id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061124.2 Rolnummer: C.05.0436.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-01-26 Raadplegingen: 663 - laatst gezien 2026-07-03 23:31 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het bestuur dat op grond van zijn discretionaire bevoegdheid een beslissing neemt, beschikt over een beoordelingsvrijheid die het de mogelijkheid biedt zelf te oordelen over de wijze waarop het zijn bevoegdheid uitoefent en de meest geschikt lijkende oplossing te kiezen binnen de door de wet gestelde grenzen
(1)Cass., 4 maart 2004, AR C.03.0346.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040304.8, C.03.0448.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040304.8 en C.03.0449.N, nr 124, met concl. O.M. Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT Vrije woorden: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT Bevoegdheid Bestuurshandeling Subjectief recht Aantasting Tekst van de beslissing Nr. C.05.0436.N VLM AIRLINES, naamloze vennootschap, met zetel te 2100 Deurne, Internationale Luchthaven Antwerpen, Luchthavenlei, bus 50, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen GEMEENTE BORSBEEK, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met kantoren te 2150 Borsbeek, de Robianostraat 64, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 april 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 33, 34, 37, 144 en 145 van de Grondwet; - de artikelen 28, 37, 47 en 54 van het Verdrag van Chicago van 7 december 1944 inzake de internationale burgerlijke luchtvaart, goedgekeurd bij wet van 30 april 1947; - bijlage 14 betreffende luchthavens bij het Verdrag van Chicago van 7 december 1944 inzake de internationale burgerlijke luchtvaart, door de Verdragsautoriteiten aangenomen op 29 mei 1951 en op 1 november 1951 in werking getreden; - artikel 1 van de wet van 30 april 1947 tot goedkeuring van het Verdrag van Chicago van 7 december 1944 inzake de internationale burgerlijke luchtvaart; - artikel 5, ,§2, van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919 betreffende de regeling van de luchtvaart, ingevoegd door artikel 18 van de Programmawet van 2 januari 2001; - artikel 43bis van het koninklijk besluit van 15 maart 1954 tot regeling der luchtvaart, ingevoegd door artikel 1 van het koninklijk besluit van 27 januari 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 maart 1954 tot regeling der luchtvaart; - artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft; - het beschikkingsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep verklaart de vordering van de eiseres ongegrond en oordeelt dat het terzake geen rechtsmacht bezit. Het beslist dat de eiseres geen bewijs aanbrengt van het subjectief recht dat het voorwerp uitmaakt van haar vordering en verwerpt in het bijzonder het middel van de eiseres afgeleid uit de luchtvaartwetgeving, op grond van de volgende overwegingen: "De uitvoerende macht, die handelt op grond van zijn discretionaire bevoegdheid, beschikt over een beoordelingsvrijheid met betrekking tot de wijze waarop het zijn bevoegdheid uitoefent en heeft derhalve de mogelijkheid de meest geschikt lijkende oplossing te kiezen binnen de door de wet gestelde grenzen (...). De rechterlijke macht verzekert de toepassing van deze rechtsregels. Geschillen over de burgerlijke rechten behoren bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken (artikel 144 Grondwet). Hoven en rechtbanken doen daarbij geen uitspraak bij wege van algemene en als regel geldende beschikking (artikel 6 Ger. W. en artikel 237 S.W.). Met betrekking tot de bevoegdheden van de uitvoerende macht mag de rechterlijke macht enkel tussenkomen om een onrechtmatige aantasting van een subjectief recht te voorkomen of te herstellen (...) en zonder dat deze tussenkomst, en derhalve de wijze van herstel, een inkorting van de beleidsvrijheid van het bestuur mag inhouden (...). Opdat door de rechterlijke macht kan worden tussengekomen ten aanzien van de uitvoerende macht dienen derhalve cumulatief deze twee onderscheiden niveaus te worden onderzocht, hetzij enerzijds het niveau van de te beschermen subjectieve rechten (...) en anderzijds het niveau van de wijze van het rechtsherstel (...). De rechtsmacht van de rechterlijke macht ten aanzien van de uitvoerende macht wordt begrensd op deze beide niveaus door de rechtsregels, waardoor beide machten gebonden zijn. De scheiding van de machten sluit dan ook uit dat op enigerlei wijze door de rechterlijke macht beleidskeuzen worden gemaakt en verhindert derhalve elke tussenkomst van de rechterlijke macht in niet-gebonden, hetzij niet door rechtsregels begrensde, bevoegdheden van het bestuur. Deze grondwettelijke geregelde scheiding van de uitvoerende en de rechterlijke macht houdt een strikte scheiding van hun onderscheiden beslissingsbevoegdheden in (...). Elk door en in elkaar vloeien van deze onderscheiden beslissingsbevoegdheden is dan ook uitgesloten. De door (de eiseres) op blz. 29, randnummer 73 van haar op 14 maart 2005 neergelegde aanvullende conclusie gemaakte overweging dat 'de rechterlijke macht slechts kap- en snoeiwerken kan opleggen zoals de uitvoerende macht dit toestaat (zie ,§70 hierboven)' schendt dan ook dit grondwettelijk beginsel. Het holt overigens de bevoegdheid van de rechter in een hem voorliggend geschil uit en maakt zijn beslissing afhankelijk van en onderschikt aan een beslissing van de uitvoerende macht. Het subjectief recht is een