de wijze waarop het bewijs verkregen werd en de omstandigheden waarin de onrechtmatigheid werd begaan; hij kan bij dit oordeel, onder meer, één of het geheel van volgende omstandigheden in afweging nemen: hetzij dat de overheid die met de opsporing, het onderzoek en de vervolging van misdrijven is belast, al dan niet de onrechtmatigheid opzettelijk heeft begaan, hetzij dat de ernst van het misdrijf veruit de begane onrechtmatigheid overstijgt, hetzij dat het onrechtmatig verkregen bewijs alleen een materieel element van het bestaan van het misdrijf betreft
(1).
(1)Cass., 23 maart 2004, AR P.04.0012.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040323.24, nr 165. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Onrechtmatig verkregen bewijs Toelaatbaarheid Beoordeling door de rechter Fiche 2 De omstandigheid dat de overheid die met de opsporing, het onderzoek en de vervolging van misdrijven is belast, bij de bewijsverkrijging opzettelijk een onrechtmatigheid heeft begaan, moet niet noodzakelijk leiden tot bewijsuitsluiting door de rechter. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Onrechtmatig verkregen bewijs Opzettelijke onrechtmatigheid Onrechtmatigheid begaan door de overheid die met de opsporing, het onderzoek en de vervolging van misdrijven is belast Fiches 3 - 4 Inmenging van het openbaar gezag met betrekking tot de uitoefening van het recht op eerbiediging van het privé-leven, het gezinsleven, het huis en de briefwisseling, in de zin van artikel 8.2, E.V.R.M., houdt in dat dit openbaar gezag zich ongevraagd inlaat of bemoeit met de uitoefening van het door artikel 8.1, E.V.R.M. gewaarborgde recht; dit is niet het geval wanneer een vertegenwoordiger van het openbaar gezag, ingaande op het verzoek van de beklaagden of een van hen, zich bereid verklaart in te staan voor het transport van de verdovende middelen, die het voorwerp uitmaken van een door de beklaagden opgezette belangrijke internationale verhandeling van verdovende middelen. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Recht op eerbiediging van het privé-leven Inmenging van het openbaar gezag RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Recht op eerbiediging van het privé-leven Inmenging van het openbaar gezag Infiltratie Gecontroleerde levering Vertegenwoordiger van het openbaar gezag die ingaat op een verzoek tot medewerking vanwege een beklaagde Fiches 5 - 6 De rechter beoordeelt onaantastbaar de noodzakelijkheid, de raadzaamheid en de gepastheid van een bijkomende onderzoeksmaatregel
(1).
(1)Zie Cass., 28 april 1999, AR P.99.0315.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990428.6, nr 246; Cass., 20 dec. 2001, AR D.00.0032.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011220.12, nr 716; Cass., 29 april 2003, AR P.02.1461.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.9, nr 269. Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Strafzaken Verzoek om een bijkomende onderzoeksmaatregel Beoordeling van het nut of de noodzaak van de bijkomende onderzoeksmaatregel Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Verzoek om een bijkomend getuigenverhoor Nut of noodzaak Beoordeling door de rechter Fiche 7 Artikel 235ter, Wetboek van Strafvordering, zoals ingevoegd bij de wet van 27 december 2005, voert een afzonderlijke rechtspleging in waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling enkel de regelmatigheid beoordeelt van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie voor zover zij daartoe het vertrouwelijk dossier, bedoeld in de artikelen 47septies of 47novies, Wetboek van Strafvordering, zoals ingevoegd bij wet van 6 januari 2003 en vervangen door de wet van 27 december 2005, moet controleren
(1).
