← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061117.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061117.2 Rolnummer: C.05.0443.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Financieel recht Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 165 - laatst gezien 2026-07-03 07:11 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het vermoeden van bezit van statuut van een naamloze vennootschap die een openbaar beroep op het spaarwezen heeft gedaan dat verbonden is aan de inschrijving op de lijst bij de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, geldt enkel voor de vennootschappen die beroep hebben gedaan op het spaarwezen overeenkomstig de wijze beschreven in artikel 438, eerste lid, van het Wetboek van vennootschappen. Thesaurus CAS: BANKWEZEN. KREDIETWEZEN. SPAARWEZEN - ALLERLEI Vrije woorden: BANKWEZEN. KREDIETWEZEN. SPAARWEZEN - ALLERLEI Naamloze vennootschap Openbaar beroep op het spaarwezen Voornemen Inschrijving bij de C.B.F.A. Tekst van de beslissing 8. Nr. C.05.0443.N COMMISSIE VOOR HET BANK-, FINANCIE- EN ASSURANTIEWEZEN, hierna genoemd CBFA, met zetel te 1000 Brussel, Congresstraat 12-14, 9. eiseres, 10. vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, 11. tegen SOCREAL BVBA, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2000 Antwerpen, Sint-Pietersvliet 3, bus 2, 12. verweerster, 13. vertegenwoordigd door mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 106, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. a. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF 14. Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 1 juli 2005 gewezen door het hof van Beroep te Brussel. 15. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. 16. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN 17. De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. 18. Eerste middel a. Geschonden wettelijke bepalingen i. artikel 149 van de Grondwet; ii. de artikelen 1315, lid 1, en 1349 tot en met 1353 van het Burgerlijk Wetboek; iii. de artikelen 870 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek; iv. de artikelen 438 van het Wetboek van Vennootschappen, 195, 196, 198, 203 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen; v. artikel 1, ,§2, 2°, van het koninklijk besluit van 8 november 1989 op de openbare overnameaanbiedingen en de wijzigingen in de controle op vennootschappen (hierna genoemd het Overnamebesluit); vi. het beschikkingsbeginsel en het recht van verdediging (algemene rechtsbeginselen). b. Aangevochten beslissingen c. Het bestreden arrest vernietigt de bovenvermelde beslissing van de CBFA (de eiseres) op grond van de overweging (p. 18, onderaan) dat "de doelvennootschap Vooruitzicht niet kan worden beschouwd als een vennootschap die voldoet aan de notie vennootschap zoals bedoeld in artikel 1, ,§1(x), 1° of 2° van het Overnamebesluit". d. Meer bepaald m.b.t. de hypothese bepaald in artikel 1, ,§2, 2° van dit Overnamebesluit, overweegt het arrest het volgende: e. "Nopens de vraag of de 14.000 aandelen die het maatschappelijk kapitaal vormen al dan niet onder meer dan vijftig personen waren verspreid, worden geen sluitende indicaties aangereikt door de partijen" (arrest p. 16, nr. 33); f. (...) g. - "Het geheel van deze gegevens kan naar rede geen éénduidige conclusie in één of andere zin wettigen omtrent de verspreiding van de aandelen onder het publiek" (arrest, p. 16, nr. 34); h. - "Het is dan ook niet aangetoond dat de derde hypothese geviseerd in artikel 1, ,§2, van het Overnamebesluit in hoofde van Vooruitzicht is vervuld" (arrest p. 17, nr. 34 - lid 2); i. - "Het enkele feit dat Vooruitzicht sedert 1989 ingeschreven staat op de