recht dat gegrond is op een precieze rechtsverplichting, die een regel van positief recht rechtstreeks aan een derde oplegt. Dit subjectief recht vormt het voorwerp van de vordering waarvan de rechter word gevat. Het subjectief recht, dat door (de verweerster) zou zijn geschonden, put (de eiseres) uit de 'specifieke luchtvaartwetgeving' en de 'algemene zorgvuldigheidsplicht'. Meer in het bijzonder stelt (de eiseres) over een 'evident' recht te beschikken dat de internationale luchthaven te Antwerpen beantwoordt aan de geldende internationaal voorgeschreven veiligheidsnormen, beschreven in het Verdrag van Chicago en de geldende wetgeving (...). Het is tussen partijen niet betwist dat (de eiseres) een recht van gebruik van de luchthaven heeft. Opdat evenwel (de eiseres) de nakoming van de door haar ingeroepen veiligheidsvoorschriften kan vorderen, dient zij te bewijzen over een recht van gebruik van de luchthaven te beschikken, waarvoor die veiligheidsvoorschriften worden vereist. De verweerster betwist dat de eiseres zich kan beroepen op deze veiligheidsvoorschriften en dat het gebruik van de luchthaven te Deurne door de eiseres nakoming van die veiligheidsvoorschriften, op de wijze zoals thans gevorderd door (de eiseres), vereist. Het hof stelt vast dat door (de eiseres) geen afdoende overtuigingsstukken met betrekking tot haar rechten op het gebruik van de luchthaven en met betrekking tot de omvang van deze rechten voorlegt. Nochtans werden de debatten heropend. Uit de bijlage 14 van het Verdrag van Chicago blijkt dat luchthavens internationaal worden ingedeeld in onderscheiden categorieën en dit volgens hun grootte (...). Als onderscheidingscriterium wordt onder meer de lengte van de banen weerhouden. Het koninklijk besluit van 27 januari 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 maart 1954 tot regeling van de luchtvaart (B.S. 23 februari 2004), voegt een artikel 43bis toe, dat onder meer bepaalt: 'De technische eisen voor het gebruik van de luchtvaartterreinen die openstaan voor internationaal luchtverkeer en beschikken over minstens één baan met een lengte die gelijk is aan of groter is dan 1 200 meter zijn deze van Bijlage 14, deel 1, bij het Verdrag betreffende de internationale burgerlijke luchtvaart. De minister bevoegd voor de luchtvaart of de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Luchtvaart kan, wanneer dit nodig blijkt om de veiligheid van het luchtverkeer te waarborgen, één of meerdere van de aanbevelingen die opgenomen zijn in Bijlage 14, deel 1, verplicht maken'. (De eiseres) citeert op blz. 14 van haar aanvullende conclusie het artikel 37 van het Verdrag van Chicago, waarin enkel wordt weerhouden dat er internationale normen en aanbevolen werkwijzen en methoden worden aangenomen betreffende de eisen te stellen aan luchthavens en landingsterreinen. De wijze waarop deze eisen zullen worden ingevuld behoort tot de bevoegdheid van de verbonden lidstaten. Zoals voor België uitdrukkelijk wordt bepaald door het hoger geciteerde K.B. van 27 januari 2004, behoort het tot de bevoegdheid van de minister bevoegd voor de Luchtvaart of de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Luchtvaart één of meerdere van de aanbevelingen die opgenomen zijn in Bijlage 14, deel 1, verplicht te maken, indien de veiligheid dit vereist. Het betrokken artikel 34bis bepaalt immers verder dat er een certificatie, genoemd 'Aerodrome Certificate - Annex 14' wordt uitgereikt door de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Luchtvaart voor luchtvaartterreinen die beantwoorden aan de voorwaarden van ,§1. (De eiseres) maakt geen gewag van dergelijk certificaat dat zou zijn afgeleverd voor de luchthaven van Deurne. (De eiseres) verwijst in haar aanvullende conclusies op blz. 3 randnummers 9 en 10, naar een internationaal gecoördineerde kaart, waarop de genoemde normen voor opstijg- en naderingsvakken worden uitgetekend door Belgocontrol in samenwerking met het Nationaal Geografisch Instituut, en die opgemaakt werd in 2004, op basis van metingen verricht in mei 2002. Het is dan ook onduidelijk en derhalve niet bewezen dat in casu de luchthaven te Deurne een luchthaven is die behoort te beantwoorden aan de door (de eiseres) gestelde veiligheidsvoorschriften. De benoeming van de betrokken luchthaven als een internationale luchthaven is daartoe onvoldoende. Het is overigens geenszins duidelijk of en in welke mate het Vlaams Gewest, als uitbater van deze luchthaven, de realisatie van deze veiligheidsvoorschriften, zoals thans vooropgesteld door (de eiseres), wenst en beoogt. De vraag naar de al dan niet directe werking van betrokken veiligheidsvoorschriften, waarvan (de eiseres) ten laste van (de verweerster) de nakoming eist, is dan ook nog niet aan de orde, nu immers onvoldoende bewezen is dat ten aanzien van de huidige situatie van de luchthaven te Deurne de voorwaarden vervuld zijn opdat deze veiligheidsvoorschriften moeten worden toegepast, zoals door (de eiseres) wordt gevorderd. Het hof (van beroep) dient derhalve vast te stellen dat (de eiseres) geenszins aantoont dat zij over een subjectief recht van gebruik van de luchthaven, haar verleend door het Vlaams Gewest, beschikt, waarbij zij ten laste van het Vlaams Gewest de nakoming van de door (haar) vooropgestelde veiligheidsvoorschriften kan eisen. Het door (de eiseres) ingeroepen subjectief recht, waarvan zij de nakoming ten laste van (de verweerster) vordert, is dan ook niet bewezen. Het is niet