← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061127.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061127.4 Rolnummer: C.05.0310.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-02-27 Raadplegingen: 1113 - laatst gezien 2026-07-04 01:53 Versie(s): Vertaling FR Fiche De principiële onmogelijkheid voor contractspartijen om zich in het raam van hun contractuele verhouding op de regels van de buiten-contractuele aansprakelijkheid te beroepen vloeit voort uit de onderstelling dat contractspartijen hun contractuele rechtsverhouding en een in dit raam begane wanprestatie, behoudens andersluidend beding, uitsluitend door de regels van de contractuele aansprakelijkheid willen laten beheersen; deze onderstelling ontbreekt in geval de rechtsverhouding, de verlening van een openbare dienst betreft, derhalve niet van contractuele maar van reglementaire aard is en beheerst wordt door een publiekrechtelijk reglement; behoudens andersluidend beding, sluit een tekortkoming begaan in het raam van dit reglement, buiten-contractuele aansprakelijkheid niet uit

(1).
(1)Cass., 23 mei 1997, AR C.95.0053.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970523.3, nr 236; Cass., 21 juni 2002, AR C.00.0097.N, nr
  1. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SAMENLOOP VAN AANSPRAKELIJKHEID - Aansprakelijkheid uit en buiten overeenkomst UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop aansprakelijkheidsregimes - Contractueel-buitencontractueel - Algemeen Vrije woorden: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SAMENLOOP VAN AANSPRAKELIJKHEID - Aansprakelijkheid uit en buiten overeenkomst Rechtsverhouding Reglementaire aard Publiekrechtelijk reglement Tekortkoming Buitencontractuele aansprakelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 15-05-1981 - Artt.1382,1383 Annotaties Publicaties: R.A.B.G. - Lisbet PHANG; Over de rechtsverhouding tusssen elektriciteitsmaatschappijen en hun afnemers en het samenloopverbod in deze verhouding. - 2007, 1257-1247 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0310.N GASELWEST, coöperatieve intercommunale vereniging, met zetel te 8800 Roeselare, Grote Markt 1, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  2. ING INSURANCE, naamloze vennootschap, met zetel te 1040 Etterbeek, Sint-Michielswarande 70, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  3. H.E., en zijn echtgenote,
  4. D.S., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 10 februari 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. De zaak is bij beschikking van de voorzitter van 26 september 2006 verwezen naar de derde kamer. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 2 en 28, in het bijzonder derde lid, 9°, van het Vlaams decreet van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt; - de artikelen 1134, 1142, 1149, 1152, 1382, 1383 en 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Bestreden beslissing Het hof van beroep verklaart het hoger beroep van de eiseres ongegrond en beslist met bevestiging van het vonnis van de eerste rechter dat eiseres op grond van artikel 1384, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek kon worden aangesproken voor de geleden schade, op basis van de volgende overwegingen: "Uit het grondig gemotiveerd verslag van ir. G. blijkt dat de brand is ontstaan in de tellerkast van (de eiseres). Het summier verslag van expert P. kan aan deze bevindingen geen afbreuk doen, nu deze deskundige niet de precieze oorzaak van de brand diende te achterhalen doch enkel moest nagaan of er al dan niet kwaad opzet was. Ir. G. toonde na grondig onderzoek aan dat de brand is ontstaan in de tellerkast en stelde dienaangaande: 'We herkennen de inbrandingen aan de polyester tellerkast, van binnen en niet van buiten. Ook de beschadigde onderzijde is vanaf binnen ingebrand' (p. 19 deskundigenverslag) en verder: 'Deze beschadigingen zijn slechts aanneembaar te verklaren vanaf de tellerkast als oorsprong en oorzaak van