lijst van de CBFA met de vennootschappen als bedoeld in artikel 1, ,§2, van het Overnamebesluit is op zich niet determinerend en verandert dus niets aan de geformuleerde conclusie" (arrest p. 19, lid 1). j. Grieven k. De door het arrest niet bewezen geachte hypothese is deze, bepaald in artikel 1, ,§2, 2°, van het Overnamebesluit krachtens hetwelk "onder vennootschap die een openbaar beroep doet of heeft gedaan op het spaarwezen (...) voor de toepassing van de hoofdstukken 1 en II van dit besluit (wordt) verstaan: l. andere vennootschappen dan diegene die bedoeld worden sub 1° waarvan effecten als bedoeld in ,§3 onder meer dan 50 personen verspreid zijn". m. Eerste onderdeel n. Motiveringsgebrek. o. In haar "aanvullende en syntheseconclusie" had de CBFA voor het hof van beroep aangevoerd (p. 20, nr. 38, (ii)) dat "de aandelen kennelijk onder meer dan 50 personen waren verspreid hetgeen ten overvloede blijkt uit de volgende gegevens: p. Vooruitzicht is op dit ogenblik nog steeds een vennootschap die een openbaar beroep op het spaarwezen doet of heeft gedaan in de zin van artikel 438 van het Wetboek van Vennootschappen; daaruit volgt dat de door haar uitgegeven aandelen nog steeds onder het publiek zijn verspreid nu de vennootschap de schrapping van de in artikel 438, vierde lid, W. Venn. bedoelde lijst slechts kan bekomen indien zij bewijst dat de door haar uitgegeven effecten niet meer onder het publiek verspreid zijn (zie art. 438, derde lid in fine, W. Venn.)". q. Noch door bovenvermelde overwegingen, noch door andere overwegingen antwoordt het arrest op dit door eiseres in conclusie ingeroepen middel, afgeleid uit artikel 438 Wetboek van Vennootschappen. Bij gebrek aan antwoord is het arrest niet regelmatig gemotiveerd en schendt het artikel 149 van de Grondwet. r. In zover het arrest (p. 19, lid 1) overweegt dat de inschrijving van NV Vooruitzicht op de lijst van de CBFA met de vennootschappen als bedoeld in artikel 1, ,§2, van het Overnamebesluit "op zich niet determinerend is en dus niets verandert aan de geformuleerde conclusie", is de motivering minstens aangetast door onduidelijkheid nu het ondanks het in beroepsconclusie geformuleerde middel, in het ongewisse laat waarom dit feit "niet determinerend" zou zijn en "niets verandert" aan de conclusie van het arrest dat de hypothese van artikel 1, ,§2, 2°, niet vervuld is; nu deze "motivering" het Hof van Cassatie niet toelaat zijn wettigheidscontrole uit te oefenen, is het arrest ook om die reden niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 Grondwet). s. Tweede onderdeel t. Schending van het beschikkingsbeginsel, van artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en van het recht van verdediging. u. Na vastgesteld te hebben dat (p. 16, nr. 33) partijen "geen sluitende indicaties" hebben aangereikt "nopens de vraag of de 14.000 aandelen die het maatschappelijk kapitaal vormen al dan niet onder meer dan vijftig personen waren verspreid" en dat (p. 16, nr. 34) "het geheel van deze gegevens (...) naar rede geen éénduidige conclusie in één of andere zin (kan) wettigen omtrent de verspreiding van de aandelen onder het publiek", besluit het arrest dat "dan ook niet is aangetoond dat de derde hypothese geviseerd in artikel 1, ,§2, van het Overnamebesluit in hoofde van Vooruitzicht is vervuld". v. Het arrest legt aldus de bewijslast of althans het bewijsrisico ambtshalve op de eiseres terwijl dit door partijen niet was ingeroepen en de verweerster in haar beroepsconclusie (p. 16) slechts stelde dat "uit de geringe percentuele verspreiding van effecten in het publiek en de concentratie van belangrijke paketten aandelen bij een aantal gekende aandeelhouders, kan