bewezen dat het subjectief recht van veiligheid, dat door (de verweerster) zou zijn geschonden en waarvan (de eiseres) middels een concrete herstelmaatregel de nakoming eist van (de verweerster), wordt gewaarborgd door een positieve regel, die aan (de verweerster) een welbepaald gedrag voorschrijft. Gelet op deze hoger gemaakte overwegingen dient het hof (van beroep) vast te stellen dat (de eiseres) geen bewijs aanbrengt van het subjectief recht, dat het voorwerp uitmaakt van haar vordering". Eerste onderdeel Schending van de artikelen 28, 37, 47 en 54 van het Verdrag van Chicago van 7 december 1944 inzake de internationale burgerlijke luchtvaart (hierna Verdrag van Chicago), van de Bijlage 14 betreffende luchthavens bij het Verdrag van Chicago van 7 december 1944 inzake de internationale burgerlijke luchtvaart (hierna Bijlage 14), van de artikelen 33, 34, 37, 144 en 145 van de Grondwet, van artikel 1 van de wet van 30 april 1947 tot goedkeuring van het Verdrag van Chicago van 7 december 1944 inzake de internationale burgerlijke luchtvaart, van artikel 5, ,§2 van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919 betreffende de regeling van de luchtvaart en van artikel 43bis van het koninklijk besluit van 15 maart 1954 tot regeling der luchtvaart. Uit de artikelen 144 en 145 van de Grondwet volgt dat de gewone hoven en rechtbanken bevoegd zijn om geschillen met betrekking tot subjectieve burgerlijke en (in beginsel ook) subjectieve politieke rechten te beoordelen. De gewone hoven en rechtbanken kunnen derhalve kennisnemen van een vordering die steunt op een precieze juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde, i.h.b. de overheid, oplegt, waarbij diegene die de vordering instelt een belang heeft bij de uitvoering van deze verplichting. Mits een subjectief recht in het geding is, kan de gewone rechter ook in de gevallen waarin de overheid over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt de ogenschijnlijk onrechtmatige aantasting van een subjectief recht door de overheid voorkomen of er een einde aan maken. De eiseres deed tot staving van de bij wijze van rechtsherstel gevorderde snoei- en kapwerkzaamheden door de verweerster in hoofdzaak beroep op de veiligheidsnormen in het Verdrag van Chicago en Bijlage 14 betreffende luchthavens. Het hof van beroep oordeelt dat het niet bewezen is dat de luchthaven van Deurne een luchthaven is die moet beantwoorden aan de door de eiseres ingeroepen veiligheidsvoorschriften, zodat het door de eiseres ingeroepen subjectief recht van veiligheid niet bewezen is. Het arrest stelt in dat verband vast dat de eiseres in haar aanvullende conclusie artikel 37 van het Verdrag van Chicago citeerde en dat in dit artikel "enkel wordt weerhouden dat er internationale normen en aanbevolen werkwijzen en methoden worden aangenomen betreffende de eisen te stellen aan luchthavens en landingsterreinen. De wijze waarop deze eisen zullen worden ingevuld behoort tot de bevoegdheid van de verbonden lidstaten. Zoals voor België uitdrukkelijk wordt bepaald door het hoger geciteerde K.B. van 27 januari 2004, behoort het tot de bevoegdheid van de Minister bevoegd voor de Luchtvaart of de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Luchtvaart één of meerdere van de aanbevelingen die opgenomen zijn in Bijlage 14, deel 1, verplicht te maken, indien de veiligheid dit vereist. Het betrokken artikel 34bis bepaalt immers verder dat er een certificatie, genoemd 'Aerodrome Certificate - Annex 14' wordt uitgereikt door de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Luchtvaart voor luchtvaartterreinen die beantwoorden aan de voorwaarden van ,§1". België trad in 1947 als verdragsluitende partij toe tot het Verdrag van Chicago van 7 december 1944 inzake de internationale burgerlijke luchtvaart, dat onder meer tot doel heeft de veiligheid van het internationaal burgerlijk luchtverkeer en de samenwerking op dat vlak te bespoedigen. Elke verdragsluitende Staat verbindt zich ertoe mee te werken tot het verkrijgen van de grootst mogelijke mate van eenvormigheid in de voorschriften, normen, methoden en organisatie met betrekking tot luchtvaartuigen, personeel, luchtlijnen en hulpdiensten in alle gevallen, waarin een zodanige eenvormigheid de luchtvaart zal vergemakkelijken en ten goede komen (artikel 37, eerste lid, van het Verdrag van Chicago). België heeft de verbintenis op zich genomen aan de uniformisering van bepaalde regels mee te werken en zekere bepalingen van dit Verdrag en van de bijlagen welke dit Verdrag aangevuld hebben, in zijn nationale wetgeving op te nemen (cf. artikel 1 van de wet van 30 april 1947 tot goedkeuring van het Verdrag van Chicago inzake de internationale burgerlijke luchtvaart en de artikelen 33, 34 en 37 van de Grondwet). Krachtens artikel 28, a), van het Verdrag van Chicago verbindt elke verdragsluitende Staat zich ertoe op zijn grondgebied luchthavens ter beschikking te stellen in overeenstemming met de maatstaven en gebruiken, welke van tijd tot tijd uit hoofde van dit Verdrag worden aanbevolen of vastgesteld. Ter verwezenlijking van de eenvormigheid op het gebied van de internationale burgerlijke luchtvaart kan de Internationale Burgerlijke Luchtvaart Organisatie (hierna IBLO) internationale normen en aanbevolen werkwijzen en methoden uitvaardigen, onder meer met betrekking tot de eisen te stellen aan luchthavens en landingsterreinen (artikel 37, tweede lid, b), van het Verdrag van Chicago). De Raad van de