← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061128.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061128.7 Rolnummer: P.06.1047.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-09-15 Raadplegingen: 722 - laatst gezien 2026-07-04 06:03 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 270 A.W.D.A. schrijft niet voor dat het afschrift van het origineel proces-verbaal dat aan de overtreder wordt bezorgd, dient opgesteld te zijn in een taal die de overtreder verstaat

(1).
(1)Zie Cass., 22 april 1980, nr 532. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Algemene Wet Douane en Accijnzen - Artikel 270, Douane en accijnzenwet - Proces-verbaal - Afschrift aan overtreder - Taal Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (BUITEN WET 15 JUNI 1935) Vrije woorden: Strafzaken - Vooronderzoek - Douane en accijnzen - Algemene Wet Douane en Accijnzen - Vaststelling van het douanemisdrijf - Artikel 270, Douane en accijnzenwet - Proces-verbaal - Afschrift aan overtreder - Taal Fiches 3 - 5 De wijziging van artikel 42 Wet Accijnsproducten, dat oorspronkelijk bepaalde dat ongeacht de bij de artikelen 39, 40 en 41 van deze wet opgelegde straffen de ontdoken accijns altijd verschuldigd is, door artikel 320 van de programmawet van 22 december 2003, ten gevolge waarvan het eerste lid van dat artikel thans bepaalt dat, onverminderd de bij de artikelen 39, 40 en 41 bepaalde straffen, de accijns altijd opeisbaar is, met uitzondering van de accijns verschuldigd op de accijnsproducten die, naar aanleiding van de vaststelling van een overtreding op basis van artikel 39, effectief worden in beslag genomen en naderhand worden verbeurdverklaard of, bij wege van transactie, aan de Schatkist worden afgestaan, betreft niet de straf voor de overtreding, maar de accijnsschuld; deze wetswijziging heeft geen onmiddellijke werking op de vóór de inwerkingtreding van het gewijzigde artikel 42 Wet Accijnsproducten definitief verschuldigd geworden accijns
(1)
(2).
(1)Zie Cass., 18 april 2006, AR P.05.1561.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060411.1, nr ...
(2)De programmawet van 22 december 2003, die gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2003, trad in werking op 10 januari
  1. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Artikel 42 Wet Accijnsproducten - Wetswijziging ingevolge artikel 320 Programmawet van 22 december 2003 - Draagwijdte van de wetswijziging Artikel 42 Wet Accijnsproducten - Wetswijziging - Artikel 320 Programmawet 22 december 2003 - Wetswijziging die niet de straf maar enkel de accijnsschuld betreft - Werking in de tijd Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Werking in de tijd - Douane en accijnzen - Artikel 42 Wet Accijnsproducten - Wetswijziging - Artikel 320 Programmawet 22 december 2003 - Wetswijziging die niet de straf maar enkel de accijnsschuld betreft - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.06.1047.N P U, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Bart R. Goossens, advocaat bij de balie te Antwerpen, ter rechtszitting bijgestaan door mr. Geert Philipssen, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor mr. Goossens, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der Douane en Accijnzen van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2030 Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine Debruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 7 juni
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zeven middelen aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Anders dan het middel aanvoert, heeft het bestreden arrest op grond van de overwegingen die het bevat, wettig kunnen oordelen dat de eiser overeenkomstig artikel 6.3.a EVRM op de hoogte werd gesteld van de tegen hem uitgebrachte beschuldigingen. Door zo te oordelen schendt het bestreden arrest de motiveringsplicht van artikel 149 Grondwet niet. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  4. Artikel 270 AWDA schrijft niet voor dat het afschrift van het origineel proces-verbaal dat aan de overtreders wordt bezorgd, dient opgesteld te zijn in een taal die de overtreders verstaan. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 270 AWDA, faalt het naar recht.
  5. Met de redenen die het middel vermeldt, voldoen de appelrechters aan de grondwettelijke motiveringsplicht. In zoverre het middel schending van artikel 149 Grondwet aanvoert, mist het feitelijke grondslag. Derde middel
  6. Wanneer zoals hier de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren.
  7. Door de verklaring van een medebeklaagde geloofwaardig te oordelen en mede op grond van diens verklaring het verweer van de eiser niet geloofwaardig te oordelen, schendt het bestreden arrest artikel 6.3.d EVRM niet en miskent het evenmin het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld.