worden opgemaakt dat de effecten naar alle waarschijnlijkheid niet langer onder meer dan 50 personen verspreid zijn". De eiseres, anderzijds, zoals hierboven in het eerste onderdeel uiteengezet, steunde de wettelijke vereiste verspreiding van de aandelen onder meer dan 50 personen onder meer en in de eerste plaats op het bewijs dat volgde uit het vermoeden, verbonden aan de niet geschrapte inschrijving op de lijst van vennootschappen bepaald door artikel 438 van het Wetboek van Vennootschappen (aanvullende en syntheseconclusie voor eiseres, p. 20, nr. 38 (ii)). w. Rekening houdend met de conclusies van partijen waarbij het bewijsrisico geenszins ten laste van de eiseres werd gelegd, kwam het de appelrechters niet toe daartoe ambtshalve over te gaan en op die grond te beslissen in het nadeel van de eiseres omdat "niet (was) aangetoond dat de derde hypothese geviseerd in artikel 1, ,§2, van het Overnamebesluit in hoofde van Vooruitzicht is vervuld" (arrest, p. 17, lid 1). Het arrest heeft aldus een betwisting opgeworpen die door partijen was uitgesloten en de oorzaak van de vordering ambtshalve gewijzigd zonder dat de openbare orde in het gedrang was. Bijgevolg houdt het arrest schending in van het beschikkingsbeginsel (algemeen rechtsbeginsel) en van artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek dat dit beginsel bekrachtigt. x. In zover het arrest op die ambtshalve ingeroepen grond heeft beslist zonder de partijen uit te nodigen daaromtrent hun verweermiddelen te laten kennen, houdt het arrest eveneens schending in van het recht van verdediging (algemeen rechtsbeginsel). y. Derde onderdeel z. Schending van de artikelen 1315, 1349 t/m 1353 Burgerlijk Wetboek, 870 Gerechtelijk Wetboek, 438 Wetboek van Vennootschappen, 195, 196, 198, 203 koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen en 1, ,§2, 2°, van het Overnamebesluit. aa. Uit het door de eiseres in conclusie (aanvullende en syntheseconclusie, p. 20) ingeroepen artikel 438 van het Wetboek van Vennootschappen volgt dat zolang een naamloze vennootschap, overeenkomstig de artikelen 438, lid 2 en lid 4, Wetboek van Vennootschappen, 195, 196 van het koninklijk besluit houdende uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen, is ingeschreven in de lijst, opgesteld door de CBFA, zij vermoed wordt een openbaar beroep op het spaarwezen te doen; zij immers overeenkomstig hetzelfde artikel 438, lid 2 en lid 3, Wetboek van Vennootschappen en de artikelen 198 en 203 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van dit wetboek, de schrapping van vermelde lijst slechts kan bekomen indien zij bewijst dat alle bedoelde effecten niet meer zoals gesteld in artikel 1, ,§2, 2°, Overnamebesluit onder meer dan vijftig personen verspreid zijn. bb. Deze wettelijke bewijswaarde en -last, verbonden aan artikel 438 Wetboek van Vennootschappen en de bovenvermelde uitvoeringsbepalingen is door het arrest miskend waar het in de niet betwiste omstandigheden, nl. de nog steeds geldende inschrijving in de lijst van de CBFA, in strijd met de bewijslastverdeling zoals die bepaald is in de artikelen 1315 Burgerlijk Wetboek en 870 Gerechtelijk Wetboek en in strijd met de bewijswaarde, verbonden aan vermoedens (artikelen 1349 t.e.m. 1353 Burgerlijk Wetboek), de bewijslast, althans het bewijsrisico ten onrechte ten laste legt van de eiseres en, wat betreft het door de eiseres ingeroepen feit dat Vooruitzicht ingeschreven staat op de lijst van de CBFA met de vennootschappen als bedoeld in artikel 1, ,§2, van het Overnamebesluit, zich beperkt tot de overweging dat dit feit "niet determinerend" is en "dus niets verandert aan de geformuleerde conclusie". cc. Door