← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061211.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061211.3 Rolnummer: S.05.0083.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-03-09 Raadplegingen: 629 - laatst gezien 2026-07-04 00:49 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Indien de arbeidsovereenkomst een niet-concurrentiebeding bevat, is de verbintenis tot nakoming ervan een gevolg van de arbeidsovereenkomst en is de rechtsvordering waartoe deze verbintenis aanleiding geeft uit de arbeidsovereenkomst ontstaan; deze vordering is dienvolgens onderworpen aan de in artikel 15 bedoelde verjaringstermijn, met dien verstande dat de in die bepaling bedoelde eenjarige verjaringstermijn een aanvang neemt bij het verstrijken van de periode tijdens welke het concurrentieverbod van toepassing is en de voormelde verbintenis een einde neemt

(1).
(1)Cass., 7 april 2003, AR S.00.0013.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030407.18, nr 229 en noot. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - VERJARING UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Verjaring (arbeidsovereenkomst) Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - VERJARING Termijn Niet-concurrentiebeding Verbintenis Miskenning Rechtsvordering Aanvang Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Art.15 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Arbeidsovereenkomst Einde Niet-concurrentiebeding Verbintenis Miskenning Rechtsvordering Aanvang Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Art.15 Fiche 3 De werkgever is aan de werknemer geen rente verschuldigd op het gedeelte van de opzeggingsvergoeding, van de eindejaarspremie en van het variabel loon bestaande uit bonussen die verbonden zijn aan het realiseren van een bepaalde omzet, dat hij als bedrijfsvoorheffing en sociale zekerheidsbijdrage inhoudt
(1)
(2).
(1)Cass., 7 april 2003, AR S.00.0013.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030407.18, nr 229 en noot.
(2)Art. 10, Wet 12 april 1965, vóór de inwerkingtreding van de Wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen (zie de artt. 82 en 90, ,§ 1, van die Wet), op de dag van de uitspraak van het arrest van het Hof was art. 82 van die Wet van 26 juni 2002 nog niet in werking getreden. Thesaurus CAS: LOON - BESCHERMING Vrije woorden: LOON - BESCHERMING Interest Werkgever Inhouding Bedrijfsvoorheffing Sociale zekerheidsbijdrage Opzeggingsvergoeding Eindejaarspremie Variabel loon Bonussen Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - Art.23,§1 Fiche 4 Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 dat artikel 10 van de Loonbeschermingswet vervangt in die zin dat interest verschuldigd is op het brutobedrag van het loon in de zin van de Loonbeschermingswet is geen interpretatieve wetsbepaling. Thesaurus CAS: LOON - BESCHERMING Vrije woorden: LOON - BESCHERMING Interest Artikel 10, Loonbeschermingswet Wijzigingswet Artikel 82, Wet 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 26-06-2002 - Art.82 Annotaties Publicaties: JTT - Marie-Laure WANTIEZ; observations - 2007,218-222 Tekst van de beslissing Nr. S.05.0083.N S.S.A. BENELUX, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 3708 AH Zeist (Nederland), Arnhemse Bovenweg 180 en met zetel te 1932 Sint-Stevens-Woluwe, Woluwedal 24, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen D. A., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 15 februari 2005 gewezen door het Arbeidshof te Brussel. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift vijf middelen aan. 1. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet. Bestreden beslissing De derde kamer van het Arbeidshof te Brussel verklaart in het bestreden arrest van 15 februari 2005 verweerders' hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond. Het arbeidshof zegt voor recht dat "de heer D. terecht impliciet ontslag heeft vastgesteld lastens de vennootschap op 10 augustus 2000" (arrest p. 28, onderaan) en veroordeelt de eiseres tot betaling aan de heer D. van
(1)een verbrekingsvergoeding, die provisioneel wordt begroot,
(2)een pro rata dertiende maand voor 2000 van 5.255,72 euro,
(3)een feestdagenloon voor 15 augustus 2000, dat provisioneel wordt begroot. Het arbeidshof grondt deze beslissing onder meer op volgende motieven (arrest pp. 7 e.v.): "Een eerste betwisting betreft de vraag wie de arbeidsovereenkomst beëindigd heeft nu elk der partijen voorhoudt dat de andere partij schuld heeft aan de verbreking. De heer D. beweert dat de vennootschap hem impliciet heeft ontslagen door een wijziging aan te brengen aan een wezenlijk bestanddeel van de arbeidsovereenkomst. Een partij die éénzijdig een belangrijke wijziging aan een essentieel bestanddeel van de overeenkomst doorvoert geeft aldus te kennen dat zij de overeenkomst, zoals die bestond niet langer wenst uit te voeren en verbreekt die overeenkomst onrechtmatig. Het is niet nodig aan te tonen dat zij de intentie had de overeenkomst te verbreken (..). Deze