← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061215.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061215.2 Rolnummer: F.05.0019.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Overige Invoerdatum: 2007-02-21 Raadplegingen: 796 - laatst gezien 2026-07-04 05:48 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De belastingplichtige die een aanslag betwist en die in de loop van het geding, behalve de ontheffing ook de vernietiging ervan vraagt wegens een onregelmatigheid in de vestigingsprocedure, steunt de uitbreiding van zijn vordering op een akte die bij de inleiding van het geding is aangevoerd, zodat een dergelijke eisuitbreiding toelaatbaar is

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - ALLERLEI UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Andere Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - ALLERLEI Vordering in rechte Uitbreiding van de vordering Vordering gesteund op de gedinginleidende akte Begrip Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.807 Nota: F.05.0019.N Conclusies van advocaat-generaal Dirk THIJS: 1. Sedert de wetten van 15 en 23 maart 1999 verloopt de procedure in fiscale zaken bij de hoven en rechtbanken in de regel volgens de regels van het Gerechtelijk Wetboek en dit is een belangrijke nieuwigheid. De voorafgaande administratieve fase - het bezwaar bij de directeur der belastingen - bleef echter behouden. Ook onder het nieuwe fiscale procesrecht moet een bezwaar tegen een belastingaanslag eerst voorgelegd worden aan de directeur der belastingen (zie artikel 1385undecies, eerste lid, Ger.W.). Een dergelijk geschil betreffende de toepassing van een belastingwet kan vervolgens bij verzoekschrift op tegenspraak worden ingeleid bij de rechtbank van eerste aanleg. De rechtsmacht van de rechter wordt onder de nieuwe fiscale procedure niet meer beperkt door de omvang van de bezwaren die aan de directeur der belastingen werden voorgelegd. De belastingplichtige mag dus in zijn verzoekschrift bezwaren formuleren die niet bij de directeur werden aangevoerd of waarover deze zich niet van ambtswege heeft uitgesproken
(1). De wetgever wou duidelijk kom af maken met de beperkingen die het oude fiscaal procesrecht inzake nieuwe grieven en nieuwe stukken oplegde aan de belastingplichtige
(2). Daarmee is duidelijk dat de belastingplichtige bij het inleiden van het geding nieuwe grieven kan aanvoeren en nieuwe stukken kan voorleggen en dat hij niet meer wordt belemmerd door het mogelijk te beperkte verweer dat hij heeft gevoerd in de fase van het bezwaar bij de directeur. Van zodra de vordering in rechte is ingeleid, wordt het aanvoeren van nieuwe grieven in de loop van de procedure beperkt door het gemeen procesrecht en meer bepaald door artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek
(3). Tijdens de parlementaire voorbereiding verwees de Minister van Financiën uitdrukkelijk naar deze wetsbepaling
(4). Recente rechtspraak leert dat de concrete draagwijdte van deze wetsbepaling in fiscalibus erg omstreden is.
  1. De relevante feiten, die ten grondslag liggen aan het cassatieberoep van eisers, kunnen als volgt worden samengevat. In hun gedinginleidende akte vroegen eisers de gedeeltelijke ontheffing van de betwiste aanslag in de personenbelasting voor het aanslagjaar
  2. De betwisting had in den beginne slechts betrekking op een gedeelte van de inkomsten dat - althans volgens eisers - verkeerdelijk werd belast als pensioeninkomen. Ter zitting van de rechtbank van eerste aanleg van 26 mei 2003 stelt de eerste rechter de afwezigheid vast van een bericht van wijziging van aangifte en stelt hij de zaak in voortzetting om partijen toe te laten aanvullend te concluderen. Eisers breiden vervolgens hun eis uit bij conclusie en vorderen de vernietiging van de betwiste aanslag wegens de niet verzending van een bericht van wijziging, zoals voorgeschreven bij artikel 346 W.I.B.
