← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061110.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061110.1 Rolnummer: C.05.0481.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-01-26 Raadplegingen: 549 - laatst gezien 2026-07-04 04:38 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het cassatiemiddel dat neerkomt op een herhaling van de stelling die zowel door 's Hofs arrest als door de beslissing van de verwijzingsrechter is verworpen, is niet ontvankelijk

(1).
(1)Zie Cass., 6 juni 2005, AR S.04.0181.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050606.11, nr
  1. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei Vrije woorden: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei Herhaling van de stelling die zowel door 's Hofs arrest als door de verwijzingsrechter verworpen is Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1119 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0481.N BANANIC INTERNATIONAL NV, naamloze vennootschap, met zetel te 2000 Antwerpen, Leopoldbuilding, Bourlastraat 3, 2000 Antwerpen, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 523, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen Gmbh D.S. RENDITE FOND nr. 24-m.s. "CAPE COD", met zetel in Duitsland, te 2000 Hamburg 11, Kajen 12, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest , op 1 juni 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel, op verwerping gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 2 mei
  2. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; - de artikelen 2242, 2244 en 2247 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 12, tweede lid, 32, 40, 700, 716 en 717 van het Gerechtelijk Wetboek, voor zoveel als nodig; - de artikelen 1, 2 en 3 van de Overeenkomst van 25 april 1959 ondertekend te Brussel, tussen de Belgische Regering en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland tot het vergemakkelijken van de rechtsbetrekkingen bij de toepassing van het op 1 maart 1954 te 's Gravenhage gesloten bij wet van 28 maart 1958 goedgekeurde Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering, welke wet tevens de voorafgaande parlementaire goedkeuring inhoudt van de vermelde Overeenkomst van 25 april 1959, en waarvan de artikelen 1 tot 7 vervangen werden door het Verdrag van 15 november 1965 houdende de betekening en kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke zaken en handelszaken, gesloten te 's Gravenhage, goedgekeurd bij wet van 24 januari 1970; - de artikelen 2, 3, 4, 5 en 24 van het Verdrag van 15 november 1965 houdende de betekening en kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke zaken en handelszaken, gesloten te 's Gravenhage, goedgekeurd bij wet van 24 januari 1970; - de artikelen 46, 91, in het bijzonder A., ,§3.2° en 6°, en 266, in het bijzonder het derde lid, van Boek II van het Wetboek van Koophandel (de Zeewet) zoals vervangen door de wet van 21 augustus 1879, de wet van 28 november 1928 en gewijzigd door de wet van 11 april
  3. Aangevochten beslissingen Na een uiteenzetting van de procedurevoorgaanden, beslissen de appelrechters dat: "1.
  4. De betwisting tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de betekening op 25 oktober 1991 van de dagvaarding aan de procureur des Konings burgerlijke stuiting vormt in de zin van artikel 2244 B. W. Artikel 2244 B. W. bepaalt: 'Een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te krijgen, vormen burgerlijke stuiting'. Onder dagvaarding voor het gerecht moet worden verstaan een akte van rechtsingang die de zaak aanhangig maakt voor het gerecht. Wanneer de rechtsingang bij dagvaarding geschiedt, wordt de zaak overeenkomstig de artikelen 12, tweede lid, 700, 716 en 717 Ger. W. bij de rechter aanhangig gemaakt door de betekening van de dagvaarding aan de geadresseerde (art. 33 Ger. W), voor zover de zaak op de algemene rol is ingeschreven v&§972;&§972;r de zitting die in de dagvaarding is aangegeven. De stuiting door verjaring vindt slechts plaats op het ogenblik van de betekening van de dagvaarding. De betekening bestemd voor personen die in Duitsland verblijven wordt overeenkomstig artikel 1, eerste lid, 1°, van de Belgisch-Duitse Overeenkomst van 25 april 1959 tot het vergemakkelijken van de rechtsbetrekkingen bij toepassing van het op 1 maart 1954 te 's Gravenhage gesloten verdrag, door de procureurs-generaal of door de procureurs des Konings rechtstreeks gezonden aan de voorzitter van het Landgericht of Amtsgericht in het rechtsgebied waarvan degene, voor wie het stuk bestemd is, zich bevindt. De betekening, wanneer ze, zoals in casu, dient te geschieden volgens de wijze die wordt voorgeschreven door de Belgisch-Duitse Overeenkomst van 25 april 1959, vindt pas plaats op het ogenblik dat de voorzitter van het Landgericht of het Amtsgericht in het rechtsgebied waar degene voor wie het stuk bestemd is zich bevindt, het aan de geadresseerde te overhandigen stuk ontvangt. In casu werd de dagvaarding in kwestie slechts