id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art.26
,§2 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: PREJUDICIEEL GESCHIL Prejudiciële vraag Arbitragehof Hof van Cassatie Verplichting Grenzen Vraag gesteund op een onjuiste onderstelling Wettelijke bepalingen:
Art.26
,§2 Fiches 6 - 7 Het Hof van Cassatie is niet gehouden aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen wanneer die vraag geen rechtsongelijkheid betreft tussen twee categorieën van vergelijkbare beklaagden, maar berust op een hypothetische ongelijkheid tussen beklaagden die het gevolg is van de feitelijke omstandigheden van elke strafzaak
(1).
(1)Zie Cass., 5 nov. 1996, AR P.95.1428.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961105.3, nr 417; 23 juni 2005, AR C.03.0389.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050623.17, nr 366; 26 mei 2006, AR C.05.0150.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060526.4, nr ... Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: ARBITRAGEHOF Prejudiciële vraag Hof van Cassatie Verplichting Grenzen Vraag niet gesteund op een rechtsongelijkheid tussen twee categoriën van vergelijkbare beklaagden Vraag gesteund op een hypothetische ongelijkheid Wettelijke bepalingen:
Art.26
,§2 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: PREJUDICIEEL GESCHIL Arbitragehof Hof van Cassatie Verplichting Grenzen Vraag niet gesteund op een rechtsongelijkheid tussen twee categoriën van vergelijkbare beklaagden Vraag gesteund op een hypothetische ongelijkheid Wettelijke bepalingen:
Art.26,§2 Tekst van de beslissing Nr.
P.06.1129.N Z S M, met als raadsman mr. Walter Van Steenbrugge, advocaat bij de balie te Gent, beklaagde, eiser. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 27 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het bestreden arrest veroordeelt de eiser voor het witwasmisdrijf van artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek in verband met in Nederland gedane stortingen van in het totaal 75.000 euro op een Belgische bankrekening op zijn naam en spreekt bij toepassing van deze wetsbepaling tegen hem de verbeurdverklaring uit van het witgewassen bedrag van 75.000 euro dat zich op die geblokkeerde bankrekening bevindt. Het bestreden arrest steunt deze veroordeling op de overweging, enerzijds, dat op grond van de feitelijke gegevens die het vermeldt en bespreekt, elke legale herkomst of oorsprong van de gelden kan uitgesloten worden, anderzijds, op de overweging dat uit de feitelijke omstandigheden van de stortingen die het arrest ook vermeldt en bespreekt, eveneens met zekerheid kan afgeleid worden "dat de handelingen waaruit de gelden werkelijk voortkwamen ook in België het daglicht niet mochten zien, dat zij met andere woorden ook in België als misdrijf beschouwd werden".
- Het middel voert aan dat het bestreden arrest artikel 6.2 EVRM, artikel 14.2, IVBPR, het algemeen rechtsbeginsel van het zwijgrecht en artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek, en voor zover als nodig artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering schendt.
- Door artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek toe te passen schendt het bestreden arrest dit artikel niet en door de redenen op te geven waarom het bestreden arrest de eiser schuldig acht aan de hem ten laste gelegde feiten, schendt het noch artikel 149 Grondwet noch de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering. Het middel faalt in zoverre naar recht.
- Voor het witwasmisdrijf van artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek draagt de vervolgende partij onder meer de bewijslast van de illegale of misdadige herkomst van de in geding zijnde zaken en van de de kennis daarvan bij de dader. Aan de bewijslast betreffende de illegale of misdadige herkomst is voldaan wanneer op grond van feitelijke gegevens met zekerheid elke legale herkomst van die zaken kan worden uitgesloten. Aan de bewijslast betreffende de kennis bij de dader is voldaan wanneer deze met zekerheid kan afgeleid worden uit de feitelijke omstandigheden. Dergelijke bewijsregeling vergt geen enkel bewijs vanwege de beklaagde en dus ook niet het bewijs van zijn onschuld. Verder staat het de beklaagde zelf te oordelen of het voor zijn verdediging opportuun is om de hem bekende informatie betreffende de herkomst van de zaken bekend te maken. De keuze die de beklaagde ter zake kan maken, doet geenszins afbreuk aan zijn recht van verdediging in verband met het hem enkel ten laste gelegde witwasmisdrijf. Het middel faalt in zoverre naar recht.
- De eiser verzoekt subsidiair het Arbitragehof volgende prejudiciële vraag te stellen: "Schendt artikel 505, eerste lid, 3°, van het Strafwetboek, zo geïnterpreteerd dat de rechter vermag de beklaagde wegens overtreding van deze strafbepaling te veroordelen zonder dat het basismisdrijf bedoeld in artikel 42, 3°, van het Strafwetboek zelf hoeft te worden omschreven of zelfs dat opgave ervan moet worden gedaan, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de beklaagde die én voor het basismisdrijf bedoeld in artikel 42, 3°, van het Strafwetboek én voor het witwasmisdrijf bedoeld in artikel 505, eerste lid, 3°, van het Strafwetboek vervolgd wordt, over voldoende informatie beschikt om onder meer na te gaan of de strafvordering voor het basismisdrijf al dan niet verjaard is, bewijsbaar is of niet strafbaar is omwille van provocatie, terwijl de beklaagde die enkel vervolgd wordt voor het witwasmisdrijf bedoeld in artikel 505, eerste lid, 3°, van het Strafwetboek niet over deze informatie beschikt". De voorgestelde prejudiciële vraag gaat geheel uit van de onjuiste onderstelling dat de beklaagde hier enige bewijslast zou dragen. Voor het overige betreft de vraag geen rechtsongelijkheid tussen twee categorieën van vergelijkbare beklaagden, maar berust ze op een hypothetische ongelijkheid tussen beklaagden die het gevolg is van de feitelijke omstandigheden van elke strafzaak. Er is geen grond de voorgestelde prejudiciële vraag te stellen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 66,53 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 28 november 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061128.9 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240220.2N.22 precedenten: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961105.3 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990609.19 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000621.30 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010925.7 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041027.5 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050601.3 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050623.17 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060509.3 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060526.4 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060919.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070328.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070515.4 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090317.8 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131217.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div