  3. Dit vormvereiste betreft een substantiële formaliteit waarvan de miskenning leidt tot de integrale vernietiging van de aanslag
(5). Het bestreden vonnis verklaart de uitgebreide vordering toelaatbaar en vernietigt de aanslag integraal omdat er geen bericht van wijziging werd verzonden. De appèlrechters oordelen dat de oorzaak van de vordering in casu de aanslag is, zijnde het rechtsfeit dat aan de betwisting ten grondslag ligt. Zij oordelen tevens dat eisers zowel het voorwerp als de oorzaak van hun vordering gewijzigd hebben. Omwille van die reden oordelen zij dat de eerste rechter ten onrechte de uitgebreide vordering op grond van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek toelaatbaar heeft verklaard.
  1. Eisers verwijten de appèlrechters dat zij met hun beslissing artikel 807 Ger. W. hebben geschonden. Aangezien de gewijzigde vordering tevens steunt op dezelfde aanslag als vermeld in de gedinginleidende akte, hadden de appèlrechters naar hun oordeel de gewijzigde vordering toelaatbaar moeten verklaren. Artikel 807 Ger. W. vereist volgens eisers immers niet dat het ander feit, waarop de gewijzigde vordering van eisers steunt (in casu het niet verzenden van een bericht van wijziging van de aanslag) tevens in de gedinginleidende akte zou worden vermeld.
  2. Een vordering die voor de rechter aanhangig is, kan slechts worden uitgebreid of gewijzigd onder de voorwaarden gesteld door artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek. Krachtens die wetsbepaling kan een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. De gewijzigde of uitgebreide vordering moet met andere woorden worden geformuleerd in een op tegenspraak genomen conclusie en moet gebaseerd zijn op een feit of akte in de gedinginleidende akte aangevoerd. Een voorbeeld ter illustratie. In een betwisting over een onteigening werd door de overheid een vordering ingesteld tot herziening van de voorlopig toegekende vergoeding. Nadien betoogde de overheid in een nieuwe op tegenspraak genomen conclusie dat sterke concentraties van zware metalen waren aangetroffen in de bodem van de onteigende grond zodat de waarde van het goed verminderd was tot een symbolische frank en stelde zij een nieuwe vordering in waarbij zij de onteigende aansprakelijk stelde voor de betaling van de kosten voor de sanering van de grond. De appèlrechters verklaarden die laatste vordering ontvankelijk om reden 'dat zij gebaseerd is op het feit van de onteigening waarmee zij nauw verbonden is, met dien verstande dat de vordering te dezen alleen verantwoord kan zijn aan de zijde van onteigende overheid'. Deze beslissing werd door het Hof in zijn arrest van 19 april 2002 vernietigd omdat deze nieuwe vordering niet gegrond was op een feit of een akte in de dagvaarding aangevoerd
(6). 5. Vermits de uitgebreide rechtspraak van het Hof over artikel 807 Ger. W. reeds uitvoerig werd besproken in het Jaarverslag 2001-2002, beperken we ons hier tot enkele krachtlijnen
(7). Algemeen wordt aanvaard dat artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek toelaat het voorwerp van de oorspronkelijke vordering uit te breiden of te wijzigen mits de 'oorzaak' van de vordering niet volledig wordt gewijzigd
(8). Er moet m.a.w. een voldoende verband zijn tussen de oorspronkelijke en de uitgebreide of gewijzigde vordering. Artikel 807 Ger. W. verzet zich niet tegen een wijziging van de juridische kwalificatie van de feiten, die aan de eis ten grondslag liggen. De wijzigende en de oorspronkelijke vordering moet bijgevolg niet dezelfde juridische grondslag hebben
(9). 6. Uw Hof heeft in het verleden een ruime interpretatie gegeven aan het voorschrift van artikel 807 Ger. W.
