← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061117.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061117.3 Rolnummer: F.04.0015.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 706 - laatst gezien 2026-07-03 23:34 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 6 De grondwettelijke regels inzake de gelijkheid van de Belgen en de niet-discriminatie op het stuk van de belastingen staan er niet aan in de weg dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat; de al of niet aanwezigheid van zodanige verantwoording moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de ingestelde belasting en aan de redelijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Gelijkheid van de Belgen voor de wet Belastingen Wettelijke bepalingen: Wet - 17-02-1994 - Artt.10,11en Nota: F.04.0015.N Conclusies van advocaat-generaal Dirk THIJS: 1. De gemeente Lennik heeft op 29 juni 1998 een belastingreglement uitgevaardigd waarbij een gemeentebelasting wordt geheven op relaisstations
(1)voor telefooncommunicatie, geplaatst in open lucht en zichtbaar vanaf de openbare weg. Het blijkt uit de preambule van het belastingreglement dat daarvoor twee redenen waren: - deze relaisstations worden eerder als landschapverstorend ervaren en in het raam van een goede ruimtelijke ordening, is het wenselijk relaisstations voor telefooncommunicatie geplaatst in openlucht en zichtbaar vanaf de openbare weg te belasten; - de ontvangsten en de uitgaven van de gemeente moeten in evenwicht worden gehouden en hiervoor is het noodzakelijk de nodige belastingen op te leggen. Op 16 november 1998 heeft de gemeente Lennik een aanslag ten aanzien van eiseres geheven ingevolge dit reglement, waartegen eiseres een bezwaarschrift indiende. Op 18 december 2003 verklaart het Hof van Beroep te Brussel de vordering van eiseres om de beslissing van de Bestendige Deputatie van 16 september 1999 -waarbij het bezwaar van eiseres tegen deze aanslag werd verworpen- teniet te doen en de ontheffing of vernietiging te bevelen van de aangevochten belasting, ongegrond.
  1. In het eerste onderdeel van het eerste middel voert eiseres aan dat aangezien de belasting enerzijds wordt geheven op eigenaars van relaisstations voor telefooncommunicatie, terwijl anderzijds deze belasting niet wordt geheven op eigenaars van zenders en ontvangers van andere vormen van communicatie, er een verschil ontstaat in behandeling zonder dat hiervoor een redelijke en objectieve verantwoording bestaat. Door te beslissen dat er geen schending van het gelijkheidsbeginsel is op dit punt en dat het litigieus belastingreglement wettig kon worden toegepast, schenden de appelrechters volgens eiseres de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet en de toepasselijke bepalingen van het belastingreglement.
  2. De in artikel 10 van de Grondwet vervatte regel van de gelijkheid van de Belgen, de in artikel 11 van de Grondwet neergelegde regel van non-discriminatie in het genot van de aan de Belgen erkende rechten en vrijheden, alsmede de regel van artikel 172 van de Grondwet inzake de gelijkheid voor de belastingen, impliceren dat allen, die zich in dezelfde toestand bevinden, gelijkelijk worden behandeld. Uw Hof oordeelde meermaals 'dat de grondwettelijke regels inzake de gelijkheid van de Belgen en de niet-discriminatie inzake belastingen er niet aan in de weg staan dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat; dat de al of niet aanwezigheid van zodanige verantwoording moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de ingestelde belasting en aan de redelijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel'
(2). In de geest van bedoelde rechtspraak wordt het gelijkheidsbeginsel enkel geschonden wanneer vaststaat dat de aangewende middelen niet redelijkerwijze in verhouding staan met het beoogde doel. 4. De door de rechter ter zake uitgeoefende controle is weliswaar beperkt tot een marginale toetsing, waarbij de rechter zich de vraag stelt of de overheid, bij de afweging van alle in aanmerking komende belangen al dan niet in redelijkheid kon komen tot het genomen besluit
(3). 5. Bij de beoordeling van een reglement mag de rechter zich overigens niet begeven op het terrein van de opportuniteit, de doeltreffendheid of de politieke beleidsvoering, doch enkel op het terrein van de wetmatigheid
(4). 6. Het weerhouden van een miskenning impliceert zodoende dat er in werkelijkheid een kennelijke wanverhouding bestaat
(5). 7. Om te kunnen beslissen of het maken van categorieën van belastingplichtigen objectief en redelijk is, volstaat het, volgens de rechtspraak van Uw Hof, dat in redelijkheid blijkt dat er een objectieve verantwoording bestaat of kan bestaan voor die categorieën: aldus is niet naar recht verantwoord, het arrest dat de verantwoording van het gemaakte onderscheid tussen verschillende categorieën van belastingplichtigen verwerpt omdat de belastingheffer de vaststellingen en feiten, die aan de belasting ten gronde liggen niet voldoende bewijst
(6). 8.Uw Hof oordeelde voorts dat er weliswaar geen willekeurig onderscheid mag worden gemaakt tussen belastingplichtigen, maar dat zulks niet betekent dat het criterium van onderscheid verband moet houden met de aard en het doel van de bedoelde belasting
(7).
  1. Als wij het litigieus belastingreglement toetsen aan voormelde principes, blijkt vooreerst dat geplaatste ontvangers en/of zenders voor telefooncommunicatie zich in dezelfde toestand vinden als gelijkaardige ontvangers en/zenders van andere vormen van communicatie: gelijkaardige masten of pylonen zijn immers even onesthetisch en landverstorend als de relaisstations voor telecommunicatie.
  2. Het door het reglement gebezigde criterium van onderscheid tussen de belastingplichtigen kan ten deze m.i. niet op objectieve en redelijke wijze worden verantwoord. Het reglement spreekt enkel over ontvangers en/of zenders voor telefooncommunicatie zonder een reden op te geven waarom andere gelijkaardige antennes of masten niet onder de belasting vallen. Het doel en de gevolgen van de ingevoerde belasting zijn de verstoring van het landschap tegen te gaan en ook de ontvangsten en de uitgaven van de gemeente in evenwicht te houden. In functie van het beoogde doel, wordt er in het reglement geen verantwoording gegeven waarom enkel de relaisstations voor telecommunicatie aan de belasting worden onderworpen en niet de andere zenders en/of ontvangers van andere vormen van communicatie. In casu oordeelde het bestreden arrest volgens mij verkeerdelijk dat het eventueel landschapverstorend karakter van andere toestellen voor spraakcommunicatie, gegevenscommunicatie of energieoverbrenging niet abstract moet worden vergeleken met het landschapsverstorend karakter van de relaisstations, maar moet worden afgewogen ten opzichte van de concrete functie die elk van deze andere toestellen vervult en de duur dat zij reeds in het landschap aanwezig zijn. Eiseres voert m.i. terecht aan dat er geen redelijk verband bestaat tussen het onderscheid en het doel van het belastingreglement, met name het tegengaan van de verstoring van het landschap: de functie van een zender of een ontvanger staat immers los van het al dan niet landschapsverstorend karakter ervan. Enkel de omvang en vormgeving van een dergelijke infrastructuur kan hiermee redelijkerwijze verband houden. De redengeving dat andere toestellen voor spraakcommunicatie, gegevenscommunicatie of energieoverbrenging minder landschapverstorend zouden zijn omdat ze reeds langer in het landschap aanwezig zijn, is bovendien niet objectief en redelijk; een mast of een pyloon blijft het landschap ontsieren, ook al staat deze infrastructuur er al jaren. Ten overstaan van het budgettair doel van het reglement is er evenmin een objectieve reden voorhanden waarom de belasting enkel geheven wordt op de relaisstations voor telecommunicatie en niet op de andere zenders en/of ontvangers. Ook in dit opzicht is de belasting discriminatoir.