op 5 november 1991 door de procureur des Konings te Brugge overgemaakt aan de Voorzitter van het Amtsgericht te Hamburg en deze bevestigde bij verklaring d.d. 22 november 1991 dat aan de aanvraag tot betekening werd voldaan op 21 november 1991, waaruit volgt dat de datum van ontvangst van de stukken door de Voorzitter van het Amtsgericht zich situeert tussen 5 en 21 november 1991, dit is in elk geval na het verstrijken van de éénjarige verjaringstermijn, wat als dusdanig niet wordt betwist. Immers de verjaringstermijn bedoeld in de artikelen 91.A., 3.6° en 266, derde lid, van de Zeewet verstrijkt na verloop van één jaar te rekenen vanaf de datum dat de goederen geleverd zijn of behoorden geleverd te worden. In casu werden de goederen geacht geleverd te zijn op het ogenblik van het lossen van de goederen te Zeebrugge, zijnde de eindbestemming van de vervoerovereenkomst, te weten op 26 oktober
  5. Derhalve is vereist dat de dagvaarding waarbij de rechtsvordering wordt ingesteld betekend wordt ten laatste op 26 oktober 1991, zijnde de dag waarop de eenjarige verjaringstermijn verstrijkt. Op het ogenblik van de betekening van de dagvaarding in de zin van artikel 1, lid 1, van de Belgisch-Duitse Overeenkomst, dat gesitueerd dient te worden tussen 5 en 21 november 1991, was de verjaring derhalve reeds bereikt. Het feit dat de datum van aflevering van de dagvaarding aan de Voorzitter van het Amtsgericht te Hamburg niet vaststaat doet in casu geen afbreuk aan het feit dat de vordering van appellante onherroepelijk verjaard is, nu zowel het overmaken van de dagvaarding door de procureur des Konings te Brugge aan de voorzitter van het Amtsgericht (5 november 1991) als de aflevering van de dagvaarding aan de geadresseerde (21 november 1991) en derhalve ook het in ontvangst nemen van dit stuk door de voorzitter van het Amtsgericht (volgens advocaat R. Wegner zou dit gebeurd zijn op 12 november 1991 zie schrijven van 10 november 1991), zich situeren meer dan één jaar na 26 oktober
  6. 1.
  7. Tevergeefs beroept (de eiseres) zich op een aantal juridisch-technische argumenten om aan te tonen dat de 'dagvaarding' in de zin van artikel 2244 B.W., indien deze in Duitsland gebeurt, niet gelijk te stellen is met 'betekening' in de procesrechtelijke betekenis van het woord en dat artikel 2244 B. W. niet verhindert dat het stuitende effect van de dagvaarding gesitueerd wordt op een ogenblik v&§972;&§972;r de dagvaarding geheel is volbracht in de procesrechtelijke zin van het woord, op voorwaarde dat vaststaat dat de dagvaarding betekend is en dus geldig is. De zinsnede 'betekend aan hem die men wil beletten ... "zou in dit geval enkel de vereiste bepalen en niet tot strekking hebben het tijdstip van de stuitende werking vast te leggen. Volgens (eiseres) volstaat de uiting van de wil tot stuiting om de stuiting tot stand te brengen en staat de wil tot stuiting vast op het ogenblik dat het dagvaardingsexploot door de gerechtsdeurwaarder aan de procureur des Konings te Brugge werd overhandigd voor overmaking aan de bevoegde voorzitter van het Landgericht of Amtsgericht. Volgens (de eiseres) ligt het niet voor de hand dat men, om de gevolgen te beoordelen van een dagvaarding in hoofde van diegene die de dagvaarding verzendt, zich plaatst op het standpunt van diegene die de dagvaarding ontvangt. Zij stelt een ander tijdstip van betekening voor in verband met de verscheidene rechtsgevolgen die de betekening veroorzaakt. Indien de rechtsgevolgen belangrijk zijn voor de verzoeker, zou de betekening reeds verricht zijn zodra de eerste formele stap in de dagvaardingsprocedure gezet is, te weten in casu de betekening van de dagvaarding aan de procureur des Konings te Brugge. Indien daarentegen de belangen van de gedaagde op het spel staan, zou de betekening pas geschieden bij de effectieve overhandiging van het exploot aan gedaagde. (De eiseres) wijst erop dat het onderscheid dat wordt gemaakt tussen de datum van dagvaarding gehanteerd om de gevolgen te beoordelen in hoofde van de eiser en deze gehanteerd om de rechtsgevolgen in hoofde van de ontvanger te beoordelen terug te vinden is zowel in internationale verdragen als in de nationale wetgeving. Zij verwijst uitdrukkelijk naar de Verordening EG nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake betekening en kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken en naar het interne Duitse recht, dat ook dit onderscheid maakt. Dit verdedigde onderscheid kan echter niet worden aangehouden nu het de rechtszekerheid geenszins ten goede komt en bovendien praktisch niet haalbaar is. Er bestaan immers geen procedures waar nu eens enkel de belangen van de gedaagde op het spel staan en een andere keer de belangen van de verzoeker. Verder kampt dit voorstel trouwens met het probleem dat de betekening rechtsgevolgen kan sorteren vóór de geadresseerde de dagvaarding ontvangen heeft (zie ook Cass., 9 december 1996, met noot van Sofie Geeroms, R. W. 1996-1997, p. 1297-1298). 1.
