id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061128.10 Rolnummer: P.06.1234.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 663 - laatst gezien 2026-07-04 05:36 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De kamer van inbeschuldigingstelling heeft niet de bevoegdheid de bezwaren te beoordelen waarvan de raadkamer onaantastbaar het bestaan aannam
(1).
(1)Zie Cass., 28 juni 2005, AR P.05.0658.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050628.18, nr 380 met concl. adv.-gen. Vandermeersch, waar het Hof oordeelt dat enkel de raadkamer en niet de kamer van inbeschuldigingstelling op grond van artikel 135, ,§ 2, Wetboek van Strafvordering over deze bezwaren oordeelt; 5 april 2006, AR P.06.0098.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060405.8, nr...; VERSTRAETEN, R., Handboek Strafvordering, 4de uitgave, Maklu 2005, p. 617, nr 1286. Toch is er een logische uitzondering op deze regel wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling de zaak tot zich trekt in toepassing van artikel 215 Wetboek van Strafvordering; zo moeten de appelrechters, wanneer de inverdenkinggestelde, voor de kamer van inbeschuldigingstelling, de nietigheid aanvoert van de beschikking die hem naar de correctionele rechtbank verwijst, en zij die nietigheid uitspreken, de zaak aan zich trekken overeenkomstig art. 215 Sv. en uitspraak doen over de verwijzing, door het bestaan van voldoende bezwaren te beoordelen (zie Cass., 29 jan. 2003, AR P.02.1368.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030129.10, nr 64). Hetzelfde geldt, wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling, in hoger beroep tegen de verwijzigingsbeschikking, oordeelt dat de raadkamer die uitspraak deed over de regeling van de rechtspleging, onterecht een conclusie van de inverdenkinggestelde onwettig verklaart en uit het debat weert: ook in dit geval moet de kamer van inbeschuldingstelling zelf over het bestaan van voldoende bezwaren en over de verwijzing oordelen (Cass., 8 nov. 2005, AR P.05.1191.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.20, nr 578). Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: ONDERZOEKSGERECHTEN Raadkamer Regeling van de rechtspleging Vaststelling van voldoende bezwaren Verwijzingsbeschikking Hoger beroep Kamer van inbeschuldigingstelling Bevoegdheid Fiche 2 Het gebruik van valse stukken vermeld in de artikelen 193, 194, 196, 197 en 214 Strafwetboek kan een listige kunstgreep bij oplichting in de zin van artikel 496 Strafwetboek uitmaken
(1).
(1)Cass., 20 dec. 1965, Pas., 1966, I,
- Thesaurus CAS: OPLICHTING Vrije woorden: OPLICHTING Bestanddelen Listige kunstgrepen Gebruik van valse stukken Toepassing Tekst van de beslissing Nr. P.06.1234.N I S E, inverdenkinggestelde, met als raadsman mr. Bart Spriet, advocaat bij de balie te Turnhout. II S M B, inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Philip Traest, advocaat bij de balie te Brussel. III
- W S, inverdenkinggestelde,
- W J, inverdenkinggestelde,
- W Z I, inverdenkinggestelde, eisers, met als raadslieden mr. Caroline De Baets en mr. Raf Verstraeten, advocaten bij de balie te Brussel, ter zitting bijgestaan door mr. Benjamin Gillard, advocaat bij de balie te Brussel, voor mr. Caroline De Baets en mr. Raf Verstraeten, alle cassatieberoepen tegen
- M S, burgerlijke partij,
- ARCHER DIAMOND CORPORATION bvba, met zetel te 2018 Antwerpen, Pelikaanstraat 78, burgerlijke partij,
- S H, burgerlijke partij,
- V H L, burgerlijke partij,
- W C, burgerlijke partij,
- S U, burgerlijke partij,
- S G, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 30 juni
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eisers III voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. VOORGAANDE RECHTSPLEGING De procureur des Konings vorderde bij de regeling van de rechtspleging de raadkamer de eisers, na aanneming van verzachtende omstandigheden voor de tenlasteleggingen A en B, naar de correctionele rechtbank te verwijzen wegens bepaalde feiten van mededaderschap aan de tenlasteleggingen A. valsheid in geschrifte en gebruik, B. valsheid in boekhouding en gebruik, E. bedrieglijk faillissementsmisdrijf en F. en G. witwassen. Bij de raadkamer riepen de eisers in schriftelijke conclusies het middel in, dat het gebruik dat bij de vervolging van de volgens de eisers door de