id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061116.6 Rolnummer: F.05.0088.F Kamer: 1F - première chambre Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 512 - laatst gezien 2026-07-03 17:27 Versie(s): Vertaling FR Fiche Naar recht verantwoord is het arrest dat, na te hebben vastgesteld dat een vennootschap krachtens een overeenkomst "diensten" door een andere vennootschap is belast met de volledige organisatie van collectieve maaltijdverstrekkingen in twee, door laatstgenoemde vennootschap geëxploiteerde rusthuizen, met de verplichting een ononderbroken dienst te verzekeren en rekening te houden met de specifieke richtlijnen van die vennootschap en dat zij de menu's moest opmaken, met leveranciers onderhandelen en de voor de rusthuisbewoners en het personeel bestemde maaltijden ter plaatse moest bereiden, beslist dat de door de eerste vennootschap ten voordele van de tweede vennootschap gedane verrichtingen diensten zijn
(1).
(1)H.v.J., 2 mei 1996 (Fauborg-Gelting Linien A/S t. Finanzamt Flensburg), C-231/94, Verz., p I-
- Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Rusthuizen Collectieve maaltijdverstrekking door een derde Dienstverstrekking Tekst van de beslissing Nr. F.05.0088.F DEMLOC, naamloze vennootschap, Mr. Thierry Afschrift, advocaat bij de balie te Brussel, tegen BELGISCHE STAAT, minister van Financiën, Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 25 maart 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Luik. Afdelingsvoorzitter Claude Parmentier heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan:
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 5.1 en 6.1 van de zesde richtlijn 77/338/EG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting; - de artikelen 9 en 18 van het B.T.W.-wetboek - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek ; - het artikel 149 van de Grondwet ; - de bewijskracht van de akten. Aangevochten beslissingen Het arrest beslist dat "de litigieuze handelingen aan de B.T.W. tegen het volle tarief moeten worden onderworpen, omdat zij te dezen een dienst zijn" op grond van de vaststelling : -"dat de keukens waarin [de eiseres] de maaltijden bereidt zich binnen de rusthuizen zelf bevinden en dat de maaltijden die worden bereid met inachtneming van het dieet eigen aan elke rusthuisbewoner, er op karren worden geplaatst en in de restaurantzaal of in de kamers van de bewoners worden gebracht door het personeel van de naamloze vennootschap Issat" ; -"dat het hof [van beroep] niet vaststelt dat de keukens van de rusthuizen zijn verhuurd aan [de eiseres] : artikel 3.5 van de overeenkomst heeft betrekking op de terbeschikkingstelling van ruimten en de huurovereenkomst van 30 juni 1996 (...) bepaalt dat Issat aan [de eiseres] "een geheel van voorwerpen en meubilair bestemd voor de exploitatie van de rusthuizen" verhuurt, zonder ze nader te omschrijven maar met de precisering dat ze dienen voor het beheer van de R.C." ; -"dat zowel uit de benaming van de overeenkomst (diensten) als uit de bewoordingen die erin worden gebruikt om de taken te omschrijven (diensten) en uit de omschrijving zelf van de door [de eiseres] te vervullen taken (cf. de hierboven aangehaalde uittreksels uit de overeenkomst) blijkt dat [de eiseres] wel degelijk aan de naamloze vennootschap Issat diensten verstrekte die zij overigens factureerde met de vermelding ¿levering van diensten voor collectieve maaltijdvoorzieningen'". Grieven Eerste onderdeel Krachtens artikel 5.1 van de zesde Europese B.T.W.-richtlijn "wordt als levering van een goed beschouwd de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken". Volgens artikel 6.1 van die richtlijn "wordt als dienst beschouwd elke handeling die geen levering van een goed in de zin van artikel 5 is". De artikelen 9 en 18 van het B.T.W.-wetboek bevatten identieke bepalingen. Volgens het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen moeten, om inzake maaltijdbereiding, te bepalen of handelingen leveringen van goederen dan wel diensten zijn, "alle omstandigheden waaronder de betrokken handeling wordt verricht in aanmerking worden genomen om daaruit de kenmerkende elementen naar voren te halen" ; "daartoe dient te worden vastgesteld dat de verstrekking van toebereide spijzen en dranken voor onmiddellijke consumptie het resultaat is van een serie diensten, die begint bij de bereiding van de spijzen en eindigt bij de feitelijke opdiening, en waarbij de klant een infrastructuur ter beschikking wordt gesteld, bestaande uit een restauratiezaal met bijbehorende ruimten (garderobe etc.) alsmede meubilair en serviesgoed. In voorkomend geval zullen de natuurlijke personen wier beroep dit is, de tafel dekken, de klant adviseren en hem informeren over de aangeboden spijzen of dranken, de gerechten aan tafel opdienen en ten slotte na de maaltijd de tafel afruimen (...). De restaurantverrichting wordt derhalve gekenmerkt door een reeks van elementen en handelingen, waarvan de levering van voedsel niet meer dan een onderdeel is en waarin het