id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061214.8 Rolnummer: F.05.0084.F-F.06.0001.F Kamer: 1F - première chambre Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2007-09-21 Raadplegingen: 194 - laatst gezien 2026-07-03 07:08 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit artikel 7, § 2bis, 1° en 3°, Wet 21 jan. 1987 inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten volgt dat de heffing slaat op de betrokken onderneming wegens de industriële activiteit die zij heeft uitgeoefend in het jaar vóór het aanslagjaar; het bepaalt niet dat de heffing slechts verschuldigd is, indien de onderneming bovendien die activiteit uitoefende op 1 januari van het aanslagjaar. Thesaurus CAS: TAKS UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - KADASTRAAL INKOMEN - Kadastrale bescheiden Vrije woorden: Industriële activiteiten met zware risico's. - Belastingheffing. - Art. 7, § 2bis, 1° en 3°, Wet 21 januari 1987. - Voorwaarden. Tekst van de beslissing Nr. F.05.0084.F CONDIGAZ, naamloze vennootschap in vereffening, Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen BELGISCHE STAAT, minister van Binnenlandse Zaken, Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie. Nr. F.06.0001.F BELGISCHE STAAT, minister van Binnenlandse Zaken, tegen CONDIGAZ, naamloze vennootschap in vereffening. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 4 mei 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Afdelingsvoorzitter Claude Parmentier heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN A. In de zaak A.R. F.05.0084.F De eiseres voert in haar memorie een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 7, § 2bis, 1° en 3°, van de wet van 21 januari 1987 inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten, ingevoegd bij de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen en voor het laatst gewijzigd bij de wet van 6 augustus 1993 (zoals dat artikel van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 5 van de wet van 26 mei 2002); - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het arrest stelt eerst vast dat het geschil betrekking heeft op de vraag of de eiseres de zogenaamde Seveso-heffing verschuldigd is, die bedoeld is bij de wet van 21 januari 1987 (inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten en bestemd voor het " Fonds voor risico's van zware ongevallen") en op 28 maart 2000 geëist wordt voor het belastingjaar 2000 (toestand 1999), voor een bedrag van 29.625,71 euro (LPG-opslag, categorie II); dat de eiseres betwist dat zij die heffing verschuldigd is, op grond dat zij op het einde van het jaar 1999 elke industriële activiteit heeft gestaakt (wat niet wordt betwist), en wijzigt vervolgens het vonnis van de rechtbank en vernietigt daarbij de heffing voor het belastingjaar 2000 slechts in zoverre zij 29.463,37 overschrijdt, en wijst de vordering van eiseres voor het overige af. Het arrest grondt die beslissing op de onderstaande redenen: "
(1)De partijen zijn het eens om te zeggen dat er voor het eerste jaar van gevaarlijke activiteit geen heffing is geweest voor het belastingjaar van dat jaar maar enkel voor het belastingjaar van het daaropvolgende jaar. Er wordt evenwel vastgesteld dat de heffing verschuldigd was vanaf het belastingjaar 1991 (artikel 7, 3°). Volgens het koninklijk besluit werd de kennisgeving van de indexen vastgesteld op 15 oktober 1991, en is de heffing voor dat eerste aanslagjaar pas in december 1991 gebeurd. In deze zaak wordt niet betwist dat (eiseres) wel degelijk de heffing heeft betaald die verschuldigd was voor het aanslagjaar 1999 en dat zij (...) die heffing heeft voldaan vanaf het eerste aanslagjaar 1991 (waarvoor de heffing werd vastgesteld op grond van de indexen van 91 als belastingjaar 1992).
(2)Vanaf 2000 dienden geen nieuwe bestuurs-, werkings-, studie-, en investeringskosten voor de Civiele Bescherming, noch kosten van de preventieopdrachten van de ministers te worden gemaakt voor de stopgezette gevaarlijke industriële activiteit van (eiseres). Het door (de verweerder) vermelde beginsel dat in het milieurecht ¿de vervuiler betaalt' is hier bijgevolg niet relevant voor het belastingjaar 2000. En zulks te meer daar de partijen niet betwisten dat het hier om een belasting gaat en niet om een retributie, zoals de eerste rechter er al op heeft gewezen.