aldus te oordelen heeft het arrest zowel de artikelen 438 Wetboek van Vennootschappen, 1, ,§2, 2°, van het Overnamebesluit en 195, 196, 198 en 203 van het koninklijk besluit ter uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen als de algemene regels inzake bewijslast, vervat in de artikelen 1315 en 1349 t/m 1353 (m.b.t. het "vermoeden" als bewijsmiddel) en 870 Gerechtelijk Wetboek geschonden. dd. ee. Tweede middel ff. Geschonden wettelijke bepalingen i. artikel 149 van de Grondwet; ii. artikel 15, ,§1, van de Wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen; iii. artikel 41, ,§1, en artikel 41, ,§2, van het koninklijk besluit van 8 november 1989 op de openbare overnameaanbiedingen en de wijzigingen in de controle op vennootschappen (hierna genoemd het Overnamebesluit). gg. Aangevochten beslissingen hh. Het bestreden arrest vernietigt de beslissing van de CBFA (zie boven, p. 2) op grond van de overwegingen (arrest, p. 19-20, nr. 40-42): ii. "40. Indien niettemin zou moeten worden aangenomen dat op basis van de voorliggende cijfergegevens de aandelen van Vooruitzicht regelmatig werden verhandeld, dan zou de conclusie ten aanzien van een openbaar overnameaanbod niet anders luiden. jj. Immers, krachtens artikel 41, ,§2, van het Overnamebesluit geldt dat om uit te maken of het publiek de mogelijkheid moet krijgen bedoeld in artikel 41, ,§1 kan worden rekening gehouden met (

  1. a)gegevens waaruit blijkt dat de marktprijs niet betekenisvol is. kk. 41. In het voorliggende geval heeft de CBFA geoordeeld dat de door de eiseres betaalde overnameprijs per aandeel hoger lag dan de marktprijs op het ogenblik van de verwerving omdat 870 euro per aandeel werd betaald, terwijl de op de veilingen behaalde prijs varieerde van 510 euro tot 710 euro, waaruit een gemiddelde wordt becijferd rond 600 euro. ll. Boven is evenwel gebleken dat die veilingprijzen het resultaat waren van verhandelingen die slechts minieme percentages vertegenwoordigen van het verhandelbare maatschappelijke kapitaal, dat overigens werd bepaald in de voor de eiseres meest ongunstige verhouding. mm. Marktprijsvorming die het resultaat is van verhandeling van effecten die gemiddeld jaarlijks nog geen 1,5 pct. vertegenwoordigen van het totaal van de verhandelbare effecten van de doelvennootschap kan niet als betekenisvol worden beschouwd. nn. 42. Bij gemis aan een betekenisvolle marktprijs kan in het voorliggende geval dan ook niet worden aangenomen dat de eiseres door 870 euro per aandeel te betalen de controle heeft verworven tegen een prijs die hoger ligt dan de marktprijs op het ogenblik van de verwerving. oo. In de veronderstelling dat Vooruitzicht dan toch zou moeten worden beschouwd als vennootschap in de zin van artikel 1, ,§2, 1° of 2°, van het Overnamebesluit, behoort het publiek dan om die reden ook niet de kans te krijgen om in te gaan op een openbare overnameaanbieding". pp. Eerste onderdeel qq. Motiveringsgebrek rr. In haar beroepsconclusie (aanvullende en syntheseconclusie, p. 26, nr. 49, lid 2) voerde de eiseres aan: ss. "Het bestaan van gegevens waaruit blijkt dat een marktprijs in casu niet betekenisvol is verplicht de CBFA evenwel niet hiermee rekening te houden. De tekst (van artikel 42, ,§2, van het Overnamebesluit) laat er geen twijfel over bestaan ("... kan worden rekening gehouden met ...") dat het een mogelijkheid betreft en niet een verplichting". tt. De eiseres beriep zich hierbij uitdrukkelijk (aanvullende en syntheseconclusie, p. 26, nr. 49, derde lid) op rechtsleer tot staving van het facultatief karakter ("kan" - "mag") van het rekening houden met gegevens waaruit blijkt dat de marktprijs niet betekenisvol is. In