← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061208.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061208.2 Rolnummer: C.06.0005.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Overige Invoerdatum: 2007-02-21 Raadplegingen: 178 - laatst gezien 2026-07-03 07:08 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Wanneer de partijen in hun overeenkomst een bepaald gerecht hebben aangewezen, sluit dit niet uit dat het geschil door een eiser kan worden gebracht voor één van de andere in artikel 31, eerste lid, van het CMR-Verdrag bedoelde gerechten

(1).
(1)Zie J. PUTZEYS, Le contrat de transport routier de marchandises, Brussel, Bruylant, 1981, p. 374, nr 1090; F. PONET, De overeenkomst van internationaal wegvervoer CMR, Mechelen, Kluwer, 2003, p. 785, nr 754; F. PONET en E. WILLEMS, "De overeenkomst van internationaal wegvervoer - CMR - Overzicht van internationale rechtspraak 1986-1991", T.B.H., 1992,
(724)753. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Vrije woorden: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wegvervoer Internationaal vervoer C.M.R.-Verdrag Rechtsgedingen Bevoegde gerechten Plaatselijke bevoegdheid In de overeenkomst aangewezen gerecht Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Bevoegdheid Plaatselijke bevoegdheid Goederenvervoer Wegvervoer Internationaal vervoer C.M.R.-Verdrag Rechtsgedingen In de overeenkomst aangewezen gerecht Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Plaatselijke bevoegdheid Goederenvervoer Wegvervoer Internationaal vervoer C.M.R.-Verdrag Rechtsgedingen In de overeenkomst aangewezen gerecht Annotaties Publicaties: Eur.Vervoerr. - Paul HANNES; Over art.31.1 CMR, rechtsmacht§bevoegdheidsbedingen in ongeprotesteerde geschriften - 2007, p.401-418 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0005.N IDEAL TRANSPORT, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 9260 Serskamp (Wichelen), Wanzelesteenweg 73, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen LSG - R.A. LEUTNER GmbH, vennootschap naar Duits recht, met zetel in Duitsland, te 85716 Unterschleishem, Siemensstrasse 13, die keuze van woonplaats heeft gedaan bij gerechtsdeurwaarder Paul De Belder, kantoor houdende te 9120 Beveren, Stationsstraat 62, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 7 maart 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 31.1 van het Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, goedgekeurd bij wet van 4 september 1962 (en gewijzigd bij Protocol van 5 juli 1978, goedgekeurd bij wet van 25 april 1983) en voor zoveel als nodig artikel 41.1 van hetzelfde verdrag; - artikel 167 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet; - het algemeen rechtsbeginsel van de voorrang die de bij verdrag bepaalde internationale rechtsregel met rechtstreekse gevolgen in de interne rechtsorde heeft op de interne rechtsregel; - voor zoveel als nodig de artikelen 8 en 10 van het Gerechtelijk Wetboek; - voor zoveel als nodig artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De zevende kamer van het Hof van Beroep te Gent verklaart in het bestreden arrest van 7 maart 2005 de verweersters hoger principaal beroep en eiseres' incidenteel beroep toelaatbaar, doch slechts het hoger principaal beroep gegrond in de hiernavermelde mate, doet vervolgens het bestreden vonnis intergraal teniet en, opnieuw rechtsprekende, stelt vast dat de Belgische rechtbanken niet over de vereiste rechtsmacht beschikken om kennis te nemen van eiseres' vordering en veroordeelt laatstgenoemde tot de gedingkosten, en dit op volgende gronden: "De rechtsmacht van de Belgische rechtbanken. 6. (De verweerster werpt op dat de Belgische rechtbanken geen rechtsmacht hebben om van het geschil kennis te nemen. Op grond van artikel 31, lid 1, van het Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (C.M.R.) goedgekeurd bij wet van 4 september 1962 (B.S. 8 september 1962) en het protocol van 5 juli 1978, goedgekeurd bij wet van 25 april 1983 (B.S. 20 oktober 1983) (hierna 'CMR') kunnen partijen zelf bepalen voor welke verdragsluitende staat een eventueel transportgeschil gebracht wordt. Voor de vlotte lezing van wat hierna volgt, wordt het artikel 31.1 geciteerd: 'Alle rechtsgedingen, waartoe het aan dit Verdrag onderworpen vervoer aanleiding geeft, kunnen door de eiser behalve voor de gerechten van de bij dit Verdrag partij zijnde landen, bij beding tussen partijen aangewezen, worden gebracht voor de gerechten van het land op het grondgebied waarvan:
