← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.6 Rolnummer: P.06.0614.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2007-02-27 Raadplegingen: 882 - laatst gezien 2026-07-04 06:41 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het cassatieberoep dat openstaat tegen de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling wanneer dit onderzoeksgerecht uitspraak doet met toepassing van de artikelen 135 en 235bis van het Wetboek van Strafvordering, of wanneer het arrest zelf behept is met een onregelmatigheid, moet onmiddellijk worden ingesteld, zonder dat de inverdenkinggestelde de keuze heeft het slechts later, samen met het eindarrest in te stellen. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Geen eindbeslissing, toch onmiddellijk vatbaar voor cassatieberoep Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Geen eindbeslissing, toch onmiddellijk vatbaar voor cassatieberoep Kamer van inbeschuldigingstelling Arrest dat uitspraak doet met toepassing van de artikelen 135 en 235bis van het Wetboek van Strafvordering Arrest behept met een onregelmatigheid Inverdenkinggestelde Ogenblik waarop cassatieberoep moet worden ingesteld Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: ONDERZOEKSGERECHTEN Kamer van inbeschuldigingstelling Arrest dat uitspraak doet met toepassing van de artikelen 135 en 235bis van het Wetboek van Strafvordering Arrest behept met een onregelmatigheid Inverdenkinggestelde Cassatieberoep Ogenblik waarop cassatieberoep moet worden ingesteld Fiches 3 - 6 Concl. adv.-gen. TIMPERMAN, Cass., 31 okt. 2006, AR P.06.0614.N, A.C., 2006, nr ... Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Geen eindbeslissing, toch onmiddellijk vatbaar voor cassatieberoep Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Geen eindbeslissing, toch onmiddellijk vatbaar voor cassatieberoep Kamer van inbeschuldigingstelling Arrest dat uitspraak doet met toepassing van de artikelen 135 en 235bis van het Wetboek van Strafvordering Arrest behept met een onregelmatigheid Inverdenkinggestelde Ogenblik waarop cassatieberoep moet worden ingesteld Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: ONDERZOEKSGERECHTEN Kamer van inbeschuldigingstelling Arrest dat uitspraak doet met toepassing van de artikelen 135 en 235bis van het Wetboek van Strafvordering Arrest behept met een onregelmatigheid Inverdenkinggestelde Cassatieberoep Ogenblik waarop cassatieberoep moet worden ingesteld Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Rechter die de zaak aan zich trekt Bestaanbaarheid met het recht op een dubbele aanleg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Strafzaken Hoger beroep Rechter die de zaak aan zich trekt Bestaanbaarheid met het recht op een dubbele aanleg Nota: P.06.0614.N CONCLUSIE VAN HET OPENBAAR MINISTERIE: I F. 1. Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 16 maart 2006, ten aanzien van eiser gewezen op verzet en op tegenspraak, werd eiser op strafgebied veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van 5 jaar en tot een geldboete van EUR 1.000 vermeerderd met 40 opdeciemen of 3m vervangende gevangenisstraf wegens diefstal met braak, inklimming of valse sleutels en lidmaatschap aan een criminele organisatie. De onmiddellijke aanhouding werd bevolen. 2. Bij akte van 30 maart 2006 tekende eiser cassatieberoep aan tegen alle schikkingen van het verwijzingsarrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 21 september 2004, tegen het tussenarrest van het hof van beroep te Antwerpen van 17 februari 2005, tegen het verstekarrest van 19 mei 2005 en tenslotte tegen het arrest waarvan hoger sprake sub 1. Eiser legde tijdig een memorie neer op maandag 26 juni 2006. Hierna wordt (enkel) nagegaan in welke mate de voorzieningen ontvankelijk zijn. 3. Waar het buiten kijf staat dat de voorzieningen tegen het tussenarrest van 17 februari 2005, gewezen op tegenspraak, en tegen het arrest van 16 maart 2006, gewezen op verzet en op tegenspraak, ontvankelijk zijn, lijkt het mij evenzo evident dat de voorziening tegen het verstekarrest van 19 mei 2005 niet ontvankelijk is. In zoverre immers het arrest van 16 maart 2006 het verzet van eiser tegen het arrest van 19 mei 2005 ontvankelijk heeft verklaard, is dit laatste arrest vervallen. Bijgevolg is het cassatieberoep tegen het verstekarrest, in zoverre gericht tegen vervallen beslissingen, bij gemis aan belang niet ontvankelijk. Minder vanzelfsprekend is de beoordeling van de ontvankelijkheid van de voorziening tegen het verwijzingsarrest van 21 september 2004. 4. De feitenrechter heeft de gegrondheid van de tenlasteleggingen beoordeeld nadat eiser zich daarop heeft kunnen verdedigen. De beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling over het bestaan van voldoende bezwaren heeft bijgevolg geen bestaansreden meer zodat het cassatieberoep hiertegen geen belang meer vertoont en de voorziening tegen het verwijzingsarrest in zoverre niet ontvankelijk is

(1). 5. In deze zaak werd het bestreden verwijzingsarrest gewezen nadat de Procureur des Konings hoger beroep had ingesteld tegen een beschikking van de raadkamer die, gevat met het oog op de regeling van de rechtspleging, had geoordeeld dat de zaak niet in staat was. De kamer van inbeschuldigingstelling oordeelde dat het beroep van het openbaar ministerie ontvankelijk was en wijzigde met éénparige stemmen de bestreden beschikking na onder andere geoordeeld te hebben dat noch de rechten van de verdediging noch het recht op een eerlijk proces waren geschonden
(2). Dit betekent dat de kamer van inbeschuldigingstelling, die uitspraak heeft gedaan met toepassing van artikel 135, ,§1, Wetboek van Strafvordering, in casu heeft geoordeeld over een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid als bedoeld in artikel 131, ,§1, Wetboek van Strafvordering. Ingevolge artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering staat tegen dergelijk verwijzingsarrest onmiddellijk cassatieberoep open
(3). Eiser, die voor de kamer van inbeschuldigingstelling vertegenwoordigd was door een raadsman, kon aldus in de termijn bepaald in artikel 373, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, een ontvankelijk cassatieberoep instellen tegen het arrest van 21 september
  1. Eiser liet deze mogelijkheid onbenut en stelde pas een voorziening in tegen het verwijzingsarrest na het (eind)arrest van 16 maart
  2. De vraag is dan of die voorziening al dan niet laattijdig is, of anders en in abstracto geformuleerd: wanneer een inverdenkinggestelde beschikt over een onmiddellijk cassatieberoep tegen een (verwijzings)arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling is hij dan verplicht dit rechtsmiddel onmiddellijk aan te wenden of heeft hij de keuze en kan hij wachten tot na het eindarrest?
