id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061116.5 Rolnummer: F.05.0072.F Kamer: 1F - première chambre Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 715 - laatst gezien 2026-07-03 23:20 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De ongrondwettigheid van één van de artikelen van een belastingverordening maakt de gehele belastingverordening nietig, wanneer de bepalingen ervan een onsplitsbaar geheel vormen, daar zij alle betrekking hebben op een belasting die in strijd met het gelijkheidsbeginsel is ingevoerd
(1)
(1)Zie de andersluidende concl. O.M., Pas., 2006, nr ...; zie Cass., 18 nov. 2005, AR F.04.0053.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051118.22, en noot 1, www.cass.be; vgl. Cass., 25 okt. 1985, AR F.85.1202.N, nr
- Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Vrije woorden: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Ongrondwettigheid Wettelijke bepalingen: Wet - 17-02-1994 - Artt.10,11,15 Fiche 2 Concl. adv.-gen. HENKES, Cass., 16 nov. 2006, AR F.05.0072.F, Pas., 2006, nr ... Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Vrije woorden: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Ongrondwettigheid Tekst van de beslissing Nr. F.05.0072.F STAD VERVIERS, Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen ROTENBERG, naamloze vennootschap, Mr. Marc Levaux, advocaat bij de balie te Luik. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 15 september 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Luik. Afdelingsvoorzitter Claude Parmentier heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan : Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10, 11, 159 en 172 van de Grondwet; - de artikelen 31, 108, tweede lid, 2°, en 110, vierde lid, van de Grondwet; - de artikelen 1 tot 5 van de belastingverordening van de eiseres op het gebruik van de openbare weg voor de plaatsing van afsluitingen, hekken, steigers en voor opslagplaatsen van materialen of materieel, welke verordening bij besluit van 27 november 2000 van de gemeenteraad van de eiseres met één jaar is verlengd met ingang van 1 januari
- Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest stelt, met verwijzing naar de motivering van de eerste rechter ,vast dat de gemeenteraad van de stad Verviers bij een besluit van 27 november 2000 een belastingverordening op het gebruik van de openbare weg voor de plaatsing van afsluitingen, hekken, steigers en voor opslagplaatsen van materialen of materieel heeft verlengd met één jaar met ingang van 1 januari 2001, onder de op 31 december 2000 geldende tarieven en voorwaarden; dat artikel 6 van die belastingverordening bepaalt dat de belasting niet wordt geheven wanneer de openbare weg moet worden gebruikt voor werkzaamheden betreffende - de bouw van huizen onder het toezicht van de Nationale Huisvestingsmaatschappij, - de bouw van eigendommen van de overheid die bestemd zijn voor een al dan niet kosteloze dienst van openbaar nut, - de bouw van huizen onder de voorwaarden die de centrale overheid heeft vastgesteld met het oog op de toekenning van bouwpremies door het privé-initiatief, van goedkope woningen en kleine eigendommen, - de renovatie (onder bepaalde voorwaarden) van gevels of op de weg uitgevende puntgevels, zulks gedurende de eerste maand waarin de openbare weg wordt gebruikt; dat de verweerster tijdens het jaar 2001 wegens bouwwerkzaamheden een gedeelte van de rue des Gardes-Frontières te Stembert heeft gebruikt ; dat de eiseres met toepassing van bovengenoemde verordening, voor vier perioden van het jaar 2001 belastingen ten belope van in totaal 9.843,40 euro ten laste van de verweerster ten kohiere heeft gebracht ; dat de bezwaarschriften die de verweerster had ingediend tegen de vier aanslagen zijn verworpen door het college van burgemeester en schepenen van de [eiseres]. Vervolgens vernietigt het bestreden arrest, met bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, de litigieuze aanslagen, veroordeelt het de eiseres tot terugbetaling van alle ten onrechte ontvangen geldsommen, vermeerderd met de moratoire intresten, en verwijst het haar in de kosten. Het bestreden arrest baseert die beslissing op de volgende gronden:
(1)"De (verweerster) werpt tegen de toepassing van een gemeenteverordening tot invoering van een belasting op het gebruik van de weg onder meer op dat de tekst aan de maatschappijen voor sociale huisvesting een niet te verantwoorden vrijstelling verleent. [De eiseres] beslist niettemin dat er wel degelijk een verantwoordingsgrond bestaat, (namelijk de maatschappijen niet benadelen, waarvan het doel erin bestaat betaalbare woningen aan te bieden aan de minstbedeelden, met dien verstande bovendien dat, op verzoek van het hof [van beroep] op de terechtzitting een debat is gevoerd over de vraag welk gevolg een onwettig beding heeft op de geldigheid van de verordening zelf, gelet op de leer van het Hof van Cassatie (...) (Cass., 25 oktober 1985, A.C., 1985-1986, nr. 221).
