id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061211.2 Rolnummer: S.04.0143.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-03-09 Raadplegingen: 699 - laatst gezien 2026-07-04 05:48 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De opzeggingsvergoeding ten gunste van een werknemer tewerkgesteld onder het stelsel van de verminderde arbeidsprestaties, in geval van eenzijdige beëindiging door de werkgever dient berekend met inachtneming van het loon waarop die werknemer effectief recht heeft op het tijdstip van de kennisgeving van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst; de omstandigheid dat de werknemer na het einde van de verminderde arbeidsprestaties in beginsel de mogelijkheid heeft om het werk te hervatten met volledige arbeidsprestaties en hij ingevolge de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever die mogelijkheid verliest, doet daaraan geen afbreuk
(1).
(1)Cass., 6 nov. 1989, AR 6699, nr 141. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzeggingsvergoeding UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzeggingsvergoeding Stelsel van verminderde arbeidsprestaties In aanmerking te nemen loon Wettelijke bepalingen: Wet - 22-01-1985 - Artt.101,eerst Fiche 2 Voor wat betreft het vaststellen van de forfaitaire vergoeding bepaald in artikel 101, zesde lid, Herstelwet 22 jan. 1985 dient die vergoeding berekend met inachtneming van het loon waarop die werknemer effectief recht heeft op het tijdstip van de kennisgeving van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzeggingsvergoeding Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzeggingsvergoeding Stelsel van verminderde arbeidsprestaties Forfaitaire vergoeding In aanmerking te nemen loon Wettelijke bepalingen: Wet - 22-01-1985 - Art.101,zesde Fiche 3 Artikel 10 van de Loonbeschermingswet, volgens hetwelk op het loon van rechtswege rente verschuldigd is vanaf het tijdstip waarop het eisbaar wordt, is een dwingende wetsbepaling ten voordele van de werknemer
(1).
(1)Cass., 25 maart 1991, AR 9053, nr
- Thesaurus CAS: LOON - BESCHERMING Vrije woorden: LOON - BESCHERMING Artikel 10, Loonbeschermingswet Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - Art.10 Annotaties Publicaties: Juristenkrant - Maarten SIMON; Cassatie beperkt ontslagbescherming tijdskrediet. - 2007, 13 Chr.D.S./Soc.Kron. - Jan HERMAN; Vermindering van arbeidsprestaties, vermindering van ontslagbescherming. - 2007, 443-451 Tekst van de beslissing Nr. S.04.0143.N B.S., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen QUICK RESTAURANTS, naamloze vennootschap, met zetel te 1050 Brussel, Louizalaan 65, bus 11, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 23 april 2003 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 101, in de versie van toepassing na de wijziging ervan door de wet van 13 februari 1998 en vóór de wijziging ervan bij wet van 23 december 2001, 102, in de versie van toepassing na de wijziging ervan door de wet van 22 december 1995 en vóór de wijziging ervan bij wet van 30 december 2001, 103 en 107bis, ,§1, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen; artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; de artikelen 10, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan bij grondwetswijziging van 21 februari 2002, en 11 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari
- Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de vordering van de eiseres, het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk doch ongegrond, het incidenteel beroep van de verweerster ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Het arbeidshof vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank van 10 mei 2001 in zoverre dat het bedrag van de forfaitaire schadevergoeding bepaalde op 650.544 BEF (16.126,56 euro). Opnieuw recht doende, veroordeelt het arbeidshof de verweerster tot betaling van een forfaitaire schadevergoeding van 15.406,43 euro, te verminderen met de wettelijk voorgeschreven inhoudingen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing in zoverre verschuldigd, het overeenstemmende nettogedeelte te vermeerderen met de gerechtelijke interest. Het arbeidshof bevestigt voor het overige het vonnis van 10 mei 2001, en dus ook in de mate dat het oordeelde dat de verweerster geen bijkomende opzeggingsvergoeding verschuldigd is aan de eiseres. Het arbeidshof komt tot die beslissingen onder meer op grond van de volgende motieven: "
- De beoordeling 2.
- Opzeggingsvergoeding: Tussen partijen bestaat geen betwisting over het feit dat (de eiseres) sedert 1 oktober 1998 haar prestaties met de helft heeft verminderd en dit in het kader van een haar bij cao toegekend recht, zoals bedoeld in artikel 102, ,§1, van de herstelwet houdende sociale bepalingen van 22 januari 1985, hierna de Herstelwet genoemd. Uit de inhoud van haar brief van 8 juni 1998 blijkt dat zij van dit recht gebruik wenste te maken voor onbepaalde tijd. Het staat evenmin ter discussie dat zij sedert 1 oktober 1998 vanwege (de verweerster) een loon ontving in verhouding tot de vermindering van de arbeidsprestaties. Geen enkel element van het dossier laat toe te besluiten dat aan deze vermindering van de arbeidsprestaties een einde werd gesteld voorafgaand aan de opzegging en het navolgend onmiddellijk ontslag, noch bij overeenkomst, noch eenzijdig door (de eiseres). Op het ogenblik van de opzegging en het navolgend onmiddellijk ontslag behoorde (de eiseres) derhalve nog steeds tot de in artikel 103 van de Herstelwet bedoelde groep van werknemers die hun arbeidsprestaties overeenkomstig artikel 102 van diezelfde wet hebben verminderd. Voor dergelijke werknemers bevat artikel 103 van de Herstelwet een van de artikelen 82 en 39 Arbeidsovereenkomstenwet afwijkende regeling voor het vaststellen van de door de werkgever in acht te nemen opzeggingstermijn en de opzeggingsvergoeding. In de versie zoals te dezen van toepassing bepaalt artikel 103 van de sociale Herstelwet: 'De termijn van de opzegging ter kennis gebracht van de werknemer die zijn arbeidsprestaties overeenkomstig artikel 102 en 102bis heeft verminderd zal in geval van een eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, worden berekend alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd. Met de duur van deze opzeggingstermijn moet eveneens rekening worden gehouden bij het vaststellen van de vergoeding bedoeld bij artikel 39 van de wet van 3 juli 1978'. Deze afwijkende regeling blijft derhalve beperkt tot de vaststelling van de duur van de door de werkgever in acht te nemen