  3. Aan de invoering van de mogelijkheid van een onmiddellijk cassatieberoep, zoals bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, lag een proceseconomische overweging ten grondslag. Het debat betreffende de regelmatigheid van de procedure kon best definitief afgehandeld worden ten laatste op het ogenblik van de regeling van de rechtspleging. Door de mogelijkheid van een onmiddellijk cassatieberoep wordt vermeden dat, mocht het Hof een middel met betrekking tot een verwijzingsarrest gegrond achten, de volledige daaropvolgende procedure zou moeten worden overgedaan
(4). Niettemin werd de vraag of een inverdenkinggestelde de keuze had omtrent het ogenblik van zijn voorziening in de rechtsleer uiteenlopend beantwoord. 7. VANDERMEERSCH en KLEES wijzen op het feit dat het in voorkomend geval niet onmiddellijk instellen van cassatieberoep niet voorzien is op straffe van verval, derwijze dat de inverdenkinggestelde die zich niet onmiddellijk voorziet tegen een voor hem nadelig arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dit nog kan doen na het veroordelend eindarrest
(5). In dezelfde context oordeelt TRAEST dat de verdachte vanzelfsprekend ook na het arrest van veroordeling cassatie kan aantekenen tegen het verwijzingsarrest van de kamer van inbeschuldigingstelling
(6). MORLET van zijn kant wijst er op dat een onmiddellijk cassatieberoep slechts een mogelijkheid is die niet zal volstaan om vertragingsmanoeuvres te vermijden nu de partijen na een beslissing over de grond van de zaak het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling alsnog zullen kunnen aanvechten
(7). 8. DECLERCQ spreekt zich uit voor de verplichting om onmiddellijk cassatieberoep in te stellen en oordeelt, zonder daaromtrent evenwel nader te argumenteren, dat de betrokkene geen keuze heeft
(8)of nog dat de voorziening na de einduitspraak uitgesloten is
(9).VERSTRAETEN die dezelfde mening is toegedaan ontwikkelt een aantal argumenten ter staving van zijn stelling. In eerste instantie wijst hij erop dat in het geval van uitspraak over een exceptie van onbevoegdheid, waar onmiddellijk cassatieberoep op grond van artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering reeds mogelijk was vóór de Wet van 12 maart 1998, aangenomen werd dat de eiser in cassatie niet de keuze had tussen een onmiddellijk of uitgesteld cassatieberoep
(10). In verband met de mogelijkheid van onmiddellijk cassatieberoep tegen arresten in toepassing van artikel 135 Sv. of 235bis Sv. zou het volgens hem dan ook verbazend zijn dat het Hof thans aan de inverdenkinggestelde een dergelijke keuzevrijheid zou laten
(11). Vervolgens is een keuzemogelijkheid niet verzoenbaar met de (aanvankelijke) ratio van het systeem van zuivering van nietigheden: "De bedoeling van de wetgever was immers om procedurekwesties maximaal op definitieve wijze op te lossen vóór de zaak voor het vonnisgerecht komt. Het zou alsdan erg bevreemdend zijn dat een kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak zou doen over een onregelmatigheid, nietigheid, of verzuim, waarbij de wettigheid van de uitspraak ter zake in het ongewisse zou worden gelaten en niet definitief zou worden vastgelegd door de eventuele uitputting van het cassatieberoep. Een " uitgesteld" cassatieberoep zou er dan toe kunnen leiden dat na de uitspraak van het vonnisgerecht moet worden overgegaan tot vernietiging van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, waardoor bij wijze van gevolg ook de beslissing van het vonnisgerecht zou moeten komen te vervallen
(12)." Tenslotte wijst VERSTRAETEN ook op een argument van proceseconomie en meent hij dan ook dat - spijts de gehanteerde termen tijdens de parlementaire voorbereiding - de tekst van artikel 416 Wetboek van Strafvordering geen grondslag voor een werkelijke keuze in hoofde van de inverdenkinggestelde biedt
(13). In het verslag van de commissie van Justitie is inderdaad te lezen dat, naar het oordeel van professor Franchimont, de inverdenkinggestelde de keuze heeft om al dan niet onmiddellijk cassatieberoep in te stellen
(14). Onder verwijzing naar de parlementaire voorbereiding merkt DE SWAEF op dat het onmiddellijk cassatieberoep niet is bepaald op straffe van niet-ontvankelijkheid, zodat men tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling nog cassatieberoep zou kunnen instellen na de einduitspraak, maar hij vervolgt: "Dit is ongetwijfeld een weinig proceseconomische regeling die daarenboven moeilijk verenigbaar is met het lot van het cassatieberoep tegen vonnissen en arresten over bevoegdheid. Laatstgenoemde beslissingen zijn immers eveneens vatbaar voor cassatieberoep vóór de einduitspraak. Wacht men die uitspraak echter af, dan is de voorziening onontvankelijk voor zover ze de bevoegdheid betreft
(15)." DE CODT spreekt zich uit in dezelfde zin als in deze rubriek hoger vernoemde auteurs
(16)en wijst er op dat ook het cassatieberoep tegen een arrest inzake bevoegdheid onmiddellijk dient te worden ingesteld. Bovendien waarschuwt hij voor interpretaties op basis van de memorie van toelichting bij de Wet van 12 maart 1998 die beschouwingen weergeeft geuit in de commissie Franchimont nog vooraleer de tekst grondig werd gewijzigd in het Parlement