(2)De grondwettelijke regels betreffende de gelijkheid van de Belgen en de non-discriminatie in belastingzaken beletten niet dat bepaalde categorieën van personen een andere fiscale behandeling krijgen, mits deze op objectieve en redelijke gronden kan worden verantwoord; het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met inachtneming van het doel en de gevolgen van de ingevoerde belasting en van de band van redelijke evenredigheid die er tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel moet bestaan (...). Te dezen is de verordening bedoeld om de financiële problemen van de [eiseres] te verhelpen, zodat niet blijkt dat het voor haar objectief en, alle verhoudingen in acht genomen, redelijk is zich middelen te ontzeggen door de maatschappen voor sociale huisvesting van de belasting vrij te stellen wanneer zij de wegen gebruiken voor hun werkzaamheden, die voor evenveel overlast kunnen zorgen als de bouw van andere panden. Een dergelijke vrijstelling zou daarentegen wel eens een pervers effect kunnen hebben, namelijk dat die openbare maatschappijen zich minder aan de voortgang van hun werken te Verviers gelegen laten liggen dan andere belastingplichtige bouwmaatschappijen, terwijl met name de terbeschikkingstelling van woningen, ook aan de minstbedeelden, een werk is waarvan de afloop kennelijk ten goede komt aan de gemeenschap.
(3)Aldus rijst, in de lijn van het voornoemde arrest van het Hof van Cassatie van 25 oktober 1985, de vraag welke weerslag het feit dat die vrijstelling in strijd is met het beginsel van de gelijkheid van de Belgen voor de wet eventueel kan hebben op de belastingverordening in haar geheel. Te dezen bestaat het door die beslissing in aanmerking genomen gebrek aan belang niet, aangezien de [verweerster], zoals zij uitdrukkelijk ter zitting heeft gepreciseerd, zonder de feiten zelf te betwisten, heeft betoogd dat zij voor de toepassing van de litigieuze belastingverordening in dezelfde voorwaarden verkeerde als een maatschappij voor sociale huisvesting ("het verlies van het genot van de openbare weg is hetzelfde"), zodat de daaruit voortvloeiende fiscale behandeling dezelfde moest zijn voor ieder van hen. Aangezien de [eiseres] een vrijstelling verleent aan bepaalde maatschappijen, is het nog minder duidelijk waarom andere belastingplichtigen die in vergelijkbare voorwaarden verkeren, hiervan uitgesloten worden, zoals dit hier het geval is. In de omstandigheden van de zaak is het bovendien evenmin duidelijk hoe het, gelet op de vereisten van het gelijkheidsbeginsel, mogelijk is die bepalingen te splitsen en de ene toe te passen en de andere niet, ofschoon zij een geheel vormen dat de regeling vormt die van toepassing is op de personen die de weg gebruiken (onder meer voor machines en materialen) teneinde panden te bouwen op het grondgebied van de [eiseres]. Dat aspect is ter zitting eveneens beklemtoond door de [verweerster] die, gelet op alle gegevens van het dossier, terecht heeft beslist dat "het geen zin zou hebben" dat beding als "afscheidbaar" te beschouwen. Te dezen leidt het bestaan van een vrijstelling waarvan de [verweerster] ten onrechte is uitgesloten tot de weigering om de litigieuze aanslagen goed te keuren ...". Grieven Eerste onderdeel De in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet vastgelegde grondwettelijke regels van de gelijkheid en de non-discriminatie sluiten niet uit dat categorieën van personen anders worden behandeld, mits zij op een objectief criterium berusten en op redelijke gronden zijn verantwoord. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met inachtneming van het doel en de gevolgen van de bekritiseerde maatregel; het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden wanneer er geen redelijke verhouding van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Het bestreden arrest grondt de beslissing dat de belastingvrijstelling die artikel 6 van de belastingverordening invoert in het geval dat de openbare weg moet worden gebruikt voor de bouw van huizen onder het toezicht van de Nationale Huisvestingsmaatschappij, te dezen op de overweging dat "de verordening bedoeld is om de financiële problemen van de [eiseres] te verhelpen, zodat het niet blijkt dat het voor haar objectief en, alle verhoudingen in acht genomen, redelijk zou zijn zich middelen te ontzeggen door de maatschappijen voor sociale huisvesting van de belasting vrij te stellen wanneer zij de wegen gebruiken voor hun werkzaamheden". Krachtens