opzeggingstermijn en, daarbij aansluitend, van de duur van de opzeggingstermijn die de basis vormt voor de becijfering van de overeenstemmende opzeggingsvergoeding. Dit artikel bevat echter geen bepalingen die de omvang en de samenstelling van het basisjaarloon regelen voor de vaststelling van het bedrag van de corresponderende opzeggingsvergoeding, zodat voor dit aspect toepassing moet worden gemaakt van het 'gemene' arbeidsovereenkomstenrecht, met name artikel 39 van de Arbeidsovereen-komstenwet. Dat het geenszins de bedoeling was van de wetgever om ook een bijzondere, afwijkende regeling in te voeren voor het bedrag en de samenstelling van het basisjaarloon dat in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de opzeggingsvergoeding blijkt niet alleen uit de tekst van artikel 103 van de Herstelwet, maar ook uit de voorbereidende werken. In dit verband kan nuttig verwezen worden naar het Senaatsverslag namens de Commissie voor sociale aangelegenheden over het ontwerp van herstelwet houdende sociale bepalingen (...) waar het volgende werd genoteerd: 'Een lid vraagt of uit dit artikel kan worden afgeleid dat indien het loon voor een voltijdse betrekking 40.000 BEF bedraagt en de termijn waarop de opzeggingsvergoeding slaat, zeven maanden, de werkgever 280.000 BEF zal moeten betalen. De minister merkt op dat het alleen de bedoeling van de regering is geweest, voor de berekening van de duur van de opzeggingstermijn (en de daarmee overeenstemmende vergoeding), rekening te houden met een voltijdse fictieve betrekking. In het gegeven voorbeeld betekent dit dus dat de opzeggingsvergoeding gelijk zal zijn aan de bezoldiging op het moment van de deeltijds werkende werknemer, vermenigvuldigd met zeven maanden'. De bewering van (de eiseres) dat het antwoord van de minister niet duidelijk was en nog ruimte laat voor interpretatie dat het de bedoeling was van de wetgever om via artikel 103 van de sociale Herstelwet aan de betrokken werknemer het recht te geven op de betaling van een opzeggingsvergoeding, berekend op basis van een fictief voltijds loon, is al te ver gezocht en manifest onjuist. Uit het antwoord van de minister blijkt overigens meteen ook dat bij de voorbereiding van de Herstelwet werd uitgegaan van de veronderstelling dat zonder wetgevend ingrijpen zowel voor de vaststelling van de normaal door de werkgever in acht te nemen opzeggingstermijn als voor de berekening van de corresponderende opzeggings-vergoeding het loon in aanmerking moest worden genomen dat de betrokken werknemer op dat ogenblik daadwerkelijk verdiende in het kader van zijn deeltijdse tewerkstelling. Indien de wetgever een andere interpretatie had voorgestaan van de artikelen 82 en 39 Arbeidsovereenkomstenwet was een wetgevend initiatief in de zin van artikel 103 van de Herstelwet overigens volkomen overbodig geweest. Hoewel dit uiteraard niet determinerend is bij de beoordeling van dit geschil moet worden vastgesteld dat ook de huidige minister van Tewerkstelling en Arbeid in 2002 deze mening blijft toegedaan, wat blijkt uit haar antwoord op een parlementaire vraag gesteld door senator Erdman. (...) Opnieuw is de andersluidende interpretatie die (de eiseres) aan het antwoord van de minister tracht te geven kennelijk onjuist. Het (arbeidshof) stelt vast dat tussen partijen geen betwisting bestaat over het feit dat (de verweerster) een opzeggingstermijn van 24 maanden in acht diende te nemen, zodat de betekende opzeggingstermijn voldoende was. Vermits (de eiseres) onmiddellijk werd ontslagen op 30 september 1999, dus tijdens de betekende opzeggingstermijn en zonder dringende reden, heeft zij recht op de betaling van een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met het resterend gedeelte van de opzeggingstermijn, ook hierover bestaat geen discussie. Rest vervolgens de vraag naar de omvang van het voor de berekening van deze opzeggingsvergoeding in aanmerking te nemen basisjaarloon. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 39, ,§1, van de Arbeidsovereenkomstenwet is de werkgever die de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst beëindigt zonder dringende reden en zonder een opzeggingstermijn in acht te nemen aan de werknemer een opzeggingsvergoeding verschuldigd gelijk aan het lopend loon dat overeenstemt met (het resterende gedeelte van) de opzeggingstermijn. Zoals terecht werd overwogen in het door (de eiseres) geciteerde arrest van het Hof van Cassatie van 16 november 1992, blijkt uit die wetsbepaling dat het recht van de ontslagen werknemer op een opzeggingsvergoeding ontstaat zodra het ontslag wordt gegeven zonder opzegging en zonder dringende reden en dat het bedrag van die vergoeding wordt berekend met inachtneming van het loon waarop de werknemer aanspraak heeft op grond van de arbeidsovereenkomst waardoor hij is gebonden op de dag van het ontslag, terwijl die wetsbepaling niet als voorwaarde stelt dat de uitvoering van de arbeidsovereenkomst op het ogenblik van de beëindiging reeds was begonnen. Deze op zich correcte overwegingen zijn evenwel niet van aard om het standpunt van (de eiseres) kracht bij te zetten. Op het ogenblik van het ontslag was (de eiseres) immers met (de verweerster) verbonden door een arbeidsovereenkomst op grond waarvan zij op dat ogenblik slechts aanspraak kon maken op de betaling van een loon in verhouding tot de verminderde arbeidsprestaties. Tevergeefs tracht (de eiseres) een ietwat geforceerd onderscheid te maken tussen werknemers die hun arbeidsprestaties slechts kunnen verminderen mits toestemming van hun werkgever en in dit kader een individuele overeenkomst sluiten met hun werkgever en de werknemers, zoals (de eiseres), aan wie bij cao (of ingevolge een wettelijke bepaling) het recht werd verleend om hun arbeidsprestaties te verminderen en aan wie de werkgever derhalve de beoogde vermindering van de arbeidsprestaties niet kan weigeren. Feit blijft immers dat in beide gevallen de oorspronkelijk tussen de werkgever en de werknemer overeengekomen arbeidsvoorwaarden en met name de arbeidsduur en het corresponderende loon worden gewijzigd, hetzij voor een bepaalde tijd, hetzij voor onbepaalde tijd. Hoe een dergelijke wijziging van de initiële arbeidsvoorwaarden tot stand komt en hoe deze wijziging en haar gevolgen precies moeten worden gekwalificeerd is daarbij niet relevant, net zo min als de vraag of in het kader van deze wijziging werd of diende te worden overgegaan tot de redactie van een nieuwe, schriftelijke arbeidsovereenkomst conform artikel 11bis van de Arbeidsovereenkomstenwet. Het is dan ook slechts