de brand. Omgekeerd is deze typische schade niet vanaf een andere plaats te verklaren' (p. 30 deskundigenverslag). (De eiseres) was eigenaar van de tellerkast en kan in deze hoedanigheid als bewaarder van de kast worden aangesproken op grond van artikel 1384, eerst lid, van het Burgerlijk Wetboek. Het blijkt niet dat (de eiseres) de bewaring over de tellerkast op het ogenblik van de brand had overgedragen aan tweede en derde geïntimeerden. Uit het 'reglement voor de aftakking, de ter beschikkingstelling en de afname van elektriciteit in laagspanning' blijkt dat tweede en derde (verweerder) geen enkele bevoegdheid bezaten om de tellerkast voor eigen rekening te gebruiken, het genot ervan te hebben of voor het behoud ervan te zorgen met recht van toezicht, leiding en controle. De tellerkast werd geleverd en geplaatst door (de eiseres). Enkel (de eiseres) had het recht om de meetgroep te wijzigen, te versterken, te verplaatsen of weg te nemen en om over te gaan tot onderhoud en eventuele herstellingen. De meetgroep werd trouwens door (de eiseres) gebruikt om voor eigen rekening het verbruik te kunnen vaststellen en aanrekenen. Dat tweede en derde (verweerder) er moesten voor zorgen om iedere oorzaak van beschadiging aan de tellerkast te vermijden, maakt hen nog niet tot bewaarder van de kast in de zin van artikel 1384, eerst lid, van het Burgerlijk Wetboek Waar vaststaat dat de brand in de tellerkast van (de eiseres) is ontstaan, is zij als bewaarder van een gebrekkige zaak, met name de brandende tellerkast, aansprakelijk voor de schade op grond van artikel 1384, eerst lid, van het Burgerlijk Wetboek. Een zaak vertoont immers een gebrek wanneer ze een abnormaal kenmerk heeft waardoor ze, in bepaalde omstandigheden, schade kan veroorzaken. Dit is het geval wanneer een tellerkast van binnenuit tot ontbranding komt. Bovendien dient vastgesteld te worden dat de brand in de tellerkast slechts kan ontstaan zijn door een gebrek aan de installatie zelf, nu elke andere mogelijke oorzaak van de brand in de tellerkast uit te sluiten is. Vooreerst blijkt uit het deskundigenverslag van ir. G. dat de brandoorzaak geen verband heeft met de werken uitgevoerd door Verkarre. Verder blijkt geenszins dat de brand zou ontstaan zijn door voorafgaande waterinfiltraties in de kast. De bewering van (de eiseres) dat de tellerkast zich niet in een droge ruimte bevond, is louter eenzijdig en niet bewezen. Uit niets blijkt dat er waterinfiltraties door het dak tot in de tellerkast zijn kunnen doordringen. Eventuele waterinfiltraties werden trouwens ontkend door tweede en derde (verweerder). Dat zich in de periode voorafgaand aan de brand hevige regens mochten voorgedaan hebben in de streek, vormt geen bewijs van waterinfiltraties, nu niet blijkt dat de dakconstructie gebreken vertoonde die waterinsijpelingen mogelijk maakten. Een verwaarloosde toestand van de bovenverdieping houdt niet in dat er zich waterinfiltraties voordeden. Omtrent de toestand van het dak zelf voor de brand en de mogelijkheid van waterinsijpelingen werden geen vaststellingen gedaan. De hele bovenverdieping werd trouwens door de brand vernield. Het feit dat geoxideerd koper in de tellerkast werd gevonden, toont evenmin aan dat zich waterinfiltraties hadden voorgedaan. Door de brand is het dak vernield en kon de regen na de brand de tellerkast bereiken. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de vaststelling van de oxidatie dateert van 25 april 1997, hetzij van meer dan twee maanden na de brand. Deskundige G. bevestigde trouwens dat de groene oxidatie het gevolg kan zijn van atmosferische vochtigheid na de brand. Het verslag van prof. W. is niet van aard om aan te nemen dat er zich reeds voor de brand waterinfiltraties in de tellerkast hadden voorgedaan. Prof. W. stelde enkel vast dat op plaatsen waar de groene patina aanwezig was, ook vocht zal aanwezig geweest zijn en de groene patina zich niet kon vormen zonder vocht. Uit deze vaststellingen kan niet