IBLO, bedoeld in artikel 47 van het Verdrag van Chicago neemt deze internationale normen en aanbevolen systemen aan, die dan als bijlagen aan het Verdrag worden toegevoegd (cf. artikel 54 van het Verdrag van Chicago). Eenmaal aangenomen, binden deze regels de verdragsluitende staten. Het Verdrag van Chicago inzake de internationale burgerlijke luchtvaart maakt een onderscheid tussen internationale normen en aanbevolen werkwijzen (cf. hoofdstuk VI, in het bijzonder artikel 37 van het Verdrag van Chicago). Deze regels onderscheiden zich van elkaar doordat de eenvormige toepassing van "internationale normen" noodzakelijk wordt geacht voor de veiligheid van het luchtverkeer, terwijl de eenvormige toepassing van de "aanbevolen werkwijzen" wenselijk is voor een veilig verloop van het luchtverkeer. Zoals de eiseres in haar beroepsconclusie aanvoerde, bevat Bijlage 14, die door de Verdragsautoriteiten werd aangenomen op 29 mei 1951 en op 1 november 1951 in werking trad, zowel internationale normen als aanbevolen werkwijzen op het gebied van luchthavens. Aan Bijlage 14 bij het Verdrag van Chicago werd door de Belgische wetgever uitwerking verleend in de Belgische rechtsorde. Artikel 5, ,§2, van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919 betreffende de regeling van de luchtvaart, ingevoegd door artikel 18 van de Programmawet van 2 januari 2001, bepaalt dat de Koning met betrekking tot de aangelegenheden vermeld in de eerste paragraaf (de reglementsvoorschriften betreffende de luchtvaart en inzonderheid die betreffende de luchtvaartuigen, dezer bemanning, de luchtvaart en het luchtverkeer, het domein en de openbare diensten bestemd voor die luchtvaart en dat luchtverkeer, de bij de reglementen voorziene rechten, taksen, vergoedingen of gelden waaraan het gebruik van die domeinen en openbare diensten onderworpen is), alle nodige maatregelen kan treffen voor de uitvoering van verplichtingen voortvloeiend uit internationale verdragen of uit krachtens die verdragen vastgestelde internationale akten. Bij koninklijk besluit van 27 januari 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 maart 1954 tot regeling der luchtvaart werd om die reden in hoofdstuk VI van het koninklijk besluit van 15 maart 1954 tot regeling der luchtvaart een artikel 43bis ingevoegd, dat als volgt luidt: "Art. 43bis, ,§1. De technische eisen voor het gebruik van de luchtvaartterreinen die openstaan voor internationaal luchtverkeer en beschikken over minstens één baan met een lengte die gelijk is aan of groter is dan 1 200 meter zijn deze van Bijlage 14, deel 1, bij het Verdrag betreffende de internationale burgerlijke luchtvaart. De Minister bevoegd voor de luchtvaart of de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Luchtvaart kan, wanneer dit nodig blijkt om de veiligheid van het luchtverkeer te waarborgen, één of meerdere van de aanbevelingen die opgenomen zijn in Bijlage 14, deel 1, verplicht maken". In zoverre het hof van beroep in voorliggend geval aanneemt dat de wijze waarop de eisen voor luchthavens worden ingevuld tot de bevoegdheid van de verbonden lidstaten behoort en de technische eisen in Bijlage 14, deel I, slechts de rechtskracht hebben van aanbevelingen die desgevallend door de bevoegde overheid verplicht kunnen worden gemaakt, miskent het de door België als verdragsluitende partij aangegane verplichting uitvoering te verlenen aan de door de Verdragsautoriteiten aangenomen normen, reduceert het Bijlage 14 ten onrechte tot een "aanbeveling" die desgevallend door de overheid verplicht kan worden gemaakt en miskent het tevens het in het Verdrag van Chicago vervatte onderscheid tussen "internationale normen" en "aanbevolen werkwijzen". Het arrest miskent aldus tevens de uitvoering die België als verdragsluitende staat aan Bijlage 14 verleende. Het hof van beroep beslist aldus onwettig dat de eiseres geen subjectief recht kan putten uit de aangevoerde luchtvaartwetgeving en schendt dan ook de artikelen 28, 37, 47 en 54 van het Verdrag van Chicago, de Bijlage 14 betreffende luchthavens, de artikelen 33, 34, 37, 144 en 145 van de Grondwet, artikel 1 van de wet van 30 april 1947 tot goedkeuring van het Verdrag van Chicago van 7 december 1944 inzake de internationale burgerlijke luchtvaart, artikel 5, ,§2, van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919 betreffende de regeling van de luchtvaart en artikel 43bis van het koninklijk besluit van 15 maart 1954 tot regeling der luchtvaart. Tweede onderdeel Schending van het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft, van het beschikkingsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel en van artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek. De rechter heeft tot taak de juridische aard van de door de gedingvoerende partijen aangevoerde feiten te onderzoeken en vermag deze ambtshalve aan te vullen, mits eerbiediging van het beschikkingsbeginsel, van het voorwerp en de oorzaak van de respectievelijke vorderingen evenals van het recht van verdediging. Krachtens artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek mag de rechter geen uitspraak doen over niet gevorderde zaken, noch meer toekennen dan gevraagd was. Het hof van beroep stelt in voorliggend geval vast dat artikel 43bis van het koninklijk besluit van 15 maart 1954 tot regeling der luchtvaart "... verder bepaalt dat er een certificatie, genoemd 'Aerodrome Certificate - Annex 14' wordt uitgereikt door de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Luchtvaart voor luchtvaartterreinen die beantwoorden aan de voorwaarden van ,§1" en dat de eiseres "geen ... gewag maakt van dergelijk certificaat dat zou zijn afgeleverd voor de luchthaven van Deurne". Verder oordeelt het hof van beroep dat het "onduidelijk en derhalve niet bewezen (
