← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061113.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061113.2 Rolnummer: S.05.0111.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-01-26 Raadplegingen: 674 - laatst gezien 2026-07-04 05:26 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Op vorderingen tot uitvoering van verbintenissen die ontstaan uit een arbeidsovereenkomst maar met vervaldag na het eindigen van die overeenkomst, is de verjaringstermijn van één jaar toepasselijk; deze verjaringstermijn vangt slechts aan op die vervaldag

(1).
(1)Cass., 21 okt. 2002, AR S.99.0090.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021021.6, nr
  1. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - VERJARING UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Verjaring (arbeidsovereenkomst) Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - VERJARING Einde overeenkomst Rechtsvordering Uitvoering van verbintenis ontstaan uit arbeidsovereenkomst Termijn Aanvang Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Art.2257 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Aanvang Arbeidsovereenkomst Einde Rechtsvordering Uitvoering van verbintenis ontstaan uit arbeidsovereenkomst Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Art.2257 Annotaties Publicaties: R.W. - X; Noot. - 2007-2008, 819 Tekst van de beslissing Nr. S.05.0111.N F. A., eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen QUINN PLASTICS, naamloze vennootschap, met zetel te 2440 Geel, Leukaard 1, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 20 april 2005 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; - de artikelen 2257 en 2262bis, in het bijzonder ,§ 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de oorspronkelijke vordering van de eiser, het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk en gegrond, het incidenteel beroep van de eiser ontvankelijk doch ongegrond. Het arbeidshof vernietigt dienvolgens het vonnis van de arbeidsrechtbank van 10 mei 2004 en verklaart, opnieuw recht sprekend, de vordering van de eiser verjaard. Het arbeidshof beslist dat op grond van de volgende motieven: "
  2. De beoordeling: (De verweerster) besluit dat de vordering van (de eiser) verjaard is bij toepassing van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet, nu deze werd ingesteld meer dan één jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst. (De eiser), daarin gevolgd door de eerste rechters, is echter van oordeel dat die eis niet verjaard is, nu zijn vordering haar oorsprong zou vinden in een van de eigenlijke arbeidsovereenkomst onderscheiden overeenkomst, zodat genoemd artikel 15 in casu geen toepassing vindt, doch wel de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek. Om de hierna uiteengezette redenen kan het (arbeidshof) de argumentatie van (de eiser) niet bijtreden. Artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt: 'De rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, verjaren één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit deze vordering is ontstaan zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst mag overschrijden'. De vorderingen die uit de arbeidsovereenkomst ontstaan zijn dus in elk geval één jaar volgend op het einde van de arbeidsovereenkomst verjaard, ook al zijn de vorderingen minder dan vijf jaar voordien ontstaan. Gelet op het uitzonderingskarakter van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet moet deze bepaling beperkend worden geïnterpreteerd, in die zin dat de verjaringstermijn van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet enkel van toepassing is op de rechtsvorderingen 'die uit de arbeidsovereenkomsten zijn ontstaan' en zij dus niet van toepassing is op de vorderingen die niet uit de arbeidsovereenkomst zijn ontstaan. Dit neemt echter niet weg dat het begrip 'rechtsvorderingen die uit de arbeidsovereenkomsten zijn ontstaan' zelf, wel ruim moet worden geïnterpreteerd in die zin dat dit begrip niet alleen betrekking heeft op vorderingen die rechtstreeks gesteund zijn op de arbeidsovereenkomst, maar ook op vorderingen die onrechtstreeks op de arbeidsovereenkomst steunen, d.w.z. op vorderingen die in de arbeidsovereenkomst tussen de partijen hun oorsprong vinden, die er verband mee houden of het gevolg ervan zijn en die zonder de arbeidsovereenkomst niet zouden zijn kunnen ontstaan. Dat de vordering slechts ontstaat na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst doet geen afbreuk aan de mogelijke toepassing van artikel 15 van de Arbeidsovereen-komstenwet, mits uiteraard deze vordering haar oorsprong vindt in de arbeidsovereen-komst. In laatstgenoemde hypothese moet bedoelde eenjarige verjaringstermijn worden toegepast, zij het dat deze verjaringstermijn niet begint te lopen vanaf het einde van de arbeidsovereenkomst, maar vanaf het tijdstip waarop het gevorderde recht is ontstaan of eisbaar werd. Het betreft hier een eenvoudige toepassing van de principes vervat in artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek Tot slot dient erop gewezen dat de verjaring van artikel 15 van de Arbeidsovereen-komstenwet niet anders wordt gestuit of geschorst dan overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels uit het Burgerlijk Wetboek. ln casu steunt (de eiser) zijn vordering duidelijk en ondubbelzinnig op de overeenkomst die in januari 1993 tussen partijen werd gesloten en waarbij (de verweerster) zich verbond om aan (de eiser) of zijn nabestaanden een aanvullend pensioenkapitaal te betalen. Het in deze overeenkomst bedongen aanvullend pensioenkapitaal is een door (de verweerster) toegekend, in geld waardeerbaar voordeel, dat zijn oorsprong vindt in de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Dit blijkt zowel uit de bewoordingen van de overeenkomst, als uit de brieven die (de eiser) aan (de verweerster) verzond in 1999, als uit de houding die hij in de eerder gevoerde procedure heeft aangenomen. De band tussen het bedongen pensioenkapitaal en de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst blijkt vooreerst uit de bepalingen van de overeenkomst van januari 1993, met name uit het in artikel 4 van de overeenkomst bedongen behoud van de voordelen 'indien de begunstigde zijn dienst en dit voor gelijk welke reden verlaat vóór de data voorzien in de artikels 2 en 3' en de bedongen vermindering van de overeengekomen voordelen 'in functie van de jaren verlopen tussen het afsluiten van de huidige overeenkomst en het beëindigen van zijn functies' en het in artikel 5 bedongen verlies van deze voordelen 'indien er, wegens een zware fout, een einde wordt gesteld aan zijn functies in de vennootschap'. Dat met 'functies' wel degelijk de functies uitgeoefend in het kader van de arbeidsovereenkomst werden bedoeld en dat de bedongen pensioenvoordelen aan (de eiser) werden toegekend als tegenprestatie voor zijn arbeid in uitvoering van de arbeidsovereenkomst, werd door (de eiser) zelf, in tempore non suspectu erkend, met name in de hoger vermelde brief van 10 februari 1999, maar vooral in de hoger vermelde brief van 20 april
  3. Het is verder frappant dat (de eiser) (de verweerster) in 1993 dagvaardde in betaling van 1 BEF provisioneel pensioenaanvulling voor de Arbeidsrechtbank te Turnhout, waarmee hij op dat ogenblik minstens impliciet te kennen gaf dat deze vordering naar zijn oordeel tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten behoorde en derhalve een geschil inzake arbeidsovereenkomsten betrof. De Arbeidsrechtbank te Turnhout heeft zich overigens terecht - zij het impliciet - bevoegd verklaard om kennis te nemen van deze vordering. Ten slotte is de thans door (de eiser) ontwikkelde argumentatie ook moeilijk verenigbaar met het feit dat hij in de eerder gevoerde procedure steeds opname nastreefde in het basisjaarloon van de premies die (de verweerster) betaalde in het kader van de hoger vermelde bedrijfsleidersverzekering, met het oog op het bepalen van de hem verschuldigde opzeggingsvergoeding. In dit verband dient eraan herinnerd te worden dat (de eiser) initieel de mening was toegedaan dat de bedrijfsleiderverzekering haar oorsprong vond in de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst, zodat a fortiori mag besloten worden dat naar zijn oordeel ook de onderliggende overeenkomst tot toekenning van een aanvullend pensioenkapitaal haar oorsprong vond in de arbeidsovereenkomst. Tevergeefs doet (de eiser) in dit verband gelden dat dit (arbeidshof), in zijn arresten van 5 april 2000 en 21 april 2004, bedoelde premies niet in aanmerking heeft genomen voor de berekening van de aan (de eiser) verschuldigde opzeggingsvergoeding. De beslissing van het (arbeidshof) desbetreffend steunde immers niet op de overweging dat bedoelde premies niet konden worden gekwalificeerd als (loon)voordeel verworven krachtens de arbeidsovereenkomst, maar op de overweging dat (de verweerster) in 1993 geen premies meer diende te betalen in het kader van bedoelde verzekering, zodat deze geen deel uitmaakten van het lopende loon op het ogenblik van het ontslag. Eenzelfde bemerking geldt mutatis mutandis de beslissing die dit (arbeidshof) om het gevorderd achterstallig dubbel vakantiegeld op deze premies af te wijzen, afwijzing die niet steunde op de overweging dat bedoelde premies geen loon waren, maar op de vaststelling dat de premiebetalingen op jaarbasis gebeurden. Gelet op het voorgaande is het (arbeidshof) van oordeel dat de vordering van (de eiser) is ontstaan uit zijn vroegere arbeidsovereenkomst, zodat artikel 15 Arbeidsovereenkomsten-wet van toepassing is. Deze vordering is opeisbaar geworden op 1 januari 1999, datum waarop (de eiser), volgens de bepalingen van de overeenkomst van januari 1993, aanspraak kon maken op de betaling van het bedongen aanvullend pensioenkapitaal 'bij leven' door (de verweerster). Met toepassing van artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek begon de in artikel 15 Arbeidsovereenkomstenwet bedoelde eenjarige verjaringstermijn bijgevolg op 1 