  3. Vier rechtbanken van eerste aanleg die zich over deze problematiek hebben gebogen, hebben, in tegenstelling tot het bestreden arrest, geoordeeld dat dergelijke gemeentebelasting een schending inhield van het gelijkheidsbeginsel
(8). 12. De toezichthoudende overheid blijkt intussen de standpunten uit de rechtspraak te hebben overgenomen. In het Vlaamse Gewest was dit met betrekking tot de schotelantennes reeds eerder het geval (cfr. Omzendbrief van de Vlaamse Minister van Binnenlandse Aangelegenheden van 29 juni 1999). De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken wijst er in een omzendbrief van 14 juli 2004 op 'dat verschillende rechtbanken de gemeentebelasting op GSM-masten in strijd hebben bevonden met het gelijkheidsbeginsel. Een belasting waarin ter verantwoording verwezen is naar de landschapverstoring door GSM-masten is inderdaad discriminerend ten opzichte van andere, gelijkaardige antennes of masten die niet aan de belasting onderworpen zijn. Daarom wordt beter gekozen voor een meer algemene omschrijving, bijvoorbeeld de volgende: Er wordt een belasting geheven op masten en pylonen geplaatst op het grondgebied van de gemeente, in open lucht en zichtbaar vanaf de openbare weg. Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder: (...)' Wat de GSM-masten betreft, worden de aandacht van de provincies en de gemeenten regelmatig gevestigd op de 'Telecomcode' die de Vlaamse Regering in 1999 samen met de drie betrokken ondernemingen in de telecommunicatiesector ondertekend heeft en waarbij een akkoord bereikt werd over de na te leven normen inzake onder meer de inplanting, de afmetingen en het uitzicht van de zendmasten. Het lijkt er derhalve op dat het niet fiscale doel dat de lokale overheden met de betrokken belastingen nastreven, bereikt moet worden met niet fiscale maatregelen
(9). 13. In deze context kan verwezen worden naar de rechtspraak van Uw Hof volgens dewelke het gelijkheidsbeginsel ook geschonden wordt wanneer vaststaat dat de aangewende middelen niet redelijkerwijze in verhouding staan tot het door de belasting beoogde doel
(10)
(11). 14. Wat het bugettair aspect van de litigieuze gemeentebelasting betreft, kan besloten worden dat 'een belastingopbrengst in deze enkel mogelijk is onder de vorm van een plaatselijke taxatie van alle masten, antennes en pylonen zonder functioneel onderscheid'
(12). 15. Het onderdeel, dat schending aanvoert van het gelijkheidsbeginsel, komt dan ook gegrond voor. Nu zulks voor gevolg heeft dat de bekritiseerde beslissing dat het belastingreglement wettig kon toegepast worden en de belasting aldus kon worden ingevorderd, dient te worden vernietigd, kunnen de overige grieven niet tot ruimere cassatie leiden. Besluit: VERNIETIGING. Arrest _________________
(1)Artikel 2 van het belastingreglement bepaalt dat als relaisstation wordt beschouwd, elke al dan niet op blijvende wijze geplaatste ontvanger en/of zender voor telefooncommunicatie.
(2)Cass, 5 oktober 1990, A.C., 1990-91, nr. 61, met conclusie van adv.-gen. D'HOORE; Cass., 30 april 1992, A.C., 1991-92, 823; Cass., 10 september 1993, A.C., 1993, nr. 341; Cass., 3 oktober 1996, A.C., 1996, nr. 353; Cass., 16 oktober 1997, F.J.F., 97/241; Fisc. Koer., 1997, 634, noot VAN LAERE; Cass., 12 januari 1998, A.C., 1998, nr. 19; Cass., 1 oktober 1999, A.C., 1999, 496; Cass., 17 november 2000, F.99.O156.N; Cass., 29 maart 2002, J.L.M.B., 2002, 186; Cass., 15 januari 2004, A.R. nr. F.02.0006.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040115.9, www.cass.be; Zie ook: Cass., 21 december 1982, A.C., 1982-83, 544; Cass., 6 februari 1987, A.C., 1986-87, 757; Cass., 13 maart 1987, A.C., A.C., 1986-87, 924; Cass., 26 januari 1989, A.C., 1988-89, 635; Voor een overzicht van rechtspraak inzake de bestrijding van provinciale en gemeentelijke belastingen op grond van schending van het gelijkheidsbeginsel, zie F. KRANSFELD en J. VANDEN BRANDEN, Fiscale Rechtspraakoverzichten Inkomstenbelastingen 198O-1998, Boek I, Deel I: Algemene beginselen, Larcier, Gent, 1999, V.Z.W. Fiskofoon (Ed.), nr. 71, p. 34-42.
(3)Cass., 5 oktober 1990, A.C., 199O-91, nr. 61, met conclusie van adv.-gen. D'HOORE; Cass., 6 februari 1987, A.C., 1986-87, 757; Cass., 19 september 1981, Pas. 1982, I, 98); E. KRINGS, L'égalité en matière fiscale dans la jurisprudence de la Cour de Cassation, in Protection des droits fondamentaux du contribuable, Bruylant, Brussel, 1993, 82, nr. 30; F. DEBAEDTS, De algemene rechtsbeginselen in het administratief recht, in Algemene rechtsbeginselen, Kluwer Rechtswetenschappen, Antwerpen, 1991, 256; S. VAN CROMBRUGGE, De gelijkheid in het fiscaal recht, R.W., 1991-92, 1207, nr. 13; F. MEERSCHAUT, De rechtspraak van het Arbitragehof ten behoeve van de private rechtspraktijk (1992-1997), T.P.R., 1998, 950, nr. 124
(4)Cass., 5 oktober 1990, A.C., 1990-91, nr. 61, met conclusie van adv.-gen. D'HOORE; Cass., 30 april 1992, A.C., 1991-92, 823; Arbitragehof, 13 januari 1991, nr. 2/91, B.10; Arbitragehof, 4 juli 1991, nr. 20/91, nr. B.10.
(5)M. DE JONCKHEERE, De gemeentelijke belastingbevoegdheid. Fiscaaljuridische aspecten, die Keure, Brugge, 1996, 121, nr. 114; M. BOES, Rechter en bestuur. Redelijkheid, zorgvuldigheid en marginale toetsing, in Liber Amicorum Jan Ronse, Story-scientia, Brussel, 1986, 8; J. VAN HOUTTE, Beginselen van het Belgisch belastingrecht, Story-Scientia, Gent, 1979, 143; F. DEBAEDTS, o.c., 258.
(6)Cass., 1 oktober 1999, A.C., 1999, 496.
(7)Cass., 21 december 1982, A.C., 1982-83, 544; zie ook Cass., 26 januari 1989, A.C., 1988-89, 635.
(8)zie Rb. Brugge, 18 december 2000, stuk III 4 in procedure farde voor Hof van Beroep; Rb. Antwerpen, 29 juni 2001, stuk III 6; Rb. Gent, 22 november 2001, T.F.R. 2002, 483.
(9)E. VAN DOOREN, 'Kink in de kabel voor lokale belastingen op schotelantennes en GSM-masten', T.F.R., 2002, nr. 221, p. 494.
(10)Cass., 6 mei 1999, A.C., 1999, nr. 265), alsmede naar de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EG i.v.m. de belemmering van de vrijheid van dienstverrichting, stellende dat de jaarlijkse gemeentebelasting op schotelantennes niet mag verder gaan dan nodig om haar doelstelling van bescherming van het milieu te bereiken ( H.v.J. EG, C-17/00, De Coster, Jurispr. P. I-9445.