(3)Terecht heeft de eerste rechter, principieel, een onderscheid gemaakt tussen de vestiging van de heffing (op grond van de indexen van het vorige jaar behalve ... voor het eerste aanslagjaar 1991) en de belastbaarheid. Volgens de wet is de heffingsplichtige de fabrikant die verantwoordelijk is voor de industriële activiteit. Er wordt een heffing geheven per industriële activiteit. De heffing wordt vastgesteld op basis van de toestand tijdens het voorafgaande jaar. Derhalve volgt uit de wettekst dat de fabrikant die verantwoordelijk is voor de industriële activiteit die werd uitgeoefend in het jaar voorafgaand aan het belastingjaar, aan de heffing is onderworpen. De eerste rechter heeft bijgevolg ten onrechte (de eiseres) ontheven van de heffing die ten hare name was gevestigd voor het aanslagjaar 2000, als verantwoordelijke producent van de industriële activiteit die in 1999 werd uitgeoefend en niet betwist wordt. Het hoger beroep is gegrond.
(4)Gelet op het feit dat de heffing wordt vastgesteld volgens de toestand gedurende het voorgaande jaar, is het evenwel gerechtvaardigd (en meer bepaald om het door de eerste rechter gelaakte kwalijke gevolg te vermijden: verscheidene heffingen voor hetzelfde jaar en voor dezelfde industriële activiteit tijdens het jaar, maar met opeenvolgende verantwoordelijke fabrikanten) zoals [de verweerder] bijkomend aanvoert, de heffing naar evenredigheid te bepalen en ermee rekening te houden dat de stopzetting van de litigieuze industriële activiteit vastgesteld werd op 30 december 1999 en bijgevolg het bedrag van de heffing te verminderen tot 363/365sten van het gevorderde bedrag, zijnde 29.463,37 euro in plaats van 29.625,71 euro. Bijgevolg moet [de verweerder] ertoe veroordeeld worden om 162,34 euro verhoogd met gerechtelijke interest vanaf 16 augustus 2000 aan (de eiseres) terug te betalen". Grieven Eerste onderdeel Artikel 7, §2bis, ingevoegd in de wet van 21 januari 1987 inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten, ingevoegd bij de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen heeft een heffing ingevoerd wegens de uitoefening van sommige industriële activiteiten en bevat de volgende bepalingen: - "Om de bestuurs-, werkings-, studie-, en investeringskosten te dekken welke opgelopen zijn voor de Civiele Bescherming, alsook om de kosten van de preventie-opdrachten te dekken aangegaan in toepassing van deze wet (...), wordt een heffing geheven per industriële activiteit (...). De heffing is verschuldigd door de fabrikant die verantwoordelijk is voor de industriële activiteit. Voor de toepassing van deze bepalingen wordt iedere industriële activiteit ingedeeld volgens de stoffenkarakteristieken en de procesparameters van de industriële activiteit in een van de volgende categorieën: (hierna volgen de definities van de categorieën I, II en III, volgens een brand- en explosie-index en een toxiciteitsindex (...). Voor de aldus ingedeelde industriële activiteiten wordt het bedrag van de heffing als volgt vastgesteld: categorie II: 1 000.000 frank. Die bedragen worden gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen ..." (artikel 7, § 2bis, 1°, zoals het werd gewijzigd bij de wet van 26 juni 1992). - "De heffing is verschuldigd vanaf het belastingjaar 1991"; zij "wordt vastgesteld op basis van de toestand tijdens het voorafgaande jaar"; "de heffingsaanslag geschiedt eenmaal per jaar, in de loop van de maand maart"(artikel 7, § 2bis, 3°). Zoals het arrest erkent, is de jaarlijkse heffing, ingevoerd bij de wet van 29 december 1990 vanaf het belastingjaar 1991, een belasting, en meer bepaald een directe belasting, aangezien zij regelmatig een van nature duurzame toestand belast. Net als de inkomstenbelastingen is die directe belasting slechts verschuldigd door een persoon, voor een welbepaald aanslagjaar, als hij voldoet aan de voorwaarden