  1. a)de gedaagde zijn gewone verblijfplaats, zijn hoofdzetel of het filiaal of agentschap heeft, door bemiddeling waarvan de vervoerovereenkomst is gesloten of,
  2. b)de plaats van inontvangstneming der goederen of de plaats bestemd voor de aflevering der goederen, is gelegen, zij kunnen voor geen andere gerechten worden gebracht'. De vraag rijst of partijen een forum kozen en zo ja, welk zij kozen. 7. Het CMR bevat geen bepalingen betreffende de vorm, noch betreffende de wijze waarop een dergelijk bevoegdheidsbeding tot stand zou moeten komen. Uitdrukkelijke toestemming is niet vereist (cfr. Cass. 29 april 2004, www. juridat. be). Er is derhalve geen algemene regel die zou vereisen dat een bevoegdheidsbeding op de vrachtbrief moet voorkomen (VAN HOOYDONK, E., 'De geldigheid naar de vorm van bevoegdheidsbedingen inzake internationaal wegvervoer', noot onder Gent, 19 november 1993, A.J.T., 1994-'95, 19, met referenties in voetnoot 6). Mede gelet op het bepaalde in artikel 71.1 van de Verordening nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000, zijn de aspecten van vorm en totstandkoming onderworpen aan het nationale recht dat de overeenkomst tussen de partijen beheerst. Tussen partijen is er geen betwisting dat het CMR en het Belgische nationale recht van toepassing zijn. (De verweerster) roept in elke geval niet in dat een ander nationaal recht van toepassing zou zijn. 8. (De verweerster) brengt de volgende stukken bij ter staving van haar argument dat de Belgische rechtbanken geen rechtsmacht hebben en dat enkel de rechtbanken te München bevoegd zijn, omdat er op deze stukken aan de voorzijde steeds 'Gerichtsstand ist München' geschreven staat. 1) een brief van (de verweerster) aan (de eiseres) van 5 december 1989 over de verdere samenwerking tussen partijen (stuk 25 van het dossier van (de verweerster); 2) een niet gedateerde zogeheten klantenbeschermingsovereenkomst (een niet-concurrentieovereenkomst) (stuk 15 van het dossier van (de verweerster)); 3) een factuur van 26 september 1991 de kopie is evenwel niet duidelijk, zodat niet met zekerheid uitgemaakt kan worden of het forumbeding opgenomen is; (de eiseres) betwist dit stuk evenwel niet (stuk 9 van het dossier van (de verweerster)); 4) een brief van (de verweerster) aan (de eiseres) van 17 mei 1994, waarin gevraagd wordt om een bijkomende oplegger in te zetten op basis van de jarenlange samenwerking en waarin gevraagd wordt naar de CMR verzekeringspolis voor de gebruikte oplegger (stuk 26 van het dossier van (de verweerster); 5) vier ontvangstbewijzen van respectievelijk februari, maart, mei 1997 en september 1998, waarbij zowel (de verweerster) als (de eiseres) nu eens afzender dan weer ontvanger zijn (stukken 11 tot en met 14 van het dossier van (de verweerster); 6) transportopdrachten van (de verweerster) aan (de eiseres) van 24 september 1999 en 8 december 1999 (stukken 18 en 23 van het dossier van (de verweerster; stuk 18 wordt betwist door (de eiseres)); 7) een fax van (de verweerster) aan (de eiseres) van 26 november 1999 (stuk 22 van het dossier van (de verweerster)); 8) drie blanco standaarddocumenten van (de verweerster) (stuk 21 van haar dossier). Uit deze stukken leidt het hof af dat (de verweerster) gedurende jaren aan (de eiseres) haar forumkeuze duidelijk en systematisch meegedeeld heeft. Het belangrijkst daarbij zijn de brieven van 5 december 1989 en van 17 mei 1994, omdat deze de samenwerking tussen partijen bepaald heeft, die ook uitgevoerd werd. Op die stukken is de aanduiding van