verbreking dient echter wel door de wederpartij te worden vastgesteld om uitwerking te krijgen. Deze zou immers kunnen aanvaarden de gewijzigde overeenkomst verder uit te voeren. Het (arbeidshof) is van oordeel dat de structuurwijziging die werd doorgevoerd wel degelijk gepaard ging met het verlies voor de heer D. van zijn bevoegdheden van operationeel dagelijks bestuur voor de Benelux die hij tot dan toe uitoefende. Ook al ging dit niet gepaard met een loonverlies dan is deze wijziging als een degradatie te beschouwen. Niet enkel werd hij in de rapporteringslijn een stap terug gezet, hij verloor ook belangrijke verantwoordelijkheden en ook moreel was dit feit waarvan alle werknemers op de hoogte waren een degradatie. Dat de functie van Country Manager Benelux slechts 20 pct. van zijn taken behelsde en er derhalve geen sprake kan zijn van een belangrijke wijziging is een zienswijze die het (arbeidshof) niet deelt. Niet enkel is dit aandeel van de functie betwist en nam deze volgens de heer D. meer van zijn tijd in beslag maar bovendien meent het (arbeidshof) dat een degradatie niet kan worden herleid tot een louter mathematische bewerking. De heer D. heeft er tussen 26 mei 2000 en 10 augustus 2000 herhaaldelijk bij de vennootschap op aangedrongen hem in zijn functie te herstellen doch deze ging daar niet op in. Het behoud van de titel kon vanzelfsprekend het verlies van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden niet goed maken. Het (arbeidshof) meent dat de vennootschap éénzijdig een belangrijke wijziging heeft doorgevoerd in de functie van de heer D. die een wezenlijk bestanddeel vormt van de arbeidsovereenkomst en aldus te kennen heeft gegeven dat zij de arbeidsovereenkomst zoals die bestond niet verder wenste uit te voeren. Zij heeft deze aldus impliciet beëindigd en is overeenkomstig artikel 39 WAO gehouden tot betaling van een verbrekingsvergoeding". En voorts (arrest p. 26, nr. 5): "
  1. Pro rata dertiende maand Aangezien de vennootschap de overeenkomst heeft verbroken, kan de heer D. aanspraak maken op een pro rata dertiende maand t.b.v. (..) 5.255,72 euro." En tevens (arrest p. 27, nr. 7): "
  2. Feestdagenloon en vakantiegeld op commissieloon De heer D. heeft recht op het feestdagenloon voor de feestdag van 15 augustus 2000 die valt binnen de 30 dagen die volgen op het einde van de arbeidsovereenkomst en het vakantiegeld erop". Grieven Artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet legt de hoven en rechtbanken op hun beslissingen regelmatig met redenen te omkleden, wat onder meer inhoudt dat de rechter moet antwoorden op alle regelmatig aangevoerde, relevante grieven en middelen van verweer. De eiseres voerde in haar "synthese besluiten in hoger beroep" aan dat in geval van impliciet ontslag (wegens eenzijdige wijziging van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst), de vaststelling van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tijdig dient te geschieden (zie wat het principe betreft: genoemde conclusie, p. 13, onderaan). De eiseres preciseerde in dezelfde conclusie (p. 22, litera d): "In subsidiaire orde: het door heer D. ingeroepen impliciet ontslag was in elk geval laattijdig. Bovendien blijkt dat de door de heer D. ingeroepen zogezegde wijzigingen inzake functie, titel en rapporteringslijn hem sedert meerdere maanden bekend waren toen hij uiteindelijk contractbreuk heeft vastgesteld t.a.v. zijn werkgever. Uit de stukken blijkt zelfs meer. Niet alleen waren de door de heer D. ter rechtvaardiging van zijn contractbreuk ingeroepen (feiten) hem sinds lang bekend maar bovendien had hij dezelfde feiten - zoals zijn zogenaamde degradatie als General Manager Benelux - reeds meerdere maanden voorheen ingeroepen en ermee gedreigd de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst ten laste van SSA Benelux in te roepen (zie ondermeer zijn schrijven de dato 3 december 1999 (stuk nr. 5) en zijn schrijven de dato 20 december 1999 (stuk nr. 8) ). Telkens heeft SSA Benelux hem terecht gewezen en zelfs een disciplinaire procedure ingesteld als gevolg van het ongeoorloofd gebruik van de titel van General Manager Benelux (zie ondermeer stuk nr. 7). Ondanks het feit dat de heer D. dus sedert eind 1999 ermee dreigde contractbreuk in te roepen, heeft hij de arbeidsovereenkomst slechts 9 maanden later effectief verbroken op grond van hem sedert meer dan één jaar bekende 'wijzigingen' zodat hij overeenkomstig de hierboven vermelde rechtspraak geacht moet worden de ingeroepen 'wijzigingen' te hebben aanvaard. De heer D. heeft dus in elk geval laattijdig contractbreuk ingeroepen t.a.v. van SSA Benelux". Zoals door het arbeidshof zelf opgemerkt (arrest p. 8, voorlaatste alinea), moet, opdat de verbreking van de arbeidsovereenkomst wegens eenzijdige, belangrijke wijziging van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst, uitwerking zou krijgen, deze contractbreuk worden vastgesteld of ingeroepen door de partij die er het slachtoffer van is; aanvaard wordt immers, zoals