(17). Een zelfde waarschuwing vindt men trouwens terug bij DECLERCQ: de parlementaire voorbereiding, waarop men zich zou kunnen steunen om een keuze te aanvaarden, kan weliswaar dienen om de termen van een wet te interpreteren maar ze kan volgens deze auteur niet dienen om instellingen, bijvoorbeeld een dubbele voorzieningsmogelijkheid, in het leven te roepen
(18). 9. Tot op heden heeft Uw Hof nog niet de gelegenheid gehad om zich, althans expliciet, over deze twistvraag uit te spreken. In een arrest van 11 januari 2000, gewezen in voltallige zitting, heeft Uw Hof evenwel impliciet de problematiek aangeraakt
(19). Op toen andersluidende conclusie van het openbaar ministerie
(20)werd in dit arrest werd immers afstand verleend van het cassatieberoep dat werd ingesteld tegen een arrest van verwijzing van de kamer van inbeschuldigingstelling behalve in zoverre uitspraak werd gedaan over de regelmatigheid van het tijdens het gerechtelijk onderzoek uitgevoerde deskundigenonderzoek. Impliciet blijkt, aldus naar het oordeel van het Hof, dat het cassatieberoep dienaangaande niet na de einduitspraak kan worden ingesteld.
  1. Ik denk uit het voorgaande te mogen besluiten dat de inverdenkinggestelde geen keuze heeft omtrent het ogenblik waarop hij zich kan voorzien in cassatie tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat uitspraak doet met toepassing van de artikelen 135 en 235bis Wetboek van Strafvordering, en waartegen dus onmiddellijk cassatieberoep mogelijk is. Het argument van proceseconomie, dat bovendien aansluit bij de initiële filosofie van de hervorming Franchimont, is bovendien een argument van redelijkheid dat geenszins afbreuk doet aan de rechten van verdediging. Een inverdenkinggestelde die zich gegriefd voelt door een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat uitspraak doet bij toepassing van artikel 135 of 235bis Wetboek van Strafvordering kan onmiddellijk cassatieberoep instellen, alleen moet hij dat dan ook doen na het arrest van het onderzoeksgerecht binnen de termijn bepaald in artikel 373 van hetzelfde wetboek. Het evenwicht tussen diegene die zich moet verdedigen tegen een strafvordering, tegen hem ingesteld, en de noden van een samenleving, die binnen een redelijke termijn een duidelijk en ongekunsteld antwoord eist op deviant gedrag, is daarbij niet verstoord. Het recht van verdediging is geen lege huls die zich met het om het even wat laat invullen en die kan inhouden dat men de uitoefening van een rechtsmiddel dermate stuurt en conditioneert zodat een onwettigheid verder sluimert om tenslotte na een eindbeslissing toe te laten een ganse procedure onwettig te doen verklaren en dus te laten overdoen.
  2. Een tegenargument kan mijns inziens niet geput worden uit de vaststelling dat artikel 292 van het Wetboek van Strafvordering wél expliciet vermeld dat het cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat de zaak verwijst naar het hof van assisen in elk geval moet ingesteld worden binnen de termijn in dat artikel bepaald (en dus niet na het eindarrest) wanneer het stoelt op de gronden vermeld in artikel 292bis Wetboek van Strafvordering. Afgezien van de verwijzing naar de gevallen van artikel 416, tweede lid van dat zelfde wetboek vermeldt artikel 292bis enerzijds drie gronden waarop een onmiddellijke voorziening moet steunen die eerder werden opgesomd in het artikel 299 Wetboekboek van Strafvordering samen met anderzijds twee gronden die hun oorsprong vinden in de jurisprudentiële uitbreiding van het voormalige artikel
  3. De wetgever had in zijn ijver het oude artikel 299 afgeschaft om de (uitgebreide) tekst ervan nadien terug op te vissen in het nieuwe artikel 292bis Wetboek van Strafvordering
(21). Het gaat hier om een heel specifieke procedure, namelijk de verwijzing naar het hof van assisen, dat als vonnisgerecht zijn gelijke niet kent, en waar men wilde vermijden dat een aantal juridische incidenten niet zouden uitgeklaard zijn vooraleer de zaak aan de volksjury wordt voorgelegd, zodat het hof niet nodeloos zou worden samengesteld, de debatten er niet mee zouden worden verzwaard en ook de bevoegdheid van het hof van assisen vóór de aanvang van de debatten vaststond
(22). 12. Nu het eerste middel van eiser (althans gedeeltelijk), en het tweede en derde middel volledig betrekking hebben op de regelmatigheid van het verwijzingsarrest, waartegen zoals hoger betoogd de voorziening niet ontvankelijk is, en de grieven geen betrekking hebben op de ontvankelijkheid van de voorziening noch op de bevoegdheid van het vonnisgerecht
(23), behoeven zij geen antwoord. Op de overige middelen, waarvan het mij voorkomt dat zij geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor de rechtsontwikkeling of de rechtseenheid, en waarvan ik denk dat zij niet tot cassatie kunnen leiden, wordt hier niet nader ingegaan. Conclusie: de voorziening dient te worden verworpen. II D.