(11)In die zaak oordeelde het Hof van Justitie van de EG dat de artikelen 49, 50 en 55 EG-Verdrag (bepalingen betreffende het vrij verkeer van diensten) zich verzetten tegen de jaarlijkse gemeentebelasting op schotelantennes ingesteld door de gemeenteraad van Watermaal-Bosvoorde. De reden was dat de door het belastingreglement ingevoerde belasting op schotelantennes de in de andere lidstaten dan België gevestigde marktdeelnemers op het gebied van uitzending van radio- en televisieprogramma's in hun activiteiten meer belemmert dan de in België gevestigde marktdeelnemers, en de Belgische nationale markt alsmede het omroepbedrijf en de kabelexploitatie binnen deze lidstaat een bijzonder voordeel oplevert. De gemeente Watermaal-Bosvoorde argumenteerde tot staving van het belastingreglement, dat zij de ongecontroleerde toename van dergelijke antennes op het grondgebied van de gemeente wil tegengaan en aldus de kwaliteit van het milieu wil bewaren. Het Hof van Justitie antwoordt daarop dat zelfs al kan de door de gemeente aangevoerde doelstelling van bescherming een belemmering van de vrijheid van dienstverrichting rechtvaardigen, en in de veronderstelling dat zou vaststaan dat de vermindering van het aantal schotelantennes die wordt verwacht van de invoering van een belasting zoals in de hoofdzaak in geding, op zich de verwezenlijking van deze doelstelling zou kunnen garanderen, deze belasting verder gaat dan nodig is om dit doel te bereiken. 'Zoals de Commissie heeft opgemerkt, kunnen immers andere middelen dan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde belasting worden overwogen die de vrijheid van dienstverrichting minder beperken, zoals met name de vaststelling van voorschriften betreffende de grootte van de antennes, de plaats of de wijze van opstelling ervan op het gebouw of in de omgeving ervan of het gebruik van collectieve antennes. Dergelijke voorschriften zijn door de gemeente Watermaal-Bosvoorde overigens vastgesteld, zoals blijkt uit de door deze gemeente vastgestelde stedenbouwkundige verordening met betrekking tot buitenontvangstantennes, die is goedgekeurd bij besluit van 27 februari 1997 van de Brusselse Hoofdstedelijke regering (Belgisch Staatsblad van 31 mei 1997, blz. 14520).' (zie r.o. 36 tot 38 van het arrest) In deze context stelt zich de vraag of de in onderhavige zaak betwiste gemeentebelasting haar bestaansreden inmiddels niet verloren heeft sinds het totstandkomen van de Telecomcode, op 4 juni 1998 ondertekend door het Vlaamse Gewest en de drie GSM-operatoren die momenteel actief zijn in de sector (E. VAN DOOREN, 'Kink in de kabel voor lokale belastingen op schotelantennes en GSM-masten', T.F.R., 2OO2, nr. 221, p. 494). Mede hierdoor beschikt de gemeente nu over een adequaat instrument om het landschapsschoon te beschermen. Zij kan het verlenen van een vergunning immers afhankelijk stellen van het naleven van de in de code opgenomen normen.
(12)E. VAN DOOREN, o.c., p. 494, in fine. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Vrije woorden: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Non-discriminatie in het genot van de aan de Belgen toegekende rechten en vrijheden Belastingen Wettelijke bepalingen: Wet - 17-02-1994 - Artt.10,11en Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Vrije woorden: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Gelijkheid en non-discriminatie inzake belastingen Wettelijke bepalingen: Wet - 17-02-1994 - Artt.10,11en Thesaurus CAS: BELASTING Vrije woorden: BELASTING Gelijkheid en non-discriminatie inzake belastingen Onderscheid volgens verschillende categorieën van belastingplichtigen Vereiste verantwoording Toetsing van het gemaakte onderscheid Wettelijke bepalingen: Wet - 17-02-1994 - Artt.10,11en Vrije woorden: BELASTING Gemeentebelasting Verenigbaarheid met de gelijkheid inzake belastingen Vereisten Wettelijke bepalingen: Wet - 17-02-1994 - Artt.10,11en Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Vrije woorden: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Verenigbaarheid met de gelijkheid inzake belastingen Vereisten Wettelijke bepalingen: Wet - 17-02-1994 - Artt.10,11en Fiches 7 - 12 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 17 november 2006, AR F.04.0015.N, A.C., 2006, nr ... Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Vrije woorden: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Gelijkheid van de Belgen voor de wet Belastingen Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Vrije woorden: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Non-discriminatie in het genot van de aan de Belgen toegekende rechten en vrijheden Belastingen Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Vrije woorden: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Gelijkheid en non-discriminatie inzake belastingen BELASTING Gelijkheid en non-discriminatie inzake belastingen Onderscheid volgens verschillende categorieën van belastingplichtigen Vereiste verantwoording Toetsing van het gemaakte onderscheid BELASTING Gemeentebelasting Verenigbaarheid met de gelijkheid inzake belastingen Vereisten GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Verenigbaarheid met de gelijkheid inzake belastingen Vereisten Nota: F.04.0015.N Conclusies van advocaat-generaal Dirk THIJS: 1. De gemeente Lennik heeft op 29 juni 1998 een belastingreglement uitgevaardigd waarbij een gemeentebelasting wordt geheven op relaisstations
(1)voor telefooncommunicatie, geplaatst in open lucht en zichtbaar vanaf de openbare weg. Het blijkt uit de preambule van het belastingreglement dat daarvoor twee redenen waren: - deze relaisstations worden eerder als landschapverstorend ervaren en in het raam van een goede ruimtelijke ordening, is het wenselijk relaisstations voor telefooncommunicatie geplaatst in openlucht en zichtbaar vanaf de openbare weg te belasten; - de ontvangsten en de uitgaven van de gemeente moeten in evenwicht worden gehouden en hiervoor is het noodzakelijk de nodige belastingen op te leggen. Op 16 november 1998 heeft de gemeente Lennik een aanslag ten aanzien van eiseres geheven ingevolge dit reglement, waartegen eiseres een bezwaarschrift indiende. Op 18 december 2003 verklaart het Hof van Beroep te Brussel de vordering van eiseres om de beslissing van de Bestendige Deputatie van 16 september 1999 -waarbij het bezwaar van eiseres tegen deze aanslag werd verworpen- teniet te doen en de ontheffing of vernietiging te bevelen van de aangevochten belasting, ongegrond.
  1. In het eerste onderdeel van het eerste middel voert eiseres aan dat aangezien de belasting enerzijds wordt geheven op eigenaars van relaisstations voor telefooncommunicatie, terwijl anderzijds deze belasting niet wordt geheven op eigenaars van zenders en ontvangers van andere vormen van communicatie, er een verschil ontstaat in behandeling zonder dat hiervoor een redelijke en objectieve verantwoording bestaat. Door te beslissen dat er geen schending van het gelijkheidsbeginsel is op dit punt en dat het litigieus belastingreglement wettig kon worden toegepast, schenden de appelrechters volgens eiseres de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet en de toepasselijke bepalingen van het belastingreglement.