door de eiseres aangevoerd, dat de partij die geconfronteerd wordt met een eenzijdige wijziging van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst, over een normale bedenktijd beschikt om standpunt in te nemen over het sluiten van een nieuwe overeenkomst; wanneer de gewijzigde arbeidsovereenkomst echter wordt uitgevoerd na het verstrijken van de normale bedenktermijn, kan de werknemer geacht worden afstand te doen van zijn recht zich nog op de eenzijdige wijziging van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst te beroepen om de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst te horen vaststellen, en aldus geacht worden zich akkoord te verklaren met de gewijzigde arbeidsvoorwaarden. De eiseres voerde aan dat de verweerder laattijdig contractbreuk had ingeroepen. Het arbeidshof oordeelt dat de eiseres eenzijdig een belangrijke wijziging aanbracht aan een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst die haar met de verweerder bond en stelt dat de eiseres de arbeidsovereenkomst aldus beëindigde. Waar het arbeidshof een opzeggingsvergoeding, die provisioneel wordt begroot, een pro rata dertiende maand voor 2000 van 5.255,72 euro en een feestdagenloon voor 15 augustus 2000, dat provisioneel wordt begroot, toekent zonder te antwoorden op bovengenoemd, regelmatig in conclusie aangevoerd verweermiddel inzake de laattijdigheid van het inroepen van het impliciet ontslag, is het bestreden arrest niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet).
  3. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet. Bestreden beslissing De derde kamer van het Arbeidshof te Brussel verklaart in het bestreden arrest van 15 februari 2005 verweerders' hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond. Het arbeidshof erkent verweerders' recht op een commissieloon voor 2000, doch oordeelt dat de vaststelling van de commissie niet duidelijk was, zodat de eiseres uitgenodigd wordt haar berekening te verduidelijken (arrest p. 17, voorlaatste alinea). Het arbeidshof grondt zijn beslissing op volgende motieven (arrest pp. 16-17): "A. Het commissieloon voor 2000 De vennootschap stelde jaarlijks de resultaten vast die bereikt dienden te worden om recht te hebben op de resultaatspremies. Volgens de vennootschap, die hierin gevolgd wordt door de Arbeidsrechtbank, kon de heer D. geen aanspraak maken op een premie daar hij geweigerd had het compensatieplan voor het fiscaal jaar 2000 te ondertekenen. Het plan dat hij pas op 12 juli 2000 na verschillende aanmaningen ondertekend terugstuurde werd door hem éénzijdig gewijzigd. Nochtans betaalde de vennootschap naar haar zeggen het commissieloon overeenkomstig het door haar opgesteld plan en is de vordering van de heer D. op basis van het door hem aangepast plan ongegrond. Het is voor het (arbeidshof) niet duidelijk of de heer D. zijn vordering steunt op zijn eigen aangepast plan of dit van de vennootschap. Het blijkt dat partijen overeenkwamen dat de vennootschap jaarlijks het compensatieplan en de te bereiken resultaten zou vaststellen. De heer D. kan derhalve niet eisen dat de commissie zou worden uitbetaald op basis van het door hem aangepast plan. De vennootschap kan niet beweren dat de heer D. geen aanspraak zou kunnen maken op commissie daar hij het door haar op 11 april 2000 overgemaakt plan niet had ondertekend nu zij stelt alleen gerechtigd te zijn om dit plan vast te stellen. De vennootschap moet dit wel hebben ingezien aangezien zij beweert de commissie te hebben betaald op basis van het door haar vastgesteld plan". Grieven Artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet legt de hoven en rechtbanken op hun beslissingen regelmatig met redenen te omkleden, wat onder meer inhoudt dat de rechter moet antwoorden op alle regelmatig aangevoerde, relevante grieven en middelen van verweer. De eiseres voerde in haar "synthese besluiten in hoger beroep" aan (p. 31, tweede helft) dat "overeenkomstig artikel 5 van de arbeidsovereenkomst de uitbetaling van bovenvermelde premies aan de uitdrukkelijke voorwaarde onderworpen was dat de heer D. nog in dienst zou zijn op het ogenblik van normale betaling ervan zodat de heer D. in elk geval geen recht zou hebben kunnen laten gelden op betaling van enige commissie voor boekjaar
  4. De heer D. meent ten onrechte dat artikel 5 niet van toepassing was op de commissieregeling voor fiscaal jaar
  5. Uiteraard had artikel 5 een algemene draagwijdte en had het eveneens betrekking op enig welk commissieplan dat door partijen zou worden ondertekend. (...)". Aldus wees de eiseres erop dat de verweerder geen aanspraak kon maken op de bedoelde premie omdat hij niet meer in dienst was op het ogenblik van de betaling ervan, zoals vereist door de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst. Waar het arbeidshof het recht op commissieloon voor 2000 erkent zonder te antwoorden op dit pertinent en regelmatig aangevoerd verweermiddel, is het bestreden arrest niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet).