de rechtbank te München als de bevoegde rechtbank duidelijk. De overige -niet-betwiste- stukken bevestigen deze overeenkomst. Zelfs indien sommige kopies niet leesbaar zijn en het beding op grond van die kopie niet kan geacht worden aanvaard te zijn, dan nog zijn er in de loop van de jaren voldoende duidelijke stukken overgemaakt, die niet betwist werden door (de eiseres). (De eiseres) brengt geen enkel stuk voor waaruit afgeleid kan worden dat zij gedurende de samenwerking van meer dan 10 jaar ook maar één keer geprotesteerd heeft tegen het forumbeding. Zij brengt ook geen enkel stuk voor, zoals de talrijke facturen die zij in de loop van de jaren samenwerking moet gestuurd hebben aan (de verweerster), waarop haar eigen forumkeuze zou voorkomen. De ene factuur van (de eiseres) (stuk 1 van haar dossier), van 30 december 1999, met een bevoegdheidsclausule voor de rechtbanken van Dendermonde, verandert niets aan het voorgaande. Deze factuur is uitgeschreven op het ogenblik dat de samenwerking tussen partijen beëindigd was, zodat instemming ermee niet is aangetoond. Bovendien is zij eenmalig, wat in deze zaak niet opweegt tegen de jarenlange praktijk tussen partijen, zoals uit de documenten van (de verweerster) blijkt. Op de handelaar rust de verplichting om te reageren op stukken wanneer niet wordt ingestemd met de inhoud ervan (Cass. 6 december 1985, R.W. 1985-'86, 2916; Kh. Brussel, 13 november 1990, T.B.H., 1991, 544; DIRIX, E. en BALLON, G.L., De Factuur, in A.P.R., 1993, nr. 203, p. 115; FREDERICQ, L., Handboek van Belgisch handelsrecht, I, 1976, 252, nr. 220; STORME, M.E., 'Bewijs en verbintenisrechtelijke beschouwingen', T.B.H., 1991, p. 480, nr. 12; VAN RYN, J. en HEENEN, J., Principes de droit commercial, III, 1981, nr. 14, pp. 19-21). Slechts uitzonderlijk kan in bepaalde omstandigheden een stilzwijgen niet als een instemming beschouwd worden (DIRIX, E. en BALLON, G.L., op cit., nr. 211, p. 120). Dergelijke omstandigheden zijn in deze zaak niet voorhanden. Integendeel, door het jarenlange stilzwijgen en verder werken zonder meer, heeft (de eiseres) het forumbeding aanvaard. 9. Artikel 31.1. CMR somt op een beperkende wijze drie plaatsen op waar gedagvaard kan worden. In de mate partijen een forumkeuze maakten in hun handelsrelatie, primeert deze op de overige bepalingen van artikel 31.1. CMR. Er anders over oordelen zou een schending van artikel 1134 B.W. uitmaken. Ook de libellering van de verdragstekst laat toe te besluiten dat de keuze van partijen primeert. De mogelijkheid komt voor alle andere en wordt als vanzelfsprekend, als het ware terloops en enkel om te bevestigen dat het contract primeert, vermeld. De woordkeuze 'behalve' ('en dehors'/'in addition') bij de opsomming van de mogelijkheden waar gedagvaard kan worden, impliceert niet dat de eisende partij (binnen de mogelijkheden die het CMR biedt) de volledige keuzevrijheid krijgt en niet gebonden is door een overeenkomst ter zake. Deze terminologie verandert niets aan het feit dat er tussen de partijen rechtsgeldig overeengekomen werd dat de rechtbanken te München bevoegd zijn in geval van geschil en dat de wil van partijen hen tot wet strekt. Partijen kunnen overeenkomen voor welke nationale rechter zij hun geschil brengen. Dit kan zelfs nog nadat het geschil gerezen is. 10. Op grond van het voorgaande wordt besloten dat de Belgische rechtbanken geen rechtsmacht hebben om van de zaak kennis te nemen. Het bestreden vonnis wordt hervormd". Grieven 1. Luidens artikel 8 van het Gerechtelijk Wetboek is bevoegdheid de macht van de rechter om kennis te nemen van een vordering die voor hem is gebracht. Overeenkomstig artikel 10 van hetzelfde wetboek is de territoriale bevoegdheid de rechtsmacht die aan de rechter toebehoort in een rechtsgebied naar de regels die de wet stelt. 2. De appelrechters oordelen te dezen dat "de Belgische rechtbanken geen rechtsmacht hebben om van de (thans aan het Hof voorliggende) zaak kennis te nemen" nu "in de mate partijen een forumkeuze maakten in hun handelsrelatie, deze op de overige bepalingen van artikel 31.1 CMR (primeert)" (arrest, p. 7, punt 9, tweede alinea). Ter staving van deze stelling overweegt het hof van beroep dat