januari 1999 te lopen. Zelfs aangenomen dat elke brief die door (de verweerster) werd verzonden in antwoord op de aanspraken van (de eiser) kan worden beschouwd als een erkenning van het recht van (de eiser) op betaling van het thans gevorderde pensioenkapitaal, blijft de vaststelling dat tussen de laatste brief die (de verweerster) in dit kader verzond (met name de brief van 25 maart 1999) en de inleidende dagvaarding meer dan één jaar is verstreken. Het blijkt verder niet dat in de periode tussen deze brief en de inleidende dagvaarding een handeling werd gesteld of zich een feit heeft voorgedaan dat de in artikel 15 Arbeidsovereenkomstenwet bedoelde verjaring heeft gestuit of geschorst. Gelet op het voorgaande moet noodzakelijk besloten worden dat de vordering die (de eiser) heeft ingeleid met een dagvaarding betekend op 15 januari 2001 verjaard is". Grieven
  4. Krachtens artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, hieronder afgekort als Arbeidsovereenkomstenwet, verjaren de rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden. De verjaringstermijn van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet kan worden gestuit overeenkomstig de regelen van het Burgerlijk Wetboek. Luidens artikel 2257, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek loopt de verjaring niet ten aanzien van een schuldvordering die op een bepaalde dag vervalt, zolang die dag nog niet is verschenen. Het tweede lid van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat in geval van toepassing van artikel 39bis de rechtsvordering die uit de niet-betaling van de opzeggingsvergoeding ontstaat, verjaart één jaar na de laatste effectieve maandelijkse betaling door de werkgever. Uit voornoemde bepalingen volgt dat de verjaringstermijn van het eerste lid van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet enkel van toepassing is op de rechtsvorderingen die ontstaan uit de arbeidsovereenkomst en tijdens de arbeidsovereenkomst of bij het eindigen ervan. Bijgevolg zijn op rechtsvorderingen die ontstaan uit een arbeidsovereenkomst maar dat pas na het eindigen van die overeenkomst, de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen van toepassing. Artikel 2262bis, ,§1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar.
  5. Het arbeidshof stelt vast dat de eiser tijdens zijn tewerkstelling bij (de rechtsvoorgangster van) de verweerster een "overeenkomst van aanvullend pensioen" sloot met de verweerster en dat die overeenkomst, die meermaals werd vervangen door andere, gelijkaardige overeenkomsten, bepaalt dat de verweerster een bepaald bedrag zou betalen aan de eiser bij leven op 1 januari 1999 (zie blz. 4 en 5 van het arrest, onder "De feiten"). De laatste in dat kader gesloten overeenkomst dateert van januari 1993 en bepaalt dat de verweerster in geval van leven van de eiser op 1 januari 1999 aan de eiser ten titel van vergoeding geldend als aanvullend pensioen, een bepaald bedrag zal storten (blz. 5, midden, van het arrest). Ook stelt het arbeidshof vast dat de eiser op 19 april 1993 onmiddellijk werd ontslagen met betaling van een opzeggingsvergoeding (blz. 6, bovenaan, van het arrest). Het arbeidshof stelt vast dat de eiser zijn vordering steunt op de overeenkomst die in januari 1993 tussen partijen werd gesloten en waarbij de verweerster zich verbond om aan de eiser of zijn nabestaanden een aanvullend pensioenkapitaal te betalen. Het in die overeenkomst bedongen aanvullend pensioenkapitaal is een door de verweerster toegekend, in geld waardeerbaar voordeel, dat zijn oorsprong vindt in de arbeidsovereenkomst tussen partijen (blz. 9, vierde en derde laatste alinea, van het arrest). Voorts stelt het arbeidshof vast dat de vordering van de eiser ontstaan is uit zijn vroegere arbeidsovereenkomst, alsook dat de vordering van de eiser op 1 januari 1999 opeisbaar is geworden, datum waarop de eiser volgens de overeenkomst van januari 1993 aanspraak kon maken op de betaling van het aanvullend pensioenkapitaal door de verweerster (blz. 10, onderaan en blz. 11, bovenaan, van het arrest). Uit die vaststellingen van het arbeidshof blijkt aldus dat de rechtsvordering van de eiser wel haar oorzaak vindt in de arbeidsovereenkomst, maar pas ontstaan is ná het einde van de arbeidsovereenkomst. De vordering werd, volgens de vaststellingen van het arbeidshof, pas opeisbaar op 1 januari 1999 terwijl de arbeidsovereenkomst een einde nam op 13 april 1999 (lees: 19 april 1993). De eiser voerde in regelmatig voor het arbeidshof neergelegde conclusies niet enkel aan dat zijn vordering niet verjaard was omdat zijn vordering voortvloeide uit een van de eigenlijke arbeidsovereenkomst te onderscheiden overeenkomst, maar voerde ook aan: "De gemeenrechtelijke verjaringstermijn (vroeger 30, thans 10 jaar) wordt algemeen van toepassing gemaakt voor vorderingen die steunen op feiten van ná het einde van de arbeidsovereenkomst" (blz. 5, derde alinea, van de syntheseconclusie neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 22 