dezelfde conclusie (p. 27, nr. 50, lid 1 en lid 3) werd door de eiseres, met verwijzing naar het arrest van het Hof van Beroep te Brussel d.d. 6 augustus 1992 (inzake Wagons-Lits) en het arrest van het Hof van Cassatie d.d. 10 maart 1994, onderstreept dat de CBFA terzake over een "doelgebonden appreciatiebevoegdheid" beschikt om, krachtens artikel 41, ,§2, Overnamebesluit na te gaan of bepaalde elementen voor het uitbrengen van een verplicht bod vervuld zijn en om de tegenprestatie vast te stellen. "Deze bevoegdheid moet" - aldus de eiseres (aanvullende en syntheseconclusie, p. 27, lid 2, in fine) - "uitgeoefend worden met het oog op het realiseren van de doelstellingen neergelegd in artikel 15, ,§1 van de Wet van 2 maart 1989, in het bijzonder het verzekeren van de gelijke behandeling van de effectenhouders". De "fundamentele doelstelling van gelijke behandeling van de effectenhouders" die de CBFA bij haar bedoelde beoordeling moet voorstaan, werd herhaaldelijk onderstreept (zelfde appelconclusie van de eiseres, p. 29, nr. 56 en nr. 57, lid 2, laatste zin). uu. In dezelfde optiek voerde de eiseres aan (conclusie, p. 30, nr. 60) dat "in het licht van haar wettelijke opdracht (het verzekeren van de gelijke behandeling van de effectenhouders en het veilig stellen van hun belangen) (...) het de CBFA derhalve niet aangewezen (leek) de enige markt waarop aandelen tegen een relatief constante prijs worden verhandeld en waarop de minderheidsaandeelhouders terecht kunnen om hun aandelen te verkopen, terzijde te schuiven omwille van het geringe aantal transacties" en dat "In de beslissing van 7 december en in de brief van 10 december 2004 (...) de CBFA vast(stelt) dat de prijs gevormd op de openbare veilingen de enige prijs is waartegen het publiek zijn aandelen kan verkopen en dat deze prijs lager ligt dan deze die SOCREAL voor het controlepakket heeft betaald". vv. De eiseres liet ten slotte gelden (conclusie, p. 32, nr. 62, lid 1) dat "het uitbrengen van een openbaar bod tegen dezelfde prijs als deze die voor het controlepakket werd bepaald (...) dan ook de enige manier (
  2. is)om de gelijke behandeling van de aandeelhouders uit het publiek te verzekeren, overeenkomstig de bepalingen van artikel 41, ,§1, van het Overnamebesluit, zoals zij moeten worden geïnterpreteerd in het licht van de door de wetgever in artikel 15, ,§1, van de Wet van 2 maart 1989 bepaalde doelstellingen". ww. Het arrest beperkt zich tot de overweging dat zelfs in de veronderstelling dat Vooruitzicht dan toch zou moeten worden beschouwd als vennootschap in de zin van artikel 1, ,§2, 1° of 2°, van het Overnamebesluit, het publiek niet de kans behoort te krijgen om in te gaan op een openbare overnameaanbieding "bij gemis aan een betekenisvolle marktprijs" nu "gebleken is dat de veilingprijzen het resultaat waren van verhandelingen die slechts minieme percentages vertegenwoordigen van het verhandelbare maatschappelijke kapitaal, dat overigens werd bepaald in de voor (de verweerster) meest ongunstige verhouding". xx. Noch door deze overwegingen noch door enige andere overwegingen antwoordt het arrest op bovenstaand uitdrukkelijk en omstandig verweer van de eiseres, gesteund op het feit dat het "niet betekenisvol" karakter van een marktprijs als beoordelingscriterium niet verplicht is, op de daarentegen bij de beoordeling door de CBFA noodzakelijk in acht te nemen doelstellingen ex artikel 15, ,§1, Wet van 2 maart 1989, in het bijzonder het verzekeren van de gelijke behandeling van de effectenhouders en op het belang, in het licht van die doelstelling, van de prijs gevormd op de openbare veilingen. yy. Bij gebrek aan antwoord op dit omstandig middel is het