(1)"er anders over oordelen een schending van artikel 1134 B.W. (zou) uitmaken" (arrest, p. 7, punt 9, tweede alinea),
(2)daarenboven "de libellering van de verdragstekst toe(laat) te besluiten dat de keuze van partijen primeert" daar "de mogelijkheid voor alle andere komt en wordt als vanzelfsprekend als het ware terloops en enkel om te bevestigen dat het contract primeert, vermeld" (arrest, p. 7, punt 9, derde alinea) en
(3)"de woordkeuze "behalve" (...) niet impliceert dat de eisende partij (binnen de mogelijkheden die het CMR biedt) de volledige keuzevrijheid krijgt en niet gebonden is door een overeenkomst ter zake" (arrest, p. 7, punt 9, laatste alinea). 3. Luidens artikel 31.1 van het Verdrag van 19 mei 1956, zoals in de aanhef van het middel aangegeven, betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, hierna CMR-Verdrag genoemd, dat krachtens artikel 41.1 van hetzelfde Verdrag van dwingend recht is, kunnen "alle rechtsgedingen, waartoe het aan dit Verdrag onderworpen vervoer aanleiding geeft, door de eiser behalve voor de gerechten van de bij dit Verdrag partij zijnde landen, bij beding tussen partijen aangewezen, worden gebracht voor de gerechten van het land op het grondgebied waarvan: (
  1. a)de gedaagde zijn gewone verblijfplaats, zijn hoofdzetel of het filiaal of agentschap heeft, door bemiddeling waarvan de vervoersovereenkomst is gesloten, of (
  2. b)de plaats van inontvangstneming der goederen of de plaats bestemd voor de aflevering der goederen, is gelegen, zij kunnen voor geen andere gerechten worden gebracht". Aldus heeft de eisende partij in ieder geschil waartoe het aan het CMR-Verdrag onderworpen vervoer aanleiding zou kunnen geven, steeds de mogelijkheid om zich tot één van de volgende drie gerechten te wenden: (
  3. a)de bij een tussen partijen gesloten beding aangewezen gerechten van een bij het CMR-Verdrag partij zijnd land, (
  4. b)de gerechten van het land waar de gedaagde zijn gewone verblijfplaats, zijn hoofdzetel of het filiaal of het agentschap heeft, door bemiddeling waarvan de vervoersovereenkomst is gesloten, (
  5. c)de gerechten van de plaats van inontvangstneming der goederen of van de plaats bestemd voor de aflevering der goederen. Daar deze gerechten cumulatief bevoegd zijn om kennis te nemen van ieder geschil waartoe het CMR-Verdrag aanleiding geeft, sluit het feit dat de partijen in de door hen gesloten vervoersovereenkomst, een bevoegdheidsbeding hebben opgenomen, geenszins uit dat een op deze vervoersovereenkomst gestoelde vordering kan ingeleid worden bij één van de andere in artikel 31.1 van het CMR-Verdrag genoemde rechtbanken. Nu in de aan het Hof voorliggende zaak niet werd betwist dat de goederen deels in België in ontvangst werden genomen en deels bestemd waren voor aflevering in België, minstens het hof van beroep niet vaststelde dat geen goederen in België werden in ontvangst genomen noch bestemd waren voor aflevering in België en de vaststellingen van de eerste rechter dienaangaande niet hervormde (zie vonnis van 3 oktober 2002 van de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde, p. 3, vierde alinea), kon de eiseres, aan wie het in artikel 31.1 van het CMR-Verdrag voorziene keuzerecht dus niet kon ontnomen worden, zelfs nu in de tussen partijen gesloten vervoersovereenkomst een bevoegdheidsbeding werd opgenomen, haar vordering aanhangig maken bij de Belgische gerechten. Aldus schendt de beslissing van de appelrechters dat "de Belgische rechtbanken geen rechtsmacht hebben om van de zaak kennis te nemen" (zie arrest, p. 9, punt 10) daar "in de mate partijen een forumkeuze maakten in hun handelsrelatie, deze op de overige bepalingen van artikel 31.1 CMR (primeert)" (zie arrest, p. 7, punt 9, tweede alinea), artikel 31.1 en, voor zoveel als nodig, artikel 41.1 van het Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg evenals de artikelen 8 en 10 van het Gerechtelijk Wetboek. 