ten overvloede dat moet worden opgemerkt dat de eenzijdige beslissing van (de eiseres) om haar arbeidsprestaties te halveren noodzakelijk heeft geleid tot nieuwe afspraken tussen partijen omtrent de nieuwe uurregeling vanaf 1 oktober 1998, zodat er wel degelijk een nieuwe overeenkomst betreffende de arbeidsduur is tot stand gekomen, wat als zodanig niet wordt betwist en ook in het verlengde ligt van de brief van 23 september 1998 waarin (de eiseres) voorstelt om tijdens een onderhoud haar toekomstige werkplanning en uurrooster te bespreken. Of (de eiseres) al dan niet het recht had om eenzijdig en onmiddellijk een einde te stellen aan deze nieuwe arbeidsduurregeling is in het kader van dit dossier al evenmin relevant nu, zoals gezegd, niet ter discussie staat dat op het ogenblik van het ontslag nog geen einde was gesteld aan de nieuwe regeling en derhalve op dat ogenblik nog steeds de sedert 1 oktober 1998 gewijzigde arbeidsvoorwaarden golden. Het (arbeidshof) wenst er in dit verband op te wijzen dat de vermindering van de arbeidsprestaties bij toepassing van artikel 102, ,§1, en 102bis van de Herstelwet, in tegenstelling tot de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst bij toepassing van de artikelen 100, eerste lid, en 100bis, de door de werkgever gegeven opzegging niet schorst. (vgl. artikel 101bis Herstelwet) Anders dan het geval is bij de 'volledige' loopbaanonderbreker of de arbeidsongeschikte werknemer is het derhalve niet zo dat de werknemer, die zijn arbeidsprestaties verminderde, tijdens de duur van de opzeggingstermijn noodzakelijk opnieuw voltijds wordt tewerkgesteld en opnieuw het overeenstemmende voltijds loon ontvangt. De terechte overwegingen van het Hof van Cassatie in het arrest van 6 september 1982 (...) m.b.t. de opzeggingsvergoeding verschuldigd in geval van ontslag tijdens een periode van arbeidsongeschiktheid kunnen derhalve geenszins bij analogie worden toegepast in dit geschil, nu de gevorderde opzeggingsvergoeding er niet toe strekt (de eiseres) te vergoeden voor het verlies ingevolge haar ontslag van het recht om het werk volledig te hervatten na het einde van de vermindering van haar arbeidsprestaties, tegen de loonvoorwaarden die op dat ogenblik gelden. Ook de overige argumenten en vergelijkingen die (de eiseres) in dit kader ontwikkelt zijn niet pertinent en alleszins niet van aard om afbreuk te doen aan bovenstaande overwegingen en besluitvorming. (De eiseres) heeft derhalve slechts recht op de betaling van een opzeggingsvergoeding waarvan het bedrag moet worden vastgesteld overeenkomstig het loon en de voordelen waarop zij ingevolge haar arbeidsovereenkomst recht had op het ogenblik van het onmiddellijk ontslag en niet overeenkomstig een hypothetisch voltijds loon dat zij zou verdiend hebben indien zij haar arbeidsprestaties niet zou hebben verminderd. Overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels inzake de bewijsvoering is het (de eiseres) die het bewijs moet leveren dat zij recht heeft op een hogere opzeggingsvergoeding dan de opzeggingsvergoeding die zij inmiddels heeft ontvangen. Het staat niet ter discussie dat (de verweerster) een opzeggingsvergoeding betaalde van 2.536.045 BEF corresponderend met het nog niet verstreken gedeelte van de opzeggingstermijn, hetzij 22 maanden op basis van een jaarloon van 1.383.297 BEF. Indien (de eiseres) aanspraak wil maken op de betaling van een hogere opzeggingsvergoeding dient zij uiteraard te bewijzen dat het in aanmerking te nemen basisjaarloon meer bedroeg dan 1.383.297 BEF. Alleen al rekening houdend met het feit dat enkel de lonen en voordelen waarop (de eiseres) aanspraak had in het kader van haar deeltijdse tewerkstelling in aanmerking komen en dat de toekenning van betaalde extralegale verlofdagen niet als loonvoordeel kunnen worden gekwalificeerd bedraagt het in aanmerking te nemen basisjaarloon hoe dan ook minder dan 1.383.297 BEF. (Het blijkt inderdaad niet dat voor de extralegale verlofdagen meer werd betaald dan het normale loon zodat er evident geen sprake is voor (de eiseres) van een bijkomend loonvoordeel.) Het enige in geld waardeerbare voordeel dat het recht op een loopbaanonderbreking voor (de eiseres) opleverde en dat als een (loon)voordeel in de zin van artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet kan worden beschouwd, is de effectief betaalde en voor de becijfering van de opzeggingsvergoeding in aanmerking genomen aanvullende premie GIB LBO (loopbaanonderbreking). Dat het door (de eiseres) uitgeoefende recht om haar arbeidsprestaties met de helft te verminderen zou corresponderen met een voordeel waarvan de financiële waarde gelijk is aan de prijs die betaald wordt ingeval het voordeel niet wordt genoten, zoals (de eiseres) voorhoudt, is een bewering die iedere grondslag mist. Gelet op het voorgaande werd de vordering in betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding terecht afgewezen, het hoger beroep is bijgevolg niet gegrond", en: "2.
- Forfaitaire vergoeding: Vermits (...) niet werd aangetoond dat (de eiseres) werd ontslagen om een voldoende reden in de zin van artikel 101 van de Herstelwet werd haar terecht een forfaitaire vergoeding gelijk aan 6 maanden loon toegekend. Voor de becijfering van deze vergoeding moet onder 'loon' worden verstaan het loon en de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst. Waarom de eerste rechter een vergoeding toekende van 650.544 BEF (6 x 108.424 BEF) is niet duidelijk. De eerste rechter beperkte zijn motivering in dit verband tot: 'De berekening van dit basisloon door verwerende partij wordt niet ernstig betwist, tenzij dat volgens eisende partij het voltijds loon en de voltijdse premies en vergoedingen dienen te worden in aanmerking genomen'. Nochtans blijkt bij nazicht dat reeds in eerste aanleg door (de verweerster) in hoofdorde werd gesteld dat de vergoeding diende te worden beperkt tot 6 maandlonen en ondergeschikt op basis van een jaarsalaris gelijk aan 1.242.989 BEF wat correspondeert met 103.582 BEF op maandbasis. Bovendien is de betwisting tussen partijen desbetreffend niet louter terug te brengen tot het al dan niet rekening houden met de vermindering van de arbeidsprestaties, de betwisting omvat in tegendeel ook de opname en de omvang van bepaalde voordelen. Overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels inzake de bewijsvoering is het (de eiseres) die het bewijs moet leveren van het bestaan en de omvang van de lonen en voordelen waarop zij haar becijfering van de verschuldigde vergoeding steunt. Zoals reeds uiteengezet sub 2.