tenlasteleggingen A, F en G in werkelijkheid bedoelde misdrijven wordt gemaakt, van bewijsmateriaal dat ingevolge aan Zwitserland gerichte rogatoire commissies verkregen is, strijdig is met het bij de verleende rechtshulp gemaakte voorbehoud: "Het direct of indirect gebruik van deze documenten en inlichtingen is in elk geval uitgesloten in een procedure van fiscale aard met strafrechtelijk of administratief karakter". De eisers vroegen daarom, de nietigverklaring van bepaald uit Zwitserland verkregen bewijsmateriaal en van al het bewijsmateriaal wat daarop is gevolgd. Bij beschikking van 23 februari 2006 verwierp de raadkamer bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen de door de eisers ingeroepen onregelmatigheden en verwees hen naar de correctionele rechtbank. Het bestreden arrest verklaart de hogere beroepen van de eisers betreffende de onregelmatigheid die zij in schriftelijke conclusie bij de raadkamer hebben ingeroepen, ontvankelijk maar ongegrond. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eisers I en III, tweede middel van de eiser II
- Anders dan de middelen aanvoeren geeft het bestreden arrest van de vordering van het openbaar ministerie voor de raadkamer en van de dagvaarding een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. De middelen missen feitelijke grondslag. Tweede middel van de eisers I en III, derde middel van de eiser III
- Het bestreden arrest overweegt: "4.
- Uit de delictsomschrijving blijkt dat de valsheden zouden kunnen gepleegd zijn met de bedoeling de fiscale wetgeving te ontduiken, maar ook dat deze valsheden zonder fiscaal oogmerk zouden kunnen gepleegd zijn. Ook de mogelijkheid dat de valsheden zowel met een fiscaal als met een niet-fiscaal oogmerk zouden kunnen gepleegd zijn, wordt voorzien. 4.
- Een onderzoek naar de achterliggende bedoeling van de inverdenkinggestelden impliceert echter een onderzoek naar de bezwaren waarvoor de kamer van inbeschuldigingstelling, binnen de perken van de ingestelde hogere beroepen, niet bevoegd is".
- De verwijzingsbeschikking van de raadkamer oordeelde dat tegen de inverdenkinggestelde voldoende bezwaren bestaan betreffende valsheden in geschrifte en gebruik van valse stukken, die een fiscaal of een gemeenrechtelijk oogmerk of beide oogmerken kunnen hebben. Hiermede oordeelde de raadkamer dat er tegen de inverdenkinggestelde voldoende bezwaren bestaan voor zowel gemeenrechtelijke als fiscale valsheden. Dit houdt noodzakelijk in dat het de correctionele rechtbank toekomt uit te maken in welke mate het door de eiser bedoelde bewijs al of niet onrechtmatig wordt gebruikt bij het bewijs van een fiscaal misdrijf.
- Anders dan de middelen stellen, heeft de kamer van inbeschuldigingstelling niet de bevoegdheid de bezwaren te beoordelen waarvan de raadkamer onaantastbaar het bestaan aannam. De middelen falen naar recht. Derde middel van de eisers I en III, vierde middel van de eiser II
- Het bestreden arrest overweegt: "4.
- Zelfs wanneer de feiten der tenlastelegging A als een fiscale valsheid in geschriften zouden worden beschouwd, is er geen beletsel de Zwitserse gegevens, opgeleverd door de rogatoire commissie van 5 juni 1998, voor vervolgingsdoeleinden aan te wenden. Het Zwitsers voorbehoud bij artikel 2 van het (Europees Rechtshulpverdrag) slaat immers niet op feiten die volgens artikel 14.2 van het Zwitsers Federaal Administratief Strafwetboek omschreven kunnen worden als een fiscale oplichting. Dit begrip dekt volledig de fiscale valsheden zoals o.m. omschreven in het WIB". Eerste onderdeel
- Met de aangehaalde overweging beoordeelt het bestreden arrest niet zelf of de feiten waarvoor Zwitserland rechtshulp heeft verleend, beantwoorden aan het misdrijf van fiscale oplichting in de zin van de Zwitserse wet, maar toetst het enkel, in antwoord op het door de eisers aangevoerde verweer, de wettigheid van het eventuele gebruik door de correctionele rechtbank van de verleende rechtshulp. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Artikel 14.2 van de Zwitserse federale wet van 22 maart 1974 op het administratief strafrecht stelt strafbaar hij die een listige kunstgreep gebruikte die tot gevolg heeft gehad van de openbare overheden een belangrijk bedrag van een bijdrage, een subsidie of een andere dienstverlening, weg te nemen, of anderszins hun belangen te hebben geschaad.