november 2004; blz. 5, tweede alinea, van de conclusie neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 9 juli 2004). Volgens het arbeidshof doet het feit dat de rechtsvordering pas ontstaat ná de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen afbreuk aan de mogelijke toepassing van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet, mits de vordering uiteraard haar oorsprong vindt in de arbeidsovereenkomst, en moet in die hypothese de eenjarige verjaringstermijn van die bepaling worden toegepast, zij het dat die pas begint te lopen vanaf het tijdstip waarop het gevorderde recht ontstaan is of eisbaar wordt (blz. 9, eerste en tweede nieuwe alinea, van het arrest). Het arbeidshof overweegt dat artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet van toepassing is op de vordering van de eiser, dat met toepassing van artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek de eenjarige verjaringstermijn is beginnen lopen op 1 januari 1999, dat zelfs indien wordt aangenomen dat elke brief die de verweerster verstuurde in antwoord op de aanspraken van de eiser kan beschouwd worden als een erkenning van het recht van de eiser op de betaling van het thans gevorderde aanvullend pensioenkapitaal, de vaststelling blijft dat tussen de laatste brief die de verweerster in dat kader verzond (op 25 maart 1999) en de inleidende dagvaarding meer dan één jaar is verstreken, dat niet blijkt dat tussen die laatste brief en de inleidende dagvaarding een handeling werd gesteld of zich een feit heeft voorgedaan dat de in artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet bedoelde verjaring heeft gestuit of geschorst, en beslist dat de vordering van de eiser, ingeleid met een dagvaarding van 15 januari 2001, verjaard is. Met die overwegingen en beslissing, in het bijzonder door de toepassing van de eenjarige verjaringstermijn van artikel 15, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet op een vordering die uit de arbeidsovereenkomst is ontstaan, maar (...) pas na de beëindiging van die arbeidsovereenkomst, schendt het arbeidshof die bepaling alsook de artikelen 2257 en 2262bis van het Burgerlijk Wetboek. Aldus oordeelt het arbeidshof niet wettig dat op rechtsvorderingen die hun oorsprong vinden in de arbeidsovereenkomst maar pas ontstaan zijn ná het einde ervan, de éénjarige verjaringstermijn van artikel 15, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet van toepassing is, met dien verstande dat de eenjarige verjaringstermijn pas begint te lopen op het tijdstip waarop het gevorderde recht is ontstaan, en verklaart de vordering van de eiser bijgevolg op die grond niet wettig verjaard (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde wettelijke bepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  6. Artikel 15, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat de rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, verjaren één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden. Artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de verjaring niet loopt ten aanzien van een schuldvordering die op een bepaalde dag vervalt, zolang die dag niet verschenen is.
  7. Uit de samenhang van die wetsbepalingen volgt dat op vorderingen tot uitvoering van verbintenissen die ontstaan uit een arbeidsovereenkomst maar met vervaldag na het eindigen van die overeenkomst, de in voormeld artikel 15, eerste lid, bepaalde verjaringstermijn van één jaar toepasselijk is en dat die verjaringstermijn slechts aanvangt op die vervaldag. Het tweede lid van voormeld artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet dat bepaalt dat in geval van toepassing van artikel 39bis van die wet, de rechtsvordering die uit de niet-betaling van de opzeggingsvergoeding ontstaat, verjaart één jaar na de laatste effectieve maandelijkse betaling door de werkgever, is een toepassing van die regel.
  8. Het middel gaat ervan uit dat de verjaringstermijn van het eerste lid van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet enkel van toepassing is op vorderingen die tijdens of bij het eindigen van de arbeidsovereenkomst ontstaan en dat de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van 10 jaar die is bepaald in artikel 2262bis, ,§1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is op vorderingen die uit de arbeidsovereenkomst ontstaan, maar pas na het eindigen ervan.
  9. Het middel faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van 358, 42 euro jegens de eisende partij en op de som van 159,65 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van dertien november tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061113.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20161010.1 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180305.2 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180920.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021021.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120514.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.