- is)dat in casu de luchthaven te Deurne een luchthaven is die behoort te beantwoorden aan de door (de eiseres) gestelde veiligheidsvoorschriften. De benoeming van de betrokken luchthaven als een internationale luchthaven is daartoe onvoldoende. Het is overigens geenszins duidelijk of en in welke mate het Vlaams Gewest, als uitbater van deze luchthaven, de realisatie van deze veiligheidsvoorschriften, zoals thans vooropgesteld door (de eiseres), wenst en beoogt. De vraag naar de al dan niet directe werking van de betrokken veiligheidsvoorschriften, waarvan (de eiseres) ten laste van (de verweerster) de nakoming eist, is dan ook nog niet aan de orde, nu immers onvoldoende bewezen is dan ten aanzien van de huidige situatie van de luchthaven te Deurne de voorwaarden vervuld zijn opdat deze veiligheidsvoorschriften moeten worden toegepast, zoals door (de eiseres) wordt gevorderd. Het hof dient derhalve vast te stellen dat (de eiseres) geenszins aantoont dat zij over een subjectief recht van gebruik van de luchthaven, haar verleend door het Vlaams Gewest, beschikt, waarbij zij ten laste van het Vlaams Gewest de nakoming van de door vooropgestelde veiligheidsvoorschriften kan eisen". In zoverre het arrest aldus oordeelt dat de door de eiseres ingeroepen veiligheidsvoorschriften inzake luchthavens hoe dan ook niet toepasselijk zijn, omdat de luchthaven van Deurne geen "internationale luchthaven" is en de eiseres overigens niet beschikt over een "Aerodrome certificate - Annex 14", doet het uitspraak over niet-gevorderde zaken, waarover tussen partijen geen betwisting bestond. In de beroepsconclusie van de verweerster werd inderdaad niet verwezen naar het (ontbreken) van dergelijk certificaat noch werd daaruit door de verweerster enig rechtsgevolg afgeleid. Evenmin werd het statuut van de luchthaven van Deurne als "internationale luchthaven" door de verweerster betwist. De eiseres verwees in haar beroepsconclusie doorlopend naar dit statuut van "internationale luchthaven", net zoals de verweerster dat in haar conclusie deed (cf. p. 25, eerste lid, van de beroepsconclusie van de verweerster: "internationale luchthaven Antwerpen"), zonder dat dit statuut in vraag werd gesteld (cf. ook de bespreking van artikel 43bis van het K.B. van 15 maart 1954 i.v.m. "de technische eisen voor het gebruik van de luchtvaartterreinen die openstaan voor internationaal luchtverkeer" op p. 32, nr. 56 van de beroepsconclusie van de verweerster). De verweerster betwistte deze kwalificatie ("internationaal luchtverkeer") niet doch betwistte wel de rechtstreekse werking van de betrokken verdragsnormen die "niet automatisch omgezet" zijn in het Belgisch recht (cf. p. 32 van de beroepsconclusie van de verweerster). In zoverre het arrest oordeelt dat de door de eiseres ingeroepen veiligheidsvoorschriften inzake luchthavens hoe dan ook niet toepasselijk zijn, omdat de luchthaven van Deurne geen "internationale luchthaven" is en de eiseres niet beschikt over een "Aerodrome certificate - Annex 14", doet het uitspraak over niet-gevorderde zaken waarover tussen partijen geen betwisting bestond en schendt het derhalve het beschikkingsbeginsel evenals artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek. Minstens miskent het arrest op dat punt het recht van verdediging van de eiseres, nu haar niet de mogelijkheid werd geboden om met betrekking tot het internationaal karakter van de luchthaven van Deurne en het al dan niet beschikken over een "Aerodrome certificate - Annex 14" haar standpunt uiteen te zetten (schending van het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 33, 37, 40, 144 en 145 van de Grondwet; - het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding van de machten; - de artikelen 584 en 1039 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep stelde in het tussenarrest van 22 februari 2005 vast dat "de rechterlijke macht zich niet in de plaats (vermag) te stellen van het bestuur en ... vermag derhalve de beleidsvrijheid van het bestuur niet in te korten. Hoven en rechtbanken kunnen dan ook enkel een bestuur, in casu (de verweerster), veroordelen tot de nakoming van precieze rechtsplichten, in casu het op een bepaalde hoogte inkorten van bomen en andere gewassen, voor zover deze plichten vervat zijn in een rechtsnorm, die de bevoegdheid van het bestuur bepaalt en geen beleidsvrijheid en dus keuzemogelijkheid meer laat aan het bestuur. Gelet op de hoger door het hof (van beroep) gemaakte vaststellingen dringt zich de vraag op of het door (de eiseres) gevorderde geen miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding van de machten zou kunnen inhouden, doordat het door (de eiseres) gevorderde vereist dat de rechterlijke macht zich in de plaats stelt van de betrokken overheden en dat derhalve de rechterlijke macht impliciet maar zeker een beleidsbeslissing moet nemen, nopens het gebruik van de luchthaven en de gevolgen daarvan voor de omwonenden en de omgeving. (De eiseres) en (de verweerster) brengen immers zelf alternatieven aan, en met name: meer gebruik maken van startbaan 29 in plaats van startbaan 11, de betalende lading van de vliegtuigen verminderen, de startbaan over een