  2. De in artikel 10 van de Grondwet vervatte regel van de gelijkheid van de Belgen, de in artikel 11 van de Grondwet neergelegde regel van non-discriminatie in het genot van de aan de Belgen erkende rechten en vrijheden, alsmede de regel van artikel 172 van de Grondwet inzake de gelijkheid voor de belastingen, impliceren dat allen, die zich in dezelfde toestand bevinden, gelijkelijk worden behandeld. Uw Hof oordeelde meermaals "dat de grondwettelijke regels inzake de gelijkheid van de Belgen en de niet-discriminatie inzake belastingen er niet aan in de weg staan dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat; dat de al of niet aanwezigheid van zodanige verantwoording moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de ingestelde belasting en aan de redelijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel"
(2). In de geest van bedoelde rechtspraak wordt het gelijkheidsbeginsel enkel geschonden wanneer vaststaat dat de aangewende middelen niet redelijkerwijze in verhouding staan met het beoogde doel. 4. De door de rechter ter zake uitgeoefende controle is weliswaar beperkt tot een marginale toetsing, waarbij de rechter zich de vraag stelt of de overheid, bij de afweging van alle in aanmerking komende belangen al dan niet in redelijkheid kon komen tot het genomen besluit
(3). 5. Bij de beoordeling van een reglement mag de rechter zich overigens niet begeven op het terrein van de opportuniteit, de doeltreffendheid of de politieke beleidsvoering, doch enkel op het terrein van de wetmatigheid
(4). 6. Het weerhouden van een miskenning impliceert zodoende dat er in werkelijkheid een kennelijke wanverhouding bestaat
(5). 7. Om te kunnen beslissen of het maken van categorieën van belastingplichtigen objectief en redelijk is, volstaat het, volgens de rechtspraak van Uw Hof, dat in redelijkheid blijkt dat er een objectieve verantwoording bestaat of kan bestaan voor die categorieën: aldus is niet naar recht verantwoord, het arrest dat de verantwoording van het gemaakte onderscheid tussen verschillende categorieën van belastingplichtigen verwerpt omdat de belastingheffer de vaststellingen en feiten, die aan de belasting ten gronde liggen niet voldoende bewijst
(6). 8.Uw Hof oordeelde voorts dat er weliswaar geen willekeurig onderscheid mag worden gemaakt tussen belastingplichtigen, maar dat zulks niet betekent dat het criterium van onderscheid verband moet houden met de aard en het doel van de bedoelde belasting
(7).
  1. Als wij het litigieus belastingreglement toetsen aan voormelde principes, blijkt vooreerst dat geplaatste ontvangers en/of zenders voor telefooncommunicatie zich in dezelfde toestand vinden als gelijkaardige ontvangers en/zenders van andere vormen van communicatie: gelijkaardige masten of pylonen zijn immers even onesthetisch en landverstorend als de relaisstations voor telecommunicatie.
  2. Het door het reglement gebezigde criterium van onderscheid tussen de belastingplichtigen kan ten deze m.i. niet op objectieve en redelijke wijze worden verantwoord. Het reglement spreekt enkel over ontvangers en/of zenders voor telefooncommunicatie zonder een reden op te geven waarom andere gelijkaardige antennes of masten niet onder de belasting vallen. Het doel en de gevolgen van de ingevoerde belasting zijn de verstoring van het landschap tegen te gaan en ook de ontvangsten en de uitgaven van de gemeente in evenwicht te houden. In functie van het beoogde doel, wordt er in het reglement geen verantwoording gegeven waarom enkel de relaisstations voor telecommunicatie aan de belasting worden onderworpen en niet de andere zenders en/of ontvangers van andere vormen van communicatie. In casu oordeelde het bestreden arrest volgens mij verkeerdelijk dat het eventueel landschapverstorend karakter van andere toestellen voor spraakcommunicatie, gegevenscommunicatie of energieoverbrenging niet abstract moet worden vergeleken met het landschapsverstorend karakter van de relaisstations, maar moet worden afgewogen ten opzichte van de concrete functie die elk van deze andere toestellen vervult en de duur dat zij reeds in het landschap aanwezig zijn. Eiseres voert m.i. terecht aan dat er geen redelijk verband bestaat tussen het onderscheid en het doel van het belastingreglement, met name het tegengaan van de verstoring van het landschap: de functie van een zender of een ontvanger staat immers los van het al dan niet landschapsverstorend karakter ervan. Enkel de omvang en vormgeving van een dergelijke infrastructuur kan hiermee redelijkerwijze verband houden. De redengeving dat andere toestellen voor spraakcommunicatie, gegevenscommunicatie of energieoverbrenging minder landschapverstorend zouden zijn omdat ze reeds langer in het landschap aanwezig zijn, is bovendien niet objectief en redelijk; een mast of een pyloon blijft het landschap ontsieren, ook al staat deze infrastructuur er al jaren. Ten overstaan van het budgettair doel van het reglement is er evenmin een objectieve reden voorhanden waarom de belasting enkel geheven wordt op de relaisstations voor telecommunicatie en niet op de andere zenders en/of ontvangers. Ook in dit opzicht is de belasting discriminatoir.
  3. Vier rechtbanken van eerste aanleg die zich over deze problematiek hebben gebogen, hebben, in tegenstelling tot het bestreden arrest, geoordeeld dat dergelijke gemeentebelasting een schending inhield van het gelijkheidsbeginsel
(8). 12. De toezichthoudende overheid blijkt intussen de standpunten uit de rechtspraak te hebben overgenomen. In het Vlaamse Gewest was dit met betrekking tot de schotelantennes reeds eerder het geval (cfr. Omzendbrief van de Vlaamse Minister van Binnenlandse Aangelegenheden van 29 juni 1999). De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken wijst er in een omzendbrief van 14 juli 2004 op "dat verschillende rechtbanken de gemeentebelasting op GSM-masten in strijd hebben bevonden met het gelijkheidsbeginsel. Een belasting waarin ter verantwoording verwezen is naar de landschapverstoring door GSM-masten is inderdaad discriminerend ten opzichte van andere, gelijkaardige antennes of masten die niet aan de belasting onderworpen zijn. Daarom wordt beter gekozen voor een meer algemene omschrijving, bijvoorbeeld de volgende: Er wordt een belasting geheven op masten en pylonen geplaatst op het grondgebied van de gemeente, in open lucht en zichtbaar vanaf de openbare weg. Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder: (...)" Wat de GSM-masten betreft, worden de aandacht van de provincies en de gemeenten regelmatig gevestigd op de 'Telecomcode' die de Vlaamse Regering in 1999 samen met de drie betrokken ondernemingen in de telecommunicatiesector ondertekend heeft en waarbij een akkoord bereikt werd over de na te leven normen inzake onder meer de inplanting, de afmetingen en het uitzicht van de zendmasten. Het lijkt er derhalve op dat het niet fiscale doel dat de lokale overheden met de betrokken belastingen nastreven, bereikt moet worden met niet fiscale maatregelen
(9). 13. In deze context kan verwezen worden naar de rechtspraak van Uw Hof volgens dewelke het gelijkheidsbeginsel ook geschonden wordt wanneer vaststaat dat de aangewende middelen niet redelijkerwijze in verhouding staan tot het door de belasting beoogde doel
(10)
(11). 14. Wat het bugettair aspect van de litigieuze gemeentebelasting betreft, kan besloten worden dat 'een belastingopbrengst in deze enkel mogelijk is onder de vorm van een plaatselijke taxatie van alle masten, antennes en pylonen zonder functioneel onderscheid'
(12). 15. Het onderdeel, dat schending aanvoert van het gelijkheidsbeginsel, komt dan ook gegrond voor. Nu zulks voor gevolg heeft dat de bekritiseerde beslissing dat het belastingreglement wettig kon toegepast worden en de belasting aldus kon worden ingevorderd, dient te worden vernietigd, kunnen de overige grieven niet tot ruimere cassatie leiden. Besluit: VERNIETIGING. Arrest _________________
(1)Artikel 2 van het belastingreglement bepaalt dat als relaisstation wordt beschouwd, elke al dan niet op blijvende wijze geplaatste ontvanger en/of zender voor telefooncommunicatie.
