← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061128.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061128.6 Rolnummer: P.06.0863.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 526 - laatst gezien 2026-07-04 02:04 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie heeft betrekking op de rechters die oordelen over de gegrondheid van de tegen een persoon ingestelde strafvordering, niet op het openbaar ministerie of op de politie

(1).
(1)Cass., 7 mei 1996, AR P.95.0362.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960507.5, nr 157. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie Openbaar ministerie Politie Fiches 2 - 3 Het Hof van Cassatie dient geen prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen, wanneer die gesteund is op een onvolledige lezing van het bestreden arrest
(1).
(1)Zie Cass., 28 feb. 2000, AR P.99.0003.F, nr 145; 28 nov. 2001, AR P.01.1345.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011128.14, nr
  1. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: ARBITRAGEHOF Prejudiciële vraag Vraag gesteund op een onvolledige lezing van de bestreden beslissing Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art.26 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: PREJUDICIEEL GESCHIL Prejudiciële vraag Arbitragehof Vraag gesteund op een onvolledige lezing van de bestreden beslissing Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art.26 Tekst van de beslissing Nr. P.06.0863.N M ), beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Walter Van Steenbrugge, advocaat bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 8 mei
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert aan dat: - de eiser in beroepsconclusies het tendentieuze karakter van de processen-verbaal heeft aangeklaagd; - de appelrechters deze processen-verbaal die de waarborg van onpartijdigheid schenden, uit het debat dienden te weren of alleszins dienden aan te duiden waarom deze processen-verbaal niet tendentieus zijn, wat de appelrechters zouden hebben nagelaten.
  4. Het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie heeft betrekking op de rechters die oordelen over de gegrondheid van de tegen een persoon ingestelde strafvordering, niet op het openbaar ministerie of op de politie. In zoverre faalt het middel naar recht.
  5. Met de redenen die zij vermelden, verantwoorden de appelrechters hun beslissing dat eisers recht op een eerlijk proces en zijn vermoeden van onschuld zijn geëerbiedigd, naar recht en beantwoorden zij eisers verweer ter zake. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  6. Het tweede middel voert aan dat het begrip "menselijke waardigheid" enkel kan worden aangetroffen in de nieuwe wetsomschrijving voor de feiten van de telastlegging A, niet in de oorspronkelijke wetsomschrijving, en dat deze "terminologie ongrondwettelijk is, nu ze te onbepaald, te vaag en te onbepaalbaar is".
  7. De feiten van de telastlegging A werden aanvankelijk omschreven als volgt: "Bij inbreuk op artikel 77bis, ,§ 1bis, ,§ 2, ,§ 4, ,§ 4bis en ,§ 5, en 80 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (B.S. 31 december 1980, erratum B.S. 13 januari 2001), rechtstreeks of via een tussenpersoon misbruik te hebben gemaakt van de bijzonder kwetsbare positie van een vreemdeling ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand door de verkoop, verhuur of ter beschikking stelling van enig onroerend goed of kamers of enige andere ruimte met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren, met de omstandigheid dat van de betrokken activiteit een gewoonte werd gemaakt." De appelrechters stellen vast dat deze feiten thans strafbaar gesteld zijn als: "Bij inbreuk op de artikelen 433decies, 433undecies en 433terdecies (Strafwetboek), ingevoerd bij artikel 16 van de wet van 10 augustus 2005 (B.S. 2.9.2005), zich schuldig te hebben gemaakt, rechtstreeks of via een tussenpersoon aan misbruik van de bijzonder kwetsbare positie van personen ten gevolge van hun onwettige of precaire administratieve toestand of hun precaire sociale toestand door, met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren, een roerend goed, een deel ervan, een onroerend goed, een kamer of een andere in artikel 479 (Strafwetboek) bedoelde ruimte, te hebben verkocht, verhuurd of ter beschikking te hebben gesteld in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid, zodanig dat de betrokken personen in feite geen andere echte en aanvaardbare keuze hadden dan zich te laten misbruiken, met de omstandigheid dat van de betrokken activiteit een gewoonte wordt gemaakt."
  8. De eiser werd hiervan in kennis gesteld op de terechtzitting van 27 februari 2006 en uitgenodigd zich hierop te verdedigen. De eiser heeft in beroepsconclusies uitsluitend verweer gevoerd omtrent de oorspronkelijke wetsomschrijving.
  9. Het middel geeft niet alle redenen weer die de appelrechters bij de beoordeling van de feiten van de telastlegging A vermelden en waardoor zij alle constitutieve bestanddelen van zowel de oude als de nieuwe wetsomschrijving bespreken in zoverre de eiser die heeft aangevochten. In zoverre het middel berust op een onvolledige lezing van het bestreden arrest, mist het feitelijke grondslag.
  10. Met de redenen die zij vermelden (arrest bladzijde 12 tot en met 18), verantwoorden de appelrechters hun beslissing dat de schuld van de eiser aan de feiten van de telastlegging A zowel in de oorspronkelijke wetsomschrijving als in de nieuwe wetsomschrijving, bewezen is, naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  11. De eiser verzoekt het Hof de volgende prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen: "Schendt artikel 433decies Strafwetboek artikel 12, tweede lid, en artikel 14 Grondwet, artikel 7 EVRM en artikel 15 BUPO doordat het aan de term 'menselijke waardigheid' een onbepaald en onbepaalbaar toepassingsgebied verleent en elke nauwkeurigheid, duidelijkheid en voorzienbaarheid mist waaraan strafwetten, conform het legaliteitsbeginsel, nochtans moeten voldoen?" Het Hof moet de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Arbitragehof niet stellen, omdat die vraag gesteund is op een onvolledige lezing van het arrest. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 122,96 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 28 november 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061128.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960507.5 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011128.14 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201208.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.