geringere lengte gebruiken, de startbaan gebruiken in de richting van het provinciegebouw (...) etc. .... Terzake hebben partijen geen middelen ontwikkeld. Het komt dan ook gepast voor de partijen zouden concluderen met betrekking tot dit vraagstuk nopens de rechtsmacht van het hof (van beroep) ten aanzien van het door (de eiseres) gevorderde. Een heropening van de debatten dringt zich bijgevolg op". Na herneming van de zaak wegens wedersamenstelling van de zetel sprak het hof van beroep op 12 april 2005 het eindarrest uit, waarin met betrekking tot de door de eiseres gevorderde herstelmaatregel het volgende beslist wordt: "De uitvoerende macht, die handelt op grond van zijn discretionaire bevoegdheid, beschikt over een beoordelingsvrijheid met betrekking tot de wijze waarop het zijn bevoegdheid uitoefent en heeft derhalve de mogelijkheid de meest geschikt lijkende oplossing te kiezen binnen de door de wet gestelde grenzen (...). De rechterlijke macht verzekert de toepassing van deze rechtsregels. Geschillen over de burgerlijke rechten behoren bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken (artikel 144 Grondwet). Hoven en rechtbanken doen daarbij geen uitspraak bij wege van algemene en als regel geldende beschikking (artikel 6 Ger. W. en artikel 237 S.W.). Met betrekking tot de bevoegdheden van de uitvoerende macht mag de rechterlijke macht enkel tussenkomen om een onrechtmatige aantasting van een subjectief recht te voorkomen of te herstellen (...) en zonder dat deze tussenkomst, en derhalve de wijze van herstel, een inkorting van de beleidsvrijheid van het bestuur mag inhouden (...). Opdat door de rechterlijke macht kan worden tussengekomen ten aanzien van de uitvoerende macht dienen derhalve cumulatief deze twee onderscheiden niveaus te worden onderzocht, hetzij enerzijds het niveau van de te beschermen subjectieve rechten (...) en anderzijds het niveau van de wijze van het rechtsherstel (...). De rechtsmacht van de rechterlijke macht ten aanzien van de uitvoerende macht wordt begrensd op deze beide niveaus door de rechtsregels, waardoor beide machten gebonden zijn. De scheiding van de machten sluit dan ook uit dat op enigerlei wijze door de rechterlijke macht beleidskeuzen worden gemaakt en verhindert derhalve elke tussenkomst van de rechterlijke macht in niet-gebonden, hetzij niet door rechtsregels begrensde, bevoegdheden van het bestuur. Deze grondwettelijke geregelde scheiding van de uitvoerende en de rechterlijke macht houdt een strikte scheiding van hun onderscheiden beslissingsbevoegdheden in (...). Elk door en in elkaar vloeien van deze onderscheiden beslissingsbevoegdheden is dan ook uitgesloten. (De eiseres) vordert dat een welbepaalde gedraging zou worden opgelegd door de rechterlijke macht aan een bestuur, hetzij (de verweerster) met name het uitvoeren van kap- en snoeiwerken, opdat de luchthaven, die zij gebruikt, zou beantwoorden aan de hoger aangehaalde veiligheidsvoorschriften. (De eiseres) vordert dan ook dat aan de uitvoerende macht de te nemen veiligheidsmaatregelen zou worden opgelegd in verband met het gebruik van de luchthaven. Met betrekking tot deze gevorderde maatregelen, zijnde kap- en snoeiwerken, betwist (de eiseres) nauwelijks dat hetzij een machtiging, hetzij een vergunning vereist is, wat noodzakelijkerwijze de tussenkomst van een bestuur vereist. (De eiseres) bewijst overigens niet dat deze machtiging of deze vergunning noodzakelijkerwijze dient te worden afgeleerd en dat het derhalve terzake een gebonden bevoegdheid betreft. (De eiseres) heeft overigens zelf een kapmachtiging aangevraagd en bekomen bij de woudmeester (...), in weerwil van haar stelling dat geen vergunning of machtiging vereist zou zijn. Bovendien zet (de eiseres) ook uiteen: 'Strikt genomen is een kapmachtiging geen vergunning, doch om elke discussie dienaangaande te vermijden, verdient het wellicht de voorkeur ook bij de aanvraag van een gewone kapmachtiging, een passende beoordeling te maken en deze aan de aanvraag te hechten' en 'De minister heeft in elk geval in zijn schrijven van 28 februari 2005 (...) zelf opdracht gegeven aan zijn administratie om de 'passende beoordeling' te maken, zodat op dit punt de situatie alleszins zal worden geregulariseerd in zoverre als nodig' (...). Doordat blijkbaar de machtiging of vergunning van een overheid vereist is, minstens een passende beoordeling dient te worden gemaakt, betekent dit dat de door (de eiseres) gevorderde herstelmaatregel een beleidsbeslissing inhoudt. Een veroordeling tot een bepaalde herstelmaatregel van een schending van een subjectief recht, waarvan de uitvoering afhankelijk is van een beslissing van de uitvoerende macht, houdt een schending in van het beginsel van de scheiding der machten. Bovendien faalt (de eiseres) in het bewijs dat geen andere beleidskeuzen zouden kunnen worden gemaakt inzake de veiligheid van de betrokken luchthaven. De door (de eiseres) gemaakte overwegingen op blz. 22, 23 en 24 onder randnummer 62 van haar aanvullende conclusie leveren geen afdoende bewijs op dat de gevorderde maatregelen de enige mogelijke veiligheidsmaatregel zijn zodat zij moeten worden uitgevoerd door het bestuur. Overigens overweegt (de eiseres) zelf dat de door de gemeente Borsbeek (de verweerster) gesuggereerde alternatieve oplossingen geen werkzame alternatieven zijn en maakt zij bovendien gewag van beleidskeuzen. Het hof (van beroep) vermag uiteraard niet in de plaats van de betrokken besturen uit te maken