- houdt (de eiseres) ten onrechte rekening met een hypothetisch voltijds loon en voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst en houdt zij evenzeer ten onrechte rekening met het voordeel bestaande uit de toekenning van extralegale verlofdagen. Voor het overige kan het (arbeidshof) slechts vaststellen dat (de eiseres) zich ertoe beperkt te verwijzen naar een faxbericht (...) dat (de verweerster) haar verzond met een detailbecijfering van de toegekende opzeggingsvergoeding. Het (arbeidshof) stelt vast dat (de eiseres) op geen enkel ogenblik betwist dat zij enkel de bedragen en voordelen ontving zoals vermeld in de conclusies van (de verweerster). Dat (de verweerster), al dan niet bij vergissing, de toegekende opzeggingvergoeding becijferde op een hoger basisjaarloon, zoals verduidelijkt in bedoeld faxbericht volstaat niet om te besluiten dat deze bedragen in aanmerking moeten worden genomen voor de becijfering van de conform artikel 101 van de Herstelwet verschuldigde forfaitaire vergoeding. Nu (de eiseres) niet verduidelijkt waarom, a fortiori niet bewijst dat het lopende loon en de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst meer bedroegen dan het door (de verweerster) erkende bedrag van 1.242.989 BEF, kan slechts een bedrag van 621.494 BEF of 15.406,43 euro worden toegekend". Grieven Artikel 102, ,§1, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, hieronder afgekort als Herstelwet, in de versie die in deze zaak van toepassing is, bepaalt dat een uitkering wordt toegekend aan de werknemer die met zijn werkgever overeenkomt om zijn arbeidsprestaties te verminderen met 1/5, 1/4, 1/3 of 1/2 van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking, ofwel de toepassing vraagt van een collectieve arbeidsovereenkomst die in een dergelijke regeling voorziet, ofwel een beroep doet op de bepalingen van artikel 102bis van de Herstelwet. Die overeenkomst wordt schriftelijk vastgesteld overeenkomstig de bepalingen die gelden voor een arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid. Krachtens artikel 101 van de Herstelwet mag de werkgever wanneer de arbeidsprestaties worden verminderd met toepassing van artikel 102, ,§1, geen handeling verrichten die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking, behalve om een dringende reden of om een voldoende reden, en dat vanaf de dag van het akkoord of van de aanvraag tot drie maanden na het einde van de vermindering van de arbeidsprestaties. Krachtens artikel 107bis, ,§1, van de Herstelwet, heeft de werknemer die de in artikel 102 van die wet bepaalde wettelijke mogelijkheden heeft uitgeput, aansluitend op de periode van vermindering van zijn arbeidsprestaties het recht om over te gaan naar een deeltijdse arbeidsovereenkomst die voorziet in hetzelfde arbeidsregime als op de werknemer van toepassing was tijdens de periode van vermindering van zijn arbeidsprestaties met toepassing van artikel
- Uit de samenlezing van die bepalingen volgt dat de op het ogenblik van de vermindering van de arbeidsprestaties bestaande voltijdse arbeidsovereenkomst ingevolge die vermindering niet wordt beëindigd, noch blijvend wordt vervangen, maar dat de arbeidsprestaties op grond van een overeenkomst vastgesteld overeenkomstig de bepalingen die gelden voor een overeenkomst voor deeltijdse arbeid, worden verminderd en dat na het einde van de vermindering van de arbeidsprestaties de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst in beginsel van rechtswege haar volle uitvoering herkrijgt. Hieruit volgt dat, wanneer de vermindering van arbeidsprestaties een einde neemt, de werkgever en de werknemer hun wederzijdse verbintenissen weer moeten uitvoeren als voordien en dat het loon zal worden vastgesteld op grond van de bepalingen van wetten en overeenkomsten die van toepassing zijn op het moment dat de arbeidsprestaties worden hervat als vóór de vermindering. 1.
- Eerste onderdeel Krachtens artikel 103 van de Herstelwet zal de termijn van de opzegging ter kennis gebracht aan de werknemer die zijn arbeidsprestaties overeenkomstig artikel 102 heeft verminderd, in geval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, worden berekend alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd. Met de duur van deze opzeggingstermijn moet eveneens rekening worden gehouden bij het vaststellen van de vergoeding, bedoeld bij artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, hieronder afgekort als Arbeidsovereen-komstenwet. Overeenkomstig artikel 39, ,§1, van de Arbeidsovereenkomstenwet, is de partij die een voor onbepaalde tijd gesloten overeenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van de opzeggingstermijn, gehouden de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte ervan. Met lopend loon wordt bedoeld, het loon waarop de bediende aanspraak maakt op het ogenblik waarop de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd en op grond van de arbeidsovereenkomst waardoor hij op de dag van het ontslag is gebonden. Die opzeggingsvergoeding heeft tot doel op forfaitaire wijze alle schade te dekken die uit de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voortvloeit. In geval van onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever tijdens een periode van vermindering van arbeidsprestaties in het kader van artikel 102 van de Herstelwet heeft de opzeggingsvergoeding ook tot doel de schade te vergoeden die de werknemer leidt door het verlies van het recht om na het einde van de vermindering van arbeidsprestaties het werk te hervatten onder de op dat moment toepasselijke loon-voorwaarden voor niet verminderde arbeidsprestaties. Voor de berekening van de opzeggingsvergoeding moet in dat geval derhalve, krachtens de wet, het loon in aanmerking worden genomen waarop de werknemer aanspraak kon maken op het ogenblik van het ontslag zonder de tijdelijke vermindering van arbeidsprestaties, op grond van de oorspronkelijke niet beëindigde arbeidsovereenkomst. Het arbeidshof stelt vast dat tussen de partijen geen betwisting bestaat over het feit dat de eiseres sinds 1 oktober 1998 haar prestaties met de helft heeft verminderd en dat in het kader van een haar bij collectieve arbeidsovereenkomst toegekend recht, zoals bedoeld in artikel 102, ,§1, van de Herstelwet, dat de verweerster op 26 juli 1999 aan de eiseres een opzeggingstermijn van 24 maanden betekende, ingaand op 1 augustus 1999, en dat de eiseres op 30 september 1999, dus tijdens de betekende opzeggingstermijn, onmiddellijk werd ontslagen zonder dringende reden (blz. 5, eerste vijf alinea's, en blz. 7, eerste twee alinea's van het arrest). Het arbeidshof stelt eveneens vast dat tussen partijen geen betwisting bestaat over het feit dat de verweerster een opzeggingstermijn van 24 maanden in acht diende te nemen, zodat de betekende opzeggingstermijn voldoende was, en evenmin over het feit dat de eiseres, vermits zij onmiddellijk werd ontslagen op 30 september 1999, tijdens de betekende opzeggingstermijn en zonder dringende reden, recht heeft op de betaling van een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met het resterende gedeelte van de opzeggingstermijn (blz. 7, eerste twee alinea's van het arrest). Door te beslissen dat de eiseres slechts recht heeft op de betaling van een opzeggings-vergoeding waarvan het bedrag moet worden vastgesteld overeenkomstig het loon en de voordelen waarop zij ingevolge haar arbeidsovereenkomst recht had op het ogenblik van het onmiddellijk ontslag en niet overeenkomstig een hypothetisch voltijds loon dat zij zou verdiend hebben indien zij haar arbeidsprestaties niet zou hebben verminderd, schendt het arbeidshof artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet en de artikelen 101, 102, 103 en 107bis, ,§1, van de Herstelwet. Het arbeidshof beslist niet wettig dat de vordering in betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding terecht werd afgewezen, en verklaart het hoger beroep bijgevolg niet wettig ongegrond (schending van alle in de aanhef van het middel aangewezen wettelijke bepalingen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet uitgezonderd). 1.
