← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061124.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061124.1 Rolnummer: C.04.0579.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-01-26 Raadplegingen: 206 - laatst gezien 2026-07-03 07:10 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het tenietgaan van het gehuurde goed door een brand buiten de schuld van de huurder heeft tot gevolg dat deze niet gehouden is het goed terug te geven in dezelfde staat als hij het ontvangen heeft; hij is evenwel niet zonder meer ontslagen van de verplichting tot teruggave, die onder meer inhoudt dat hij gehouden is het goed vrij te maken en de inhoud te verwijderen die door hem erin is aangebracht

(1).
(1)Het O.M. concludeerde tot cassatie op grond dat artikel 1733 B.W. ook toepasselijk is op de onderhuurder (zie Cass., 11 sept. 1992, AR 7778, nr 604), wat betekent dat deze, wanneer hij aan de brand geen schuld heeft en zijn verplichtingen door de ontbinding van de huur beëindigd zijn, niet aansprakelijk kan gesteld worden voor de brandschade, waaronder opruimings-, vervoer- en stortkosten. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - HUISHUUR - Verplichtingen van partijen Vrije woorden: HUUR VAN GOEDEREN - HUISHUUR - Verplichtingen van partijen Brand Tenietgaan van het gehuurde goed Verplichting van de huurder Inhoud Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.1733en17 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0579.N VAN LAER & C°, naamloze vennootschap, met zetel te 2340 Beerse, Toekomstlaan 19, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  1. A.G.F. BELGIUM INSURANCE, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Lakensestraat 35,
  2. ING INSURANCE, naamloze vennootschap, met zetel te 1140 Evere, Henri Matisselaan 16,
  3. KBC VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 3000 Leuven, Waaistraat 6,
  4. AURORA, naamloze vennootschap, met zetel te 2340 Beerse, Industriezone A, Antwerpseweg 11, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 22 maart 2004 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1302, 1722, 1731.,§2, 1732, 1733 en 1741 van het Burgerlijk Wetboek (artikel 1731,.,§2,. gewijzigd bij de wet van 29 december 1983, en artikel 1733 gewijzigd bij de wet van 20 februari 1991). Het bestreden vonnis veroordeelt de eiseres om aan de tweede verweerster te betalen het bedrag van 8.620,84 euro op de volgende gronden: Op 30 augustus 1991 omstreeks 18 u. brak er een zware brand uit in het gebouwencomplex gelegen te Beerse, Lilsedijk
  5. Dit volledige complex was sedert 1982 door de eigenaars de heren P. en J.P. verhuurd aan de N.V. Aurora. De N.V. Aurora onderverhuurde meerdere gedeelten van dit complex, twee ervan respectievelijk aan de N.V. Van Laer en C° en aan de B.V.B.A. Luc Deckx. Zowel de gedeelten ondergehuurd door de N.V. Van Laer en C° als door de B. V.B.A. Luc Deckx werden zwaar getroffen door de brand. Op 27 september 1991 werd Prof. G. aangesteld als gerechtsdeskundige door de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Turnhout. Deze stelde met betrekking tot de oorzaak van de schade op p. 31 van zijn besluit, ondermeer het volgende: &§9679; dat de oorsprong van de brand zich in ieder geval situeerde in het gedeelte, gehuurd door de B.V.B.A. Luc Deckx; &§9679; dat vermits de opruiming van de centrale zone niet zorgvuldig gebeurd was, hij geen gedetailleerde analyse van de oorzaak van de brand meer kon opstellen; &§9679; dat de primaire brandoorzaak niet meer te achterhalen was. Het voorwerp van de vordering opzichtens de N.V. Van Laer en C° bestaat er in haar te horen veroordelen tot betaling van de opruimingskosten betreffende brandafval die de N.V. Aurora maakte met betrekking tot het door de N.V. Van Laer en C° tevoren gehuurde gedeelte. (..) a. de opruimingskosten: De N.V. Van Laer en C° houdt voor dat zij bevrijd was van haar verplichting om aan het einde van de huur het goed te restitueren, nu de huur een einde nam ingevolge de brand en het bewijs voorligt dat deze niet aan haar te wijten was. Deze argumentatie op basis van artikel 1733 B.W. kan niet overtuigen. Het gehuurde goed kon en moest de N.V. Van Laer en C° niet meer restitueren. Bij het einde van de huur is de huurder wel verplicht het gehuurde pand te ontruimen, onafhankelijk van de vraag hoe de huur werd beëindigd. Artikel 1733 B.W. en het oude artikel 1734 B.W. hebben betrekking op de gehuurde goederen; in casu gaat het om de opruimingskosten betreffende de inhoud van het gehuurde goed (Meulemans, D., Een onroerend goed huren en verhuren, Acco, Leuven, 1996, nr. 1161). Terecht stelt de N.V. Aurora dat de N.V. Van Laer en C° de ontruimingskosten niet kan compenseren met het verlies van de gestockeerde goederen, nu noch zij als hoofdhuurder, noch de eigenaar verantwoordelijk was voor de brand; ter recuperatie van haar schade had de N.V. Van Laer en C° inderdaad mogelijke stappen ten opzichte van de eventuele verantwoordelijke kunnen nemen, quod non. Grieven Eerste onderdeel Wanneer het verhuurde goed gedurende de huurtijd door brand is tenietgegaan zodat de huurder het gehuurde goed niet meer kan teruggeven dan is de huur ingevolge de artikelen 1722 en 1741 van het Burgerlijk Wetboek van rechtswege ontbonden en dan is de huurder geen schadevergoeding verschuldigd aan de verhuurder wanneer de huurder bewijst dat de brand buiten zijn schuld ontstaan is en wanneer de huurder ingevolge artikel 1733 van het Burgerlijk Wetboek niet aansprakelijk is voor de brand. In dat geval is de huurder evenmin vergoeding verschuldigd aan de verhuurder voor de opruimingskosten betreffende de inhoud van het gehuurde goed die door de brand veroorzaakt werden vermits hij bevrijd is van de verplichting om het gehuurde goed zelf aan de verhuurder terug te geven en vermits die kosten in dat geval buiten zijn schuld ontstaan zijn. Voor de appelrechters bestond geen betwisting over het feit dat niet de eiseres maar wel de BVBA Luc Deckx aansprakelijk was voor de brand op basis van artikel 1733 van het Burgerlijk Wetboek zoals beslist in het vonnis van de eerste rechter van 28 februari