voor de verschuldigdheid van de belasting op 1 januari van het belastingjaar, op welk tijdstip in beginsel de belastingschuld ontstaat. Als die voorwaarde vervuld is, wordt de belasting vastgesteld " op basis van de toestand tijdens het voorafgaande jaar", wat overstemt met het onderscheid dat inzake inkomstenbelastingen gemaakt wordt tussen aanslagjaar en belastbare tijdperk (artikel 200 koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen). In deze zaak voldeed de eiseres op 1 januari van het belastingjaar 2000 niet langer aan de voorwaarden tot verschuldigdheid van de belasting, aangezien de belasting verschuldigd is "door de fabrikant die verantwoordelijk is voor de industriële activiteit" en de eiseres, op 1 januari 2000, niet langer die industriële activiteit uitoefende. Die uitlegging van de wet, die door de eerste rechter is aanvaard, wordt bevestigd door het feit dat de heffing, die werd ingevoerd bij een wet van 29 december 1990, verschuldigd is vanaf het belastingjaar 1991. Het lijdt geen twijfel dat een firma die, bijvoorbeeld, een bij de wet bedoelde industriële activiteit zou hebben uitgeoefend tot in oktober 1990 maar ze op dat ogenblik zou hebben stopgezet, de bij de wet van 29 december 1990 ingevoerde belasting niet verschuldigd zou zijn voor het belastingjaar 1991: door hierover anders te beslissen zou aan de wet 29 december 1990 een terugwerkende kracht worden verleend waarin die wet niet voorziet en die strijdig is met artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, aangezien de belasting, in die onderstelling, zou slaan op een activiteit die vóór de afkondiging van de wet was stopgezet. Bijgevolg kon de heffing voor het belastingjaar 1991 niet slaan op de fabrikanten die op 1 januari 1991 een bij de wet bedoelde industriële activiteit uitoefenden. (Daarentegen, in strijd met wat het arrest zegt in de hierboven weergeven redenen,
(1)en
(3), was de eiseres, die op 1 januari 1991 een industriële activiteit uitoefende in de zin van de wet, en die zij vóór die datum begonnen was, wettelijk gezien de belasting voor het belastingjaar 1991 verschuldigd "op basis van de toestand tijdens het voorafgaande jaar", zijnde het jaar 1990, krachtens voornoemd artikel 7, § 2bis, 1°, en niet op basis van de toestand van het jaar
- De door het arrest vermelde omstandigheid dat, volgens artikel 6 van het koninklijk besluit van 6 augustus 1991 tot vaststelling van de modaliteiten en de procedure voor het bepalen van de gevarenindexen van bepaalde industriële activiteiten, de fabrikant de indexen voor het aanslagjaar 1991 overmaakt tegen uiterlijk 15 oktober 1991, houdt geen afwijking in op de algemene regel van artikel 7, § 2bis, 1°, van voornoemde wet). Wat geldt voor het belastingjaar 1991 geldt noodzakelijkerwijs voor elk van de volgende aanslagjaren en bevestigt dat een persoon, voor elk van die belastingjaren, de belasting slechts verschuldigd is als hij op 1 januari van het belastingjaar de bij de wet bedoelde activiteit uitoefent. Die uitlegging, ingegeven door de tekst van wet, heeft als, beslist paradoxaal, gevolg dat eiseres geen enkele heffing verschuldigd is voor de industriële activiteit die zij van 1 januari tot 30 december 1999 heeft uitgeoefend. Dat is het gevolg van het feit dat de wet van 29 december 1990 die de heffing heeft ingevoerd, het geval niet heeft geregeld van de persoon die vóór 31 december van een jaar niet meer voldoet aan de gronden voor belastbaarheid (vergelijk artikel 203 uitvoeringsbesluit van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992: "met betrekking tot belastingplichtigen voor wie de gronden voor belastbaarheid vóór 31 december zijn weggevallen, stemt het belastbare tijdperk overeen met het gedeelte van het jaar waarin die gronden aanwezig zijn geweest" en "het aanslagjaar wordt genoemd naar het jaar waarin de gronden voor