dienstenaspect ruimschoots de overhand heeft. Zij moet bijgevolg als dienst in de zin van artikel 6, lid 1, van de zesde richtlijn worden beschouwd. Dit is echter anders, wanneer de verrichting betrekking heeft op (afhaal)-maaltijden en niet gepaard gaat met diensten die de nuttiging ter plaatse in een passend kader moeten veraangenamen" (arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 6e kamer, 2 mei 1996, zaak C-231/94, nrs. 12, 13 en 14). Uit dat arrest volgt dat "de verstrekking van toebereide spijzen en dranken voor onmiddellijke consumptie" (dat is de dienst) "het resultaat is van een serie diensten, die begint bij de bereiding van de spijzen en eindigt bij de feitelijke opdiening, en waarbij de klant een infrastructuur ter beschikking wordt gesteld, bestaande uit een restauratiezaal met bijbehorende ruimten alsmede meubilair en serviesgoed". Er is daarentegen sprake van levering van goederen "wanneer de verrichting betrekking heeft op (afhaal)-maaltijden en niet gepaard gaat met diensten die de nuttiging ter plaatse in een passend kader moeten veraangenamen". Te dezen kon het hof van beroep, na te hebben vastgesteld "dat de keukens waarin de maaltijden door [de eiseres] worden bereid zich binnen de rusthuizen zelf bevinden en dat de maaltijden die worden bereid met inachtneming van het dieet, eigen aan elke rusthuisbewoner, er op karren worden geplaatst en in de restaurantzaal of in de kamers van de bewoners worden gebracht door het personeel van de naamloze vennootschap Issat", niet wettig beslissen dat de litigieuze handelingen diensten waren in de zin van het voormelde artikel 6 van de zesde richtlijn (artikel 18 van het B.T.W.-wetboek). Uit die feitelijke vaststellingen van het arrest volgt immers dat de [eiseres] de maaltijden bereidt, maar dat deze "op karren worden geplaatst en in de restaurantzaal of in de kamers van de bewoners worden gebracht door het personeel van de naamloze vennootschap Issat". Blijkens de vaststellingen zelf van het arrest worden de door de [eiseres] toebereide maaltijden wel degelijk opgediend door de naamloze vennootschap Issat (en dus niet door de [eiseres]. Het arrest stelt dus niet vast, zoals nochtans door de bovengenoemde bepalingen van de richtlijn en door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen wordt vereist, dat de levering van voedsel (voor de [eiseres] die de betrokken maaltijden verstrekte) "slechts een onderdeel was waarin het dienstenaspect ruimschoots de overhand heeft" . Het arrest miskent aldus de wettelijke begrippen levering van goederen en diensten (schending van de artikelen 5.1 en 6.1 van de zesde B.T.W.-richtlijn en 9 en 18 van het B.T.W.-wetboek). Zo nodig vraagt de [eiseres] aan het Hof van Cassatie dat het aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de volgende prejudiciële vraag zou stellen : "welke gemeenschapsrechtelijke regeling geldt voor restaurantverrichtingen, die een onderneming uitvoert in de keukens van een door een andere onderneming geëxploiteerd rusthuis, rekening houdend met het feit dat de maaltijden door eerstgenoemde worden bereid maar aan de bewoners van het rusthuis worden opgediend door de tweede? Betreft het hier leveringen van toebereide maaltijden die aan een verlaagd B.T.W.-tarief (6 pct.) volgens de Belgische wet) kunnen worden onderworpen dan wel om een dienst waarop bijgevolg het volle tarief van toepassing is?". ... Derde onderdeel Uit de artikelen 9 en 18 van het B.T.W.-wetboek en 5.1 en 6.1 van de zesde richtlijn alsook uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen blijkt dat "alle omstandigheden waaronder de betrokken handeling wordt verricht in aanmerking moeten worden genomen om daaruit de kenmerkende elementen naar voren te halen" (bovenaangehaald arrest van het HvJ. Van 2 mei 1996, zaak C-231/94, nr. 12). Daar het arrest beslist dat de litigieuze handelingen diensten zijn op grond "dat zowel uit de benaming van de overeenkomst (dienst) als uit de bewoordingen die erin worden gebruikt om de taken te omschrijven (diensten) en uit de omschrijving zelf van de door (de eiseres) te vervullen taken (cf. de hierboven aangehaalde uittreksels uit de overeenkomst) blijkt dat (de eiseres) wel degelijk diensten aan de naamloze vennootschap Issat verstrekte, die zij overigens factureerde met de vermelding ¿ dienst collectieve maaltijdvoorzieningen'", houdt het te dezen geen rekening "met alle omstandigheden" zoals door het bovenaangehaalde arrest van het H.v.J. wordt vereist, aangezien het enkel acht slaat op de bewoordingen van de overeenkomst maar niet op de feitelijke werkelijkheid, terwijl het belastingrecht in beginsel uitgaat van de werkelijkheid. Benevens op de gronden die reeds bekritiseerd werden in de eerste twee onderdelen en die volgens het onderhavige verzoekschrift de bewijskracht van de akten miskennen en artikel 149 van de Grondwet schenden, grondt het arrest zijn beslissing enkel op de aan een overeenkomst gegeven benaming, bepaalde bewoordingen die erin worden gebruikt alsook op de bewoordingen