  1. Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 16 maart 2006, ten aanzien van eiser gewezen op verzet en op tegenspraak, werd ook deze eiser op strafgebied veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van 5 jaar en tot een geldboete van EUR 1.000 vermeerderd met 40 opdeciemen of 3m vervangende gevangenisstraf wegens diefstal met braak, inklimming of valse sleutels en lidmaatschap aan een criminele organisatie. De onmiddellijke aanhouding werd bevolen. Bij akte van 22 maart 2006 tekende eiser een ontvankelijk cassatieberoep aan, enkel tegen het eindarrest van 16 maart
  2. Ik denk niet dat de middelen door deze eiser ontwikkeld tot cassatie kunnen leiden. Om dezelfde redenen, gerelateerd aan het belang voor de rechtsontwikkeling en de rechtseenheid, als vermeld in de rubriek sub 12, worden de grieven hier niet stuk voor stuk onderzocht. Uitzondering dient evenwel te worden gemaakt voor het tweede middel waar eiser het oordeel van de appelrechters bekritiseert met betrekking tot de opgeworpen miskenning van het recht op een dubbele aanleg en de vraag opwerpt naar de verhouding van de in artikel 215 Wetboek van Strafvordering vervatte evocatie en het recht op een dubbele aanleg zoals gewaarborgd door artikel 14.5 IVBPR.
  3. De correctionele rechtbank had in deze bij vonnis van 22 november 2004, gewezen op tegenspraak, beslist dat de rechten van de verdediging waren geschonden nu er geen Italiaanse vertaling bij de dagvaarding was gevoegd. Nadat het openbaar ministerie daartegen hoger beroep had ingesteld, vernietigde het hof van beroep bij een arrest van 17 februari 2005, eveneens gewezen op tegenspraak, het vonnis van de correctionele rechtbank en evoceerde het de zaak in toepassing van artikel 215 Wetboek van Strafvordering. De zaak werd voor verdere behandeling ten gronde uitgesteld. Artikel 215 Wetboek van Strafvordering bepaalt immers: "Indien het vonnis wordt tenietgedaan wegens schending of niet hersteld verzuim van vormen, door de wet voorgeschreven op straffe van nietigheid, beslist het hof mede over de zaak zelf." Artikel 14.5 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York
(24)bepaalt evenwel: "Een ieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld heeft het recht zijn veroordeling en vonnis opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet." Bij de neerlegging van zijn bekrachtigingoorkonde heeft ons land een verklaring afgelegd die ertoe strekt die bepaling niet toe te passen op personen die, tengevolge van een ingesteld beroep tegen hun vrijspraak in eerste aanleg, in tweede aanleg worden schuldig bevonden en veroordeeld, en evenmin op personen die krachtens de Belgische wet rechtstreeks naar een hoger rechtscollege zoals het Hof van Cassatie, Hof van Beroep of Hof van Assisen worden verwezen. 16.De rechtspraak van Uw Hof leert dat deze problematiek in het verleden niet alleen reeds meermaals aan bod is gekomen, maar ook een zekere evolutie heeft doorgemaakt. In een aantal arresten wordt zonder meer gezegd dat uit de enkele omstandigheid dat het arrest van het hof van beroep de beslissing van de eerste rechter tenietdoet en over de zaak zelf uitspraak doet bij wege van een nieuwe beslissing, geen schending van artikel 14.5 IVBPR valt af te leiden
(25)In het arrest van 3 november 1987 oordeelde Uw Hof dat de appelrechter die een vonnis tenietdoet en, na evocatie bij toepassing van artikel 215 Wetboek van Strafvordering over de zaak zelf uitspraak doet, niet beslist en ook niets te beslissen heeft omtrent de eventuele beoordeling van zijn beslissing over de zaak door een hoger rechtscollege en dat hij, door zijn beslissing van evocatie, art. 14.5 IVBPR dat betrekking heeft op het recht van de beklaagde zijn veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege, niet kan schenden
(26). Er werd evenwel gezegd dat het Hof, door te stellen dat de appelrechter op zich geen uitspraak doet of kan doen omtrent de mogelijkheid voor een beklaagde om zijn veroordeling aan een hoger rechtscollege voor te leggen, het probleem enigszins uit de weg ging
(27). In het arrest van 7 mei 2003 ging het Hof evenwel een stap verder
(28). In dat arrest verwees het Hof immers naar de verklaring die ons land heeft afgelegd naar aanleiding van de bekrachtiging van het I.V.P.B.R., met name dat artikel 14.5 van dat verdrag niet van toepassing is op personen die, krachtens de Belgische wetgeving, rechtstreeks zijn verwezen naar een hoger rechtscollege zoals het hof van beroep: "dat dit het geval is wanneer de appelrechter, met toepassing van artikel 215 van het Wetboek van Strafvordering, de bij hem aanhangig gemaakte zaak aan zich trekt." Waar dus in de eerder aangehaalde arresten het Hof oordeelt dat de situatie bedoeld in artikel 215 Wetboek van Strafvordering niet is begrepen onder artikel 14.5 IVBPR, houdt het arrest van Uw Hof van 7 mei 2003 daarentegen in dat de evocatie in beginsel wél valt onder die verdragsbepaling doch deze toch niet kan spelen omdat de situatie bedoeld in artikel 215 Wetboek van Strafvordering precies onder het voorbehoud valt dat België heeft geformuleerd. Het arrest van 2 september 2003 tenslotte, waarnaar eiser in zijn memorie verwijst en waar het Hof impliciet tot een onverenigbaarheid van artikel 209 Kieswet met art. 14.5 IVBPR lijkt te besluiten