(10). Deze wetsbepaling vereist niet dat de nieuwe vordering, wanneer zij berust op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, uitsluitend op dat feit of die akte berust
(11). De rechter mag tevens steunen op nieuwe feiten die zich sedert de dagvaarding hebben voorgedaan of sedertdien zijn ontdekt en een weerslag hebben op het geschil
(12). Het beginsel van de onveranderlijkheid van het geschil moet ook volgens de rechtsleer doelgericht en niet te strak worden geïnterpreteerd
(13). Procureur-generaal Krings heeft er in dit verband op gewezen dat artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek de proceseconomie dient. Het was immers de bedoeling van de wetgever dat betwistingen tussen partijen zoveel mogelijk ineens zouden worden afgedaan. Door de ruime mogelijkheden die artikel 807 Ger. W. biedt voor het instellen van een uitgebreide of gewijzigde vordering wou men vermijden dat 'nieuwe vorderingen' omwille van zuivere processuele redenen zouden aanleiding moeten geven tot een nieuw geding, met bijkomende kosten en tijdverlies
(14). 7. Voor een goed begrip van artikel 807 Ger. W. moeten we even stilstaan bij de begrippen 'voorwerp van de vordering' en 'oorzaak van de vordering'. De eerste notie laat zich vrij eenvoudig definiëren: het voorwerp van de vordering is datgene wat de eiser vordert. Het is m.a.w. de gevorderde zaak, de gevorderde maatregel, de aanspraak die men op een zaak doet gelden of de aanspraak op een recht
(15). De rechter mag geen uitspraak doen over niet gevorderde zaken of meer toekennen dan er gevraagd was. Hij beslist dan immers 'ultra petita' en schendt zodoende het beschikkingsbeginsel dat is neergelegd in artikel 1138, 2° Ger.W. Dit heeft o.m. tot gevolg dat de rechter in fiscalibus een belastingaanslag niet integraal kan vernietigen, indien de eisende partij slechts een ontheffing - d.i. een gedeeltelijke vernietiging - van de aanslag vraagt (bv. om reden dat een verkeerd tarief werd toegepast). 8. Over de juiste definitie van het begrip 'oorzaak van de vordering' bestaat er geen eensgezindheid. Volgens een eerste opvatting is de oorzaak van de vordering het rechtsfeit en/of de rechtshandeling die dient tot staving van het gevorderde
(16). De oorzaak zou het geheel van de rechtsfeiten omvatten die door de eisende partij worden ingeroepen tot staving van het recht waarvan hij de erkenning of bescherming vraagt. Volgens procureur-generaal Krings is de oorzaak de titel waarop de partij zich beroept om uit het vastgestelde feit, het gevorderde te bekomen
(17). Unaniem wordt aanvaard dat de oorzaak niet verwijst naar de rechtsgrond of de rechtsnorm(en) die toepasselijk zijn op het geschil
(18). Deze moet de rechter zelf vaststellen op grond van de hem voorgelegde rechtsfeiten of rechtshandelingen. Over de vraag of 'de oorzaak' verwijst naar het rechtsfeit dat tot de onmiddellijke grondslag van de vordering dient, of naar het geheel van feiten die de eiser inroept om de inwilliging van zijn vordering te verkrijgen, bestaat reeds lange tijd discussie
(19). In een recent arrest van 14 april 2005 is het Hof die laatste opvatting bijgetreden. Het Hof omschrijft in dit arrest de taak van de rechter als volgt: 'de rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop toepasselijke rechtsregel; mits hij het recht van verdediging eerbiedigt, heeft de rechter de plicht ambtshalve de middelen in rechte op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten, die door de partijen in het bijzonder worden aangevoerd tot staving van hun eisen'. Het zijn de 'naakte' feiten en niet de feiten onder een juridische kwalificatie die de oorzaak van de vordering uitmaken. De rechter die beslist dat eiser zich niet beroept op de contractuele aansprakelijkheid van de verweerder maar enkel op zijn quasi-delictuele aansprakelijkheid en op grond hiervan beslist dat hij niet kan nagaan of verweerder contractueel aansprakelijk is op grond van de feiten die eiser tot staving van zijn vordering aanvoerde, miskent het beschikkingsbeginsel