  6. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet; - artikel 1138, enig lid, 3°, van het Gerechtelijk wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter oplegt uitspraak te doen over alle punten van de vordering. Bestreden beslissing De derde kamer van het Arbeidshof te Brussel verklaart in het bestreden arrest van 15 februari 2005 verweerders' hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond. Het arbeidshof hervormt het beroepen vonnis en zegt voor recht dat de verweerder terecht impliciet ontslag heeft vastgesteld lastens de eiseres op 10 augustus
  7. Het arbeidshof veroordeelt de eiseres tot betaling van bepaalde bedragen als provisionele verbrekingsvergoeding, pro rata dertiende maand, feestdagenloon en vakantiegeld daarop, schadevergoeding wegens verlies van een bonus en het vakantiegeld daarop, bepaalde bonussen en vakantiegeld daarop, alsmede de wettelijke en de gerechtelijke interest op die bedragen. Voorts bevestigt het arbeidshof het vonnis van de eerste rechter in de mate dat hij de vordering tot het bekomen van achterstallig commissieloon voor 1997 als ongegrond afgewezen had, en, vooraleer uitspraak te doen over het resterend gedeelte van de hoofdvordering, beveelt het arbeidshof de heropening der debatten teneinde bepaalde berekeningen te verduidelijken en stukken over te leggen. Het arbeidshof verklaart verder eiseres' incidenteel hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Grieven De tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel oordeelde in eerste aanleg, in het vonnis van 17 februari 2003, inzake het niet-concurrentiebeding dat besloten lag in de arbeidsovereenkomst tussen partijen, dat de verweerder gerechtigd was op de zogenaamde "concurrentievergoeding" die de werkgever dient te betalen indien hij de uitvoering van het niet-concurrentiebeding wenst. De eiseres werd veroordeeld tot betaling van een provisionele concurrentievergoeding van 66.656,52 euro. De eiseres tekende incidenteel hoger beroep aan tegen deze beslissing en vorderde in het dispositief van haar "synthese besluiten in hoger beroep" (p. 54) "dit incidenteel hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens het vonnis a quo te hervormen wat betreft a) de beslissing van de eerste rechter om (de verweerder) een concurrentievergoeding toe te kennen en b) (...)" door met name "de veroordeling van (de eiseres), (...) tot betaling aan (de verweerder) (...) van een provisioneel bedrag van 66.656,52 euro ten titel van concurrentievergoeding te niet te doen". De eiseres voerde daartoe in haar "synthese besluiten in hoger beroep" onder meer aan (p. 43, nr. 6) : "Artikel 15 van de arbeidsovereenkomst van de heer D. bepaalde: De bediende gaat tegenover de werkgever de verbintenis aan om tijdens zijn arbeidsovereenkomst en na de beëindiging ervan gedurende een periode van 12 (twaalf) maanden geen soortgelijke activiteiten uit te oefenen in België hetzij door zelf een concurrerende onderneming uit te baten, hetzij door in dienst te treden bij een concurrerende werkgever. Tenzij de werkgever binnen een termijn van 15 dagen te rekenen vanaf het einde van de arbeidsovereenkomst afziet van de toepassing van dit beding, zal de werkgever aan de bediende een vergoeding betalen gelijk aan het brutoloon van 6 maanden. Bij overtreding van dit beding is de bediende aan de werkgever een vergoeding verschuldigd bestaande uit enerzijds de terugbetaling van de door de werkgever betaalde vergoeding en, anderzijds, een bedrag gelijk aan het brutoloon van 6 maanden, onverminderd het recht op een hogere schadevergoeding. Dit beding heeft geen uitwerking bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tijdens de proefperiode, of na de proefperiode bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever zonder dringende reden alsook bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de bediende wegens een dringende reden". Op grond van deze bepaling, vordert de heer D. betaling van een niet concurrentievergoeding overeenstemmend met 6 maanden loon. SSA Benelux wenst vooreerst op te merken dat vermits dergelijke vergoeding in elk geval niet verschuldigd is, overeenkomstig nu vaststaande rechtspraak, in geval van ontslag door de werkgever, deze vordering in elk geval ongegrond zou dienen te worden verklaard in geval het arbeidshof zou oordelen dat de heer D. terecht de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst ten laste van SSA Benelux heeft vastgesteld. Overeenkomstig een algemeen rechtsbeginsel, dat bevestigd wordt in artikel 1138, enig lid, 3°, van het Gerechtelijk wetboek, is de rechter gehouden uitspraak te doen over alle punten van de vordering. Artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet legt de hoven en rechtbanken op hun beslissingen regelmatig met redenen te omkleden, wat onder meer inhoudt dat de rechter moet antwoorden op alle regelmatig aangevoerde, relevante grieven en middelen van verweer. Het arbeidshof verwerpt het incidenteel hoger beroep, zonder uitspraak te doen over de door de eiseres gevorderde hervorming van de beslissing van de eerste rechter waarbij deze de eiseres veroordeelde tot betaling aan de verweerder van een zogenaamde "concurrentievergoeding" ten bedrage van 66.656,52 euro. Het arbeidshof miskent derhalve het genoemde algemeen rechtsbeginsel, zoals bevestigd in artikel 1138, enig lid, 3°, van het Gerechtelijk wetboek, evenals voornoemd artikel 1138, enig lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek. Minstens antwoordt het arbeidshof niet op eiseres' regelmatige en pertinente aanvoering luidens welke de verweerder, voor zover zou worden aangenomen dat hij terecht op 10 augustus 2000 impliciet ontslag had verweten aan de eiseres, geen recht kon doen gelden op de bedoelde "concurrentievergoeding". Het arbeidshof schendt dienvolgens artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.
