id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061121.6 Rolnummer: P.06.1413.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 421 - laatst gezien 2026-07-04 05:49 Versie(s): Vertaling FR Fiche De vernietiging van de Duitse wet van 21 juli 2004 door het Bundesverfassungsgericht heeft niet tot gevolg dat het onder die wet verleende Europees aanhoudingsbevel niet rechtsgeldig is verleend; krachtens de nieuwe Duitse omzettingswet van 29 juni 2006 kan dergelijk Europees aanhoudingsbevel alsnog uitgevoerd worden
(1).
(1)Het Openbaar Ministerie had geconcludeerd tot verwerping van de voorziening op andere gronden dan deze door het Hof aangenomen. De appelrechters oordeelden immers dat zij uit artikel 44, ,§ 3, Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsmandaat de rechtsmacht putten om na te gaan of, op het moment van het uitvaardigen van het Europees aanhoudingsbevel, het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 1992 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering was omgezet in de wetgeving waaraan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit onderworpen is. Dit lijkt logisch: de rechter moet er zich immers van vergewissen of naar intern recht de bepalingen van de wet van 19 december 2003 kunnen toegepast worden dan wel of de uitleveringswet van 15 maart 1874 of andere bestaande instrumenten op het stuk van uitlevering van toepassing blijven. Verder oordeelden de appelrechters ook dat deze controlebevoegdheid los staat van de controle nopens het voldaan zijn aan de voorwaarden van artikel 3 en aan de bepalingen van de artikelen 4 tot 8 van de Wet van 19 december 2003, en stelden ze vast dat eiser geen middelen putte uit die bepalingen. Met verwijzing naar en met herneming van de vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep, die alle ter zake dienende elementen bevatte, oordeelden zij tenslotte dat er geen gronden noch redenen tot weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel voorhanden waren. Het Openbaar Ministerie was van mening dat op grond van deze vaststellingen en redenen de kamer van inbeschuldigingstelling haar bestreden beslissing naar recht verantwoordde. Het Hof oordeelde trouwens reeds eerder dat de Belgische rechter die uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsmandaat niet te oordelen heeft over de wettigheid en de regelmatigheid van dit bevel, maar enkel over de tenuitvoerlegging ervan overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot 8 Wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsmandaat (Cass., 25 jan. 2005, AR P.05.0065.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050125.4, nr 51). Het door eiser ontwikkelde middel, dat een schending van artikel 44, ,§ 3, Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsmandaat aanvoerde, bekritiseerde uitsluitend het oordeel van de appelrechters dat het Europees aanhoudingsbevel van 3 februari 2005 zijn rechtsgeldigheid behoudt op grond van de Duitse wet van 21 juli 2004, die ofschoon vernietigd bij arrest van het Duitse Grondwettelijk Hof van 18 juli 2005, op het moment van de uitvaardiging van toepassing was. Bijgevolg concludeerde het Openbaar Ministerie dat het middel zich richtte tegen een overtollige reden zodat het, zelfs al ware het gegrond, niet tot cassatie kon leiden en dus niet ontvankelijk was. Thesaurus CAS: UITLEVERING Vrije woorden: UITLEVERING Europees aanhoudingsmandaat Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie Omzetting in de Duitse rechtsorde Duitse wet van 21 juli 2004 Vernietiging Nieuwe Duitse omzettingswet Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 19-12-2003 - Artt.4tot37e Tekst van de beslissing Nr. P.06.1413.N D V L, verdachte, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Pol Vandemeulebroucke, advocaat bij de balie te Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 3 november 2006. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Dirk Debruyne heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Anders dan het middel aanvoert heeft de vernietiging van de Duitse wet van 21 juli 2004 door het Bundesverfassungsgericht (arrest van 18 juli 2005) niet tot gevolg dat het onder die wet verleende Europees aanhoudingsbevel niet rechtsgeldig is verleend. Krachtens de nieuwe Duitse omzettingswet van 29 juni 2006 kan dergelijk Europees aanhoudingsbevel alsnog uitgevoerd worden. 2. Het middel faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 82,20 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 21 november 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061121.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050125.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div