(2)Cass, 5 oktober 1990, A.C., 1990-91, nr. 61, met conclusie van adv.-gen. D'HOORE; Cass., 30 april 1992, A.C., 1991-92, 823; Cass., 10 september 1993, A.C., 1993, nr. 341; Cass., 3 oktober 1996, A.C., 1996, nr. 353; Cass., 16 oktober 1997, F.J.F., 97/241; Fisc. Koer., 1997, 634, noot VAN LAERE; Cass., 12 januari 1998, A.C., 1998, nr. 19; Cass., 1 oktober 1999, A.C., 1999, 496; Cass., 17 november 2000, F.99.O156.N; Cass., 29 maart 2002, J.L.M.B., 2002, 186; Cass., 15 januari 2004, A.R. nr. F.02.0006.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040115.9, www.cass.be; Zie ook: Cass., 21 december 1982, A.C., 1982-83, 544; Cass., 6 februari 1987, A.C., 1986-87, 757; Cass., 13 maart 1987, A.C., A.C., 1986-87, 924; Cass., 26 januari 1989, A.C., 1988-89, 635; Voor een overzicht van rechtspraak inzake de bestrijding van provinciale en gemeentelijke belastingen op grond van schending van het gelijkheidsbeginsel, zie F. KRANSFELD en J. VANDEN BRANDEN, Fiscale Rechtspraakoverzichten Inkomstenbelastingen 198O-1998, Boek I, Deel I: Algemene beginselen, Larcier, Gent, 1999, V.Z.W. Fiskofoon (Ed.), nr. 71, p. 34-42.
(3)Cass., 5 oktober 1990, A.C., 199O-91, nr. 61, met conclusie van adv.-gen. D'HOORE; Cass., 6 februari 1987, A.C., 1986-87, 757; Cass., 19 september 1981, Pas. 1982, I, 98); E. KRINGS, L'égalité en matière fiscale dans la jurisprudence de la Cour de Cassation, in Protection des droits fondamentaux du contribuable, Bruylant, Brussel, 1993, 82, nr. 30; F. DEBAEDTS, De algemene rechtsbeginselen in het administratief recht, in Algemene rechtsbeginselen, Kluwer Rechtswetenschappen, Antwerpen, 1991, 256; S. VAN CROMBRUGGE, De gelijkheid in het fiscaal recht, R.W., 1991-92, 1207, nr. 13; F. MEERSCHAUT, De rechtspraak van het Arbitragehof ten behoeve van de private rechtspraktijk (1992-1997), T.P.R., 1998, 950, nr. 124
(4)Cass., 5 oktober 1990, A.C., 1990-91, nr. 61, met conclusie van adv.-gen. D'HOORE; Cass., 30 april 1992, A.C., 1991-92, 823; Arbitragehof, 13 januari 1991, nr. 2/91, B.10; Arbitragehof, 4 juli 1991, nr. 20/91, nr. B.10.
(5)M. DE JONCKHEERE, De gemeentelijke belastingbevoegdheid. Fiscaaljuridische aspecten, die Keure, Brugge, 1996, 121, nr. 114; M. BOES, Rechter en bestuur. Redelijkheid, zorgvuldigheid en marginale toetsing, in Liber Amicorum Jan Ronse, Story-scientia, Brussel, 1986, 8; J. VAN HOUTTE, Beginselen van het Belgisch belastingrecht, Story-Scientia, Gent, 1979, 143; F. DEBAEDTS, o.c., 258.
(6)Cass., 1 oktober 1999, A.C., 1999, 496.
(7)Cass., 21 december 1982, A.C., 1982-83, 544; zie ook Cass., 26 januari 1989, A.C., 1988-89, 635.
(8)zie Rb. Brugge, 18 december 2000, stuk III 4 in procedure farde voor Hof van Beroep; Rb. Antwerpen, 29 juni 2001, stuk III 6; Rb. Gent, 22 november 2001, T.F.R. 2002, 483.
(9)E. VAN DOOREN, "Kink in de kabel voor lokale belastingen op schotelantennes en GSM-masten", T.F.R., 2002, nr. 221, p. 494.
(10)Cass., 6 mei 1999, A.C., 1999, nr. 265), alsmede naar de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EG i.v.m. de belemmering van de vrijheid van dienstverrichting, stellende dat de jaarlijkse gemeentebelasting op schotelantennes niet mag verder gaan dan nodig om haar doelstelling van bescherming van het milieu te bereiken ( H.v.J. EG, C-17/00, De Coster, Jurispr. P. I-9445.
(11)In die zaak oordeelde het Hof van Justitie van de EG dat de artikelen 49, 50 en 55 EG-Verdrag (bepalingen betreffende het vrij verkeer van diensten) zich verzetten tegen de jaarlijkse gemeentebelasting op schotelantennes ingesteld door de gemeenteraad van Watermaal-Bosvoorde. De reden was dat de door het belastingreglement ingevoerde belasting op schotelantennes de in de andere lidstaten dan België gevestigde marktdeelnemers op het gebied van uitzending van radio- en televisieprogramma's in hun activiteiten meer belemmert dan de in België gevestigde marktdeelnemers, en de Belgische nationale markt alsmede het omroepbedrijf en de kabelexploitatie binnen deze lidstaat een bijzonder voordeel oplevert. De gemeente Watermaal-Bosvoorde argumenteerde tot staving van het belastingreglement, dat zij de ongecontroleerde toename van dergelijke antennes op het grondgebied van de gemeente wil tegengaan en aldus de kwaliteit van het milieu wil bewaren. Het Hof van Justitie antwoordt daarop dat zelfs al kan de door de gemeente aangevoerde doelstelling van bescherming een belemmering van de vrijheid van dienstverrichting rechtvaardigen, en in de veronderstelling dat zou vaststaan dat de vermindering van het aantal schotelantennes die wordt verwacht van de invoering van een belasting zoals in de hoofdzaak in geding, op zich de verwezenlijking van deze doelstelling zou kunnen garanderen, deze belasting verder gaat dan nodig is om dit doel te bereiken. "Zoals de Commissie heeft opgemerkt, kunnen immers andere middelen dan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde belasting worden overwogen die de vrijheid van dienstverrichting minder beperken, zoals met name de vaststelling van voorschriften betreffende de grootte van de antennes, de plaats of de wijze van opstelling ervan op het gebouw of in de omgeving ervan of het gebruik van collectieve antennes. Dergelijke voorschriften zijn door de gemeente Watermaal-Bosvoorde overigens vastgesteld, zoals blijkt uit de door deze gemeente vastgestelde stedenbouwkundige verordening met betrekking tot buitenontvangstantennes, die is goedgekeurd bij besluit van 27 februari 1997 van de Brusselse Hoofdstedelijke regering (Belgisch Staatsblad van 31 mei 1997, blz. 14520)." (zie r.o. 36 tot 38 van het arrest) In deze context stelt zich de vraag of de in onderhavige zaak betwiste gemeentebelasting haar bestaansreden inmiddels niet verloren heeft sinds het totstandkomen van de Telecomcode, op 4 juni 1998 ondertekend door het Vlaamse Gewest en de drie GSM-operatoren die momenteel actief zijn in de sector (E. VAN DOOREN, "Kink in de kabel voor lokale belastingen op schotelantennes en GSM-masten", T.F.R., 2OO2, nr. 221, p. 494). Mede hierdoor beschikt de gemeente nu over een adequaat instrument om het landschapsschoon te beschermen. Zij kan het verlenen van een vergunning immers afhankelijk stellen van het naleven van de in de code opgenomen normen.