(29), laat evenwel niet toe om enige conclusie te trekken in verband met de verhouding van de evocatie van art. 215 Wetboek van Strafvordering tot die verdragsbepaling. De situatie bedoeld in artikel 209 Kieswet heeft immers hoe dan ook geen uitstaans met de evocatie nu met artikel 209 daadwerkelijk in één enkele aanleg uitspraak wordt gedaan. Uit de rechtspraak van Uw Hof moet besloten worden dat een toepassing van artikel 215 Wetboek van Strafvordering op zich nooit een schending van voornoemde verdragsbepaling oplevert. 17.Het is echter de vraag of Uw Hof in voorliggende zaak doorheen het middel van eiser er wel moet toe komen om deze problematiek expliciet aan te snijden. Eiser heeft zich namelijk niet in cassatie voorzien tegen het tussenarrest van 17 februari 2005 waarbij de appelrechters het beroepen vonnis vernietigden en de zaak aan zich trokken. Dit arrest had gezag van gewijsde op het ogenblik dat het thans bestreden arrest werd gewezen. Bijgevolg verantwoorden de appelrechters hun bekritiseerde beslissing dat de problematiek van de dubbele aanleg niet meer aan de orde was naar recht. Conclusie: verwerping. _______________
(1)Vergelijk: Cass., 21 maart 2006, A.R. P.06.0211.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.7, www.cass.be
(2)Eiser had enerzijds gevraagd dat bepaalde andere stukken of strafdossiers aan het dossier zouden worden toegevoegd en had anderzijds aangevoerd dat de oproepingen met betrekking tot de inverdenkingstelling, de procedure op grond van artikel 127 Sv. en de procedure van regeling van de rechtspleging voor de raadkamer en voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling niet regelmatig waren geschiedt.
(3)De in het tweede lid van artikel 416 Sv. bedoelde mogelijkheid om onmiddellijk cassatieberoep in te stellen tegen arresten gewezen met toepassing van de artikelen 135 en 235bis werd ingevoerd door de Wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek (B.S. 2 april 1998).
(4)D. VANDERMEERSCH en O. KLEES, " La réforme 'Franchimont'. Commentaire de la loi du 12 mars 1998 relative à l'amélioration de la procédure pénale au stade de l'information et de l'instruction. ", J.T. 1998,
(417)446.
(5)Ibid.
(6)Ph. TRAEST, "De regeling van de rechtspleging", in Ph. TRAEST en A. DE NAUW (red.), Strafrecht. Wie is er bang van het strafrecht?, Postuniversitaire cyclus Willy Delva 1997-1998, Gent, Mys & Breesch, 1998,
(271)304.
(7)P. MORLET, 'Le règlement de la procédure et le contrôle de sa régularité', in M. FRANCHIMONT e.a., La loi Belge du 12 mars 1998 relative à l'amélioration de la procédure pénale au stade de l'information et de l'instruction, Brussel, Die Keure, 1998,
(83)100.
(8)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2003, nr.744.
(9)R. DECLERCQ, "Cassatieberoep vóór de einduitspraak, van de inverdenkinggestelde tegen arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling", noot onder Cass., 5 september 2000 en Cass., 17 oktober 2000, R. Cass. 2001,
(253)258.
(10)R. VERSTRAETEN, Handboek voor Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2005 nr.
  1. Zo ook merkte DECLERCQ inderdaad op dat in geval van uitspraak over een exceptie van onbevoegdheid de eiser niet de keuze heeft tussen een onmiddellijk en uitgesteld cassatieberoep en dat een voorziening op het punt van de bevoegdheid ingesteld na de einduitspraak niet-ontvankelijk zou zijn. Zie: R. DECLERCQ, De cassatieprocedure in strafzaken, Leuven, Wouters, 1988,
  2. De bedoeling van het onmiddellijk cassatieberoep in deze gevallen ligt er precies in gevallen van regeling van rechtsgebied te vermijden. Cfr. R. VERSTRAETEN, o.c., nr. 1396.
(11)R. VERSTRAETEN, "De ontvankelijkheid van een cassatieberoep van een inverdenkinggestelde tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling", (noot onder Cass. 11 januari 2000), T. Strafr. 2000,
(113)116.
(12)R. VERSTRAETEN, o.c., nr. 1398.
(13)Ibid.
(14)Verslag namens de commissie van Justitie, Parl. St. Senaat, GZ 1997-98, nr. 1-704/4, p. 295.
(15)M. DE SWAEF, "De Wet Franchimont': één jaar cassatierechtspraak", in Liber Amicorum Jean du Jardin, Deurne, Kluwer, 2001,
(147)148-149.
(16)Eén hier niet eerder vermeld auteur (DE WOLF) neemt daarentegen een genuanceerd standpunt in. Naar zijn oordeel hebben partijen de keuze om ofwel onmiddellijk hoger beroep en cassatieberoep in te stellen in de gevallen waarin onmiddellijk cassatieberoep mogelijk is ofwel te wachten tot een beslissing ten gronde, maar geldt dit niet ingeval van een definitieve zuivering van nietigheden, van de onbevoegdheid van het onderzoeksgerecht of indien de verwijzingsbeschikking zelf is aangetast door een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid; in die gevallen moet volgens deze auteur steeds onmiddellijk cassatieberoep worden ingesteld. Zie: D. DE WOLF, "Het cassatieberoep in het strafrechtelijk vooronderzoek: een overzicht van rechtspraak na de wet van 12 maart 1998", R.W. 2002-2003,
(1521)1538.
(17)J. DE CODT, "Les fins de non-recevoir du pourvoi en matière répressive", in Liber Amicorum Jean du Jardin, Deurne, Kluwer, 2001,
(161)190-191
(18)R. DECLERCQ, "Het gerechtelijk onderzoek en de Wet van 12 maart 1998", in Liber Amicorum Jean du Jardin, Deurne, Kluwer, 2001,
(111)127.