worden afgeleid dat zich voor de brand waterinsijpelingen moeten voorgedaan hebben, nu de tellerkast noodzakelijkerwijze in contact kwam met het bluswater en vervolgens na de brand verschillende maanden aan weer en wind heeft blootgestaan. Het verslag van prof. W. werd trouwens eveneens op deze wijze beoordeeld door ir. G.. De tellerkast vertoonde een gebrek doordat deze zonder enige externe aanleiding tot ontbranding is gekomen. Een tellerkast dient op veilige wijze geconstrueerd te zijn zodat ontbranding onmogelijk is. Volgens het reglement diende (de eiseres) trouwens in te staan voor een goede en veilige werking van de aftakking. Ten onrechte beroept (de eiseres) zich op het 'reglement voor de aftakking, de ter beschikkingstelling en de afname van elektriciteit in laagspanning' om voor te houden dat zij niet kan worden aangesproken op grond van artikel 1384, eerst lid, van het Burgerlijk Wetboek Het reglement sluit de toepassing van artikel 1384, eerst lid, van het Burgerlijk Wetboek niet uit. Artikel V.2 regelt enkel de aansprakelijkheid van (de eiseres) voor schade veroorzaakt door variaties in spanning en frequentie en door onderbrekingen, hetgeen in casu niet het geval is. (De eiseres) beroept zich evenzeer ten onrechte op het verbod van samenloop tussen de contractuele en de extracontractuele aansprakelijkheid. Op de rechtsverhouding tussen (de eiseres) en twee en derde (verweerder) is het 'algemeen reglement voor de aftakking de ter beschikkingstelling en de afname van elektriciteit in laagspanning' van toepassing. De rechtsverhouding is bijgevolg van reglementaire en niet van contractuele aard. (De eiseres) is aldus op grond van artikel 1384, eerst lid, van het Burgerlijk Wetboek gehouden de door (de verweerders) geleden schade te vergoeden". Grieven Eerste onderdeel Schending van de artikelen 2 en 28 van het Vlaams decreet van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt (hierna het Elektriciteitsdecreet), en van de artikelen 1142, 1149, 1152, 1382, 1383 en 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.
  5. Het verbod van samenloop tussen contractuele en extracontractuele aansprakelijkheid verhindert dat tussen contractspartijen een vordering gesteund op de extracontractuele aansprakelijkheidsregels zou worden ingesteld. De buitencontractuele aansprakelijkheid van een contractspartij kan enkel worden ingeroepen bij een fout begaan bij de uitvoering van het contract, wanneer deze fout een tekortkoming is, niet aan een contractuele verplichting maar aan de algemene zorgvuldigheidsverplichting en wanneer die fout een schade heeft veroorzaakt die een andere is dan de schade door een gebrekkige uitvoering van het contract. Dit samenloopverbod volgt uit de artikelen 1142, 1149, 1152, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Dezelfde voorwaarden zijn van toepassing op de situatie van samenloop tussen contractuele aansprakelijkheid enerzijds en aansprakelijkheid op grond van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek anderzijds.
  6. De eiseres voerde in hoger beroep aan dat de rechtsverhouding tussen de eiseres en de tweede verweerder beheerst werd door het reglement voor de aftakking, de ter beschikkingstelling en de afname van elektriciteit in laagspanning, zodat, gelet op de regels inzake samenloop, artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek niet kon worden toegepast (cf. p. 3, nrs. 2 en volgende van de beroepsconclusie van de eiseres).
  7. Het hof van beroep verwerpt de grief van de eiseres en beslist dat "(de eiseres)... zich evenzeer ten onrechte beroept op het verbod van samenloop tussen de contractuele en de extracontractuele aansprakelijkheid. Op de rechtsverhouding tussen (de eiseres) en tweede en derde (verweerder) is het 'algemeen reglement voor de aftakking, de ter beschikkingstelling en de afname van elektriciteit in laagspanning' van toepassing. De rechtsverhouding is bijgevolg van reglementaire en niet van contractuele aard".