van een factuur, zonder echter de facto, zoals dat door de bovenaangehaalde teksten van de richtlijn wordt vereist vast te stellen dat "de restaurantverrichting wordt gekenmerkt door een reeks van elementen en handelingen, waarvan de levering van voedsel niet meer dan een onderdeel is en waarin het dienstenaspect ruimschoots de overhand heeft" (arrest van het H.v.J. van 2 mei 1996, op. cit., nr. 12). Nochtans was het wel degelijk deze "reeks van elementen en handelingen" die de [eiseres] had uiteengezet in haar conclusie (die hierboven in het tweede onderdeel wordt aangehaald)) en om de vaststelling (of althans om het onderzoek) waarvan zij het hof van beroep verzocht. Door zich enkel te baseren op de bewoordingen van een overeenkomst en van een factuur zonder de "elementen en handelingen" in feite vast te stellen, verantwoordt het arrest dus niet naar recht de beslissing dat de litigieuze handelingen de facto diensten waren (schending van de artikelen 9 en 18 van het B.T.W.-wetboek en 5.1 en 6.1 van de 6de richtlijn). .... III. BESLISSING VAN HET HOF Het eerste middel Eerste en derde onderdeel Artikel 6, § 1, eerste lid, van de zesde richtlijn 44/338/EG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag bepaalt dat als een dienst wordt beschouwd, elke handeling die geen levering van een goed is in de zin van artikel
- Uit het arrest C.231/94 van 2 mei 1996 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak F.-G. L. A/S tegen F. F. blijkt dat restaurant-verrichtingen die bestaan in de opdiening van maaltijden die bestemd zijn om ter plaatse te worden genuttigd, geen leveringen van goederen maar diensten zijn in de zin van artikel 6, § 1, van de bovengenoemde richtlijn op grond dat die handelingen gekenmerkt worden door een reeks van elementen en handelingen, waarvan de levering van voedsel niet meer dan een onderdeel is en waarin het dienstenaspect ruimschoots de overhand heeft. Krachtens artikel 18, § 1, eerste lid, van het B.T.W.-wetboek wordt als een dienst beschouwd, elke handeling die geen levering van een goed is in de zin van dit wetboek. Naar luid van het tweede lid, 11° van die bepaling wordt als een dienst beschouwd de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft het verschaffen van spijs en drank in restaurants en cafés en, meer algemeen, in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse. Zonder in dat opzicht door het middel te worden bekritiseerd wijst het arrest erop dat "het te dezen niet erop aankomt uit te maken of [de eiseres] goederen levert dan wel diensten verstrekt aan de eindconsument (in casu de rusthuisbewoner), maar wel of een dienst wordt verstrekt aan de medecontractant, namelijk de naamloze vennootschap Issat, aan wie de facturen worden gericht, en zulks op grond van de algemene regel, vervat in artikel 18, § 1, eerste lid, van het B.T.W.-wetboek". Het stelt vast dat de eiseres door de vennootschap Issat was belast met de organisatie van de dienst collectieve maaltijdvoorzieningen in twee, door die vennootschap geëxploiteerde rusthuizen, met de verplichting een "ononderbroken dienst" te verzekeren "en rekening te houden met de specifieke richtlijnen van Issat" en dat zij de menu's moest opmaken, met de leveranciers moest onderhandelen en de voor de bewoners en het personeel van de rusthuizen bestemde maaltijden ter plaatse moest bereiden. Na de diverse opdrachten en verplichtingen van de eiseres te hebben onderzocht, beslist het arrest dat "zowel uit de benaming van de overeenkomst (diensten) als uit de bewoordingen die erin worden gebruikt om de taken te omschrijven (diensten), en uit de omschrijving zelf van de door [de eiseres] te vervullen taken blijkt dat [zij] wel degelijk aan de naamloze vennootschap Issat diensten verstrekte die zij overigens factureerde met de vermelding ¿dienst collectieve maaltijdvoorzieningen'". Aangezien het arrest aldus alle omstandigheden van de zaak in aanmerking neemt en daaruit de kenmerkende elementen naar voren haalt, verantwoordt het arrest naar recht zijn beslissing dat de door de eiseres ten voordele van de vennootschap Issat verrichte handelingen diensten zijn. Er bestaat geen grond om de in het middel gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te stellen, aangezien ze geen vraag om uitlegging van een bepaling van de zesde richtlijn opwerpt. (...) Dictum Het Hof Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eiseres in de kosten. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Philippe Gosseries en Jocelyne Bodson, en in openbare terechtzitting van zestien november tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart. Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem. De griffier, De afdelingsvoorzitter, PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061116.6 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000907.7 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011008.13 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040322.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div