(12)E. VAN DOOREN, o.c., p. 494, in fine. Annotaties Publicaties: T.F.R. - M. DE JONCKHEERE; Gedaan met de belasting op GSM-masten? Op naar de volgende... - 2008, 200-209 Tekst van de beslissing Nr. F.04.0015.N BELGACOM MOBILE, naamloze vennootschap, met zetel te 1210 Brussel, E. Jacqmainlaan 157, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen GEMEENTE LENNIK, publiek rechtspersoon, vertegenwoordigd door het college van Burgemeester en Schepenen, met zetel te 1750 Lennik, Markt 18, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 18 december 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. FEITEN Uit het arrest blijkt dat:
  1. de gemeente Lennik op 29 juni 1998 een belastingreglement heeft uitgevaardigd waarbij een gemeentebelasting wordt geheven op relaisstations voor telefooncommunicatie, geplaatst in open lucht en zichtbaar vanaf de openbare weg.
  2. de redenen daartoe waren dat: - de relaisstations eerder als landschapverstorend worden ervaren zodat het in het raam van een goede ruimtelijke ordening wenselijk is relaisstations voor telefooncommunicatie geplaatst in openlucht en zichtbaar vanaf de openbare weg te belasten; - de ontvangsten en de uitgaven van de gemeente in evenwicht moeten worden gehouden waardoor het noodzakelijk is de nodige belastingen op te leggen. III. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10, 11, 159 en 172 van de Grondwet; - de artikelen 117 en 118 van de Nieuwe Gemeentewet; - de artikelen 1 tot 5 van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen; - de artikelen 1, 2 en 4 van het belastingreglement van de gemeente Lennik van 29 juni
  3. Aangevochten beslissingen De bestreden beslissing verklaart de vordering van eiseres om de beslissing van de Bestendige Deputatie van 16 september 1999 teniet te doen en de ontheffing of vernietiging te bevelen van de aangevochten belasting, ongegrond op grond van de volgende motieven: "Nopens de eerste grief: schending van het gelijkheidsbeginsel De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen: het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel (cf Arbitragehof 13 januari 1994, B.S., 1 februari 1994, 2000). Te dezen wordt een gemeentebelasting geheven op relaisstations voor telefooncommunicatie, geplaatst in open lucht en zichtbaar vanaf de openbare weg. Artikel 2 van het belastingreglement definieert een relaisstation als "elke al dan niet op blijvende wijze geplaatste ontvanger en/of zender voor telefooncommunicatie". Derhalve berust het verschil in behandeling tussen de personen die door dit reglement worden belast en diegene die niet worden belast op een objectief criterium, dat vrij is van willekeur en onafhankelijk is van de persoon van de belastingplichtige. Eenieder die onder de voormelde definitie valt, zal tegen dezelfde voorwaarden worden belast. Verder wordt in de preambule van het belastingreglement de volgende verantwoording gegeven: - deze relaisstations worden eerder als landschapsverstorend ervaren, zodat het in het raam van een goede ruimtelijke ordening wenselijk is relaisstations voor telefooncommunicatie, geplaatst in open lucht en zichtbaar vanaf de openbare weg, te belasten; - de ontvangsten en uitgaven van de gemeente moeten in evenwicht worden gehouden en hiervoor is het noodzakelijk de nodige belastingen op te leggen. Vermits de belasting tot doel heeft om naast het algemeen budgettair motief de verstoring van het landschap tegen te gaan is het gehanteerde criterium (eigenaar zijn van een in open lucht geplaatste en vanaf de openbare weg zichtbaar relaisstation voor telefooncommunicatie) een redelijk criterium in verhouding tot dit nagestreefde doel. Het eventueel landschapsverstorend karakter van andere toestellen voor spraakcommunicatie, gegevenscommunicatie of energieoverbrenging (antennes voor televisie- of radiouitzendingen, antennes van hulpdiensten, antennes voor radiocommunicatie voor taxi-diensten, masten van hoogspanningslijnen) moet niet abstract worden vergeleken met het landschapsverstorend karakter van de voormelde relaisstations maar worden afgewogen ten opzichte van de concrete functie die elk van deze andere toestellen vervult en de duur dat zij reeds in het landschap aanwezig zijn. (De eiseres) toont niet aan dat er toestellen zijn van dezelfde functie als het door haar ingeplante relaisstation op het grondgebied van de (verweerster), die niet onder het kwestieuze belastingreglement vallen. De beleidsvrijheid van de belastingheffende overheid moet worden erkend, zodat het niet aan het hof toekomt om de opportuniteit of wenselijkheid van een differentiërende maatregel te beoordelen noch om na te gaan of het nagestreefde doel ook door andere maatregelen zou kunnen worden bereikt (cf Arbitragehof 7 oktober 1993, B.S. 9 november 1993, 24432; Arbitragehof 4 juli 1991, B.S. 22 augustus 1991, 18088). Te dezen wordt bijgevolg niet aangetoond dat er geen redelijk verband zou bestaan tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel, zodat deze eerste grief moet worden verworpen". (blz. 8-10 van de bestreden beslissing) "Nopens de derde grief: de afwezigheid van wettige motieven Het hof is van oordeel dat het kwestieuze belastingreglement wel degelijk steunt op precieze en relevante motieven, met name de redenen die in de preambule tot het reglement werden weergegeven en die hiervoor geciteerd werden. Daarbij wordt wel degelijk verduidelijkt in welk opzicht de relaisstations voor telefooncommunicatie als landschapsverstorend worden ervaren, met name wanneer zij in open lucht worden geplaatst en zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. In zoverre de (eiseres) aanvoert dat deze motieven niet pertinent zijn, daar het niet aan de gemeente toekomt om door middel van een belasting zich bevoegdheden toe te eigenen die haar niet toekomen, herhaalt zij in feite haar tweede grief die hiervoor reeds werd beantwoord. Zoals hiervoor reeds werd uiteengezet, kan immers op grond van de motieven, waarop het belastingreglement wordt gesteund, worden nagegaan dat de aangewende middelen en het gekozen criterium niet kennelijk onevenredig zijn met het nagestreefde doel. Bijgevolg dient ook deze grief te worden verworpen". (blz. 11-12 van de bestreden beslissing) Grieven Eerste onderdeel De artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet houden in dat eenieder die zich in dezelfde toestand bevindt op dezelfde wijze wordt behandeld, maar sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet beoordeeld worden met betrekking tot het doel en de gevolgen van de maatregel. Het gelijkheidsbeginsel is dan ook geschonden wanneer vaststaat dat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel geen redelijk verband van evenredigheid bestaat. Het belastingreglement van de Gemeente Lennik van 29 juni 1998, genomen op basis van de artikelen 117 en 118 van de nieuwe gemeentewet, waarop de in hoofde van de eiseres gevestigde aanslag is gebaseerd, bepaalt in zijn eerste en tweede artikel: "Artikel 1: Er wordt vanaf 1 januari 1998 tot en met 31 december 2000 een jaarlijkse en ondeelbare gemeentebelasting geheven op de relaisstations voor telefooncommunicatie, geplaatst in openlucht en zichtbaar vanaf de openbare weg. Artikel 2: als relaisstation wordt beschouwd, elke al dan niet op blijvende wijze geplaatste ontvanger en /of zender voor telefooncommunicatie" Artikel 4 van het belastingreglement bepaalt dat de belasting verschuldigd is door de eigenaar van het relaissation. De preambule van dit belastingreglement bevat de volgende overwegingen: "(...) Dat deze relaisstations eerder als landschapsverstorend