  8. Het Vlaams Elektriciteitsdecreet van 17 juli 2000, dat luidens artikel 2 van het decreet de levering van elektriciteit aan de afnemer beheerst, bepaalt in artikel 28, derde lid, 9°, dat de reguleringsinstantie geschillen beslecht die betrekking hebben op de toegang tot het distributienet, met uitzondering evenwel van de geschillen inzake contractuele rechten en verbintenissen. Uit artikel 2.8 van het Vlaams Elektriciteitsdecreet volgt derhalve dat de rechtsverhouding tussen de elektriciteitsverdeler en de afnemer door de Vlaamse Decreetgever als een contractuele rechtsverhouding wordt beschouwd. In zoverre het arrest in voorliggend geval beslist dat de rechtsverhouding tussen de eiseres en de tweede verweerders van reglementaire en niet van contractuele aard is, zodat de eiseres zich ten onrechte beroept op het verbod van samenloop tussen de contractuele en de extracontractuele aansprakelijkheid (cf. p. 7, nr. 3 van het arrest), miskent het arrest de door de Vlaamse Decreetgever vastgelegde contractuele aard van de rechtsverhouding tussen de eiseres en de tweede verweerders en schendt het artikel 28, derde lid, 9° en, voor zoveel als nodig, artikel 2, van het Vlaamse Elektriciteitsdecreet. Vermits het arrest op diezelfde gronden het middel van de eiseres betreffende het verbod van samenloop verwerpt en artikel 1384, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek van toepassing verklaart, miskent het tevens de artikelen 1142, 1149, 1152, 1382, 1383 en 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Tweede onderdeel Schending van de artikelen 1134, 1142, 1149, 1152, 1382, 1383 en 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.
  9. Het hof van beroep beslist dat de eiseres zich ten onrechte beroept op het verbod van samenloop tussen de contractuele en de extracontractuele aansprakelijkheid, vermits de rechtsverhouding tussen de eiseres en de tweede verweerders van reglementaire en niet van contractuele aard is, zodat artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek wel degelijk kan worden toegepast
  10. De vaststelling dat de rechtsverhouding tussen een elektriciteitsverdeler en haar afnemers van reglementaire aard is, doet geen afbreuk aan de onmogelijkheid artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek toe te passen. Beide partijen zijn immers gebonden door de inhoud van het reglement voor de aftakking, de ter beschikkingstelling en de afname van elektriciteit in laagspanning en kunnen tot staving van hun wederzijdse aanspraken slechts op datzelfde reglement beroep doen. Het reglement voor de aftakking, de ter beschikkingstelling en de afname van elektriciteit in laagspanning beheerste dan ook de rechtsbetrekkingen tussen eiseres en tweede verweerders, zodat dit reglement aan de toepassing van 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek in de weg stond. In zoverre het hof van beroep beslist dat artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk van toepassing is, miskent het dan ook de verbindende kracht van het reglement (schending van artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek) en schendt het tevens de artikelen 1142, 1149, 1152, 1382, 1383 en 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre deze artikelen van het Burgerlijk Wetboek het samenloopverbod huldigen. Derde onderdeel Schending van artikel 149 van de Grondwet.