- Tweede onderdeel 1.
- 1 Eerste subonderdeel Krachtens artikel 101 van de Herstelwet, in de versie die in deze zaak van toepassing is, mag de werkgever, wanneer de arbeidsprestaties worden verminderd met toepassing van artikel 102, ,§1, geen handeling verrichten die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking, behalve om een dringende reden als bedoeld in artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet, of om een voldoende reden. Dat verbod gaat in de dag van het akkoord en eindigt drie maanden na het einde van de vermindering van de arbeidsprestaties. Het zesde lid van artikel 101 van de Herstelwet bepaalt dat de werkgever die, ondanks voormelde bepalingen, de arbeidsovereenkomst beëindigt zonder een dringende reden of een voldoende reden, gehouden is om aan de werknemer een forfaitaire vergoeding te betalen die gelijk is aan het loon van zes maanden, onverminderd de vergoedingen die bij een verbreking van de arbeidsovereenkomst van de werknemer moeten worden betaald. Het arbeidshof stelt vast dat niet werd aangetoond dat de eiseres werd ontslagen om een voldoende reden in de zin van artikel 101 van de Herstelwet, en dat haar terecht een forfaitaire vergoeding gelijk aan zes maanden loon werd toegekend (blz. 11, eerste alinea, van het arrest). Het voor de berekening van die forfaitaire vergoeding in aanmerking te nemen loon is hetzelfde als dat welk voor de berekening van de opzeggingsvergoeding wordt in rekening gebracht. Het recht op de forfaitaire vergoeding ontstaat op het ogenblik van het ontslag zonder dringende of voldoende reden. Aangezien de vermindering van de arbeidsprestaties de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst laat bestaan en die na het einde van de vermindering van de arbeidsprestaties van rechtswege haar volle uitvoering herneemt, dient de forfaitaire vergoeding berekend te worden rekening houdend met het loon waarop de werknemer aanspraak kon maken op het ogenblik van het ontslag zonder de tijdelijke vermindering van de arbeidsprestaties op grond van de oorspronkelijke niet beëindigde arbeidsovereenkomst, overeenkomstig wat werd uiteengezet in het eerste onderdeel van dit middel. Het arbeidshof beslist dan ook niet wettig dat de eiseres bij de berekening van de forfaitaire ontslagvergoeding ten onrechte rekening houdt met een hypothetisch voltijds loon en voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst. Het arbeidshof verklaart het hoger beroep niet wettig ongegrond en het incidenteel beroep niet wettig gedeeltelijk gegrond en veroordeelt de verweerster niet wettig tot betaling van een forfaitaire vergoeding van 15.406,43 euro, te verminderen met de wettelijk voorgeschreven inhoudingen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing in zoverre verschuldigd, het overeenstemmende netto gedeelte te vermeerderen met de gerechtelijke interest (schending van alle in de aanhef van het middel aangewezen wettelijke bepalingen, de artikelen 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet en 10 en 11 van de Grondwet uitgezonderd). 1.2.
- Tweede subonderdeel In de mate dat wordt aangenomen dat de forfaitaire vergoeding gelijk aan het loon van zes maanden bedoeld in het zesde lid van artikel 101 van de Herstelwet bij een beëindiging van de dienstbetrekking, tijdens een periode van vermindering van de arbeidsprestaties moet worden berekend op het loon verschuldigd voor die verminderde arbeidsprestaties, leidt de gezamenlijke toepassing van de artikelen 101 en 102 van de Herstelwet tot een ongelijke behandeling en discriminatie van de werknemers die worden ontslagen op een ogenblik dat zij de vermindering van de arbeidsprestaties effectief genieten in vergelijking met werknemers die eveneens door artikel 101 van de Herstelwet tegen ontslag beschermd zijn, maar nog niet of niet meer een effectieve vermindering van arbeidsprestaties genieten. Werknemers die met toepassing van artikel 102 van de Herstelwet hun arbeidsprestaties verminderen, worden door artikel 101 van de Herstelwet beschermd tegen iedere handeling van de werkgever die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking, behalve wanneer een dringende reden of een voldoende reden voorhanden is. Die ontslagbescherming gaat in de dag van het akkoord of de dag van de aanvraag en eindigt drie maanden na het einde van de vermindering van de arbeidsprestaties. Bij miskenning van het ontslagverbod is de werkgever een forfaitaire vergoeding verschuldigd aan de werknemer gelijk aan zes maanden loon, onverminderd de vergoedingen die bij een verbreking van de arbeidsovereenkomst aan een werknemer moeten worden betaald. Valt het ontslag zonder dringende reden of voldoende reden in de periode tussen de dag van het akkoord of de dag van de aanvraag tot vermindering van de arbeidsprestaties en de effectieve vermindering van de arbeidsprestaties of in de periode van drie maanden volgend op het einde van de vermindering van de arbeidsprestaties, dan heeft de werknemer recht op een forfaitaire vergoeding die gelijk is aan zes maanden loon zonder dat bij de bepaling daarvan rekening wordt gehouden met de vermindering van prestaties. Valt het ontslag zonder dringende of voldoende reden op een ogenblik dat de werknemer de vermindering van de arbeidsprestaties effectief geniet, dan heeft hij recht op een forfaitaire vergoeding die gelijk is aan zes maanden loon dat in de hier aangehouden hypothese wordt berekend op grond van het loon verschuldigd ingevolge de verminderde arbeidsprestaties. Wanneer wordt aangenomen dat de forfaitaire vergoeding gelijk aan het loon van zes maanden bedoeld in het zesde lid van artikel 101 van de Herstelwet bij een beëindiging van de dienstbetrekking tijdens een periode van vermindering van de arbeidsprestaties moet worden berekend op het loon verschuldigd voor die verminderde arbeidsprestaties, wordt de groep van beschermde werknemers die zich bevindt in de periode van effectieve vermindering van de arbeidsprestaties ongelijk behandeld en gediscrimineerd ten aanzien van de groep beschermde werknemers die zich bevindt in de periode van het akkoord tot aan de effectieve vermindering van de arbeidsprestaties, of in de periode van drie maanden na het eindigen van de vermindering van de arbeidsprestaties. Het arbeidshof beslist niet wettig dat de eiseres ten onrechte rekening houdt met een hypothetisch voltijds loon en voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst, verklaart bijgevolg het hoger beroep niet wettig ongegrond en het incidenteel beroep niet wettig gedeeltelijk gegrond en veroordeelt de verweerster niet wettig tot betaling van een forfaitaire schadevergoeding van 15.406,43 euro, te verminderen met de wettelijk voorgeschreven inhoudingen voor sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing in zoverre verschuldigd, het overeenstemmende netto gedeelte te vermeerderen met de gerechtelijke interest (schending van alle in de aanhef van het middel aangewezen wettelijke bepalingen, artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet uitgezonderd). Artikel 26, ,§1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof bepaalt dat voornoemd hof, bij wege van arrest, uitspraak doet over prejudiciële vragen omtrent de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, van onder meer de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Eiser vraagt dan ook dat het Hof aan het Arbitragehof de volgende vraag stelt en zijn uitspraak aanhoudt tot dat hof bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak zal hebben gedaan over de volgende vraag: "Schendt de gezamenlijke toepassing van de artikelen 101 en 102 van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet zo geïnterpreteerd dat krachtens die bepalingen een werknemer die valt onder de ontslagbescherming van artikel 101 van die wet en die in de periode voorafgaand aan of onmiddellijk volgend op de vermindering van de arbeidsprestaties wordt ontslagen zonder dringende reden of voldoende reden, recht heeft op een forfaitaire vergoeding die gelijk is aan zes maanden loon zonder rekening te houden met de vermindering van de arbeidsprestaties, terwijl een werknemer die valt onder de ontslagbescherming van artikel 101 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen en die in de periode van effectieve vermindering van de arbeidsprestaties wordt ontslagen zonder dringende reden of voldoende reden, recht heeft op een forfaitaire vergoeding die gelijk is aan zes maanden loon verschuldigd ingevolge de verminderde arbeidsprestaties?".
