id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art.12
,eerste Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - BEROEPSORDEN Vrije woorden: GENEESKUNDE - BEROEPSORDEN Orde der dierenartsen Gemengde raad van beroep Samenstelling Wettelijke bepalingen:
Art.12,eerste Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART.
1 TOT 99) - Artikel 10 Vrije woorden: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Dierenarts Tucht Orde der dierenartsen Gemengde raad van beroep Samenstelling Wettelijke bepalingen:
Art.12
,eerste Fiches 4 - 7 Het loutere feit dat de leden-dierenartsen van de gemengde raad van beroep van de Orde der dierenartsen zijn aangewezen onder de leden van de gewestelijke raad wiens beslissing wordt bestreden, volstaat niet om bij de tuchtrechtelijk vervolgde dierenarts een schijn van partijdigheid te kunnen wekken. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Vrije woorden: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Dierenarts Tucht Orde der dierenartsen Gemengde raad van beroep Samenstelling Wettelijke bepalingen:
Art.12
,eerste Thesaurus CAS: DIERENARTS Vrije woorden: DIERENARTS Tucht Orde der dierenartsen Gemengde raad van beroep Samenstelling Onpartijdigheid Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - BEROEPSORDEN Vrije woorden: GENEESKUNDE - BEROEPSORDEN Orde der dierenartsen Gemengde raad van beroep Samenstelling Onpartijdigheid Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Tuchtzaken Onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter Orde der dierenartsen Gemengde raad van beroep Samenstelling Fiche 8 Het feit dat de gemengde raad van beroep van de Orde der dierenartsen ook samengesteld is uit drie dierenartsen die worden aangewezen onder de leden van de gewestelijke raad van de Orde wiens beslissing wordt bestreden, met uitsluiting van hen die ze gewezen hebben, levert geen schending op van de artt. 10 en 11 van de Grondwet
(1).
(1)Zie Arbitragehof nr 195/2005, 21 dec. 2005, rolnr 3640, A.A., 2005,
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter Tuchtzaken Orde der dierenartsen Gemengde raad van beroep Samenstelling Tekst van de beslissing Nr. D.05.0011.N L.L., eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen ORDE DER DIERENARTSEN, publiekrechtelijke rechtspersoon, met zetel te 9820 Merelbeke, Salisburylaan 54 verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing, op 25 april 2005 gewezen door de Nederlandstalige gemengde raad van beroep van de Orde der dierenartsen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955; - de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet; - het algemeen rechtsbeginsel inzake onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter. Aangevochten beslissingen De gemengde raad van beroep legde de eiser, na bevestiging van de bestreden beslissing van de Nederlandstalige gewestelijke raad van de verweerster, de tuchtsanctie op van schorsing gedurende zes maanden van het recht de diergeneeskunde uit te oefenen wegens inbreuk op de naleving van de veeartsenijkundige plichtenleer, de eer, de waarachtigheid en de waardigheid van en de geheimhouding door de leden van de Orde in de uitoefening van of naar aanleiding van de uitoefening van het beroep, door de strafbare feiten waarvoor de eiser resp. bij arresten van 28 maart 2002 en 31 januari 2002 van het Hof van Beroep te Gent strafrechtelijk werd veroordeeld. Deze beslissing van de gemengde raad van beroep werd mede gewezen en ondertekend o.a. door: - "E. D.R., dierenarts- Lid; - R. V., dierenarts Lid; - A. D.B., dierenarts Lid". Grieven Eerste onderdeel De artikelen 10 en 11 van de Grondwet houden in dat eenieder die zich in dezelfde toestand bevindt op dezelfde wijze wordt behandeld, maar sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de maatregel. Het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden wanneer vaststaat dat de aangewende middelen niet redelijkerwijze in verhouding staan tot het beoogde doel. Volgens artikel 5 van de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der dierenartsen, zorgen de raden der Orde "voor de naleving van de veeartsenijkundige plichtenleer, de eer, de eerlijkheid en de waardigheid van en de geheimhouding door de leden der Orde in de uitoefening of naar aanleiding van de uitoefening van het beroep, en zelfs buiten hun beroepsbedrijvigheid in geval van zware fouten, die een weerslag zouden hebben op de eer van het beroep". Volgens artikel 12, eerste lid, van deze wet is de gemengde raad van beroep met het Nederlands als voertaal samengesteld uit drie door de Koning aangewezen raadsheren in het hof van beroep, ... en uit "drie dierenartsen door het lot aangewezen onder de leden van de gewestelijke raad der Orde wiens beslissing bestreden wordt, met uitsluiting van hen die ze gewezen hebben". Krachtens artikel 6, 2°, van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren zijn de provinciale raden van de Orde bevoegd om "te waken over het naleven van de regelen van de medische plichtenleer en over de handhaving van de eer, de bescheidenheid, de eerlijkheid en de waardigheid van de onder artikel 5, eerste lid, bedoelde geneesheren. Hiertoe zijn zij belast met het treffen van tuchtmaatregelen wegens fouten die deze geneesheren in de uitoefening van hun beroep of naar aanleiding ervan begaan, alsook wegens zware fouten bedreven buiten de beroepsbedrijvigheid, wanneer die fouten de eer of de waardigheid van het beroep kunnen aantasten". Uit artikel 13 van hetzelfde koninklijk besluit volgt dat elke raad van beroep kennis neemt van het hoger beroep tegen de beslissingen die zijn genomen door de provinciale raden bij