(20). Het beschikkingsbeginsel houdt anderzijds ook in dat de rechter zich niet mag steunen op feiten die niet door de partijen zijn aangevoerd. Doet de rechter dit wel, dan wijzigt hij de oorzaak van de vordering en miskent hij het beschikkingsbeginsel
(21). De rechter is echter in de regel niet gebonden door de kwalificatie of juridische omschrijving die de eisende partij heeft gegeven aan de feiten, waarop zij zich beroept, en mag rechtsgronden aanvullen. Hij mag echter onder geen beding de door de partijen gestelde feiten ambtshalve aanvullen. De regel dat de rechter de oorzaak van de vordering niet mag wijzigen, geldt zelfs indien de betwisting de openbare orde raakt. 9. In een lijvige circulaire over de nieuwe fiscale procedure beklemtoont de administratie dat de toepassing van het gemeen procesrecht in fiscale zaken inhoudt dat de belastingplichtige na de inleiding van het geding zijn vordering slechts kan uitbreiden of wijzigen onder de voorwaarden van artikel 807 Ger. W.
(22). Dit impliceert, aldus de circulaire, dat nieuwe vorderingen die de belastingplichtige in de loop van de procedure formuleert en die uitsluitend gegrond zijn op feiten die niet voorkomen in het gedinginleidende verzoekschrift niet ontvankelijk zijn. Volgens de fiscus kan een belastingplichtige die in zijn verzoekschrift slechts als grief laat gelden dat de beroepskosten ten onrechte werden geweigerd, later niet meer in zijn conclusies aanvoeren dat hij eveneens recht heeft op investeringsaftrek. De belastingadministratie geeft in de circulaire nog enkele andere voorbeelden van zogenaamde niet-ontvankelijke nieuwe vorderingen en past daarbij artikel 807 Ger. W. toe op een wijze die uitermate betwistbaar is
(23). De fiscus stelt daarnaast de 'oorzaak van de vordering' van de belastingplichtige gelijk met de juridische grondslag van de eis, of met de juridische titel waarop wordt gesteund om de vordering ingewilligd te zien. Daaruit zou volgen dat 'de rechter die ambtshalve elementen van het dossier herkwalificeert om een andere rechtsnorm toe te passen dan die welke werd aangevoerd ter ondersteuning van de vordering, de oorzaak van de vordering wijzigt en het recht van de partijen schendt om de grenzen van de vordering zelf te bepalen'.
(24)Die gevolgtrekking strookt evenwel niet met de rechtspraak van het Hof en met de zienswijze van de rechtsleer. De rechter mag in beginsel de juridische grondslag van de vordering d.i. hetgeen partijen inroepen tot staving van hun vordering, wijzigen en vervangen door een andere rechtsgrond
(25). Dit kan slechts op voorwaarde dat de rechter geen betwisting opwerpt waarvan het bestaan door de conclusies van de partijen is uitgesloten, dat hij enkel op regelmatig aan zijn beoordeling voorgelegde feiten of stukken steunt en dat hij noch het voorwerp noch de oorzaak van de vordering wijzigt
(26). Het voorgaande toont aan dat het standpunt van de fiscale administratie onverenigbaar is met de regels van het gemeenrechtelijk procesrecht inzake het uitbreiden of wijzigen van een vordering. Artikel 807 Ger. W. vereist in elk geval niet dat de wijzigende en de oorspronkelijke vordering dezelfde juridische grondslag hebben
(27). 10. Sommige auteurs gaan lijnrecht in tegen de zienswijze dat artikel 807 Ger. W. van toepassing is op de vordering die de belastingplichtige inleidt tegen een belastingaanslag
(28). Zij verdedigen de opvatting dat de betwisting van een belastingaanslag voor de fiscale rechtbank een verzetprocedure is. Vermits de belastingplichtige niet optreedt als eiser maar als verweerder zou hij zijn verweer kunnen voeren op een onbeperkte wijze en in de loop van het geding steeds nieuwe feitelijke en juridische grieven kunnen inroepen. De beperkingen die gelden voor het uitbreiden of wijzigen van een vordering (cfr. artikel 807 Ger. W.) zijn immers niet van toepassing op een verweer. Met deze opvatting kan echter niet worden ingestemd. Uit de artikelen 1385decies en 1385undecies Ger. W. blijkt immers dat de belastingplichtige een vordering betreffende de toepassing van de belastingwet inleidt en dat hij bijgevolg de eisende partij is
(29).