belastbaarheid weggevallen zijn"). Het staat niet aan de rechterlijke macht om de leemte in de wet van 29 december 1990 op te vullen. Door te oordelen dat de eiseres de litigieuze heffing van het belastingjaar 2000 verschuldigd is hoewel zij op 30 december 1999 industriële activiteit stopgezet heeft, schendt het arrest, bijgevolg, artikel 7, § 2bis, 1° en 3°, aangewezen in de aanhef van het middel. (...) A. In de zaak A.R. F.06.0001.F De eiser voert in zijn memorie een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen Artikel 7, § 2bis, 1° en 3°, van de wet van 21 januari 1987 inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten, ingevoegd bij de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen vóór de wijziging ervan bij de wet van 26 mei 2002 tot wijziging van de wet van 21 januari 1987 inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten. Aangevochten beslissingen Het arrest verklaart eerst de eisers vordering gegrond en beslist vervolgens de litigieuze heffing naar evenredigheid te berekenen en eiser te veroordelen tot betaling aan verweerster van het bedrag van 162,34 euro, vermeerderd met gerechtelijke interest vanaf 16 augustus 2000, op grond dat: "Gelet op het feit dat de heffing wordt vastgesteld volgens de toestand gedurende het voorgaande jaar, is het evenwel gerechtvaardigd (en meer bepaald om het door de eerste rechter gelaakte kwalijke gevolg te vermijden: verscheidene heffingen voor hetzelfde jaar en voor dezelfde industriële activiteit tijdens het jaar, maar met opeenvolgende verantwoordelijke fabrikanten) zoals [de eiser] bijkomend aanvoert, de heffing naar evenredigheid te bepalen en ermee rekening te houden dat de stopzetting van de litigieuze industriële activiteit vastgesteld werd op 30 december 1999 en bijgevolg het bedrag van de heffing te verminderen tot 363/365sten van het gevorderde bedrag, zijnde 29.463,37 euro in plaats van 29.625,71 euro". Grieven Artikel 7, §2bis, van de wet van 21 januari 1987, zoals het werd ingevoegd bij artikel 207 van de wet van 29 december 1990, luidt als volgt: "1° Om de bestuurs-, werkings-, studie-, en investeringskosten te dekken welke opgelopen zijn voor de Civiele Bescherming, alsook om de kosten van de preventie-opdrachten te dekken aangegaan in toepassing van deze wet (...), wordt een heffing geheven per industriële activiteit. De heffing is verschuldigd door de fabrikant die verantwoordelijk is voor de industriële activiteit. Voor de toepassing van deze bepalingen wordt iedere industriële activiteit ingedeeld volgens de stoffenkarakteristieken en de procesparameters van de industriële activiteit in een van de volgende categorieën (categorieën I, II of III). Voor de aldus ingedeelde industriële activiteiten wordt het bedrag van de heffing als volgt vastgesteld: categorie I: 500.000 frank; categorie II: 1.000.000 frank; categorie III: 2.400.000 frank. Die bedragen worden gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen (...). 3° De heffing is verschuldigd vanaf het belastingjaar
- De heffing wordt vastgesteld op basis van de toestand tijdens het voorafgaande jaar. De heffingsaanslag geschiedt eenmaal per jaar, in de loop van de maand maart". Uit de algemeenheid van de bewoordingen van artikel 7, § 2bis, 3°, tweede lid, volgt dat een gedeeltelijke activiteit leidt tot een heffing die gelijk is aan die welke verschuldigd is voor de uitoefening van die activiteit gedurende een volledig jaar. De precisering volgens welke de heffing wordt vastgesteld "op basis van de toestand tijdens het voorafgaande jaar" heeft niet als gevolg dat de heffing naar evenredigheid wordt verdeeld wanneer de activiteit van het voorafgaande jaar slechts tijdens een deel van dat jaar is uitgeoefend. Die uitlegging wordt bevestigd door de regeling van de inwerkingtreding van artikel 7, § 2bis, en zijn latere wijzigingen. Het arrest schendt artikel 7, § 2bis, 3°, van de wet van 21 januari 1987 wanneer het de litigieuze heffing naar evenredigheid verdeelt en bijgevolg de eiser veroordeelt om aan verweerster het bedrag te betalen van 162,34 euro, vermeerderd met gerechtelijke interest vanaf 16 augustus