(19)Cass., 11 januari 2000, A.C. 2000, nr. 20 met conclusie van advocaat-generaal Duinslaeger, Pas. 2000, nr. 20 en T. Strafr. 2000, 112, noot R. VERSTRAETEN.
(20)Advocaat-generaal Duinslaeger concludeerde in hoofdorde tot het verlenen van afstand voor het geheel van de voorziening en dus ook in zoverre uitspraak werd gedaan over de regelmatigheid van het tijdens het gerechtelijk onderzoek uitgevoerde deskundigenonderzoek. Dit besluit was precies gegrond op het feit dat naar zijn oordeel onmiddellijk cassatieberoep dienaangaande slechts facultatief was. Zie diens conclusie gepubliceerd in A.C. 2000, nr. 20, inzonderheid randnummers 23 en 35.
(21)Artikel 299 werd opgeheven bij artikel 36 W. 12 maart 1998 (B.S. 2 april 1998) met ingang van 2 oktober 1998 (artikel 1 K.B. 21 september 1998, B.S. 25 september 1998). Artikel 292bis werd ingevoerd bij artikel 6 W. 30 juni 2000 (B.S. 17 maart 2001, eerste uitgave). Een nieuw artikel 299, met een tekst die in de context van hier ontwikkelde problematiek niet relevant is, werd ingevoerd bij artikel 14 W0. 30 juni 2000 (B.S. 17 maart 2001, eerste uitgave).
(22)Vandaar de niet ontvankelijkheid van de exceptie van onbevoegdheid voor het hof van assisen.
(23)De omvang van de ambtshalve controle door Uw Hof beperkt zich tot het onderzoek van de bevoegdheid van het vonnisgerecht. Zie: Cass., 28 november 2001, A.R. P.01.1172.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011128.16, nr. 653 en Cass., 5 december 2001, A.R. P.01.1115.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011205.7, nr. 674.)
(24)B.S. 6 juli 1983.
(25)Cass. 10 februari 1988, A.R. 6302, nr. 355; Cass. 20 februari 1990, A.R. 3175, nr. 371; Cass. 22 september 1993, A.R. P.93.0420.F ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930922.12, nr. 365.
(26)Cass. 3 november 1987, A.R. 1841, nr. 140. Uitdrukkelijk in dezelfde zin: Gent 16 maart 1995, Pas. 1995, II, 4.
(27)R. VERSTRAETEN, o.c., nr. 2286.
(28)Cass. 7 mei 2003, P.03.0122.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030507.19, met conclusie van advocaat-generaal Loop, www.cass.be
(29)Cass. 2 september 2003, P.01.0980.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030902.5., www.cass.be Tekst van de beslissing
  1. Nr. P.06.0614.N I.
  2. D E,
  3. beklaagde,
  4. eiser,
  5. met als raadsman mr. Daniel Vedovatto, advocaat bij de balie te Brussel.
  6. II.
  7. F F,
  8. beklaagde,
  9. eiser,
  10. met als raadsman mr. Pierre Monville, advocaat bij de balie te Brussel,
  11. de beide cassatieberoepen tegen
  12. DIAMOND CENTER bvba, met zetel te 2018 Antwerpen, Schupstraat 9-11, bus 38, die woonplaats kiest bij advocaat Vanessa Foncke, te 1050 Brussel, Louizalaan 99,
  13. burgerlijke partij,
  14. D B,
  15. burgerlijke partij,
  16. D T M,
  17. burgerlijke partij,
  18. P M,
  19. burgerlijke partij,
  20. P E,
  21. burgerlijke partij,
  22. P M,
  23. burgerlijke partij,
  24. DELVAG LUFTFAHRTVERSICHERUNGS, met zetel te Keulen (Duitsland), Von Glabenz Strasse 2-6,
  25. burgerlijke partij,
  26. GERLING ALGEMEINE VERSICHERUNGSAKTIENGESELLSCHAFT, met zetel te Keulen (Duitsland), Von Weerthstrasse 4-14,
  27. burgerlijke partij,
  28. ZURICH RE, met zetel te EC 3R 7DD Londen (Groot-Brittannië), Mincing Lane, Minster Court 3,
  29. burgerlijke partij,
  30. GE FRANKONA RE, met zetel te EC 3R RE Londen (Groot-Brittannië), Knollys House 1, Bryward Street,
  31. burgerlijke partij,
  32. ALLIANZ VERSICHERUNG-AKTIENGESELLSCHAFT, met zetel te 70182 Stuttgart (Duitsland), Uhlandstrasse 2,
  33. burgerlijke partij,
  34. SCHOENAERTS Bruno, advocaat, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de CAPITAL DIAMONDS bvba, met zetel te 2018 Antwerpen, Schupstraat 9/11,
  35. burgerlijke partij,
  36. P C,
  37. burgerlijke partij, en
  38. V W M,
  39. burgerlijke partij,
  40. VAN WAUWE DIAMONDS nv, met zetel te 2018 Antwerpen, Schupstraat 9/11,
  41. burgerlijke partij,
  42. SIDAR bvba, met zetel te 2018 Antwerpen, Schupstraat 9/11,
  43. burgerlijke partij,
  44. DIABEL bvba, met zetel te 2018 Antwerpen, Schupstraat 9/11,
  45. burgerlijke partij,
  46. UNIGEMS bvba, met zetel te 2018 Antwerpen, Schupstraat 9/11,
  47. burgerlijke partij,
  48. GREAT LAKES, verzekeringsmaatschappij, met zetel te EC 3R Londen (Groot-Brittannië), Mincing Lane, Minster Court 1,
  49. burgerlijke partij,
  50. RUBIN & ZONEN bvba, met zetel te 2018 Antwerpen, Schupstraat 9/11,
  51. burgerlijke partij,
  52. WINTERTHUR EUROPE ASS. nv, met zetel te 1000 Brussel, Kunstlaan 56,
  53. burgerlijke partij,
  54. AEGON SCHADEVERZEKERING nv, met zetel te 2501 AC 's Gravenhage (Nederland), Postbus 6,