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 101, in de versie van toepassing na de wijziging ervan door de wet van 13 februari 1998 en vóór de wijziging ervan bij wet van 23 december 2001 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen; de artikelen 5, 702, 3°, 870 en 1057, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek; artikel 1153, inzonderheid eerste, tweede en derde lid, en 1315 van het Burgerlijk Wetboek; de artikelen 2, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan bij wet van 22 mei 2001, en 10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers; het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter geacht wordt het recht te kennen en toe te passen op regelmatig aan zijn beoordeling voorgelegde feiten; de algemene rechtsbeginselen inzake het ambt van de rechter. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de vordering van de eiseres, het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk doch ongegrond, het incidenteel beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Het arbeidshof vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank van 10 mei 2001 in zoverre dat het bedrag van de forfaitaire schadevergoeding bepaalt op 650.544 BEF (16.126,56 euro). Opnieuw recht doende, veroordeelt het arbeidshof de verweerster tot betaling van een forfaitaire schadevergoeding van 15.406,43 euro, te verminderen met de wettelijk voorgeschreven inhoudingen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing in zoverre verschuldigd, het overeenstemmende nettogedeelte te vermeerderen met de gerechtelijke interest. Voor het overige wordt het vonnis van 10 mei 2001 bevestigd. Het arbeidshof komt tot die beslissingen onder meer op grond van de volgende motieven: "2.
- Interesten Met betrekking tot dit onderdeel van de oorspronkelijke vordering beperkt (de eiseres) zich ertoe haar initiële vordering opnieuw te stellen zonder desbetreffend enige grief te ontwikkelen en met name zonder te verduidelijken, laat staan te bewijzen dat op het gevorderde bruto bedrag verwijlintresten of vergoedende intresten verschuldigd zijn vanaf 30 september 1999". Grieven 2.
- Eerste onderdeel
- Artikel 702, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het exploot van dagvaarding de opgave bevat van het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering. De woorden "korte samenvatting van de middelen" bedoelen niet de rechtsregels, maar wel de feitelijke gegevens die aan de vordering ten grondslag liggen. Artikel 1057, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de akte van hoger beroep de uiteenzetting van de grieven bevat. Voor de nakoming van die verplichting is het noodzakelijk maar voldoende dat de appellant de grieven die hij aan de bestreden beslissing richt, vermeldt op een wijze die klaar en duidelijk genoeg is om de geïntimeerde in staat te stellen zijn conclusie voor te bereiden en de appelrechter in staat te stellen de draagwijdte ervan na te gaan, zonder dat ook de middelen tot staving van de grieven moeten worden vermeld. Krachtens artikel 1153, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bestaat, inzake verbintenissen die enkel betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom, de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering, nooit in iets anders dan in de wettelijke interest, verwijl- of moratoire interest genoemd. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat die schadevergoeding verschuldigd is zonder dat de schadelijder enig verlies hoeft te bewijzen. Overeenkomstig het derde lid van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek, is zij verschuldigd te rekenen van de dag der aanmaning tot betaling, behalve ingeval de wet ze van rechtswege doet lopen. Artikel 10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, hieronder afgekort als Loonbeschermingswet, bepaalt dat voor het loon van rechtswege rente verschuldigd is met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Krachtens artikel 2 van de Loonbeschermingswet, verstaat die wet onder meer onder loon, het loon in geld waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever. De forfaitaire vergoeding waarin artikel 101 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, hieronder afgekort als de Herstelwet, voorziet wanneer een werknemer die zijn arbeidsprestaties heeft verminderd, ontslagen wordt zonder dringende of voldoende reden, is geld waarop de werknemer recht heeft ingevolge dergelijke beëindiging van zijn dienstbetrekking en dat ten laste van de werkgever. De vergoeding waarin artikel 101 van de Herstelwet voorziet, is dus loon in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet, zodat daarop, krachtens artikel 10 van de Loonbeschermingswet, van rechtswege interest verschuldigd is. Die interest is een verwijlinterest, zodat de schadelijder geen bewijs van enig verlies moet leveren om daarop recht te hebben en het volstaat dat hij de interest vordert.
