← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.8 Rolnummer: P.06.0928.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Belastingrecht Invoerdatum: 2007-02-27 Raadplegingen: 588 - laatst gezien 2026-07-04 01:46 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De veroordeling inzake douane en accijnzen tot betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen bij niet-voortbrenging ervan is geen straf, maar het civielrechtelijk gevolg van de strafrechtelijke veroordeling tot verbeurdverklaring

(1).
(1)Cass., 21 sept. 1999, AR P.98.1346.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990921.8, nr 474; Cass., 29 april 2003, AR P.02.1459.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.8 - P.02.1578.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.8, nr 268; Cass., 29 april 2003, AR P.02.1461.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.9, nr
  1. Thesaurus CAS: STRAF - ALLERLEI Vrije woorden: STRAF - ALLERLEI Douane en accijnzen Veroordeling tot de betaling van de tegenwaarde bij niet-voortbrenging Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 10-06-1997 - Art.22bis,twee Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Wet van 10 juni 1997 Verbeurdverklaring Veroordeling tot de betaling van de tegenwaarde bij niet-voortbrenging Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 10-06-1997 - Art.22bis,twee Tekst van de beslissing Nr. P.06.0928.N I. S H H, beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der Douane en Accijnzen van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2030 Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22, alwaar woonplaats is gekozen, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie. II. S V L, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joris Vercraeye, advocaat bij de balie te Antwerpen, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der Douane en Accijnzen van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2030 Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22, alwaar woonplaats is gekozen, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 17 mei
  2. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiseres I Eerste en tweede onderdeel
  3. Het bestreden arrest overweegt inderdaad: "(De eiseres) heeft dan ook, gelet op wat voorafgaat, op zijn minst nagelaten het noodzakelijk toezicht uit te oefenen en heeft, op zijn minst, door haar gekwalificeerde onthouding het plegen van de feiten mogelijk gemaakt en aldus misdrijfscheppend en/of misdrijfbevorderend gehandeld".
  4. Het blijkt evenwel uit het geheel van de in het middel aangehaalde overwegingen van het bestreden arrest dat het, op grond van de feitelijke gegevens die het bespreekt, de eiseres schuldig acht als mededaderes aan de onttrekkingen van gedistilleerde dranken aan de schorsingsregeling en het aanbrengen van valse douanestempels op de exemplaren 3 van de geleidedocumenten, door wetens te hebben deelgenomen aan het te dezen gebezigde fraudesysteem dat medeweten impliceerde in hoofde van de onderscheiden deelnemers eraan. De onderdelen die berusten op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, missen feitelijke grondslag. Tweede middel van de eiseres I Eerste onderdeel
  5. Het onderdeel dat berust op de vermelde onjuiste lezing van het bestreden arrest, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  6. Het bestreden arrest beschouwt de eiseres als mededaderes van een fraudesysteem met onttrekkingen van gedistilleerde dranken aan de schorsingsregeling en het aanbrengen van valse douanestempels op de exemplaren 3 van de geleide-documenten. Dit oordeel impliceert het opzet om de douane te bedriegen. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  7. Anders dan het onderdeel aanvoert, kan de rechter in strafzaken het bewijs van het bijzonder opzet bij de beklaagde die zijn medewerking aan de materiële uitvoering van een bepaald fraudesysteem verleent, afleiden uit de feitelijke organisatie en werking van dit systeem. Hierdoor schendt de rechter de in het middel aangehaalde ingeroepen verdrags- en wetsbepalingen niet en inzonderheid ook niet het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de vervolgende partij het bestaan van het misdrijf en van al zijn constitutieve bestanddelen moet bewijzen. Het bestreden arrest verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser II
  8. Het bestreden arrest acht de eiser niet schuldig op grond van een schuldvermoeden. Het blijkt integendeel uit de nadere redengeving van het bestreden arrest betreffende de eiser, dat het, op grond van het geheel van de gegevens van het dossier, oordeelt dat de eiser wetens en willens zijn medewerking aan de fraude heeft verleend. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, mist feitelijke grondslag. Tweede middel van de eiser II Eerste onderdeel