- III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling De cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde arrest. Er bestaat grond tot voeging. A. In de zaak nr. F.05.0084.F: Het middel Eerste onderdeel Artikel 7, §2bis, 1°, eerste lid, van de wet van 21 januari 1987 inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten, in de versie die van toepassing is op het geschil, bepaalt dat om de bestuurs-, werkings-, studie-, en investeringskosten te dekken welke opgelopen zijn voor de Civiele Bescherming, alsook om de kosten van de preventieopdrachten te dekken aangegaan door de Ministers die de Tewerkstelling en de Arbeid en het Leefmilieu in hun bevoegdheid hebben, een heffing wordt geheven per industriële activiteit en dat de heffing verschuldigd is door de fabrikant die verantwoordelijk is voor de industriële activiteit. Paragraaf 2bis, 3°, van dat artikel bepaalt dat de heffing verschuldigd is vanaf het belastingjaar 1991 en dat de heffing wordt vastgesteld op basis van de toestand tijdens het voorafgaande jaar, en dat de heffingsaanslag eenmaal per jaar geschiedt, in de loop van de maand maart. Hieruit volgt dat de betrokken onderneming belast wordt op grond van de industriële activiteit die zij uitoefende in het jaar vóór het belastingjaar. Het onderdeel dat staande houdt dat die onderneming de heffing slechts verschuldigd is als zij, bovendien, die activiteit uitoefende op 1 januari van het belastingjaar, faalt naar recht. (...) In de zaak nr. F.06.0001.F Het middel Uit artikel 7, §2bis, 1°, van de wet van 21 januari 1987 volgt dat de daarin bedoelde ondernemingen onderworpen zijn aan een jaarlijkse heffing van een vast bedrag zonder dat daarbij een onderscheid wordt gemaakt naargelang die industriële activiteit al dan niet tijdens het gehele jaar voorafgaand aan het belastingjaar werd uitgeoefend. Het arrest dat het bedrag van de heffing berekent in verhouding tot de duur van de activiteit die tijdens het refertejaar is uitgeoefend, schendt de in het middel aangewezen bepaling. Het middel is gegrond. De vernietiging van de beslissing van het arrest om de eiser te veroordelen tot terugbetaling van 162,34 euro strekt zich uit tot het dictum van het arrest dat uitspraak doet over de nieuwe vordering van de verweerster om de gerechtelijke interest op dat bedrag te kapitaliseren, dat het gevolg ervan is. Dictum Het Hof, Voegt de cassatieberoepen in de zaak nr. F.05.0084.F en in de zaak nr. F.06.0001.F van de algemene rol. Uitspraak doende in de zaak nr. F.05.0084.F: Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. Uitspraak doende in de zaak nr. F.06.0001.F: Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het de litigieuze heffing vernietigt die vastgesteld is voor het belastingjaar 2000 in zoverre dat hoger is dan het bedrag van 29.463,37 euro, het de eiser veroordeelt om verweerster het onterecht ontvangen bedrag van 162,34 euro terug te betalen, vermeerderd met gerechtelijke interest vanaf 16 augustus 2000, en het uitspraak doet over de nieuwe vordering van de verweerster, alsook over de kosten; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Luik. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, de raadsheren Christian Storck, Didier Batselé, Sylviane Velu en Benoît Dejemeppe, en in openbare terechtzitting van veertien december tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart. Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem. De griffier, De afdelingsvoorzitter, PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061214.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div