arrest op dit punt niet regelmatig gemotiveerd en schendt het aldus artikel 149 van de Grondwet. zz. Tweede onderdeel aaa. Schending van artikel 41, ,§2, (a), van het Overnamebesluit en van artikel 15, ,§1, van de Wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking (etc.). bbb. In zover het arrest in de bovenvermelde redengeving van de beslissing op dit punt (arrest, p, 19 t/m 20, nr. 40 t/m 42), impliciet doch zeker zou hebben willen zeggen dat zodra er gegevens voorhanden zijn waaruit blijkt dat een marktprijs "niet betekenisvol" is in de zin van artikel 41, ,§2, (a), Overnamebesluit, de eiseres verplicht is daarmee rekening te houden om uit te maken of het publiek de in artikel 41, ,§1, Overnamebesluit bedoelde mogelijkheid moet krijgen en om die mogelijkheid te ontzeggen, alsmede om de in ,§2 van artikel 42 bedoelde tegenprestatie vast te stellen, schendt het arrest artikel 41, ,§2, aanhef en (a), daar hierin alleen bepaald wordt dat "kan" rekening worden gehouden met gegevens waaruit blijkt dat de marktprijs in casu niet betekenisvol is. ccc. In zover het arrest heeft willen zeggen dat er bij het beoordelen van de afwijking of vrijstelling, bepaald in artikel 41, ,§2, (a), Overnamebesluit, hoe dan ook geen rekening moet worden gehouden met de in conclusie door de eiseres ingeroepen doelstelling van de "gelijke behandeling" van de aandeelhouders, zoals uitdrukkelijk bepaald in artikel 15, ,§1, in fine, van de Wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke ondernemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen, schendt het deze laatste wetsbepaling alsook artikel 41, ,§2, (a), Overnamebesluit. ddd. Derde onderdeel eee. Schending van artikel 41, ,§1, van het Overnamebesluit en 15, ,§1, van de Wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen. fff. Nu artikel 41, ,§1, van het Overnamebesluit het publiek "onvoorwaardelijk" de "mogelijkheid" biedt om alle effecten in zijn bezit over te dragen tegen betaling zoals vastgesteld in dezelfde bepaling en nu, de overeenkomstig artikel 15, ,§1, in fine van de Wet van 2 maart 1989, beoogde doelstelling van "gelijke behandeling" van de aandeelhouders hierbij moet in acht worden genomen, maakt de in het tweede onderdeel aangeklaagde onwettige beperking van de geboden mogelijkheid ook een onwettige beknotting uit van het subjectief recht dat voor de houders van aandelen uit de in dit onderdeel ingeroepen wettelijke en verordenende bepalingen ontstaat om hun aandelen te verkopen. ggg. Wegens deze miskenning van dit subjectief recht, erkend in de rechtspraak van uw Hof, schendt het arrest ook de daaraan ten grondslag liggende bepalingen nl. artikelen 41, ,§1, van het Overnamebesluit en 15, ,§1, in fine van de Wet van 2 maart 1989. III. BESLISSING VAN HET HOF ii. Beoordeling iii. Eerste middel iv. Eerste onderdeel 1. De appelrechters komen op grond van de redengeving vermeld onder de randnummers 32 tot 34, tot het besluit dat niet is aangetoond dat de aandelen van de verweerster onder meer dan 50 personen waren verspreid. Zij oordelen verder dat "het enkele feit dat (de verweerster) sedert 1989 ingeschreven staat op de lijst van (de eiseres) met de vennootschappen als bedoeld in artikel 1, ,§2, van het Overnamebesluit op zich niet determinerend (is)". 2. Door aldus te oordelen verwerpen en beantwoorden de appelrechters zonder de aangevoerde onduidelijkheid, het bedoelde verweer en laten zij het Hof toe zijn wettigheidstoetsing uit te oefenen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. v. Tweede onderdeel 1. Wanneer tegen de beslissing van de CBFA beroep wordt ingesteld bij het Hof van Beroep te Brussel, bepaalt artikel 121, ,§1, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, dat de griffier van het hof van beroep aan de CBFA de toezending vraagt van het dossier en de stukken. 