id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061212.3 Rolnummer: P.06.1153.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-03-09 Raadplegingen: 430 - laatst gezien 2026-07-04 01:04 Versie(s): Vertaling FR Fiche Artikel 62 Wegverkeerswet bepaalt niet dat de vaststellingen met radartoestellen slechts bewijswaarde hebben wanneer tevens een foto van de vastgestelde feiten voorligt. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 62 Vrije woorden: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 62 Processen-verbaal Materiële bewijsmiddelen die door bemande automatisch werkende toestellen worden opgeleverd Vaststellingen Bijzondere wettelijke bewijswaarde Foto Tekst van de beslissing Nr. P.06.1153.N C N F A, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Igor Rogiers, advocaat bij de balie te Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank te Gent van 27 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat de processen-verbaal nergens vermelden met welk radartoestel de snelheid zou zijn gemeten en nergens een bewijs van ijking op het ogenblik van de vaststellingen bevat, zodat het bewijs van de snelheidsovertreding niet op wettige wijze kan geleverd worden.
- De appelrechters oordelen met de redenen die zij vermelden, dat er geen twijfel over bestaat met welk radartoestel de vaststellingen zijn gebeurd en dat het ijkingscertificaat van dit toestel zich in het strafdossier bevindt.
- In zoverre het onderdeel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling door de appelrechters van de bewijswaarde van de verklaringen van hulpagente C D T en hoofdinspecteur A D C, is het niet ontvankelijk.
- In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de vaststellingen van de overtredingen inzake de Wegverkeerswet en haar uitvoeringsbesluiten te dezen gebeurd zijn aan de hand van een niet nader geïdentificeerd radartoestel waarvoor geen ijkingsbewijs voorligt, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert vooreerst een schending aan van artikel 62 Wegverkeerswet om reden dat de appelrechters ten onrechte stellen dat het proces-verbaal van de vaststellingen bewijswaarde tot het tegendeel heeft alhoewel het niet opgemaakt werd door de eigenlijke vaststeller. Het voert verder aan dat de appelrechters met eisers verweer over de ongeloofwaardigheid van de latere verklaringen van de verbalisanten geen rekening hebben gehouden en het onvoldoende hebben beantwoord en aldus eisers vermoeden van onschuld hebben miskend.
- De appelrechters stellen vast dat: - het proces-verbaal van vaststelling niet de naam van de eigenlijke vaststeller vermeldt maar enkel de naam van de verbalisant die instaat voor de onmiddellijke inning; - hoofdinspecteur A D C die ter rechtszitting werd gehoord, zich in het voertuig, uitgerust met het radartoestel, bevond, de gemeten snelheid aflas en onmiddellijk de onderscheppingsploeg verwittigde waarbij hij het merk van het voertuig, de kleur en indien mogelijk de beginletters van de nummerplaat doorgaf.
- In zoverre het onderdeel opkomt tegen het onaantastbare oordeel in feite van de appelrechters van de bewijswaarde van de verklaringen van hulpagente C D T en hoofdinspecteur A D C, is het niet ontvankelijk.
- Voor het overige beantwoorden de appelrechters met de redenen die zij vermelden, eisers verweer en verantwoorden zij zonder miskenning van eisers vermoeden van onschuld, hun beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel dat er op neerkomt dat de gemeten snelheid 83 km/uur zou bedragen in plaats van de door de appelrechters weerhouden snelheid van 89 km/uur, is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang, daar in alle geval het aan de eiser alzo ten laste gelegde feit zijn strafbaar karakter behoudt. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat de processen-verbaal en bijhorende vaststellingen geen enkele bewijswaarde hebben, "nu de vaststellingen in strijd met de voorschriften van het ijkingscertificaat zijn gedaan" en er geen foto van de vaststellingen voorligt.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat het bestreden vonnis stelt "dat de voorwaarden die in het ijkingscertificaat zijn opgenomen niet moeten worden nageleefd bij snelheidsmetingen en het vaststellen van snelheidsovertredingen", berust het op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Artikel 62 Wegverkeerswet bepaalt niet dat de vaststellingen met radartoestellen slechts bewijswaarde hebben wanneer tevens een foto van de vastgestelde feiten voorligt. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel van de rechter in feite en verplicht dit het Hof tot een onderzoek in feite waarvoor het niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert aan dat de bijdrage tot financiering van het bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders (hierna: "Slachtofferfonds") een straf is zodat wegens het principe van de niet-retroactiviteit van de zwaardere strafwet, de appelrechters de eiser slechts konden veroordelen tot de bijdrage van 10 euro, zoals bepaald op het ogenblik van de feiten, en niet tot de hogere bijdrage van 25 euro, zoals inmiddels bepaald bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 oktober 2005 tot wijziging van het artikel 29, tweede lid, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen.
- De verplichting om een bedrag te betalen bij wijze van bijdrage tot financiering van het Slachtofferfonds, die de rechter moet opleggen bij iedere veroordeling tot een criminele of correctionele hoofdstraf, heeft een eigen aard en is geen straf. De bijdrage moet worden opgelegd ongeacht de datum waarop de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd.
- Volgens artikel 29 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen is het bedrag van de door de rechter bij iedere veroordeling tot een criminele of correctionele hoofdstraf verplicht uit te spreken bijdrage aan het Slachtofferfonds, onderworpen aan de verhoging in de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten. Artikel 36 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid heeft de opdeciemen waarmee de bijdrage dient te worden verhoogd, bepaald op
- Het feit dat de bijdrage verhoogd wordt met opdeciemen doet aan de eigen aard van de bijdrage geen afbreuk.
- Uit het feit dat deze bijdrage geen straf is, volgt dat artikel 2 Strafwetboek noch artikel 7 EVRM op die bijdrage toepasselijk is, zodat ze moet worden opgelegd zoals bepaald op de dag van de veroordeling, ongeacht de datum waarop het bestrafte misdrijf werd gepleegd, en moet worden verhoogd met de opdeciemen die op die dag van kracht zijn, dit is te dezen met 45 deciemen ingevolge artikel 36 van voornoemde wet van 7 februari
- Het middel faalt naar recht. Verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof
- De eiser verzoekt in ondergeschikte orde het Hof de volgende prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen: "Schendt artikel 29, tweede lid, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, de artikelen 10, 11, 14 van de Grondwet en artikel 7 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, in zoverre het de Koning (uitvoerende macht) machtigt om de bijdrage tot het fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders onbeperkt te verhogen?"
- De vraag gaat uit van de onjuiste juridische onderstelling dat de bijdrage tot financiering van het Slachtofferfonds een straf is. Voor het overige duidt de eiser niet aan waaruit de beweerde ongelijkheid zou bestaan. Er is geen aanleiding de aangevoerde vraag te stellen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 164,98 euro waarvan 66,53 euro verschuldigd is en 98,45 euro betaald. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 12 december 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061212.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20111207.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240124.2F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div