  1. Uit een overzicht van de gepubliceerde rechtspraak blijkt dat de uitbreiding van de vordering van de belastingplichtige meer dan eens wordt afgewezen omwille van artikel 807 Ger. W. Twee opvattingen staan lijnrecht tegenover elkaar.
  2. Door een deel van de rechtspraak wordt aangenomen dat de oorzaak van de vordering de betwiste aanslag is
(30). De (betwiste) aanslag wordt aanzien als het rechtsfeit dat aan de vordering ten grondslag ligt. Deze opvatting wordt ook verdedigd door de meeste auteurs en maakt het mogelijk om de diverse onwettigheden die kleven aan de aanslag in elke stand van het geding op te werpen
(31). Vraagt de belastingplichtige eerst een gedeeltelijke ontheffing van de aanslag (bv. omdat een deel van het inkomen naar zijn oordeel niet belastbaar is) en later de nietigheid van de aanslag omwille van een procedurefout in de fase van het vestigen van de aanslag, dan vormt artikel 807 Ger. W. hiervoor geen beletsel. De uitbreiding van de vordering steunt dan immers op dezelfde oorzaak (de betwiste aanslag). 13. Niet zelden wordt de 'oorzaak van de vordering' in fiscalibus op een andere wijze ingevuld. Een deel van de rechtspraak is namelijk de mening toegedaan dat de rechtsfeiten op basis waarvan de belastingaanslag wordt betwist de oorzaak van de vordering uitmaken en slaat in die optiek acht op de precieze middelen of grieven die de belastingplichtige aanvoert om de gehele of gedeeltelijke onwettigheid van de belastingaanslag aan te tonen
(32). Volgens die zienswijze moet de rechter in concreto kijken naar de in de gedinginleidende akte opgeworpen rechtsfeiten en op die manier de oorzaak van de vordering precies omschrijven. De oorzaak van de vordering van de belastingplichtige is dan het rechtsfeit dat de aangevoerde onwettelijkheid staaft. Indien de eisuitbreiding inhoudt dat de rechtstreekse juridische grondslag van de eis wijzigt (bv. eerst wordt de gedeeltelijke onwettigheid van de aanslag aangevoerd wegens de schending van een materiële belastingwet en later de integrale onwettigheid wegens schending van een procedurevoorschrift) dan wijzigt de oorzaak van de vordering en is de uitgebreide vordering om die reden niet toelaatbaar. 14. De definitie die in het Franse bestuursrecht wordt gegeven aan het causa-begrip spoort hiermee voor een deel gelijk. Bij onze zuiderburen wordt in administratieve geschillen de oorzaak van de vordering omschreven als 'le fondement juridique de la demande' en wordt een onderscheid gemaakt naargelang de oorzaak van de vordering betrekking heeft op een interne of een externe onwettigheid. Indien de burger in eerste instantie de interne onwettigheid van een administratieve rechtshandeling inroept en later zijn vordering tot nietigverklaring steunt op een externe onwettigheid dan wijzigt hij de oorzaak van zijn vordering
(33). In het Franse fiscale procesrecht wordt dan weer een onderscheid gemaakt tussen vier mogelijke 'oorzaken' van de vordering: de gegrondheid van de aanslag, de aanslagprocedure, de procedure van invordering en de boeten