  9. De eiser wordt onder meer vervolgd wegens overtreding van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop. Het bestreden arrest beoordeelt deze tenlastelegging mede aan de hand van de regels en de verplichtingen van de vermelde wet. Hierdoor miskent het bestreden arrest eisers recht van verdediging, de regel van de autonomie van het strafrecht, noch het vermoeden van onschuld. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  10. Het bestreden arrest overweegt onder meer dat: "Artikel 25, ,§ 3, tweede lid, van voormelde wet van 10 juni 1997 bepaalt dat, indien dergelijke producten werden vervoerd vanuit hier ten lande gevestigd belastingentrepot (in casu (...)), de verzender ten genoegen van de administratie dient aan te tonen dat de handeling regelmatig was, of op welke plaats de onregelmatigheid of de overtreding daadwerkelijk werd begaan. Dergelijk bewijs werd te dezen niet geleverd, alhoewel beklaagden, indien alle handelingen regelmatig zouden verlopen zijn, een en ander toch hadden moeten kunnen rechtzetten en/of verifiëren middels contact met hun 'Portugese klanten' en/of met hun agent bij (...)'. Door het niet aanbrengen van alle voorgeschreven vermeldingen in vak 11 van de AGD'S (bijzonderheden van het vervoer, zoals de volledige identiteit van de vervoerder en/of de nummerplaat van de gebezigde vrachtwagen), en door de zeer summiere, onvolledige desbetreffende vermeldingen op de gebezigde CMR-vrachtbrieven, zoals hierboven uiteengezet, hebben beklaagden door hun eigen toedoen de administratie verhinderd verder onderzoek te verrichten omtrent de vervoerders van de goederen en aldus naar de plaats waar de overtreding of de onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan". Met deze overwegingen legt het bestreden arrest de eiser noch de verplichting op mede te werken aan zijn eigen beschuldiging, noch de bewijslast van zijn onschuld.
  11. Met deze overwegingen verantwoordt het bestreden arrest zijn weigering van het door de eiser gevraagde bijkomend onderzoek. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser II Eerste onderdeel
  12. Anders dan het onderdeel aanvoert is de veroordeling inzake douane en accijnzen tot de betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen bij niet-voortbrenging ervan geen straf, maar het civielrechtelijk gevolg van de strafrechtelijke veroordeling tot verbeurdverklaring. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
  13. Het onderdeel verzoekt het Hof aan een Arbitragehof de navolgende prejudiciële vraag te stellen: "Schenden de artikelen 220, 221-225 en 259 AWDA en artikel 39, vierde lid, van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop het grondbeginsel van de rechtszekerheid en het legaliteitsbeginsel, en mitsdien de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, in samenhang met artikel 7 EVRM en 15 IVBPR en de artikelen 33, 108 en 159 van de Grondwet, aldus geïnterpreteerd dat, wanneer ten laste van een veroordeelde beklaagde een verbeurdverklaring wordt opgelegd van de goederen, die zijn onttrokken en waarop de accijns verschuldigd is, deze veroordeelde beklaagde ook kan worden veroordeeld, bij niet wederoverlegging van die goederen, tot het betalen van de tegenwaarde van die goederen"?
  14. De in de vraag bedoelde verplichting vloeit niet voort uit de erin aangeduide wetsbepalingen, maar uit de verbintenis voor de schuldenaar van een zaak die deze wegneemt of door eigen toedoen niet in staat is ze terug te geven, overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, de schuldeiser van die zaak als schadevergoeding de tegenwaarde ervan te betalen. Het Hof stelt geen prejudiciële vraag die uitgaat van een foute juridische onderstelling. Derde onderdeel
  15. Het onderdeel verzoekt het Hof aan Arbitragehof de prejudiciële vraag te stellen: "Schenden de artikelen 220, 221-225 en 259 AWDA en artikel 39, vierde lid van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop het gelijkheidsbeginsel, en mitsdien de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang met artikel 6 EVRM en 14 IVBPR, aldus geïnterpreteerd dat zij toelaten dat, wanneer ten laste van een veroordeelde beklaagde een verbeurdverklaring wordt opgelegd van de goederen, die zijn onttrokken en waarop de accijns verschuldigd is, deze veroordeelde beklaagde bij niet weder-overlegging van die betrokken goederen, wordt veroordeeld tot het betalen van de tegenwaarde van die goederen, terwijl dit niet mogelijk is voor een veroordeelde beklaagde aan wie een verbeurdverklaring is opgelegd overeenkomstig het gemeen strafrecht"? Om dezelfde redenen als hierboven stelt het Hof de prejudiciële vraag niet. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun respectieve cassatieberoepen. Begroot de kosten in het geheel op 187,28 euro, waarvan op elk cassatieberoep 93,64 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 31 oktober 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110215.4 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160119.3 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251007.2N.19 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260203.2N.11 precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990921.8 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.8 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080212.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160628.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240416.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.