  11. De eiseres voerde in haar beroepsconclusie (nr. 6) met verwijzing naar artikel III.A.1, derde alinea van het bovenvermeld "Reglement voor de aftakking (etc.)" aan dat haar aansprakelijkheid inzake de aftakking beperkt was tot schade, door haar fout veroorzaakt, ter gelegenheid van werken aan de aftakking. Het hof van beroep beslist weliswaar met verwijzing naar het reglement voor de aftakking, de ter beschikkingstelling en de afname van elektriciteit in laagspanning dat het reglement de toepassing van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek niet uitsluit maar verwijst hiervoor enkel naar artikel V.2 van het reglement en stelt in dat verband vast dat dit artikel "enkel de aansprakelijkheid van (de eiseres) (regelt) voor schade veroorzaakt door variaties in spanning en frequentie en door onderbrekingen, hetgeen in casu niet het geval is". Het hof van beroep antwoordt evenwel niet op het middel van de eiseres dat zij inzake de aftakking, waarvan de beschadigde tellerkast volgens de vaststellingen in het arrest deel uitmaakte, slechts aansprakelijk kon zijn voor schade door haar fout veroorzaakt, ter gelegenheid van werken aan de aftakking. Het arrest bij gebrek aan antwoord op dit middel van de eiseres niet regelmatig met redenen omkleed en schendt derhalve artikel 149 van de Grondwet. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  12. De eiseres voert aan dat de appelrechters, die de rechtsverhouding tussen haar en de tweede en derde verweerders kwalificeren als van reglementaire aard, inzonderheid artikel 28 van het Vlaamse Elektriciteitsdecreet van 17 juli 2000 schenden, nu uit deze bepaling voortvloeit dat de Vlaamse decreetgever de rechtsverhouding tussen de elektriciteitsverdeler en haar afnemers kwalificeert als van contractuele aard.
  13. Het vermelde Elektriciteitsdecreet was niet in werking op het ogenblik dat het onderhavige schadegeval zich heeft voorgedaan op 19 februari
  14. Het onderdeel dat schending aanvoert van het Vlaams Elektriciteitsdecreet van 17 juli 2000 dat op deze zaak niet van toepassing is en waarvan de appelrechters geen toepassing maken, is in zoverre niet ontvankelijk.
  15. In zoverre het onderdeel voorts nog schending aanvoert van de artikelen 1142, 1149, 1152, 1382, 1383 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek, is het afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van het Vlaams Elektriciteitsdecreet van 17 juli 2000, mitsdien niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  16. De principiële onmogelijkheid voor contractspartijen om zich in het raam van hun contractuele verhouding op de regels van de buiten-contractuele aansprakelijkheid te beroepen vloeit voort uit de onderstelling dat contractspartijen hun contractuele rechtsverhouding en een in dit raam begane wanprestatie, behoudens andersluidend beding, uitsluitend door de regels van de contractuele aansprakelijkheid willen laten beheersen.
  17. Deze onderstelling ontbreekt in geval de rechtsverhouding, zoals te dezen, de verlening van een openbare dienst betreft, derhalve niet van contractuele maar van reglementaire aard is en beheerst wordt door een publiekrechtelijk reglement.
  18. Behoudens andersluidend beding, sluit een tekortkoming begaan in het raam van dit reglement, buiten-contractuele aansprakelijkheid niet uit.
  19. Het onderdeel dat er van uitgaat dat "de vaststelling dat de rechtsverhouding tussen een elektriciteitsverdeler en haar afnemers van reglementaire aard is, geen afbreuk (doet) aan de onmogelijkheid artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek toe te passen", faalt naar recht.
  20. In zoverre het onderdeel verder aanvoert dat de appelrechters door anderszins te oordelen ook de verbindende kracht van het "reglement voor de aftakking, de ter beschikkingstelling en de afname van elektriciteit in laagspanning" miskennen en zodoende artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek schenden, is het niet ontvankelijk, aangezien deze bepaling niet van toepassing is op een rechtsverhouding die, zoals te dezen, niet van contractuele maar van reglementaire aard is. Derde onderdeel
  21. De appelrechters oordelen dat de eiseres volgens het bedoelde reglement diende in te staan voor een goede en veilige werking van de aftakking en voorts dat het reglement de toepassing van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek niet uitsluit. Zodoende verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het onderdeel bedoelde verweer.
  22. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van 1035,47 euro jegens de eisende partij en op de som van 167,47 euro jegens de verwerende partij sub
  23. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van zevenentwintig november tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061127.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120308.13 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120914.1 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201002.1N.8 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250213.1F.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250213.1F.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970523.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.