worden ervaren; (...) Dat in het raam van een goede ruimtelijke ordening, het wenselijk is relaisstations voor telefooncommunicatie geplaatst in openlucht en zichtbaar vanaf de openbare weg te belasten; Gelet op de artikelen 117 en 118 van de Nieuwe Gemeentewet; Gelet op de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen; (...) Dat de ontvangsten en de uitgaven van de gemeente in evenwicht moeten worden gehouden en het hiervoor noodzakelijk is de nodige belastingen op te leggen;" Het belastingreglement voorziet een belasting voor eigenaars van in openlucht geplaatste en vanaf de openbare weg zichtbare relaisstations voor telefooncommunicatie. Het belastingreglement voorziet geen belasting voor eigenaars van in openlucht geplaatste en vanaf de openbare weg zichtbare ontvangers of zenders voor andere vormen van communicatie, met name radio-communicatie voor taxi-diensten, radiocommunicatie voor hulpdiensten, voor radio- of televisieuitzendingen of voor draadloze gegevensoverdracht. Nu de door het belastingreglement voorziene belasting enerzijds wordt geheven voor eigenaars van zenders en ontvangers van telefooncommunicatie, terwijl anderzijds deze belasting niet wordt geheven voor eigenaars van zenders en ontvangers van andere vormen van communicatie, ontstaat een verschil in behandeling zonder dat hiervoor een redelijke en objectieve verantwoording bestaat (schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet en 1, 2 en 4 van het belastingreglement van de gemeente Lennik van 29 juni 1998). Het gemaakte onderscheid berust immers uitsluitend op de functie van de zender of ontvanger. Er bestaat geen redelijk verband tussen dit onderscheid en het doel van het belastingreglement zoals dit volgt uit de overwegingen van het belastingreglement, met name het tegengaan van de verstoring van het landschap: de functie van een zender of ontvanger staat los van het al dan niet landschapsverstorend karakter ervan. Enkel de omvang en vormgeving van een dergelijke infrastructuur kan hiermee redelijkerwijze verband houden. Bovendien bestaat er geen redelijk verband tussen het door het belastingreglement gemaakte onderscheid en het budgettair doel van het belastingreglement. Door te beslissen dat er geen schending van het gelijkheidsbeginsel is op dit punt, schenden de appelrechters de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet en 1, 2 en 4 van het belastingreglement van de gemeente Lennik van 29 juni
  4. Door in die omstandigheden te beslissen dat voormeld belastingreglement wettig kon worden toegepast en de belasting aldus kon worden ingevorderd, schenden de appelrechters alle in het middel genoemde bepalingen. Tweede onderdeel De artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet houden in dat eenieder die zich in dezelfde toestand bevindt op dezelfde wijze wordt behandeld, maar sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet beoordeeld worden met betrekking tot het doel en de gevolgen van de maatregel. Het gelijkheidsbeginsel is dan ook geschonden wanneer vaststaat dat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel geen redelijk verband van evenredigheid bestaat. Het bestaan van een redelijke verantwoording van de gemaakte differentiatie moet kennelijk blijken uit het belastingreglement. Het belastingreglement van de Gemeente Lennik van 29 juni 1998 licht in haar preambule toe dat relaisstations voor telefooncommunicatie als landschapsverstorend worden ervaren, maar houdt geen redelijke verantwoording in ten aanzien van het gemaakte onderscheid op basis van de functie van een infrastructuur tussen eigenaars van zenders en ontvangers van telefooncommunicatie, enerzijds, en eigenaars van zenders en ontvangers van andere vormen van communicatie, anderzijds. Door te beslissen dat er geen schending van het gelijkheidsbeginsel is op dit punt, schenden de appelrechters de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet en 1, 2 en 4 van het belastingreglement van de gemeente Lennik van 29 juni
  5. Door in die omstandigheden te beslissen dat voormeld belastingreglement wettig kon worden toegepast en de belasting aldus kon worden ingevorderd, schenden de appelrechters alle in het middel genoemde bepalingen. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 159 van de Grondwet; - artikel 3quater van de Richtlijn 90/388/EEG van 28 juni 1990 betreffende de mededinging op markten voor telecommunicatiediensten, zoals ingevoerd door artikel 1 van de Richtlijn 96/2/EG van de Commissie van 16 januari 1996 tot wijziging van Richtlijn 90/388/EEG met betrekking tot mobiele en persoonlijke communicatie; - de artikelen 5, 59, 90, lid 3 en 189 van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, goedgekeurd bij de wet van 2 december 1957, thans de artikelen 10, 49, 86 en 249 in de geconsolideerde versie, vastgesteld bij Verdrag van 2 oktober 1997, goedgekeurd bij wet van 10 augustus 1998, gewijzigd bij Verdrag van 26 februari 2001, goedgekeurd bij wet van 7 juni 2002 (het "Europese Unieverdrag"); - de artikelen 117 en 118 van de Nieuwe Gemeentewet; - de artikelen 1 tot 5 van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen; - de artikelen 1, 2 en 4 van het belastingreglement van de gemeente Lennik van 29 juni
  6. Aangevochten beslissingen De bestreden beslissing verklaart de vordering van de eiseres om de beslissing van de Bestendige Deputatie van 16 september 1999 teniet te doen en de ontheffing of vernietiging te bevelen van de aangevochten belasting, ongegrond op grond van de volgende motieven: "Nopens de vijfde grief: schending van het mededingingsrecht Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie zijn beperkingen op het vrij verrichten van diensten toegelaten wanneer deze beperkingen beantwoorden aan essentiële eisen die noodzakelijk zijn uit het oogpunt van het algemeen belang, op niet-discriminerende wijze worden toegepast en in verhouding staan tot het nagestreefde doel (cf H.v.J., 14 juli 1994, Jur. H.v.J., 1994, 1, 3453). Terecht oordeelde de Bestendige Deputatie dat het kwestieuze belastingreglement kadert in de eisen van het algemeen belang, te weten het evenwicht in de ruimtelijke ordening op het grondgebied van de gemeente. De eventuele beperking, die uit dit belastingreglement voortvloeit, wordt op niet-discriminerende wijze toegepast, vermits alle eigenaars van relaisstations voor telefooncommunicatie, voor zover zij geplaatst zijn in open lucht en zichtbaar zijn vanaf de openbare weg, op dezelfde wijze worden getroffen. Het belastingreglement, dat slechts het gebruik van deze laatste stations ontraadt, vormt aldus geen beletsel voor de vrije uitbouw van het mobilofonienet. Zoals hiervoor werd uiteengezet, staat de eventuele beperking, die uit het belastingreglement voortvloeit, tevens in verhouding tot het nagestreefde doel, met name de verstoring van het landschap tegen te gaan. Het nietdiscriminatiebeginsel wordt daarbij niet geschonden. Het hof besluit dan ook dat niet wordt aangetoond dat de (verweerster) een beperking op de ontwikkeling van de infrastructuren voor mobiele telecommunicatie, strijdig met artikel 3quater van de Europese Richtlijn 90/388/EEG van 22 juni 1990, zoals gewijzigd door de Europese richtlijn 96/2/EG van 16 januari 1996, heeft ingevoerd. Evenmin wordt aangetoond dat door het voormelde belastingreglement de verwezenlijking van de doelstellingen van openbare dienst die aan de (eiseres) zijn opgelegd, in gevaar worden gebracht. Bijgevolg moet ook deze vijfde en laatste grief worden verworpen". (blz. 12-13 van de bestreden beslissing) Grieven Artikel 3quater