  8. Vierde middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10 en 23 van de wet van 12 april 1965 tot bescherming van het loon der werknemers, artikel 10, in zijn versie vóór de wijziging bij wet van 26 juni 2002; - de artikelen 82 en 90, ,§1, van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen; - artikel 4 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen; - artikel 7 van het Gerechtelijk wetboek; - artikel 23, ,§1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - de artikelen 270, enig lid, 1°, en 272, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992). Bestreden beslissing De derde kamer van het Arbeidshof te Brussel verklaart in het bestreden arrest van 15 februari 2005 verweerders' hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond. Het arbeidshof hervormt het beroepen vonnis en zegt voor recht dat de verweerder terecht impliciet ontslag heeft vastgesteld lastens de eiseres op 10 augustus 2000. Het arbeidshof veroordeelt de eiseres tot betaling van bepaalde bedragen als provisionele verbrekingsvergoeding, pro rata dertiende maand, feestdagenloon en vakantiegeld daarop, schadevergoeding wegens verlies van een bonus en het vakantiegeld daarop, bepaalde bonussen en vakantiegeld daarop, alsmede de wettelijke en de gerechtelijke interest op die bedragen. Voorts bevestigt het arbeidshof het vonnis van de eerste rechter in de mate dat hij de vordering tot het bekomen van achterstallig commissieloon voor 1997 als ongegrond afgewezen had, en, vooraleer uitspraak te doen over het resterend gedeelte van de hoofdvordering, beveelt het arbeidshof de heropening der debatten teneinde bepaalde berekeningen te verduidelijken en stukken over te leggen. Het arbeidshof oordeelt dat de interest, tot betaling waarvan de eiseres wordt veroordeeld ten gunste van de verweerder, moeten worden berekend op de zogenaamde "brutobedragen". Het arbeidshof grondt zijn beslissing op volgende motieven (arrest p. 27, nr. 8): "De heer D. vordert betaling van de interest op de gevorderde bedragen die brutobedragen zijn. De vennootschap betoogt dat de interest slechts verschuldigd zijn op de nettobedragen nu het gewijzigde artikel 10 van de loonbeschermingswet geen uitwerking heeft bij gebreke aan koninklijk besluit tot vaststelling van de uitvoeringsdatum. Het (arbeidshof) deelt de zienswijze van de heer D. en zegt dat de interest verschuldigd zijn op de bruto verschuldigde bedragen. Aangezien uit de voorbereidende werken van de wet van 26 juni 2002 blijkt dat de aangebrachte wijziging aan artikel 10 van de Loonbeschermingswet een interpretatie bevestigt die steun vindt in het doel zelf van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965, oordeelt het (arbeidshof) dat de interest verschuldigd zijn op de toegekende bruto-bedragen, ook al is de wet van 26 juni 2002 nog niet in werking getreden". Grieven Luidens artikel 10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, is voor het loon van rechtswege rente verschuldigd met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Blijkens de bewoordingen en het opzet van dat artikel, slaat dit enkel op het loon dat de werknemer van zijn werkgever kan vorderen. Deze bepaling is van toepassing op de opzeggingsvergoeding, de eindejaarspremie en het variabel loon bestaande uit bonussen die verbonden zijn aan het realiseren van een bepaalde omzet. Luidens artikel 270, enig lid, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)is bedrijfsvoorheffing verschuldigd door de belastingplichtigen die als schuldenaar bezoldigingen betalen of toekennen, terwijl, volgens artikel 272, eerste lid, 1°, van datzelfde wetboek, behoudens strijdig beding, de in artikel 270, 1°, vermelde belastingschuldigen het recht hebben op de belastbare inkomsten de desbetreffende voorheffing in te houden. Bijgevolg heeft de werknemer, behoudens strijdig beding waarvan het arbeidshof het bestaan niet vaststelt, niet het recht te eisen dat hem die voorheffing zou worden betaald. Luidens artikel 23, ,§1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt de bijdrage van de werknemer door de werkgever bij iedere betaling van het loon ingehouden en is deze die bijdrage, samen met de zijne, verschuldigd aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Bijgevolg kan de werknemer niet de betaling van zijn sociale zekerheidsbijdragen vorderen van de werkgever. Bijgevolg kan de rechter geen interest toekennen op het brutobedrag van de opzeggingsvergoeding, de eindejaarspremie en het variabel loon. Bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen wordt artikel 10 van de genoemde wet van 12 april 1965 vervangen door een tekst waarvan de eerste alinea de bestaande tekst herneemt en de tweede alinea stelt dat de bedoelde, van rechtswege verschuldigde rente wordt berekend op het loon vooraleer de in artikel 23 van dezelfde wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht. Luidens artikel 23, eerste