(1)Cass., 31 okt. 2006, AR P.06.0898.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080129.5, nr ...; Cass., 31 okt. 2006, AR P.06.0841.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.2, nr ... Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: ONDERZOEKSGERECHTEN Kamer van inbeschuldigingstelling Beoordeling van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie Artikel 235ter Sv. Fiches 8 - 9 De controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie op grond van de artikelen 189ter en 235ter, Wetboek van Strafvordering heeft enkel betrekking op de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie die, in toepassing van de wetten van 6 januari 2003 en 27 december 2005, aanleiding gegeven hebben tot het opstellen van een vertrouwelijk dossier, bedoeld in de artikelen 47septies of 47novies, Wetboek van Strafvordering. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Beoordeling van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie Artikelen 189ter en 235ter, Sv. Voorwaarde Bestaan van het vertrouwelijk dossier bedoeld in de artikelen 47septies of 47novies, Sv. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Artikelen 189ter en 235ter, Sv., ingevoegd bij wet van 27 december 2005 Vereiste van het bestaan van het vertrouwelijk dossier bedoeld in de artikelen 47septies of 47novies, Sv. Fiches 10 - 11 Het Hof van cassatie is niet gehouden aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen wanneer de partij niet opkomt tegen een onderscheid dat voortvloeit uit de aangewezen wettelijke bepalingen, maar tegen de gevolgen die noodzakelijkerwijze voortvloeien uit de toepassing van de strafproceswet in de tijd
(1).
(1)Cass., 5 april 1996, AR A.94.0002.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960405.9, nr 111; Cass., 27 jan 2003, AR S.01.0111.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030127.7, nr
- Vrije woorden: ARBITRAGEHOF Prejudiciële vraag Hof van Cassatie Verplichting Wetten Werking in de tijd PREJUDICIEEL GESCHIL Prejudiciële vraag Arbitragehof Hof van Cassatie Verplichting Wetten Werking in de tijd Tekst van de beslissing Nr. P.06.1016.N G A, beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie te Brussel, ter zitting bijgestaan door mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent, voor mr. Hans Van Bavel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 31 mei
- De eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het staat de rechter de toelaatbaarheid van onrechtmatig verkregen bewijs dat de wet niet uitdrukkelijk uitsluit, te beoordelen in het licht van de artikelen 6, EVRM en 14 IVBPR, rekening houdende met de elementen van de zaak in haar geheel genomen, inbegrepen de wijze waarop het bewijs verkregen werd en de omstandigheden waarin de onrechtmatigheid werd begaan. De rechter kan bij dit oordeel, onder meer, één of het geheel van volgende omstandigheden in afweging nemen: hetzij dat de overheid die met de opsporing, het onderzoek en de vervolging van misdrijven is belast, al dan niet de onrechtmatigheid opzettelijk heeft begaan, hetzij dat de ernst van het misdrijf veruit de begane onrechtmatigheid overstijgt, hetzij dat het onrechtmatig verkregen bewijs alleen een materieel element van het bestaan van het misdrijf betreft. De omstandigheid dat de overheid die met de opsporing, het onderzoek en de vervolging van misdrijven is belast, bij de bewijsverkrijging opzettelijk een onrechtmatigheid heeft begaan, moet niet noodzakelijk leiden tot bewijsuitsluiting door de rechter. Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.
- Anders dan het onderdeel aanvoert, onderzoekt het bestreden arrest met de in het middel aangehaalde overwegingen de "incidentie", dit is de weerslag, van het optreden van de undercoveragenten op de rechtmatigheid en toelaatbaarheid van het bewijs. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Met de in het middel aangehaalde overwegingen verwerpt het bestreden arrest eisers verweer betreffende de onrechtmatigheid en de niet-toelaatbaarheid van het bewijs. Hiermede verwerpt het ook de door de eiser ter ondersteuning van dit verweer ontwikkelde argumentatie. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Inmenging van het openbaar gezag met betrekking tot de uitoefening van het recht op eerbiediging van het privé-leven, het gezinsleven, het huis en de briefwisseling, in de zin van artikel 8.2 EVRM, houdt in dat dit openbaar gezag zich ongevraagd inlaat of bemoeit met de uitoefening van het door artikel 8.1 EVRM gewaarborgde recht. Dit is niet het geval wanneer een vertegenwoordiger van het openbaar gezag, ingaande op het verzoek van de beklaagden of één van hen, zich bereid verklaart in te staan voor het transport van de verdovende middelen, die het voorwerp uitmaken van een door de beklaagden opgezette belangrijke internationale verhandeling van verdovende middelen. Het middel dat geheel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel
- De rechter beoordeelt onaantastbaar de noodzakelijkheid, de raadzaamheid en de gepastheid van een bijkomende onderzoeksmaatregel. Het bestreden arrest oordeelt dat de door de eiser gevraagde bijkomende onderzoeksmaatregelen volstrekt overbodig zijn voor de waarheidsvinding. In zoverre het middel tegen deze beoordeling opkomt is het niet ontvankelijk.