van de Richtlijn 90/388/EEG van 28 juni 1990 betreffende de mededinging op markten voor telecommunicatiediensten, zoals ingevoerd door artikel 1 van de Richtlijn 96/2/EG van de Commissie van 16 januari 1996 tot wijziging van Richtlijn 90/388/EEG met betrekking tot mobiele en persoonlijke communicatie, bepaalt: "De Lid-Staten zorgen ervoor, dat alle thans voor exploitanten van mobiele en persoonlijke communicatiesystemen bestaande beperkingen ten aanzien van de opbouw van eigen infrastructuur, het gebruik van door derden aangeboden infrastructuur en het gezamenlijk gebruik van infrastructuur, ander diensten en terreinen, worden opgeheven, mits het gebruik van dergelijke infrastructuur beperkt blijft tot de in de vergunning of machtiging van de exploitant bepaalde werkzaamheden". In Richtlijn 90/388/EEG noch in Richtlijn 96/2/EG wordt het in dit artikel 3quater gebezigde begrip "beperkingen" gedefinieerd. In de preambule van Richtlijn 96/2/EG worden weliswaar beperkingen van technische aard vermeld, vermits verwezen wordt naar de " ... afschaffing van de beperkingen op de vrije keuze van de onderliggende faciliteiten, waarvan exploitanten van mobiele communicatienetten gebruik maken bij de exploitatie en ontwikkeling van hun netten ..." (overweging
(1)) en naar "... technische beperkingen verbonden aan het verlenen van de vergunning, zoals een verbod op het gebruik van een andere infrastructuur dan die welke door de telecommunicatieorganisatie wordt aangeboden." (overweging
(4)). Artikel 3quater stelt echter uitdrukkelijk dat "alle ... beperkingen" moeten worden opgeheven. Hieruit blijkt dat niet uitsluitend beperkingen van technische aard worden bedoeld, maar dat ook alle andere beperkingen moeten worden opgeheven, met inbegrip van beperkingen van fiscale aard. Het belastingreglement van de Gemeente Lennik van 29 juni 1998, genomen op basis van de artikelen 117 en 118 van de Nieuwe Gemeentewet, houdt een door dit artikel 3quater bedoelde beperking in met betrekking tot de opbouw van een infrastructuur voor mobiele telefonie, nu het belastingreglement een belasting oplegt aan eigenaars van relaisstations voor telefooncommunicatie en bijgevolg een meerkost inhoudt bij de opbouw van een relaisstation. Dit wordt bevestigd door de overwegingen vermeld in de preambule van het belastingreglement, waaruit blijkt dat het belastingreglement tot doel heeft de plaatsing van relaisstations voor telefooncommunicatie te ontraden. Het belastingreglement van de Gemeente Lennik van 29 juni 1998 schendt derhalve artikel 3quater van de Richtlijn 90/388/EEG van 28 juni
  1. Door te beslissen dat er op dit punt geen schending is, schenden de appelrechters artikel 3quater van de Richtlijn 90/388/EEG van 28 juni 1990 betreffende de mededinging op markten voor telecommunicatiediensten, de artikelen 5, 59, 90, lid 3 en 189 (huidige artikelen 10, 49, 86 en 249) van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en de artikelen 1, 2 en 4 van het belastingreglement van de gemeente Lennik van 29 juni
  2. Door in die omstandigheden te beslissen dat voormeld belastingreglement wettig kon worden toegepast en de belasting aldus kon worden ingevorderd, schenden de appelrechters alle in het middel genoemde bepalingen. Het behage het Hof zonodig overeenkomstig artikel 234 (voorheen artikel 177) van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap, ter zake een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie luidende als volgt: "Moeten artikel 3quater van de Richtlijn 90/388/EEG van 28 juni 1990 betreffende de mededinging op markten voor telecommunicatiediensten, zoals ingevoerd door artikel 1 van de Richtlijn 96/2/EG van de Commissie van 16 januari 1996 tot wijziging van Richtlijn 90/388/EEG met betrekking tot mobiele en persoonlijke communicatie, in zoverre het bepaalt dat 'alle beperkingen ten aanzien van de opbouw van eigen infrastructuur' worden opgeheven, en artikel 59 (huidig artikel 49) van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op basis waarvan Richtlijn 90/388/EG is genomen, zo worden uitgelegd dat deze bepalingen zich verzetten tegen een gemeentelijk belastingreglement dat een belasting voorziet voor eigenaars van in openlucht geplaatste en vanaf de openbare weg zichtbare relaisstations voor telefooncommunicatie ?". IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert aan dat doordat het reglement te dezen de belasting heft op eigenaars van zenders en ontvangers van telefooncommunicatie en niet op eigenaars van zenders en ontvangers van andere vormen van communicatie, er een verschil ontstaat in behandeling zonder dat hiervoor een redelijke en objectieve verantwoording bestaat.
  4. De grondwettelijke regels inzake de gelijkheid van de Belgen en de niet-discriminatie op het stuk van de belastingen, staan er niet aan in de weg dat een verschillende behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De al of niet aanwezigheid van zodanige verantwoording moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de ingestelde belasting en aan de redelijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
  5. Het bestreden arrest overweegt onder meer dat "vermits de belasting tot doel heeft om naast het algemeen budgettair motief de verstoring van het landschap tegen te gaan, is het gehanteerde criterium (eigenaar zijn van een in open lucht geplaatste en vanaf de openbare weg zichtbaar relaisstation voor telefooncommunicatie) een redelijk criterium in verhouding tot dit nagestreefde doel" en "(h)et eventueel landschapsverstorend karakter van andere toestellen voor spraakcommunicatie, gegevenscommunicatie of energieoverbrenging (antennes voor televisie- of radiouitzendingen, antennes van hulpdiensten, antennes voor radiocommunicatie voor taxi-diensten, masten van hoogspanningslijnen) moet niet abstract vergeleken worden met het landschapverstorend karakter van de voormelde relaisstations maar worden afgewogen ten opzichte van de concrete functie die elk van deze andere toestellen vervult en de duur dat zij reeds in het landschap aanwezig zijn".
  6. Deze verantwoording voor het verschil in behandeling van eigenaars van zichtbare zenders en ontvangers van telefooncommunicatie en de eigenaars van zenders en van ontvangers van andere vormen van communicatie, is niet redelijk en objectief ten opzichte van het doel en de gevolgen van de ingestelde belasting. Er bestaat immers geen redelijk verband tussen enerzijds de concrete functie van de andere zenders en ontvangers van andere vormen van communicatie en de duur dat zij reeds in het landschap aanwezig zijn en anderzijds het doel van het belastingreglement, met name de ontvangsten en de uitgaven van de gemeente in evenwicht te houden en de verstoring van het landschap tegen te gaan.
  7. Op de voormelde gronden konden de appelrechters niet wettig oordelen dat er geen schending van het gelijkheidsbeginsel was. Ze schenden aldus de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Eric Dirix en Paul Maffei, en in openbare terechtzitting van 17 november 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061117.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2014:ARR.20140506.11 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091210.4 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100520.10 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121123.1 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130215.4 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150903.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040115.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.