lid, 1°, van de genoemde wet van 12 april 1965 mogen op het loon van de werknemer de inhoudingen krachtens de belastingswetgeving en de wetgeving op de sociale zekerheid worden in mindering gebracht. Overeenkomstig artikel 4 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen worden wetten na hun afkondiging in het Belgisch Staatsblad opgenomen (eerste lid) en zijn zij verbindend in het gehele Rijk de tiende dag na die van hun bekendmaking tenzij de wet een andere termijn heeft bepaald (tweede lid). Naar luid van artikel 90, ,§1, van de genoemde wet van 26 juni 2002 bepaalt de Koning de datum waarop deze wet in werking treedt. Op het ogenblik waarop het arbeidshof uitspraak deed, te weten 15 februari 2002, lag geen Koninklijke beslissing voor tot inwerkingstelling van de bedoelde wet van 26 juni 2002, zoals door het arbeidshof zelf erkend. Aldus was de bij wet van 26 juni 2002 gewijzigde tekst van artikel 10 van de genoemde wet van 12 april 1965 nog niet van toepassing, ook niet indien zou geoordeeld zijn dat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 zou moeten worden opgevat als een interpretatieve wet, in de zin van artikel 7 van het Gerechtelijk Wetboek, waarvan aangenomen wordt dat zij één geheel vormt met de uitgelegde wet, nu deze, bij veronderstelling interpretatieve wet nog niet in werking was getreden. Door niettemin de eiseres te veroordelen tot betaling aan de verweerder van interest, berekend op de brutobedragen van de verbrekingsvergoeding, pro rata dertiende maand, feestdagenloon en vakantiegeld daarop en bepaalde bonussen en vakantiegeld daarop, schendt het arbeidshof derhalve alle in de aanhef van het middel vermelde wetsbepalingen.
  1. Vijfde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 15, eerste lid van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; - artikel 2262bis, ,§1, eerste lid, van het Burgerlijk wetboek. Bestreden beslissing De derde kamer van het Arbeidshof te Brussel verklaart in het bestreden arrest van 15 februari 2005 verweerders' hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond. Het arbeidshof hervormt het beroepen vonnis en zegt voor recht dat de verweerder terecht impliciet ontslag heeft vastgesteld lastens de eiseres op 10 augustus
  2. Het arbeidshof veroordeelt de eiseres tot betaling van verschillende bedragen aan de verweerder en, vooraleer uitspraak te doen over het resterend gedeelte van de hoofdvordering, beveelt het arbeidshof de heropening der debatten teneinde bepaalde berekeningen te verduidelijken en stukken over te leggen. Het arbeidshof verklaart verder eiseres' incidenteel hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en stelt de verjaring van de oorspronkelijke tegenvordering vast. Wat dit incidenteel hoger beroep betreft oordeelt het arbeidshof als volgt: "De vennootschap stelde haar tegenvordering tot het bekomen van een verbrekingsvergoeding en een niet-concurrentievergoeding pas in bij conclusies die op 28 juni 2002 ter griffie van de arbeidsrechtbank werden neergelegd. De heer D. werpt terecht op dat de tegenvordering is verjaard nu zij werd ingesteld buiten de bij artikel 15 WAO voorziene termijn. De dagvaarding die op verzoek van de Heer D. werd betekend heeft krachtens artikel 2244 Burgerlijk Wetboek de verjaring gestuit van zijn vordering. De vennootschap kan deze niet als stuitingsgrond van haar eigen vordering inroepen. De stuiting strekt immers enkel ten voordele van degene die de stuitingsdaad heeft verricht. Dat de tegenvordering enkel als verweer zou zijn ingesteld doet daar niets aan af. Het Hof van Cassatie oordeelde in die zin in een arrest van 3 maart 2003, (AR S.02.0035.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030303.5)". Grieven Luidens artikel 15, eerste lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeids-overeenkomsten verjaren de rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden. Vorderingen die weliswaar gegrond zijn op de arbeidsovereenkomst, doch slechts ontstaan na het einde van de arbeidsovereenkomst, kunnen niet onderworpen worden aan de verjaringstermijn, neergelegd in artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Dit is met name het geval voor de vordering, strekkende tot het bekomen van een vergoeding wegens miskenning, door de gewezen werknemer, van een hem bij de arbeidsovereenkomst opgelegd concurrentieverbod voor bepaalde activiteiten gedurende een bepaalde periode na het einde van de arbeidsovereenkomst. Dergelijke vorderingen zijn onderworpen aan de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van 10 jaar voor persoonlijke rechtsvorderingen, bedoeld in artikel 2262bis, ,§1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, te rekenen vanaf de datum van het feit dat aanleiding geeft tot het ontstaan van de vordering. Hoogstens kan de éénjarige verjaringstermijn, bedoeld in artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet, worden toegepast, voor