welke alternatieven al dan niet meer of minder werkzaam zijn. Dat de dezen de beleidskeuzen niet dienen te worden gemaakt door (de verweerster) door een ander bestuur, hetzij in hoofdzaak door het Vlaams Gewest, is irrelevant. Gelet op deze hoger gemaakte overwegingen dient het hof (van beroep) vast te stellen dat ... (de eiseres) '... niet bewijst dat de uitvoerende macht met betrekking tot de gevorderde maatregelen over een gebonden bevoegdheid beschikt. Derhalve heeft het hof (van beroep) geen rechtsmacht ten aanzien van het door geïntimeerde gevorderde'". Grieven Schending van de artikelen 33, 37, 40, 144 en 145 van de Grondwet, van het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding van de machten en van de artikelen 584 en 1039 van het Gerechtelijk Wetboek. Uit de artikelen 144 en 145 van de Grondwet volgt dat de gewone hoven en rechtbanken bevoegd zijn om geschillen met betrekking tot subjectieve burgerlijke en (in beginsel ook) subjectieve politieke rechten te beoordelen. De gewone hoven en rechtbanken kunnen kennisnemen van een vordering die steunt op een precieze juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde, i.h.b. de overheid, oplegt, waarbij diegene die de vordering instelt een belang heeft bij de uitvoering van deze verplichting. Mits een subjectief recht in het geding is, kan de gewone rechter, desgevallend zetelend in kort geding, ook in de gevallen waarin de overheid over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt, de ogenschijnlijk onrechtmatige aantasting van een subjectief recht door de overheid voorkomen of er een einde aan maken (cf. de artikelen 33, 37, 40, 144 en 145 van de Grondwet en de artikelen 584 en 1039 van het Gerechtelijk Wetboek). Ingevolge de rechtspraak van het Hof wordt aangenomen dat de hoven en rechtbanken zich niet in de uitoefening van de bij de wet aan de overheid voorbehouden machten mengen, wanneer zij, om de benadeelde partij volledig in haar rechten te herstellen, herstel in natura van de schade bevelen en aan die overheid maatregelen opleggen om een einde te maken aan de schadelijke onwettigheid. De buitengrens van deze mogelijkheid tot het uitspreken van een rechterlijke injunctie bestaat slechts hierin dat aan de overheid die over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt, geen bevel kan worden opgelegd waardoor deze bevoegdheid zou worden ontnomen. De gewone hoven en rechtbanken, met inbegrip van de rechter zetelend in kort geding, kunnen zich om die reden niet in de plaats stellen van de overheid die verwerende partij is in het geding en aldus aan deze overheid haar beoordelingsvrijheid ontnemen. Dat voor de latere tenuitvoerlegging van het rechterlijk bevel desgevallend een machtiging of vergunning vereist is, doet geen afbreuk aan de mogelijkheid tot het bekomen van een herstelmaatregel en tot het horen uitspreken van een rechterlijk bevel. De overheid die nadien met het oog op de tenuitvoerlegging van het rechterlijk bevel een vergunning of machtiging moet verlenen, behoudt immers haar beoordelingsbevoegdheid, met dien verstande dat zij in beginsel gehouden is om aan het rechterlijk bevel uitwerking te verlenen. In zoverre het arrest overweegt dat de scheiding der machten elke tussenkomst van de rechterlijke macht in niet-gebonden, hetzij niet door rechtsregels begrensde bevoegdheden van het bestuur verhindert dat een veroordeling tot een bepaalde herstelmaatregel van een schending van een subjectief recht, waarvan de uitvoering afhankelijk is van een beslissing van de uitvoerende macht, een schending inhoudt van het beginsel van de scheiding der machten en de eiseres niet bewijst dat de uitvoerende macht met betrekking tot de gevorderde maatregelen over een gebonden bevoegdheid beschikt zodat het hof geen rechtsmacht heeft ten aanzien van de vordering van de eiseres, geeft het dan ook een verkeerde invulling aan het beginsel van de scheiding der machten. Zoals gezegd kan de kortgedingrechter immers - voor zover een subjectief recht in het geding is - ook in de gevallen waarin de overheid over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt de ogenschijnlijk onrechtmatige aantasting van een subjectief recht door de overheid voorkomen of er een einde aan maken. De herstelmaatregelen in natura die de eiseres in dat verband vorderde, konden slechts worden afgewezen indien erdoor afbreuk werd gedaan aan een discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de overheid die in het geding was. De verweerster voerde naar aanleiding van huidige betwisting evenwel niet aan dat zij als gedingvoerende overheid over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, beschikte. Het door de eiseres gevorderde rechtsherstel kon daarentegen niet afhankelijk worden gemaakt van het bewijs van een gebonden bevoegdheid, in hoofde van de uitvoerende macht als dusdanig. De beslissing dat de scheiding der machten elke tussenkomst van de rechterlijke macht in niet-gebonden, hetzij niet door rechtsregels begrensde bevoegdheden van het bestuur verhindert dat een veroordeling tot een bepaalde herstelmaatregel van een schending van een subjectief recht, waarvan de uitvoering afhankelijk is van een beslissing van de uitvoerende macht, een schending inhoudt van het beginsel van de scheiding der machten dat de eiseres niet bewijst dat de uitvoerende macht met betrekking tot de gevorderde maatregelen over een gebonden bevoegdheid beschikt en het op die gronden afwijzen van de vordering van de eiseres, miskent dan ook het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding van de machten, de artikelen 33, 37, 40, 144 en 145 van de Grondwet en de artikelen 584 en 1039 van het Gerechtelijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Tweede onderdeel Ontvankelijkheid van het onderdeel 1. De verweerster voert aan dat het onderdeel niet ontvankelijk is aangezien het oordeel van de appelrechters dat het niet bewezen is dat de door de eiseres ingeroepen veiligheidsvoorschriften inzake luchthavens toepasselijk zijn, ook is gesteund op de vaststelling dat het geenszins duidelijk is of en in welke mate het Vlaams Gewest, als uitbater van deze luchthaven, de realisatie van deze veiligheidsvoorschriften, zoals vooropgesteld door de eiseres, wenst en beoogt. 