- De eiseres vorderde een "schadevergoeding loopbaanonderbreking", "te vermeerderen met de verwijl-, minstens de vergoedende intresten vanaf 30 september 1999 en de gerechtelijke intresten vanaf dagvaarding" (laatste blad van de aanmaning-dagvaarding van 27 januari 2000, laatste blad van de akte van hoger beroep ontvangen ter griffie op 20 juni 2000, blz. 17 van de conclusie ontvangen ter griffie op 22 augustus 2002, blz. 22 van de syntheseconclusie ontvangen ter griffie op 22 januari 2003). Door in de inleidende dagvaarding melding te maken van de deeltijdse beroepsloopbaan-onderbreking die zij genoot en van de verbreking van de arbeidsovereenkomst door de verweerster op 30 september 1999 en op grond van dat ontslag een "schadevergoeding loopbaanonderbreking" te vorderen te vermeerderen met de verwijl-, minstens de vergoedende interest vanaf 30 september 1999, heeft de eiseres de middelen van haar vordering kort samengevat. Door in haar verzoekschrift tot hoger beroep en in haar voornoemde conclusies in beroep, na eveneens melding te hebben gemaakt van de verbreking van de arbeidsovereenkomst door de verweerster met onmiddellijke ingang op 30 september 1999, de volledige vernietiging te vragen van het vonnis van de eerste rechter, dat op het netto-opeisbaar gedeelte van de toegekende vergoeding wettelijke interest toekent vanaf 27 januari 2000, en op het volledige, d.i. het brutobedrag van die vergoeding, de verwijl-, minstens de vergoedende interest te vorderen vanaf 30 september 1999, vermeldde de eiseres haar bezwaren tegen de bestreden beslissing op voldoende duidelijke wijze. Aangezien de eiseres verwijlinterest vorderde op de brutobedragen, vorderde zij die a fortiori op de daarmee overeenstemmende nettobedragen. Het arbeidshof stelt vast dat op 30 september 1999 de arbeidsovereenkomst onmiddellijk beëindigd werd (blz. 4, laatste alinea, van het arrest) en dat niet is aangetoond dat de eiseres werd ontslagen om een voldoende reden in de zin van artikel 101 van de Herstelwet zodat haar terecht een forfaitaire vergoeding gelijk aan zes maanden loon werd toegekend (blz. 11, eerste alinea, van het bestreden arrest). Aangezien de eiseres volgens de vaststellingen van het arbeidshof aldus krachtens artikel 101 van de Herstelwet recht heeft op een forfaitaire vergoeding wegens miskenning door de verweerster van het in die bepaling opgenomen ontslagverbod, en zij daarop in duidelijke termen verwijlinterest vorderde, diende het arbeidshof die interest toe te kennen. Door te overwegen dat de eiseres zich m.b.t. dit onderdeel van de oorspronkelijke vordering ertoe beperkt haar initiële vordering opnieuw te stellen, zonder dienaangaande enige grief te ontwikkelen en met name niet te verduidelijken, laat staan te bewijzen dat op het gevorderde brutobedrag verwijl- of vergoedende interest verschuldigd is vanaf 30 september 1999 en de verweerster enkel te veroordelen tot gerechtelijke interest op het nettogedeelte van de toegekende forfaitaire vergoeding, schendt het arbeidshof de artikelen 702, 3°, en 1057, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek, 101 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, 1153 van het Burgerlijk Wetboek, en 2 en 10 van de Loonbeschermingswet. 2.
- Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek moet hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan bewijzen. Omgekeerd, moet hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht. Die regels betreffende de bewijslast inzake verbintenissen gelden enkel voor rechtsfeiten. Ook artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek, krachtens hetwelk iedere partij het bewijs moet leveren van de feiten die zij aanvoert, heeft enkel betrekking op de door die partij aangevoerde feiten, en niet op de toepasselijke rechtsregel, noch op de draagwijdte of inhoud van die rechtsregel. Het komt alleen de rechter toe te bepalen wat de toepasselijke rechtsregel is, die toe te passen op de regelmatig aan hem voorgelegde feiten en aldus het geschil te beslechten. Dat vloeit voort uit de algemene rechtsbeginselen betreffende het ambt van de rechter en het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter geacht wordt het recht te kennen en toe te passen op de regelmatig aan zijn beoordeling voorgelegde feiten. Beide rechtsbeginselen vinden hun neerslag in artikel 5 van het Gerechtelijk Wetboek, krachtens hetwelk de rechter niet mag weigeren recht te spreken onder enig voorwendsel, zelfs van het stilzwijgen, de duisterheid of onvolledigheid van de wet. Het behoort inderdaad tot de taak van de rechter de juiste wettelijke grondslag te bepalen en, gelet op de feiten die door de partijen werden aangevoerd en bewezen werden verklaard, het afwijzen of toekennen van de vordering wettelijk te verantwoorden. Het mag de partijen dan ook niet verweten worden niet de rechtsregel te hebben aangewezen die op hun vordering van toepassing is.
- De eiseres maakte in de inleidende dagvaarding en in haar conclusies in hoger beroep melding van de deeltijdse beroepsloopbaanonderbreking die zij genoot en van de verbreking van de arbeidsovereenkomst door de verweerster op 30 september
- Zij vorderde een "schadevergoeding loopbaanonderbreking", "te vermeerderen met de verwijl-, minstens de vergoedende intresten vanaf 30 september 1999 en de gerechtelijke intresten vanaf dagvaarding" (laatste blad van de aanmaning-dagvaarding van 27 januari 2000, laatste blad van de akte van hoger beroep ontvangen ter griffie op 20 juni 2000, blz. 17 van de conclusie ontvangen ter griffie op 22 augustus 2002, blz. 22 van de syntheseconclusie ontvangen ter griffie op 22 januari 2003). Het arbeidshof stelt vast dat op 30 september 1999 de arbeidsovereenkomst onmiddellijk beëindigd werd (blz. 4, laatste alinea, van het arrest) en dat niet is aangetoond dat de eiseres werd ontslagen om een voldoende reden in de zin van artikel 101 van de Herstelwet zodat haar terecht een forfaitaire vergoeding gelijk aan zes maanden loon werd toegekend (blz. 11, eerste alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof overweegt dat de eiseres zich met betrekking tot dit onderdeel van de vordering, te weten de gevorderde interest, ertoe beperkt haar initiële vordering opnieuw te stellen zonder desbetreffend enige grief te ontwikkelen en met name zonder te verduidelijken, laat staan te bewijzen dat op het gevorderde brutobedrag verwijlinterest of vergoedende interest verschuldigd is vanaf 30 september
- Daarmee verplicht het arbeidshof de eiseres het bewijs te leveren van de inhoud en de draagwijdte van de rechtsregels die van toepassing zijn op dat onderdeel van haar vordering, zijnde artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 2 en 10 van de Loonbeschermingswet. Door aldus te oordelen weigert het arbeidshof de door de eiseres aangevoerde feiten te toetsen aan artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek en aan de artikelen 2 en 10 van de Loonbeschermingswet, legt het aan de eiseres een bewijslast op bovenop de in artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde bewijslast en verzuimt het arbeidshof zijn taak uit te oefenen zoals bepaald in artikel 5 van het Gerechtelijk Wetboek en door de algemene rechtsbeginselen betreffende het ambt van de rechter en het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter geacht wordt de wet te kennen en toe te passen op de regelmatig aan zijn beoordeling voorgelegde feiten. Het arbeidshof schendt aldus de genoemde wetsbepalingen en algemene rechtsbeginselen. Het bestreden arrest veroordeelt de verweerster niet wettig tot betaling van alleen gerechtelijke interest op het nettogedeelte van een forfaitaire vergoeding van 15.406,43 euro, te verminderen met de wettelijk voorgeschreven inhoudingen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing in zoverre verschuldigd en bevestigt niet wettig het bestreden vonnis voor het overige (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde wetsbepalingen). BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel Artikel 39, ,§1, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet, bepaalt dat wanneer de overeenkomst voor onbepaalde tijd is gesloten, de partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van de wettelijk bepaalde opzegtermijn, gehouden is de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopende loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn. Krachtens het tweede lid van diezelfde wettelijke bepaling behelst die opzeggingsvergoeding niet alleen het lopend loon, maar ook de voordelen verworven krachtens de overeenkomst. Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 102, ,§1, eerste lid, van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, wordt een uitkering toegekend aan de werknemer die met de werkgever overeenkomt om zijn arbeidsprestatie te verminderen met een breukdeel van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking ofwel de toepassing vraagt van een collectieve arbeidsovereenkomst die in een dergelijke regeling voorziet. Overeenkomstig het te dezen toepasselijke artikel 101, eerste lid, van dezelfde wet, mag de werkgever, wanneer de arbeidsprestaties werden verminderd met toepassing van voormeld artikel 102, geen handeling verrichten die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking, behalve om een dringende reden als bedoeld in artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet of om een voldoende reden. Artikel 103 van dezelfde wet bepaalt dat de termijn van de opzegging ter kennis gebracht van de werknemer die zijn arbeidsprestaties overeenkomstig voormeld artikel 102 heeft verminderd, in geval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, zal berekend worden alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd. Die wetsbepaling bepaalt tevens dat met de duur van deze opzeggingstermijnen eveneens rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van de vergoeding bedoeld in artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Uit het geheel van die wettelijke bepalingen volgt dat een werknemer die tewerkgesteld is onder een stelsel van verminderde arbeidsprestaties, in geval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, aanspraak kan maken op een opzegtermijn waarvan de duur wordt berekend alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd. Voor het vaststellen van het bedrag van de vergoeding bepaald in artikel 39, ,§1, van de Arbeidsovereenkomstenwet is daarentegen niet voorzien in een afwijking, zodat die opzeggingsvergoeding ten gunste van een werknemer tewerkgesteld onder het stelsel van de verminderde arbeidsprestaties, in geval van eenzijdige beëindiging door de werkgever dient berekend met inachtneming van het loon waarop die werknemer effectief recht heeft op het tijdstip van de kennisgeving van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De omstandigheid dat de werknemer na het einde van de verminderde arbeidsprestaties in beginsel de mogelijkheid heeft om het werk te hervatten met volledige arbeidsprestaties en hij ingevolge de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever die mogelijkheid verliest, doet daaraan geen afbreuk. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel Eerste subonderdeel Artikel 101, zesde lid, van de Herstelwet van 22 januari 1985, zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat de werkgever die, ondanks de bepalingen van het voormelde eerste lid, de arbeidsovereenkomst beëindigt zonder een dringende reden of een voldoende reden, gehouden is om aan de werknemer een forfaitaire vergoeding te betalen die gelijk is aan het loon van zes maanden, onverminderd de vergoedingen die bij een verbreking van de arbeidsovereenkomst aan de werknemer moeten worden betaald. Om de redenen aangeven in het antwoord op het eerste onderdeel, is voor wat betreft het vaststellen van de forfaitaire vergoeding bepaald in voornoemd artikel 101, zesde lid, evenmin een afwijking voorzien, zodat die vergoeding eveneens dient berekend met inachtneming van het loon waarop die werknemer effectief recht heeft op het tijdstip van de kennisgeving van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het eerste subonderdeel faalt derhalve naar recht. Tweede subonderdeel Het subonderdeel voert aan dat er een discriminatie bestaat tussen, enerzijds, de werknemers die effectief verminderde arbeidsprestaties leveren en, anderzijds, de werknemers die de verminderde arbeidsprestaties hebben aangevraagd of die hun volledige arbeidsprestaties sedert minder dan drie maanden hebben hernomen, gezien in geval van ontslag zonder dringende of voldoende reden, de eerste een forfaitaire vergoeding ontvangen berekend op grond van het loon verschuldigd ingevolge de verminderde arbeidsprestaties, terwijl de tweede een forfaitaire vergoeding ontvangen berekend op grond van het loon verschuldigd voor de volledige arbeidsprestaties. Het subonderdeel gaat aldus ervan uit dat de beide groepen werknemers die allen vallen onder de ontslagbescherming bepaald in voormeld artikel 101 zich in dezelfde situatie bevinden. Op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, ontvangen de werknemers die op dat ogenblik effectief verminderde arbeidsprestaties leveren ook een verminderd loon, terwijl daarentegen de werknemers die nog steeds volledige arbeidsprestaties leveren in afwachting van het akkoord omtrent hun verminderde arbeidsprestaties dan wel hun volledige arbeidsprestaties minder dan drie maanden hebben hernomen, op hetzelfde tijdstip hun volledig loon ontvangen. Het onderdeel gaat dan ook uit van de verkeerde veronderstelling dat de beide groepen werknemers zich ten aanzien van de ontslagregeling in dezelfde toestand bevinden en mist derhalve feitelijke grondslag. Om dezelfde redenen dient geen prejudiciële vraag te worden gesteld aan het Arbitragehof, zoals voorgesteld door de eiseres. Tweede middel Eerste onderdeel Grond van niet-ontvankelijkheid De verweerster voert aan dat het onderdeel niet ontvankelijk is omdat het nieuw is. Artikel 10 van de Loonbeschermingswet, volgens hetwelk op het loon van rechtswege rente verschuldigd is vanaf het tijdstip waarop het eisbaar wordt, is een dwingende wetsbepaling ten voordele van de werknemer. De schending van dergelijke wetsbepaling kan voor het eerst voor het Hof aangevoerd worden. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Het onderdeel zelf De beschermingsvergoeding bij vermindering van arbeidsprestaties, bepaald in artikel 101 van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, zoals te dezen van toepassing, is een voordeel in geld waarop de werknemer ten laste van de werkgever aanspraak kan maken ingevolge de beëindiging van de dienstbetrekking, mitsdien loon in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet. Deze vergoeding is opeisbaar vanaf de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever in strijd met artikel 101 van de voormelde Herstelwet. Luidens artikel 10 van de Loonbeschermingswet is van rechtswege rente verschuldigd op het loon vanaf het tijdstip dat het eisbaar wordt. Het arrest veroordeelt de verweerster tot het betalen van gerechtelijke interest op het netto-gedeelte van de forfaitaire vergoeding van 15.406,43 euro vanaf de datum van de dagvaarding, te dezen 22 januari 2000, en kent zodoende geen interest toe vanaf de datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de verweerster op 30 september 1999, zoals door de eiseres gevorderd. Het arrest schendt door aldus te oordelen artikel 10 van de Loon-beschermingswet, zodat het onderdeel in zoverre gegrond is. Overige grieven De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het geen verwijlinterest toekent vanaf 30 september 1999 op het netto-gedeelte van 15.406,43 euro en uitspraak doet over de kosten. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiseres tot vier vijfden van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel. De kosten begroot op de som van 157,09 euro jegens de eisende partij en op de som van 177,96 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van elf december tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061211.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:ARBRL:2012:JUG.20121126.3 ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070504.8 ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20071217.22 ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.051 ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.077 ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.167 ECLI:BE:TTLIE:2008:JUG.20080619.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080225.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div