  8. Al even tevergeefs stelt (de eiseres) dat het probleem van het ogenblik waarop de stuiting van de verjaring wordt bepaald, een louter nationaal probleem van burgerlijk recht is en dat de internationale multi- en billaterale verdragen terzake dit niet regelen en ook niet hebben kunnen of willen regelen en dat de oplossing die erin bestaat het stuitend effect pas te laten ingaan op het moment dat de dagvaarding wordt ontvangen door de Voorzitter van het Amtsgericht onbillijk is en praktische nadelen heeft, inzonderheid dat degene die dagvaardt alle controle verliest over het precieze tijdstip van dagvaarding. Dit argument is niet relevant in het kader van het bepalen van het tijdstip waarop de dagvaarding een burgerlijke stuiting vormt. Bovendien voorkomt de betekeningsprocedure van de Belgisch-Duitse Overeenkomst, doordat deze het tijdstip van de betekening situeert op het ogenblik waarop de Voorzitter van het Amtsgericht het stuk ontvangt, dat degene die dagvaardt alle controle verliest over het precieze tijdstip van de dagvaarding. Er zijn dan ook geen redenen voor handen om aan te nemen dat de betekening van de dagvaarding aan de Procureur des Konings burgerlijke stuiting vormt in de zin van artikel 2244 B.W. 1.
  9. De eerste rechter heeft de vordering van (de eiseres) dan ook terecht verjaard verklaard". Grieven Luidens artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek vormen een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te krijgen, burgerlijke stuiting. Het begrip "dagvaarding" in artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek verwijst in civielrechtelijke zin naar iedere vordering in rechte die ertoe strekt het bedreigde recht rechtens te doen erkennen en gaat aldus uit van de uiting door de schuldeiser van de wil zijn recht te doen erkennen in rechte. Artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek vereist dat de "dagvaarding" geldig is doch bepaalt niet dat, wanneer de te dagvaarden debiteur zich in het buitenland bevindt en de betekening de mededeling inhoudt van de dagvaarding tussen de Belgische en buitenlandse gerechtelijke overheden, de stuitende werking die uitgaat van een geldige dagvaarding, slechts zou ingaan op het ogenblik waarop de betekening van de dagvaarding in procesrechtelijke zin volledig is voltooid. Artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek noch enige andere bepaling verhinderen dat in hoofde van de schuldeiser aan een vordering en in het bijzonder een dagvaarding, stuitende werking toekomt zonder dat de debiteur reeds op de hoogte werd gebracht van de vordering, voor zover ten minste vaststaat dat de bij de wet bepaalde vormen werden in acht genomen voor het instellen van de betrokken vordering. De stuitende werking uitgaande van de dagvaarding in de zin van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek vindt plaats op het ogenblik waarop de eisende partij de handelingen stelt die van haar rechtens vereist worden om de vordering bij dagvaarding in te stellen en waarop deze partij aldus op onherroepelijke wijze de wil manifesteert zijn rechten te doen erkennen in rechte. Wanneer, zoals te dezen, met toepassing van artikel 1, eerste lid, 1°, van de in het middel vermelde Belgisch-Duitse Overeenkomst van 25 april 1959, de gerechtsdeurwaarder van de eisende partij de dagvaarding betekent aan de procureur-generaal of de procureur des Konings, die deze vervolgens rechtstreeks zendt aan de voorzitter van het Duitse Landgericht of Amtsgericht van het rechtsgebied waarvan degene, voor wie het stuk bestemd is zich bevindt, dient het ogenblik waarop de dagvaarding stuitende werking heeft bepaald te worden op het tijdstip waarop de gerechtsdeurwaarder de dagvaarding betekent aan de procureur-generaal of de procureur des Konings; op dat moment stelt de eiser immers de enige van hem verwachte handeling om de vordering in te stellen en manifesteert hij op onherroepelijke wijze de wil om zijn rechten te doen erkennen in rechte; in de daaropvolgende mededeling der stukken tussen gerechtelijke overheden bepaald in de vermelde Overeenkomst van 25 april 1959 speelt de eiser geen enkele rol; in hoofde van de eisende partij wordt de dagvaarding aldus uitgebracht op het ogenblik dat zij de dagvaarding overmaakt