toepassing van artikel 6, 2°. Volgens artikel 12, ,§1, zijn deze raden van beroep samengesteld uit o.m.: 1° vijf gewone en vijf plaatsvervangende leden die geneesheren zijn en die worden verkozen door de provinciale raden uit de geneesheren van Belgische nationaliteit die op het ogenblik van de verkiezing sedert ten minste één jaar ingeschreven zijn op de lijst van de verkiezende provinciale raad en sedert ten minste tien jaar op één van de provinciale lijsten van de Orde, "... met uitzondering evenwel van zijn gewone en plaatsvervangende leden". Hieruit volgt dat een tuchtrechtelijk vervolgde geneesheer, anders dan een tuchtrechtelijk vervolgde dierenarts, erop mag rekenen dat zijn zaak in hoger beroep zal worden behandeld door een rechtscollege waarvan de leden geen gewoon of plaatsvervangend lid zijn van het rechtscollege dat zijn zaak in eerste aanleg heeft behandeld. Er bestaat voor dit onderscheid tussen tuchtrechtelijk vervolgde dierenartsen en geneesheren geen objectieve en redelijke verantwoording, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betrokken regel. Uit dit alles volgt dan ook dat de samenstelling van de gemengde raad van beroep die de aangevochten beslissing heeft genomen strijdig is met het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van niet-discriminatie, zodat de eisers veroordeling niet naar recht verantwoord is (schending van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet). Tweede onderdeel De regel volgens welke de rechter onafhankelijk en onpartijdig moet zijn is een algemeen rechtsbeginsel dat op alle rechtscolleges en met name op de Nederlandstalige gemengde raad van beroep van de Orde der dierenartsen van toepassing is. Artikel 6.1 van het E.V.R.M. vereist voor de naleving van deze waarborg dat de rechterlijke instanties met volle rechtsmacht, die bevoegd is - zoals te dezen de gemengde raad van beroep om de in eerste aanleg gewezen beslissingen in feite en in rechte na te gaan, beantwoordt aan die eisen. Dit algemeen rechtsbeginsel en deze verdragsbepaling worden geschonden wanneer de beslissing mede wordt gewezen door een rechter van wie terecht kan worden gevreesd dat hij niet de waarborgen van onpartijdigheid biedt waarop de rechtzoekende recht heeft. Zulks is het geval wanneer een of meer leden die hebben deelgenomen aan de beslissing in hoger beroep waarbij aan een dierenarts een tuchtstraf is opgelegd, zoals te dezen wordt voorgeschreven door artikel 12, eerste lid, van de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der dierenartsen, worden "aangewezen onder de leden van de gewestelijke raad der Orde wiens beslissing bestreden wordt". Door die omstandigheid wordt bij de vervolgde dierenarts minstens de schijn gewekt dat die leden van de gemengde raad van beroep niet met de vereiste onafhankelijkheid en onpartijdigheid kunnen oordelen over zijn zaak, nu het rechtscollege waarvan zij lid zijn in eerste aanleg hierover uitspraak heeft gedaan, en met name te dezen de eiser heeft veroordeeld. Uit dit alles volgt dat de eisers veroordeling, die werd uitgesproken door een rechtscollege dat omwille van zijn samenstelling bij eiser een gewettigde twijfel kon doen ontstaan over zijn geschiktheid om zijn zaak op een onafhankelijke en onpartijdige wijze te berechten, niet naar recht verantwoord is (schending van artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden en van het algemeen rechtsbeginsel inzake onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Luidens artikel 12, eerste lid, van de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der dierenartsen, is de gemengde raad van beroep van de Orde der dierenartsen ook samengesteld uit drie dierenartsen die worden aangewezen onder de leden van de gewestelijke raad van de Orde wiens beslissing wordt bestreden, met uitsluiting van hen die ze gewezen hebben.
- Het onderdeel voert aan dat deze bepaling een schending van het gelijkheidsbeginsel oplevert ten aanzien van andere beroepsbeoefenaren wiens tuchtzaak in hoger beroep wordt behandeld door een rechtscollege waarvan geen van de leden deel uitmaken van het rechtscollege dat hun zaak in eerste aanleg heeft behandeld. Die bepaling levert geen schending op van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In zijn arrest nr. 195/2005 gewezen op 21 december 2005 heeft het Arbitragehof in die zin beslist. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Artikel 12, eerste lid, van de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der dierenartsen, bepaalt dat de leden dierenartsen van de gemengde raad van beroep van de Orde der dierenartsen die door het lot worden aangewezen onder de leden van de Gewestelijke Raad van de Orde wiens beslissing bestreden wordt, geen deel mogen hebben uitgemaakt van het college dat de beroepen beslissing heeft gewezen. Artikel 13, vijfde lid, bepaalt dat het lid of de leden van het bureau of van de raad die de onderzoeksopdracht hebben uitgevoerd, niet mogen deelnemen aan de beraadslagingen noch aan de uitspraak in tuchtzaken.
- Het loutere feit dat de leden-dierenartsen van de gemengde raad van beroep zijn aangewezen onder de leden van de gewestelijke raad wiens beslissing wordt bestreden, volstaat niet om bij de tuchtrechtelijk vervolgde dierenarts een schijn van partijdigheid te kunnen wekken. Het onderdeel dat het tegendeel aanvoert, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 450,25 euro jegens de eisende partij en op de som van 109,67 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Paul Maffei en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van 8 december 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div