- Voor het overige verwerpt en beantwoordt het bestreden arrest met de redenen die het bevat, eisers verweer. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag. Vierde middel Eerste onderdeel
- Artikel 189ter, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, zoals ingevoegd bij de wet van 27 december 2005 - artikel dat in werking is getreden op 30 december 2005 - bepaalt: "De rechtbank kan, op basis van concrete gegevens, die pas aan het licht zijn gekomen na de controle van de kamer van inbeschuldigingstelling krachtens artikel 235ter, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de beklaagde, de burgerlijke partij of hun advocaten, de kamer van inbeschuldigingstelling gelasten de controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie uit te oefenen met toepassing van artikel 235ter". Artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, zoals ingevoegd bij wet van 27 december 2005 - artikel dat in werking is getreden op 30 december 2005 - voert een afzonderlijke rechtspleging in waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling enkel de regelmatigheid beoordeelt van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie voor zover zij daartoe het vertrouwelijk dossier, bedoeld in de artikelen 47septies of 47nonies Wetboek van Strafvordering, zoals ingevoegd bij wet van 6 januari 2003 - wet die in werking is getreden op 22 mei 2003 - en vervangen door de wet van 27 december 2005, moet controleren. Hieruit volgt dat de controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie op grond van de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering enkel betrekking heeft op bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie die, in toepassing van de wetten van 6 januari 2003 en 27 december 2005, aanleiding gegeven hebben tot het opstellen van een vertrouwelijk dossier, bedoeld in de artikelen 47septies of 47nonies Wetboek van Strafvordering.
- Het onderdeel dat aanvoert dat de controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie op grond van de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering ook mogelijk is voor de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie die aangewend werden vóór de inwerkingtreding van de wetten van 6 januari 2003 en 27 december 2005, op grond van de ministeriële omzendbrief van 24 april 1990, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- De ongelijke behandeling waarover de eiser klaagt, vloeit enkel voort uit de datum waarop bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie werden aangewend, maar niet uit de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering. De eiser komt aldus niet op tegen een onderscheid dat voortvloeit uit die wetsbepalingen, maar tegen de gevolgen die noodzakelijkerwijze voortvloeien uit de toepassing van de wet in de tijd. Er is geen reden om de voorgestelde prejudiciële vraag te stellen. Vijfde middel
- Het bestreden arrest wijst het door de eiser ingediende verzoek tot heropening van het debat, teneinde de controle te gelasten bedoeld in artikel 189ter Wetboek van Strafvordering, af op grond, enerzijds, dat deze wetsbepaling vereist dat het middel, op straffe van verval, vóór ieder ander rechtsmiddel dient te worden opgeworpen, behalve indien het betrekking heeft op nieuwe en concrete elementen die tijdens de terechtzitting aan het licht zijn gekomen, anderzijds, dat het verzoek, waarbij zelfs geen gewag wordt gemaakt van nieuwe en concrete elementen, al was het maar op die grond, dient te worden afgewezen. Deze beslissing houdt in dat de appelrechters het bij het verzoek tot heropening van het debat gevoegde stuk uit het debat weren. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 141,77 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 31 oktober 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081028.3 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100629.5 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101123.6 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150923.4 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181212.4 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220309.2F.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251124.3F.1 ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.105 ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.022 ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.098 precedenten: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960405.9 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990428.6 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011220.12 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030127.7 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.9 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040323.24 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080129.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.4 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061121.8 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071204.2 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071218.1 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100216.3 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100216.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141202.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div