aan de procureur-generaal of procureur des Konings. Deze uitlegging van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek is daarenboven de enige uitlegging volgens dewelke deze wettelijke bepaling het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie eerbiedigt. Door te beslissen dat de stuiting door verjaring slechts plaatsvindt op het ogenblik van de betekening van de dagvaarding, met name, volgens de wijze die wordt voorgeschreven door de Belgisch-Duitse Overeenkomst van 25 april 1959, op het ogenblik dat de voorzitter van het Landgericht of het Amtsgericht in het rechtsgebied waar degene voor wie het stuk bestemd is zich bevindt, het aan de geadresseerde te overhandigen stuk ontvangt en door te beslissen dat er dan ook geen redenen voor handen zijn om aan te nemen dat de betekening van de dagvaarding aan de procureur des Konings burgerlijke stuiting vormt in de zin van artikel 2244 B.W., hebben de appelrechters derhalve hun beslissing niet naar recht verantwoord (schending van alle in het middel aangehaalde bepalingen, behalve de artikelen 10 en 11 van de Grondwet). In ondergeschikte orde, voor het geval het Hof de stelling in rechte van eiseres betreffende de uitlegging van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek niet zou aanvaarden, voert de eiseres aan dat in de door appèlrechters aangenomen interpretatie artikel 2244 B.W. de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie neergelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, schendt. Daaruit volgt dat het bestreden arrest, door artikel 2244 van het Gerechtelijk Wetboek in deze uitlegging toe te passen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. De eiseres verzoekt diensvolgens uw hof de hierna vermelde prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof met toepassing van artikel 26 van de Bijzondere Wet van 16 januari 1988 op het Arbitragehof. Deze prejudiciële vraag strekt ertoe door het Arbitragehof te laten beslissen of artikel 2244 zelf van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, om de redenen hierna aangehaald in de prejudiciële vraag. Daarenboven wordt de vraag gesteld of artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, dit keer in onderling verband met de Wet van 28 maart 1958 tot goedkeuring van het op 1 maart 1954 te 's Gravenhage gesloten Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering, wet die daarenboven de in artikel 1 van dit Verdrag voorziene overeenkomsten anticipatief goedkeurt, en hen verbindende kracht verleent, in de mate dus dat deze wet de Belgisch-Duitse Overeenkomst van 25 april 1959 verbindende kracht verleent en aldus verbindende kracht geeft aan een internationale bepaling die een discriminatie instelt tussen schuldeisers die beroep moeten doen op gerechtelijke overheden van het land van de schuldenaar om een verjaringstermijn te stuiten, en schuldeisers die beroep kunnen doen op de betekening per post of rechtstreekse betekening in het land van de schuldenaar. Deze prejudiciële vraag luidt als volgt: "Schendt artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, alleen of ten minste in onderling verband beschouwd met de wet van 28 maart 1958 tot goedkeuring van het op 1 maart 1954 te 's Gravenhage gesloten Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering, die daarenboven de in artikel 1 van dit Verdrag voorziene overeenkomsten anticipatief goedkeurt en hen verbindende kracht verleent, in de mate dat deze wet aldus aan de bepaling van de Belgisch-Duitse Overeenkomst van 25 april 1959 verbindende kracht verleent, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, indien artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek zo wordt uitgelegd dat, wanneer een dagvaarding van een buitenlandse verweerder de betekening aan de gerechtelijke overheden en daaropvolgende mededeling van de dagvaarding via deze overheden inhoudt, de stuitende werking van dergelijke dagvaarding geen aanvang neemt op het ogenblik van betekening van de dagvaarding aan de Belgische gerechtelijke overheid door de schuldeiser die daarmee de wilsuiting bevestigt om het door verjaring bedreigde recht te doen erkennen, doch slechts op een later ogenblik in de procedure van betekening, zoals het ogenblik waarop de buitenlandse