wat de vordering tot het bekomen van een vergoeding wegens miskenning van het niet-concurrentiebeding betreft, vanaf het verstrijken van de periode tijdens dewelke het concurrentieverbod geldig was. Te dezen stelde het arbeidshof vast dat de verweerder terecht op 10 augustus 2000 contractbreuk had vastgesteld in hoofde van de eiseres en werd door partijen niet betwist dat luidens artikel 15 van de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst een concurrentieverbod gold voor verweerder gedurende twaalf maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst (zie met name de synthese beroepsconclusie voor verweerder, p. 42, nr. 10.2.). Aldus moest worden aangenomen dat het concurrentieverbod gold tot en met 10 augustus
  3. De eiseres hield voor in conclusie (synthesebesluiten in hoger beroep p. 51, nr. 2.2.) dat de verweerder vanaf 16 oktober 2000 als "sales en marketing verantwoordelijke" werd tewerkgesteld door een concurrerende firma. Het arbeidshof stelt vast dat eiseres' vordering tot het bekomen van een "niet-concurrentievergoeding" gesteld werd bij conclusie die op 28 juni 2002 werd ingediend ter griffie, het weze binnen de tien jaar na 16 oktober 2000 en alleszins binnen het jaar na 10 augustus
  4. Het arbeidshof kon dienvolgens eiseres' vordering tot het bekomen van een vergoeding wegens miskenning van een niet-concurrentiebeding, niet wettig verjaard verklaren. Het arbeidshof schendt derhalve alle in de aanhef van het middel aangehaalde wetsbepalingen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  5. De appelrechters die hun beslissing steunen op de vaststelling dat de verweerder tegen de doorgevoerde functiewijziging bij herhaling heeft geprotesteerd, dat hij tussen 26 mei 2000 en 10 augustus 2000 herhaaldelijk bij de eiseres heeft aangedrongen om hem in zijn functies te herstellen en dat hij uiteindelijk op 10 augustus 2000 de eenzijdige verbreking van de overeenkomst door de eiseres heeft vastgesteld, geven aldus te kennen dat de verweerder de contractbreuk niet laattijdig heeft ingeroepen. Aldus beantwoorden en verwerpen zij het bedoelde verweer.
  6. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
  7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de eiseres in haar conclusie voor de appelrechters heeft aangevoerd dat de premies volgens het door haar zelf opgestelde plan verschuldigd waren en zij ook premies aan de verweerder heeft betaald.
  8. De appelrechters dienen niet te antwoorden op de bedoelde conclusie die ter zake van de verschuldigdheid van het commissieloon over het jaar 2000 hiermee tegenstrijdig is.
  9. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel Ontvankelijkheid
  10. De appelrechters veroordelen de eiseres tot de betaling van een aantal vergoedingen waaronder de door de verweerder gevorderde niet-concurrentie-vergoeding niet voorkomt en heropenen het debat "alvorens uitspraak te doen over het resterend gedeelte van de hoofdvordering". Ter zake de door verweerder gevorderde niet-concurrentievergoeding bevat het arrest dus nog geen eindbeschikking zodat het cassatieberoep, wat het derde middel betreft, niet-ontvankelijk is, zoals door de verweerder opgeworpen. Vierde middel Ontvankelijkheid
  11. De verweerder werpt op dat het middel niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang op grond dat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 inmiddels in werking is getreden.
  12. De grond van niet-ontvankelijkheid is niet te onderscheiden van het onderzoek van het middel en moet worden verworpen. Het middel zelf
  13. Artikel 10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, zoals te dezen van toepassing, naar luid waarvan voor het loon van rechtswege rente verschuldigd is met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar is, slaat blijkens de bewoordingen en het opzet van dat artikel, enkel op het loon dat de werknemer van zijn werkgever kan vorderen.
  14. Artikel 270, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)bepaalt dat de bedrijfsvoorheffing verschuldigd is door de belastingsplichtigen die als schuldenaar bezoldigingen betalen of toekennen, terwijl, volgens artikel 272, 1°, van dat wetboek, behoudens strijdig beding, de in artikel 270, 1°, vermelde belastingschuldigen het recht hebben op de belastbare inkomsten de desbetreffende voorheffing in te houden. Bijgevolg heeft de werknemer, behoudens strijdig beding waarvan het arrest het bestaan niet vaststelt, niet het recht te eisen dat hem die voorheffing zou worden betaald.
  1. Krachtens artikel 23, ,§1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt de bijdrage van de werknemer door de werkgever bij iedere betaling van het loon ingehouden en is deze die bijdrage, samen met de zijne, verschuldigd aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Bijgevolg kan de werknemer de betaling van zijn sociale zekerheidsbijdragen niet van de werkgever vorderen.