- Het gebruik van valse stukken vermeld in de artikelen 193, 194, 196, 197 en 214 Strafwetboek kan zowel naar Belgisch recht als in de zin van de vermelde Zwitserse wetsbepaling een listige kunstgreep bij oplichting zijn. Het onderdeel faalt naar recht. Vierde middel van de eiser I
- Het bestreden arrest overweegt: "4.
- De opwerping in conclusies dat de omschrijvingen van de tenlasteleggingen F en G onduidelijk zijn en dat door deze 'obscuri libelli' het verdedigingsrecht is geschonden, snijdt geen hout. In de tenlasteleggingen wordt immers telkens verwezen naar een rekening met naam en nummer en naar de verrichting waarvan de concrete inhoud kan worden gevonden in de punctueel aangeduide stukken".
- Anders dan het middel aanvoert geeft het bestreden arrest met deze overweging van de conclusie van de eisers I en II en van een andere inverdenkinggestelde een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. Het middel mist feitelijke grondslag. Vijfde middel van de eiser I
- Het bestreden arrest overweegt: "4.
- Tenlastelegging F heeft betrekking op een inbreuk op artikel 505, eerste lid, 2°, Strafwetboek en tenlastelegging G op inbreuken op artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4°, Strafwetboek. Voorgehouden wordt dat de strafvordering met betrekking tot deze feiten niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de dader van het basismisdrijf (feiten der tenlastelegging A) niet het misdrijf bedoeld in artikel 505, eerste lid, 2°, Strafwetboek kan plegen. Dit verweer kan niet worden bijgetreden om reden dat zulks in concreto een onderzoek naar de bezwaren zou inhouden waarvoor de kamer van inbeschuldigingstelling, in acht genomen de perken van de hogere beroepen, niet bevoegd is." Eerste onderdeel
- Anders dan het onderdeel aanvoert, beantwoordt het bestreden arrest met de aangehaalde overweging het verweer van de eiser I dat hij zich niet schuldig kan hebben gemaakt aan de feiten van de tenlastelegging F en navolgend ook niet aan de feiten van de tenlastelegging G in de mate ter zake het eerste witwasmisdrijf wordt bedoeld, en dit om reden dat hij ook werd verwezen wegens het basismisdrijf. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Artikel 128 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat indien de raadkamer van oordeel is dat het feit noch een misdaad, noch een wanbedrijf, noch een overtreding oplevert, of dat tegen de inverdenkinggestelde generlei bezwaar bestaat, ze verklaart dat er geen reden is tot vervolging. Door het verweer van de eiser dat de feiten van de tenlasteleggingen F en G.XIX geen misdrijf opleveren, te bestempelen als een middel van niet-ontvankelijkheid geeft het bestreden arrest van de conclusie van de eiser een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Eerste middel van de eiser II
- Het bestreden arrest overweegt zoals in het antwoord op het tweede en het derde middel van de eiser I is aangehaald (r.o. 2 en 5). Het bestreden arrest besluit hierbij: "4.
- Op grond van voormelde redenering is er dan ook geen reden om bepaalde gedeelten van het strafdossier nietig te verklaren".
- Uit de appelconclusie van de eiser blijkt dat hij bij de kamer van inbeschuldigingstelling inhoudelijk met betrekking tot de rogatoire commissies van 2 maart 1998 en 4 juni 1998 hetzelfde verweer heeft gevoerd als het verweer dat de eisers III in hun appelconclusie aanvoerden met betrekking tot de derde aanvullende rogatoire commissie van 5 juni 1998, welk verweer de eiser zich uitdrukkelijk toe-eigende.
- Met de hierboven aangehaalde overwegingen waarmee het bestreden arrest het verweer van de eisers III beantwoordt, beantwoordt het meteen ook eisers verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun respectieve cassatieberoepen. Begroot de kosten in het geheel op 411,54 euro waarvan elke eiser 137,18 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 28 november 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061128.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250603.2N.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030129.10 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050628.18 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.20 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060405.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061219.4 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div