het in de artikelen 31, 108, tweede lid, 2° en 110 van de Grondwet vastgelegde beginsel van de fiscale autonomie van de gemeenten, staat het evenwel aan de gemeenteraad om, onder het enkele toezicht van de hogere overheid, bij de goedkeuring van een belastingverordening die per definitie bedoeld is om middelen te verschaffen aan de gemeente, vrijstellingen te verlenen voor een sociaal doel. Te dezen loochent het bestreden arrest niet dat de bij de belastingverordening ingevoerde vrijstelling bedoeld was om "maatschappijen niet te benadelen waarvan het doel erin bestaat betaalbare woningen aan te bieden aan de minstbedeelden". Het bestreden arrest beslist evenwel dat die vrijstelling "wel eens een pervers effect zou kunnen hebben, namelijk dat die openbare maatschappijen zich aan de voortgang van hun werken te Verviers minder gelegen laten liggen dan de andere belastingplichtige bouwmaatschappijen, terwijl ... de terbeschikkingstelling van woningen, ook aan de minstbedeelden, een werk is waarvan de afloop kennelijk ten goede komt aan de gemeenschap". Door de opportuniteit van de bij de belastingverordening ingevoerde vrijstelling aldus te beoordelen eigent het arrest zich de beoordelingsbevoegdheid van de gemeenteoverheid toe en verantwoordt het niet naar recht de beslissing van het hof van beroep volgens welke de vrijstelling niet op een objectief criterium berust, niet in redelijkheid verantwoord is en niet in een redelijke verhouding van evenredigheid staat tot het beoogde sociale doel. Door te beslissen dat de belastingverordening in strijd is met het grondwettelijk beginsel van de gelijkheid en de non-discriminatie en door de toepassing ervan te weigeren, schendt het bestreden arrest dus de artikelen 10, 11, 159 en 172 van de Grondwet en miskent het de fiscale autonomie van de gemeenten (schending van de artikelen 31, 108, tweede lid, 2°, en 110 van de Grondwet). Tweede onderdeel Zelfs als de vrijstelling van de belasting die artikel 6 van de belastingverordening verleent in het geval dat de openbare weg moet worden gebruikt voor de bouw van huizen onder het toezicht van de Nationale Huisvestingsmaatschappij de grondwettelijke beginselen van de gelijkheid en de non-discriminatie miskent, heeft het bestreden arrest niet wettig kunnen beslissen dat die onwettigheid de belastingverordening in haar geheel ongeldig maakt. De onwettigheid kan zich enkel tot de gehele belastingverordening uitstrekken in het geval dat de vrijstelling die strijdig werd bevonden met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, volgens de stellers van die verordening, een essentieel onderdeel ervan vormde bij ontstentenis waarvan de verordening niet zou zijn goedgekeurd, wat niet blijkt uit de vaststellingen van het arrest. Daarentegen blijkt uit de opzet van de belastingverordening dat de door het bestreden arrest bekritiseerde vrijstelling een bijkomstig karakter heeft. Door te beslissen dat de onwettigheid van de bekritiseerde vrijstelling de bepalingen van de verordening die niet in strijd zijn met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet ongeldig maakt, schendt het bestreden arrest die bepalingen, alsook artikel 159 van de Grondwet en de bovenaan in het middel vermelde artikelen van de belastingverordening van de eiseres. III. BESLISSING VAN HET HOF ... Tweede onderdeel : Het onderdeel betoogt dat de discriminatoire aard van de vrijstelling die artikel 6 van de belastingverordening verleent aan de maatschappijen voor sociale huisvesting, niet impliceert dat de verordening daarom in haar geheel ongrondwettig is. De bepalingen van de belastingverordening vormen een onsplitsbaar geheel, daar zij alle betrekking hebben op een belasting die in strijd met het gelijkheidsbeginsel is ingevoerd. De ongrondwettigheid van artikel 6 van de belastingverordening maakt de gehele verordening nietig. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eiseres in de kosten. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Philippe Gosseries en Jocelyne Bodson, en in openbare terechtzitting van zestien november tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart. Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem. De griffier, De afdelingsvoorzitter, PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061116.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20161212.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051118.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div