2. Die reden is geen zelfstandige reden, maar is verbonden met de reden waarvan wordt gesteld dat die ambtshalve is aangevoerd, zodat het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid niet te scheiden is van het onderzoek van het onderdeel zelf. 3. De grond van niet-ontvankelijkheid kan derhalve niet worden aangenomen. Het onderdeel zelf 4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de verweerster voor het hof van beroep staande heeft gehouden dat de luchthaven te Deurne geen luchthaven is die behoort te beantwoorden aan de door de eiseres ingeroepen veiligheidsvoorschriften van Bijlage 14 bij het Verdrag van Chicago van 7 december 1944 inzake de internationale burgerlijke luchtvaart. De verweerster voerde in haar appelconclusies betreffende het Verdrag van Chicago slechts aan dat het geen rechtstreekse werking heeft en niet tegenwerpelijk is aan de verweerster daar het niet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. 5. Het arrest grondt het oordeel dat de eiseres niet aantoont dat zij over een subjectief recht van gebruik van de luchthaven beschikt waarbij zij de nakoming van de door haar vooropgestelde veiligheidsvoorschriften kan eisen, ambtshalve op het feit dat het "onduidelijk (
- is)en derhalve niet bewezen dat in casu de luchthaven te Deurne een luchthaven is die behoort te beantwoorden aan de door eiseres gestelde veiligheidsvoorschriften". Het voegt daaraan toe dat de benoeming van de betrokken luchthaven als een internationale luchthaven daartoe onvoldoende is en dat het overigens geenszins duidelijk is of en in welke mate het Vlaams Gewest, als uitbater van deze luchthaven, de realisatie van deze veiligheidsvoorschriften, zoals vooropgesteld door de eiseres, wenst en beoogt. Het arrest grondt zijn oordeel, eveneens ambtshalve, op het feit dat de eiseres geen gewag maakt van een "Aerodrome certificate - Annex 14" dat zou zijn afgeleverd voor de luchthaven van Deurne krachtens artikel 43bis, ,§2, van het koninklijk besluit van 15 maart 1954 tot regeling der luchtvaart. 6. Door aldus te oordelen, zonder het middel aan de tegenspraak van de partijen voor te leggen, schenden de appelrechters artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek. 7. Het onderdeel is gegrond. Tweede middel Ontvankelijkheid van het middel 8. De verweerster voert aan dat het middel niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang, aangezien de in het eerste middel vergeefs bekritiseerde redenen een afzonderlijke en toereikende grondslag vormen voor de beslissing waarbij het hof van beroep zich zonder rechtsmacht verklaart. 9. Uit het antwoord op het eerste middel, blijkt dat het tweede onderdeel van dat middel gegrond is verklaard en dat de beslissing derhalve niet is gebaseerd op vergeefs bekritiseerde redenen. 10. De grond van niet-ontvankelijkheid kan derhalve niet worden aangenomen. Het middel zelf 11. Het bestuur dat op grond van zijn discretionaire bevoegdheid een beslissing neemt, beschikt over een beoordelingsvrijheid die het de mogelijkheid biedt zelf te oordelen over de wijze waarop het zijn bevoegdheid uitoefent en de meest geschikt lijkende oplossing te kiezen binnen de door de wet gestelde grenzen. De Rechterlijke Macht is ook bevoegd om een door het bestuur bij de uitoefening van zijn niet-gebonden bevoegdheid begane onrechtmatige aantasting van een subjectief recht zowel te voorkomen als te vergoeden, maar mag daarbij aan het bestuur zijn beleidsvrijheid niet ontnemen en zich niet in de plaats van het bestuur stellen. Het bestreden arrest oordeelt dat de scheiding der machten elke tussenkomst verhindert van de Rechterlijke Macht in niet-gebonden, dit zijn niet door rechtsregels begrensde, bevoegdheden van het bestuur. Het oordeelt verder dat aangezien de eiseres met name geen bewijs levert dat de uitvoerende macht met betrekking tot de gevorderde maatregelen over een gebonden bevoegdheid beschikt, het geen rechtsmacht heeft ten aanzien van het door de eiseres gevorderde. Door aldus te oordelen, miskent het hof van beroep het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten. 12. Het middel is gegrond. Overige grieven 13. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 24 november 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061124.2 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090423.14 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100924.1 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20141226.4 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150219.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040304.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071001.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div