(34). 15. De vraag of de belastingplichtige de oorzaak van zijn vordering wijzigt indien hij in de loop van het geding een andere vorm van onwettigheid aanvoert dan in zijn gedinginleidende akte, moet m.i. ontkennend worden beantwoord. De oorzaak van de vordering van de belastingplichtige is 'de betwiste aanslag' of de onregelmatigheid van de aanslag. De rechter moet zijn blik niet richten op de concrete onwettigheid die wordt aangevoerd, want dan bevindt hij zich reeds te zeer op het terrein van de juridische kwalificatie. De hier verdedigde opvatting, die aansluit bij een meerderheidsstrekking in de rechtsleer (cfr. supra, sub nr. 12), houdt ook rekening met de specifieke kenmerken van een geschil inzake belastingen. De burger die een administratieve rechtshandeling, zoals een belastingaanslag, aanvecht, verdedigt zich tegen een akte die zijn rechtstoestand wijzigt en die geacht wordt gelijkvormig te zijn met het recht (het zgn. 'privilège du préalable '). Het feit dat aanleiding geeft tot de vordering van de belastingplichtige is de betwiste belasting en meer bepaald de omstandigheid dat de belasting niet wettelijk verschuldigd is. Het feit of beter de 'akte' (d.i. de rechtshandeling) waar het in een dergelijke fiscale betwisting om draait is 'de aanslag' en het bestaan van deze akte werd zeker vermeld in de gedinginleidende akte. De verschillende onwettigheden die de belastingplichtige aanvoert te zijner verdediging, leiden niet tot een wijziging van de 'oorzaak' van zijn vordering maar zijn enkel middelen die in elke stand van het geding kunnen worden ingeroepen
(35). Door deze meer algemene omschrijving wordt de 'oorzaak' van de vordering in het fiscaal contentieux duidelijk losgekoppeld van de concrete onwettigheid die wordt aangevoerd. 16. We kunnen voorts niet omheen de vaststelling dat de fiscale rechter recht moet spreken op basis van de feiten die hem worden voorgelegd en dat zijn rechtsmacht zich - althans sinds de hervorming van 1999 - niet noodzakelijk beperkt tot het uitspraak doen over de vermeende onwettigheden die worden aangevoerd door de belastingplichtige. De hoven en rechtbanken hebben op grond van artikel 159 van de Grondwet de plicht de wettigheid te toetsen van de overheidsbesluiten en van de individuele administratieve rechtshandelingen - en dus ook van de belastingaanslagen - waarvan de toepassing wordt gevorderd
(36). Dit impliceert dat de rechter zijn onderzoek niet noodzakelijk moet beperken tot de onwettigheden die door de belastingplichtige worden aangevoerd. Indien de rechter de belastingaanslag omwille van een andere rechtsgrond dan de initieel aangevoerde onwettig acht, treedt hij niet buiten de perken van het geschil en bezondigt hij zich niet aan een verboden aanvulling van feiten, wanneer hij daaromtrent de debatten heropent om de belastingplichtige toe te laten zijn oorspronkelijke vordering uit te breiden. De (formele en materiële) correctheid van de belastingaanslag raakt immers de openbare orde. Middelen die de openbare orde raken worden geacht van rechtswege deel uit te maken van een (fiscaal) geschil. Er kan dan ook weinig twijfel over bestaan dat de rechtbank van eerste aanleg de legaliteit van een aanslag in de directe belastingen mag controleren en dat haar macht verder reikt dan de concrete onwettigheid die door de belastingplichtige wordt aangevoerd
(37). Noch de rechter die ambtshalve een 'nieuwe' grond van onwettigheid van de aanslag opwerpt, noch de belastingplichtige die in de loop van het geding de reden van zijn vordering tot nietigverklaring van de aanslag wijzigt, brengen een verandering aan in de 'oorzaak van de vordering'