  2. De opzeggingsvergoeding, de eindejaarspremie en het variabel loon bestaande uit bonussen die verbonden zijn aan het realiseren van een bepaalde omzet zijn voordelen ten laste van de werkgever, toegekend aan de werknemer ingevolge de beëindiging van de dienstbetrekking, en maken derhalve overeenkomstig artikel 2 van de Loonbeschermingswet loon uit in de zin van deze wet.
  3. Het arrest schendt de voormelde wetsbepaling, zoals te dezen van toepassing, door interest toe te kennen op het brutobedrag van deze vergoedingen, tot betaling waarvan de eiseres ten aanzien van de verweerder veroordeeld wordt.
  4. Het arrest vermocht niet zijn beslissing te gronden op artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 dat artikel 10 van de Loonbeschermingswet vervangt in die zin dat interest verschuldigd is op het brutobedrag van het loon in de zin van de Loonbeschermingswet, vermits dit artikel 82 geen interpretatieve wetsbepaling is en omdat krachtens krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 de inwerkingtreding op 1 juli 2005 van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 slechts van toepassing is op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli
  5. Het middel is gegrond. Vijfde middel Ontvankelijkheid
  6. De verweerder werpt op dat het middel niet ontvankelijk is omdat het geen belang vertoont.
  7. Krachtens artikel 65, ,§2, negende lid, en artikel 86 van de Arbeidsovereenkomstenwet, heeft het niet-concurrentiebeding dat aan de bepalingen van artikel 65 voldoet, geen uitwerking wanneer aan de bediendenovereenkomst een einde wordt gemaakt tijdens de proeftermijn, ofwel na deze periode door de werkgever zonder dringende reden.
  8. Het arrest oordeelt dat de verweerder terecht contractbreuk van de eiseres heeft ingeroepen. Deze beslissing werd op tevergeefse wijze in het eerste middel bekritiseerd. Zodoende staat vast dat de eiseres de bediendenovereenkomst eenzijdig beëindigd heeft zonder dringende reden en het niet-concurrentiebeding geen uitwerking heeft.
  9. Hieruit volgt dat de eiseres alleszins niet gerechtigd is op het gedeelte van de niet-concurrentievergoeding, specifiek wegens schending van het niet-concurrentiebeding. In zoverre de tegenvordering de betaling nastreeft van dit gedeelte van de vergoeding wegens schending van het niet-concurrentiebeding heeft de eiseres dienvolgens geen belang en is het middel niet ontvankelijk.
  10. De omstandigheid dat het niet-concurrentiebeding geen uitwerking heeft, staat er evenwel niet aan in de weg dat de werkgever nog aanspraak kan maken op de terugbetaling van de forfaitaire vergoeding, bepaald in artikel 65, ,§2, vijfde lid, 4°, en zesde lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet, in zoverre deze vergoeding is betaald. In zoverre heeft het middel wel belang en dient de grond van niet-ontvankelijkheid te worden verworpen. Het middel zelf
  11. Luidens artikel 15, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet verjaren de rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden.
  12. Indien de arbeidsovereenkomst een niet-concurrentiebeding bevat, is de verbintenis tot nakoming ervan een gevolg van de arbeidsovereenkomst en is de rechtsvordering waartoe deze verbintenis aanleiding geeft uit de arbeidsovereenkomst ontstaan. Deze vordering is dienvolgens onderworpen aan de in artikel 15 bedoelde verjaringstermijn, met dien verstande dat de in die bepaling bedoelde eenjarige verjaringstermijn een aanvang neemt bij het verstrijken van de periode tijdens welke het concurrentieverbod van toepassing is en de voormelde verbintenis een einde neemt.
  13. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat: - de arbeidsovereenkomst op 10 augustus 2000 werd beëindigd; - de verweerder tot een concurrentieverbod was gehouden voor een periode van 12 maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst; - de eiseres haar vordering tot betaling van de niet-concurrentievergoeding heeft ingesteld op 28 juni 2002, dit is binnen het jaar na het einde van de termijn van het concurrentiebeding.
  14. Door te oordelen dat de vordering van de eiseres is verjaard nu zij werd ingesteld buiten de door artikel 15 Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde termijn, schendt het arrest deze wettelijke bepaling.
  15. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiseres veroordeelt tot betaling aan de verweerder van interest, berekend op het brutobedrag van de verbrekings-vergoeding, de pro rata dertiende maand, het feestdagenloon met het vakantiegeld daarop, bepaalde bonussen met het vakantiegeld daarop, de verjaring vaststelt van de tegenvordering van de eiseres in zoverre dit betrekking heeft op de terugbetaling van de in artikel 65, ,§2, vijfde lid, 4°, en zesde lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet bedoelde vergoeding en uitspraak doet over de kosten. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiseres in drie vijfden van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Antwerpen. De kosten begroot op de som van 218,84 euro jegens de eisende partij en op de som van 225,73 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van elf december tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061211.3 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030303.5 geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070425.13 ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100201.13 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081201.1 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20161010.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030407.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.