  8. Voor het overige blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet dat de eiser de appelrechters om het verrichten van bijkomende onderzoekingen heeft verzocht. Het middel kan niet worden aangenomen. Vierde middel
  9. Het bestreden arrest oordeelt vooreerst op grond van de feitelijke gegevens die het vermeldt, dat de eiser niet geloofwaardig is waar hij aanvoert geen kennis te hebben gehad van de inhoud van de kwestieuze kartons. Hiermede zegt het bestreden arrest niet anders dan dat de eiser die inhoud kende. Het bestreden arrest zegt vervolgens: "Bovendien wist of diende (de eiser), als professionele transporteur, te weten welke de aard was van de goederen die hij vervoerde. Er kan bezwaarlijk aangenomen worden dat hij 'als man van het vak' niet wist dat dergelijke goederen (rooktabak, zijnde accijnsgoederen) niet regelmatig kunnen vervoerd worden, enkel en alleen vergezeld van een vrachtbrief, die bovendien slechts zeer summier was ingevuld, en zonder tevens vergezeld te zijn van enig desbetreffend commercieel en/of administratief document. De door (de eiser) ingeroepen bepalingen van artikel 11 van het CMR-Verdrag en van artikel 23, ,§ 2, van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, zijn te deze in wezen irrelevant". Met deze overwegingen toetst het bestreden arrest eisers handelen of nalaten noch aan de verplichtingen van de vervoerder, bepaald in artikel 11 CMR-Verdrag van 19 mei 1956, noch aan de verplichtingen van de afzender bij het vervoer van accijnsproducten onder de schorsingregeling, bepaald in artikel 23, ,§ 2, van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (hierna: Wet Accijnsproducten), maar aan de feitelijke kennis die een professioneel als de eiser verwierf uit de feitelijke omstandigheden van het vervoer dat hij verrichtte. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, mist feitelijke grondslag. Vijfde middel
  10. Het bestreden arrest overweegt: "(De eiser) toont niet aan noch maakt hij geloofwaardig dat hij door handelingen van derden slachtoffer is geworden van een onoverwinnelijke dwaling of dat de feiten overmacht opleveren die zijn schuld uitsluit". Met deze overweging schendt het bestreden arrest het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf niet. Het middel kan niet worden aangenomen. Zesde middel
  11. Het middel voert aan dat "onttrekking" van accijnsproducten aan een schorsingsregeling een actieve handeling van de "onttrekker" veronderstelt en dat de eiser dergelijke handeling niet kan worden verweten, wanneer hij niet eens wist en ook niet behoorde te weten dat de door hem vervoerde goederen accijnsproducten zijn.
  12. Het bestreden arrest verklaart de eiser niet schuldig als dader maar als mededader. Voor een dader is vereist dat hij het misdrijf zelf heeft gepleegd. Voor een mededader is slechts vereist en volstaat het dat het bewezen is dat hij wetens en willens enige door de wet bepaalde vorm van medewerking aan het misdrijf heeft verleend.
  13. Voor het overige toetst het bestreden arrest, zoals reeds in antwoord op het vierde middel vermeld, eisers handelen of nalaten noch aan de verplichtingen van de vervoerder, bepaald in artikel 11 CMR-Verdrag van 19 mei 1956, noch aan de verplichtingen van de afzender bij het vervoer van accijnsproducten onder de schorsingsregeling, bepaald in artikel 23, ,§ 2, Wet Accijnsproducten, maar aan de feitelijke kennis die een professioneel als de eiser verwierf uit de feitelijke omstandigheden van het vervoer dat hij verrichtte. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, mist feitelijke grondslag. Zevende middel
  14. Volgens de oorspronkelijke versie van het artikel 42 Wet Accijnsproducten is ongeacht de bij de artikelen 39, 40 en 41 opgelegde straffen de ontdoken accijns altijd verschuldigd. Volgens het artikel 42 Wet Accijnsproducten, gewijzigd door artikel 320 van de programmawet van 22 december 2003, in werking getreden tien dagen na de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad op 31 december 2003, is voortaan de accijns niet meer opeisbaar die verschuldigd is op de accijnsproducten die naar aanleiding van de vaststelling van een overtreding op basis van artikel 39 van de vermelde wet effectief in beslag worden genomen en naderhand worden verbeurdverklaard of, bij wege van transactie, aan de Schatkist worden afgestaan. Deze wetswijziging betreft niet de straf voor de overtreding maar de accijnsschuld. Ze heeft geen onmiddellijke werking op de vóór de inwerkingtreding van de gewijzigde wetsbepaling definitief verschuldigd geworden accijns. Het middel faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 101 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 28 november 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061128.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060411.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080129.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.