gerechtelijke overheid de dagvaarding in ontvangst neemt, doordat aldus, in het bijzonder ten tijde van de litigieuze dagvaarding betekend door de eiseres: 1) de schuldeiser die voor de betekening in het buitenland een beroep dient te doen op gerechtelijke overheden, geen enkele controle heeft over de uiteindelijke datum van betekening, het risico loopt dat de stuitende werking niet valt binnen de verjaringstermijn en om dit risico te beperken verplicht is de betekeningsprocedure dermate vroeg aan te vangen door betekening aan de Belgische gerechtelijke overheid dat de wettelijke verjaringstermijn aanzienlijk wordt ingekort, terwijl de schuldeisers die beroep kunnen doen op betekening per post of rechtstreekse betekening in het land van de verweerder, wel het tijdstip van stuiting beheersen en zij niet verplicht zijn de procedure van betekening dermate vroeg aan te vatten dat hen een aanzienlijk deel van de verjaringstermijn wordt ontnomen, 2) aan de uiting van de wil van de schuldeiser om het door verjaring bedreigde recht te stuiten die erin bestaat de dagvaarding te betekenen aan de gerechtelijke overheden voor mededeling aan de debiteur, geen stuitende werking wordt verleend terwijl aan dezelfde wilsuiting van de schuldeiser die erin bestaat de dagvaarding af te geven ter post of rechtstreeks te betekenen aan de debiteur, wel stuitende werking wordt verleend?". III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  10. De verweerster voerde in het eerste middel van haar cassatieberoep tegen het tussen partijen gewezen arrest van 24 juni 1999 door het Hof van Beroep te Gent aan dat het arrest met name artikel 1 van de Belgisch-Duitse Overeenkomst van 25 april 1959 tot het vergemakkelijken van de rechtsbetrekkingen bij de toepassing van het op 1 maart 1954 te 's Gravenhage gesloten Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering en artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek heeft geschonden, door te oordelen dat de verjaring overeenkomstig vermeld artikel 2244 gestuit werd op het ogenblik van de betekening aan de procureur des Konings met het verzoek de stukken over te maken aan de bevoegde Duitse autoriteit en niet op het ogenblik dat de voorzitter van het Landgericht of Amtsgericht deze stukken ontvangt.
  11. Het Hof beslist in het arrest van 2 mei 2002 dat de betekening, wanneer ze dient te geschieden volgens de wijze die wordt voorgeschreven door de Belgisch-Duitse Overeenkomst van 25 april 1959, pas gebeurt op het ogenblik dat de voorzitter van het Landgericht of Amtsgericht in het rechtsgebied waarvan degene, voor wie het stuk is bestemd, zich bevindt, het aan de geadresseerde te overhandigen stuk ontvangt. Het toen vernietigde arrest had beslist dat de verjaring overeenkomstig artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek werd gestuit op het ogenblik van de betekening van de dagvaarding aan de procureur des Konings.
  12. De in het middel aangevochten beslissing van het arrest van 1 juni 2005, dat op verwijzing is gewezen door het Hof van Beroep te Brussel, stemt overeen met 's Hofs arrest van 2 mei
  13. Tegen die beslissing is, ingevolge artikel 1119, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, geen cassatieberoep toegelaten.
  14. Het middel is derhalve niet ontvankelijk, nu het neerkomt op een herhaling van de stelling die zowel door 's Hofs arrest als door de beslissing van de verwijzingsrechter verworpen is.
  15. De eiseres verzoekt het Hof aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen " zo het Hof zou besluiten de betrokken bepalingen zo uit te leggen dat de stuiting van de verjaring slechts zou plaatsvinden op het ogenblik dat de buitenlandse gerechtelijke overheid de dagvaarding ontvangt ".
  16. Het Hof komt echter aan een uitlegging van de betrokken bepalingen niet toe zodat er geen aanleiding is om een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 636,11 euro jegens de eisende partij en op de som van 171,18 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 10 november 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061110.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151008.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050606.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.