2. De appelrechters oordelen, zonder ter zake te worden bekritiseerd, dat de aangevochten beslissing van de eiseres een administratieve beslissing is en dat het door de eiseres overgelegde dossier "het hof in staat (moet) stellen om na te gaan of de beslissing, die werd genomen bij de uitoefening van een wettelijke opdracht die tot de openbare orde behoort, rechtsgeldig is gevormd en of ze inhoudelijk strookt met de voorliggende feiten zoals ze uit die stukken blijken en de hierop toe te passen rechtsregels". Door te oordelen dat de verweerster niet kan beschouwd worden als een vennootschap als bedoeld in artikel 1, ,§1, van het Overnamebesluit omdat ter zake van de vraag of de aandelen van de verweerster onder meer dan 50 personen waren verspreid, er "geen sluitende indicaties" zijn die "geen eenduidige conclusie in één of andere zin kan wettigen", leggen de appelrechters niet ambtshalve de bewijslast of het bewijsrisico van deze feiten op de eiseres, maar oordelen zij overeenkomstig hun wettelijke opdracht en zonder schending van het recht van verdediging dat de feitelijke gegevens in het administratief dossier de genomen beslissing niet kunnen ondersteunen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. vi. Derde onderdeel 1. Artikel 438, eerste lid, van het Wetboek van Vennootschappen bepaalt dat een naamloze vennootschap wordt geacht een openbaar beroep op het spaarwezen te doen of gedaan te hebben wanneer zij een openbaar beroep heeft gedaan op het spaarwezen in België of in het buitenland via een openbaar aanbod tot inschrijving, een openbaar aanbod tot verkoop, een openbaar aanbod tot omruiling of via de opneming in een notering in de zin van artikel 4 van het wetboek van de effecten in dat artikel 438 bepaald Artikel 438, tweede lid, in fine Wetboek van Vennootschappen bepaalt dat een vennootschap die voornemens is om voor de eerste maal een openbaar beroep op het spaarwezen te doen, zich dient in te schrijven bij de Commissie voor het Bank-, Financiewezen en Assurantiewezen. Krachtens artikel 438, derde lid, wordt een naamloze vennootschap niet langer geacht een openbaar beroep op het spaarwezen te doen of gedaan te hebben, onder meer wanneer zij bewijst dat alle obligaties en effecten waarmee een van in het tweede lid bedoelde verrichtingen zijn uitgevoerd, niet meer onder het publiek verspreid zijn. Uit die bepalingen volgt dat het vermoeden van bezit van statuut van een naamloze vennootschap die een openbaar beroep op het spaarwezen heeft gedaan dat verbonden is aan de inschrijving op de lijst, enkel geldt voor de vennootschappen die beroep hebben gedaan op het spaarwezen overeenkomstig de wijze beschreven in artikel 438, eerste lid. 2. Uit het arrest blijkt niet dat de betrokken vennootschap de verrichtingen gedaan heeft bedoeld in artikel 438, eerste lid. Het onderdeel vraagt een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het is niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste en tweede onderdeel 3. De beslissing van de appelrechters wordt ook gesteund op de door het eerste middel tevergeefs bestreden redenen. Het middel dat niet tot cassatie kan leiden is niet ontvankelijk. vii. Dictum 19. Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 699,57 euro jegens de eisende partij en op de som van 167,47 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Eric Dirix en Paul Maffei, en in openbare terechtzitting van 17 november 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061117.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.