  55. burgerlijke partij,
  56. AIOI INSURANCE COMPANY OF EUROPE LTD., met zetel te NR 11 JY Norwich (Groot-Brittannië), Rose Lane, Rose Lane Business Centre,
  57. burgerlijke partij,
  58. GENERALI SUISSE, die voorheen woonplaats heeft gekozen bij Oliver Insurance Services nv te Wilrijk, Berkenlaan 53,
  59. burgerlijke partij,
  60. EMRUSADIAM bvba, met zetel te 2018 Antwerpen, Schupstraat 9/11, bus 114, building B,
  61. burgerlijke partij,
  62. FRISCH DIAMOND CORPORATION nv, met zetel te 2018 Antwerpen, Schupstraat 9/11,
  63. burgerlijke partij,
  64. GRIALZO GEMS bvba, met zetel te 2018 Antwerpen, Belgiëlei 158,
  65. burgerlijke partij,
  66. S C, handel drijvende onder de benaming "The Diamond Company", met zetel te 2018 Antwerpen, Schupstraat 9-11, wonende te NL-1081-KK Amsterdam (Nederland), Gaffelaarspad 35,
  67. burgerlijke partij,
  68. XL INSURANCE SWITSERLAND, met zetel te CH-2800 Neuchatel (Zwitserland), Monruz 2 P.
  69. Box 22,
  70. burgerlijke partij,
  71. ZURICH SPECIALTIES LONDON Ltd., met zetel te EC 3R 7DD Londen (Groot-Brittannië), Mincing Lane, Minster Court 3, Unterwriting Centre,
  72. burgerlijke partij,
  73. ROYAL SUN ALLIANCE INSURANCE GROUP, met zetel te EC3M 3BD Londen (Groot-Brittannië), Group corporation Centre, 9th floor, Plantation place 30, Fenchuch Street,
  74. burgerlijke partij,
  75. MILLENIUM SYNDICATE 1221, Lloyd's of Londen, met zetel te EC3M 7HA Londen (Groot-Brittannië), Room 974, Lime Street 1,
  76. burgerlijke partij,
  77. WURTTEMBERGISCHE VERSICHERUNG AD, met zetel te EC3M 7 AY Londen (Groot-Brittannië), Lime Street 37-39,
  78. burgerlijke partij,
  79. HARDY UNDERWRITING GROUP PLC, Lloyd's of Londen, met zetel te EC3M 7DQ Londen (Groot-Brittannië), Room 821, Lime Street 1,
  80. burgerlijke partij,
  81. SWISS RE INTERNATIONAL, met zetel te EC3A 8EP Londen (Groot-Brittannië), St. Mary Axe 30,
  82. burgerlijke partij,
  83. SZLEZYNGER-RIEGELHAUPT bvba, met zetel te 2018 Antwerpen, Schupstraat 9/11, burgerlijke partij, voor wie handelt a. R L, b. R H,
  84. R H, reeds vermeld,
  85. burgerlijke partij,
  86. R S,
  87. burgerlijke partij, verweerders. a. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
  88. Het cassatieberoep van de eiser I is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer van 16 maart
  89. Het cassatieberoep van de de eiser II is gericht tegen het verwijzingsarrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 21 september 2004 alsmede tegen de arresten van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 17 februari 2005, 19 mei 2005 en 16 maart
  90. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
  91. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.
  92. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.
  93. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. a. BESLISSING VAN HET HOF i. Beoordeling ii. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen van de eiser II
  94. Artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat beroep in cassatie tegen voorbereidende arresten en arresten van onderzoek of tegen in laatste aanleg gewezen arresten van dezelfde soort eerst openstaat na het eindarrest of het eindvonnis. Het tweede lid van hetzelfde artikel bepaalt dat deze regel niet van toepassing is onder meer op arresten gewezen met toepassing van de artikelen 135 en 235bis van dit wetboek.
  95. Hieruit volgt dat onmiddellijk cassatieberoep openstaat tegen de verwijzingsarresten van de kamer van inbeschuldigingstelling die met toepassing van artikel 135, ,§ 1, Wetboek van Strafvordering uitspraak doen, wanneer deze arresten oordelen over een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid als bedoeld in artikel 131, ,§ 1, of over een grond van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering, of wanneer het verwijzingsarrest zelf behept is met een onregelmatigheid.
  96. In die gevallen moet het cassatieberoep onmiddellijk worden ingesteld, zonder dat de inverdenkinggestelde de keuze heeft het slechts later, samen met het eindarrest in te stellen.
  97. Na het eindarrest kan het bestaan van bezwaren niet meer aangevochten worden. Dergelijke betwisting vertoont geen belang meer daar de beklaagde zich voor de feitenrechter over de gegrondheid van de strafvervolging heeft kunnen verdedigen en het eindarrest daarover uitspraak doet.
  98. Wanneer het cassatieberoep tegen het verwijzingsarrest ingesteld wordt samen met het cassatieberoep tegen het eindarrest, gaat het Hof enkel na of de regels inzake bevoegdheid van het vonnisgerecht zijn nageleefd.