4. In zoverre de appelrechters stellen dat "in de mate partijen een forumkeuze maakten in hun handelsrelatie, deze op de overige bepalingen van artikel 31.1 CMR (primeert)" daar "er anders over oordelen een schending van artikel 1134 B.W. (zou) uitmaken" (zie arrest, p.7, punt 9) schenden zij eveneens artikel 167 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet en het algemeen rechtsbeginsel van de voorrang die de bij verdrag bepaalde internationale rechtsregel met rechtstreekse gevolgen in de interne rechtsorde heeft op de interne rechtsregel. In geval van conflict tussen een nationaalrechtelijke norm en een verdragsbepaling die rechtstreekse gevolgen heeft in de interne rechtsorden, geniet de door het verdrag bepaalde regel voorrang. Door, in strijd met artikel 31.1 van het CMR-Verdrag, te oordelen dat "in de mate partijen een forumkeuze maakten in hun handelsrelatie, deze op de overige bepalingen van artikel 31.1 CMR (primeert)" daar krachtens artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek de wil van de partijen hen tot wet strekt (zie arrest, p. 5, punt 9, tweede en laatste alinea), hebben de appelrechters in de aan het Hof voorliggende zaak aldus artikel 167 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet evenals het algemeen rechtsbeginsel van de voorrang die de bij verdrag bepaalde internationale rechtsregel met rechtstreekse gevolgen in de interne rechtsorde heeft op de interne rechtsregel geschonden en, voor zoveel als nodig, artikelen 1134 van het Burgerlijk Wetboek en 8 en 10 van het Gerechtelijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Luidens artikel 31, lid 1, van het CMR-Verdrag, kunnen alle rechtsgedingen, waartoe het aan dit Verdrag onderworpen vervoer aanleiding geeft, door de eiser behalve voor de gerechten van de bij dit Verdrag partij zijnde landen, bij beding tussen partijen aangewezen, worden gebracht voor de gerechten van het land op het grondgebied waarvan:
  6. a)de gedaagde zijn gewone verblijfplaats, zijn hoofdzetel of het filiaal of agentschap heeft, door bemiddeling waarvan de vervoerovereenkomst is gesloten, of
  7. b)de plaats van inontvangstneming der goederen of de plaats bestemd voor de aflevering der goederen, is gelegen en kunnen zij voor geen andere gerechten worden gebracht. Wanneer de partijen in hun overeenkomst een bepaald gerecht hebben aangewezen, sluit dit niet uit dat het geschil door een eiser kan worden gebracht voor een van de andere in artikel 31, lid 1, bedoelde gerechten. 2. De appelrechters stellen vast dat: - de eiseres als vervoerder een aantal transportopdrachten uitvoerde voor de verweerster; - in de overeenkomst tussen de partijen een beding is opgenomen waarbij de rechtbanken te München als bevoegde rechtsinstantie worden aangewezen; - de verweerster door de eiseres werd gedagvaard voor de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde; - de verweerster de rechtsmacht van deze rechtbank betwist op grond van het bevoegdheidsbeding. 3. De appelrechters oordelen dat wanneer "partijen een forumkeuze maken in hun handelsrelatie, (deze) primeert op de overige bepalingen van art. 31, 1 CMR" en uit deze bepaling niet kan afgeleid worden dat, wanneer de partijen een forumkeuze hebben gemaakt, "de eisende partij (binnen de mogelijkheden die het CMR biedt) de volledige keuzevrijheid krijgt en niet gebonden is door een overeenkomst ter zake". Op grond hiervan beslissen zij dat de "de Belgische rechtbanken geen rechtsmacht hebben om van de zaak kennis te nemen". 4. Door aldus te oordelen schenden de appelrechters artikel 31, 1 CMR-Verdrag. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Paul Maffei en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van 8 december 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. Gerelateerde publicatie(
  8. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100121.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.