← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061107.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061107.6 Rolnummer: P.06.1062.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2007-01-26 Raadplegingen: 160 - laatst gezien 2026-07-03 07:13 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Nu krachtens artikel 185, ,§ 2, Wetboek van Strafvordering tegen de beslissing van de rechtbank waarbij de persoonlijke verschijning wordt bevolen, geen enkel rechtsmiddel kan worden ingesteld, volgt uit die bepaling dat tegen dergelijke beslissing ook geen cassatieberoep kan worden ingesteld samen met de eindbeslissing

(1).
(1)Zie Cass., 12 april 2000, AR P.00.0007.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000412.18, nr
  1. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Beslissingen uit hun aard niet vatbaar voor cassatieberoep Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering Beslissingen uit hun aard niet vatbaar voor cassatieberoep Beslissing waarbij de persoonlijke verschijning wordt bevolen Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Allerlei Vrije woorden: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Allerlei Beslissing waarbij de persoonlijke verschijning wordt bevolen Afwezigheid van rechtsmiddelen Tekst van de beslissing Nr. P.06.1062.N V R A G, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Katrien De Hertogh, advocaat bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de vonnissen in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank te Brussel van 10 maart 2006 en 2 juni
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Krachtens artikel 185, ,§ 2, Wetboek van Strafvordering kan tegen de beslissing van de rechtbank waarbij de persoonlijke verschijning wordt bevolen, geen enkel rechtsmiddel worden ingesteld. Uit die bepaling volgt dat tegen dergelijke beslissing ook geen cassatieberoep kan worden ingesteld samen met de eindbeslissing. Het cassatieberoep tegen het bestreden vonnis van 10 maart 2006 dat de persoonlijke verschijning van de eiser beveelt, is dan ook in zoverre niet ontvankelijk. Eerste middel
  4. Het middel voert aan dat de eiser op het ogenblik van de feiten "geparkeerd stond op de parking van VRT-Ketnet te Laken en de motor niet draaide".
  5. Het bestreden vonnis bevat die feitelijke vaststellingen niet. Het middel vraagt dus een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het middel is niet ontvankelijk. Tweede middel
  6. Het middel voert aan dat de appelrechters niet hebben geantwoord op de conclusie die de eiser op de terechtzitting van 10 februari 2006 heeft neergelegd en waarbij hij opwierp dat hij op het ogenblik van de feiten "geparkeerd stond op de parking van VRT-Ketnet te Laken en de motor niet draaide" en dus geen bestuurder was in de betekenis die de Wegverkeerswet daaraan geeft.
  7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser die conclusie heeft hernomen voor de rechters die na het bestreden vonnis van 10 maart 2006 dat de persoonlijke verschijning van de partijen heeft bevolen, de zaak volledig hebben hernomen en behandeld. De appelrechters hoefden dit verweer niet meer te beantwoorden. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.
  8. In zoverre het middel aanvoert dat de eiser tijdens de pleidooien na het vonnis van 10 maart 2006 wel de feiten heeft betwist, komt het op tegen de niet van valsheid betichte vaststelling van de appelrechters dat zulks niet het geval is. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
  9. Met de redenen die het bestreden vonnis van 2 juni 2006 vermeldt, zeggen de appelrechters nauwkeurig waarom zij een verval van het recht tot besturen van een voertuig uitspreken. Aldus voldoen zij aan de motiveringsverplichting van artikel 195, tweede en derde lid, Wetboek van Strafvordering. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 53,99 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei en Dirk Debruyne, en op de openbare terechtzitting van 7 november 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061107.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000412.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.