  99. Het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 21 september 2004 is met toepassing van artikel 135, ,§ 1, Wetboek van Strafvordering gewezen op het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de beschikking van de raadkamer van 6 augustus 2004 die beslist dat de zaak niet in staat is. Dit arrest oordeelt dat er tegen de eiser voldoende bezwaren bestaan en verwijst hem naar de correctionele rechtbank.
  100. Het cassatieberoep tegen dit arrest is ingesteld samen met het cassatieberoep tegen het eindarrest.
  101. In zoverre het cassatieberoep de regelmatigheid van het verwijzingsarrest aanvecht, is het bijgevolg laattijdig.
  102. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen van het arrest van 21 september 2004 over de bezwaren en de verwijzing, is het bij gebrek aan belang evenmin ontvankelijk.
  103. Het arrest bij verstek van 19 mei 2005 is, in zoverre eisers ertegen gedane verzet bij arrest van 16 maart 2006 ontvankelijk verklaard is, vervallen.
  104. In zoverre het cassatieberoep tegen de vervallen beslissingen van het verstekarrest van 19 mei 2005 is ingesteld, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. i. Eerste middel van de eiser I ii. Eerste onderdeel
  105. Wanneer, zoals hier, een partij de conclusie van een andere partij overneemt zonder te preciseren hoe en waardoor de in die conclusie vermelde verweermiddelen op hem van toepassing zijn, hoeft de rechter niet na te gaan hoe de door die andere partij ingeroepen verweermiddelen ook op de partij die de conclusie overneemt, van toepassing kunnen zijn.
  106. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. i. Tweede en derde onderdeel
  107. Met de redenen die het bestreden arrest bevat, oordeelt het dat de rechten van de verdediging van de eiser II, zoals bepaald in artikel 6.3.a e, 6.3.d EVRM niet zijn miskend. De onderdelen geven niet aan waairn deze beslissing eisers recht van verdediging miskent.
  108. Een beklaagde kan geen grief putten uit de beweerde miskenning van het recht van verdediging van een andere beklaagde die zonder invloed is op de uitoefening van zijn eigen recht van verdediging.
  109. De onderdelen zijn niet ontvankelijk. i. Tweede middel van de eiser I ii. Eerste onderdeel
  110. De rechter die niet wettig gevat is van een betwisting, kan daarover ook geen uitspraak doen.
  111. Het onderdeel faalt naar recht. i. Tweede onderdeel
  112. Het onderdeel gaat ten onrechte ervan uit dat het bestreden arrest uitspraak kon doen over een betwisting waarvan het niet wettig gevat was.
  113. Het onderdeel faalt naar recht. i. Eerste middel van de eiser II
  114. De aan het Hof overgelegde stukken van de rechtspleging laten het Hof toe na te gaan of het verwijzingsarrest de regels inzake de bevoegdheid van het vonnisgerecht heeft nageleefd.
  115. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.
  116. Voor het overige heeft het middel geen betrekking op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en behoeft het derhalve geen antwoord. ii. Tweede en derde middel van de eiser II
  117. De middelen hebben enkel betrekking op de regelmatigheid van het verwijzingsarrest maar niet op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep tegen dit arrest noch op de bevoegdheid van het vonnisgerecht.
  118. De middelen behoeven derhalve geen antwoord. i. Vierde middel van de eiser II
  119. De appelrechters hoefden niet te antwoorden op de conclusie die de eiser ter zitting van 3 maart 2005 voor een anders samengestelde zetel heeft genomen maar voor hen niet uitdrukkelijk was hernomen.
  120. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  121. Anders dan het middel aanvoert, heeft de eiser in de op de terechtzitting van 2 februari 2006 neergelegde conclusie geen plaatsbezoek gevraagd.
  122. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. i. Vijfde middel van de eiser II
  123. Het feit dat de bevindingen van de rechter over de betekenis en de draagwijdte van een buitenlandse wetgeving die deze rechter toepast, aan de partijen niet is medegedeeld, is vreemd aan de motiveringsplicht.
  124. Wanneer de partijen, zoals hier, voor de rechter zelf standpunt hebben ingenomen over de betekenis en de draagwijdte van de toepasselijke buitenlandse wetgeving, hoeft de rechter zijn eigen bevindingen daarover niet aan die partijen mede te delen vooraleer zijn beslissing te nemen.
  125. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  126. Het middel voert aan dat de appèlrechters, buiten de door de partijen medegedeelde gegevens, andere inlichtingen verkregen hebben waarop zij hun beslissing laten steunen en die niet aan de tegenspraak van de partijen zijn onderworpen.
  127. Het middel dat nalaat te preciseren welke die niet aan de tegenspraak van de partijen onderworpen middelen zijn, is in zoverre bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. i. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering
  128. Wat het verwijzingsarrest van 21 september 2004 betreft, zijn de regels over de bevoegdheid van het vonnisgerecht nageleefd.
  129. Wat de arresten gewezen op 17 februari en 16 maart 2005 betreft, zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en de beslissingen overeenkomstig de wet gewezen.
  130. Ingevolge de hierna uit te spreken verwerping van de cassatieberoepen, hebben de beslissingen waarbij de eisers tot straf worden veroordeeld kracht van gewijsde.
  131. In zoverre de cassatieberoepen ook gericht zijn tegen de beslissingen die de onmiddellijke aanhouding van de beide eisers bevelen, hebben zij derhalve geen bestaansreden meer. i. Dictum
  132. Het Hof,
  133. Verwerpt de cassatieberoepen.
  134. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.
  135. Begroot de kosten in het geheel op 655,52 euro, waarvan
  136. op het cassatieberoep van D E 111,45 euro verschuldigd is, en
  137. op het cassatieberoep van F F 544,07 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 31 oktober 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081028.3 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090609.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930922.12 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011128.16 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011205.7 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030507.19 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030902.5 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140514.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.