  6. De appelrechters stelden bovendien vast dat de eiseres het gehuurde goed ingevolge de brand niet meer kon en ook niet meer moest teruggeven. Het bestreden vonnis kon de eiseres derhalve niet wettelijk veroordelen om de vierde verweerster (onderverhuurder) te vergoeden voor de opruimingskosten betreffende de inhoud van het gehuurde goed vermits de eiseres bevrijd was van de verplichting om dat gehuurde goed aan de vierde verweerster terug te geven (schending van de artikelen 1722, 1731.,§2 en 1741, van het Burgerlijk Wetboek) en vermits de brand buiten de schuld van de eiseres ontstaan was zodat zij voor die brand en de verliezen die erdoor veroorzaakt werden niet aansprakelijk was tegenover de vierde verweerster (schending van de artikelen 1302, 1732 en 1733 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede onderdeel Wanneer het verhuurde goed gedurende de huurtijd door brand is tenietgegaan zodat de huurder het gehuurde goed niet meer kan teruggeven dan is de huur ingevolge de artikelen 1722 en 1741 van het Burgerlijk Wetboek van rechtswege ontbonden en dan is de huurder geen schadevergoeding verschuldigd aan de verhuurder wanneer de huurder bewijst dat de brand buiten zijn schuld ontstaan is en wanneer de huurder ingevolge artikel 1733 van het Burgerlijk Wetboek niet aansprakelijk is voor de brand. In dat geval is de huurder bevrijd van zijn verplichting om het gehuurde goed terug te geven aan de verhuurder. Voor de appelrechters bestond tussen partijen geen betwisting over het feit dat niet eiseres maar wel de BVBA Luc Deckx aansprakelijk was voor de brand op basis van artikel 1733 van het Burgerlijk Wetboek zoals beslist in het vonnis van de eerste rechter van 28 februari
  7. De appelrechters stelden bovendien vast dat eiseres het gehuurde goed ingevolge de brand niet meer kon en ook niet meer moest teruggeven. De appelrechters hebben dan ook ten onrechte beslist dat de eiseres als huurder verplicht was het gehuurde pand te ontruimen onafhankelijk van de vraag hoe de huur beëindigd werd vermits de eiseres van die verplichting bevrijd was nu het gehuurde goed ingevolge de brand niet meer kon en ook niet meer moest teruggegeven worden en nu de eiseres niet aansprakelijk was voor die brand (schending van de artikelen 1722, 1731.,§2 en 1741 v&§972;&§972;r het Burgerlijk Wetboek). Op die gronden kon de eiseres dan ook niet wettelijk veroordeeld worden om vierde verweerster (onderverhuurster) te vergoeden voor de opruimingskosten van het gehuurde goed (schending van de artikelen 1302, 1732 en 1733 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  8. Krachtens artikel 1731 van het Burgerlijk Wetboek is de huurder verplicht bij het eindigen van het huurcontract het gehuurde goed terug te geven in dezelfde staat als hij het ontvangen heeft, met uitzondering van hetgeen door ouderdom of overmacht is tenietgegaan of beschadigd.
  9. Krachtens artikel 1733 van dit wetboek is de huurder niet aansprakelijk voor brand als hij bewijst dat deze brand buiten zijn schuld is ontstaan.
  10. Krachtens artikel 1741 van dit wetboek wordt het huurcontract ontbonden door het tenietgaan van het verhuurde goed.
  11. Het tenietgaan van het verhuurde goed door een brand buiten de schuld van de huurder heeft tot gevolg dat deze niet gehouden is het gehuurde goed terug te geven in dezelfde staat als hij het ontvangen heeft. Hij is evenwel niet zonder meer ontslagen van de verplichting het gehuurde goed terug te geven. Deze verplichting houdt onder meer in dat de huurder gehouden is het gehuurde goed vrij te maken en de inhoud te verwijderen die door hem in het gehuurde goed is aangebracht.
  12. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat bij het tenietgaan van het verhuurde goed door een brand die is ontstaan buiten zijn schuld, de huurder niet gehouden is het gehuurde goed terug te geven, faalt het naar recht.
  13. De appelrechters veroordelen de eiseres tot de kosten van opruiming betreffende de inhoud van het gehuurde goed.
  14. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters de eiseres veroordelen voor de verliezen die de hoofdhuurder ingevolge de brand lijdt, berust het op een verkeerde lezing en mist het mitsdien feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  15. Het onderdeel gaat volledig uit van de stelling dat bij het tenietgaan door een brand die buiten zijn fout is ontstaan, de huurder niet meer gehouden is het gehuurde goed terug te geven.
  16. Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat het onderdeel faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 971,49 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 24 november 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061124.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.