(38). 17. Het voorgaande leidt tot het besluit dat de oorzaak van de vordering van eisers in casu de 'betwiste belasting' is, of anders uitgedrukt 'de vermeende onregelmatigheid van de aanslag'. Door in de loop van het geding de vernietiging van de aanslag te vorderen wegens de miskenning van een procedurevoorschrift hebben de eisers hun oorspronkelijke vordering, waarbij zij die aanslag slechts gedeeltelijk betwistten, uitgebreid, zonder evenwel de oorzaak van die vordering te wijzigen. De appèlrechters hebben bijgevolg artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek geschonden door te oordelen dat 'de eerste rechter ten onrechte de uitgebreide vordering toelaatbaar heeft verklaard'. Het eerste onderdeel komt dan ook gegrond voor. Besluit: VERNIETIGING. _______________
(1)Zie de toelichting bij het Amendement nr. 22 van de Regering, Parl. St., Senaat, zitting 1998-1999, nr. 1-967/7, 4 dat tot doel had om de oorspronkelijke voorziene begrenzing van de grieven die konden worden ingeroepen voor de rechtbank van eerste aanleg te schrappen. De eiser mag voor de rechter dus bezwaren aanvoeren die hij niet heeft geopperd in het stadium van het administratief beroep (Wetsontwerp betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, Senaat, Parl. St., 1998-99, nr. 1-966/11, é).
(2)Nieuwe bezwaren konden onder het oude fiscaal procesrecht worden aangevoerd voor zover zij een overtreding van de wet of een schending van de op straffe van nietigheid voorgeschreven procedurevormen aanvoerden (oud artikel 377, tweede lid, W.I.B. 1992). Die bezwaren moesten op straffe van verval worden geformuleerd in de voorziening of wel in een geschrift aan de griffie van het Hof van Beroep worden afgegeven binnen de zestig dagen na de neerlegging van het administratief dossier door de directeur der belastingen (cfr. oud artikel 378 en 381 W.I.B. 1992).
(3)J. LINSMEAU, 'Les conséquences et effets pratiques de l'application du Code judiciaire à la nouvelle procédure fiscale', in La nouvelle procédure fiscale et sa pratique, Brussel, Editions du Jeune Barreau, 1999, 151-155. Vóór de hervorming van 1999 was artikel 807 Ger. W. niet toepasselijk op de procedure in fiscale zaken voor het Hof van Beroep vermits de nieuwe bezwaren-regeling van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen hiermee onverenigbaar was (Cass., 14 september 1976, A.C., 1977, 57; P. VAN ORSHOVEN, Behoorlijke rechtsbedeling bij geschillen over directe rijksbelastingen, Antwerpen, Kluwer, 1987, p. 404, nr. 320).
(4)Zie o.m. Parl. St., Senaat, 1998-99, nr. 1-966/11, 232. Naar aanleiding van een amendement van senator Hatry bevestigde de Minister de toepassing van het Gerechtelijk Wetboek op het nieuwe fiscaal procesrecht en verwees hij uitdrukkelijk naar de artikelen 807 en 1042 Ger.W. Ook op andere plaatsen kwam artikel 807 Ger. W. ter sprake. Zo verklaarde de Minister dat hij met het oog op de gelijkheid voor de rechter de administratie niet wil verbieden argumenten en middelen aan te voeren die zij niet in de administratieve fase heeft gebruikt, aangezien alle partijen in de gerechtelijke fase nieuwe argumenten ontdekken (Ibidem, 235).
(5)Cass., 4 maart 1969, A.C., 1969, 622; A. SPRUYT, 'Bericht van wijziging is een substantieel vereiste voor de geldigheid van in afwijking van de aangifte gevestigde aanslagen' (noot onder Gent, 19 mei 1978, R.W., 1979-80, 1049 met nadere verwijzingen; I. VAN DE WOESTEYNE, 'De rechten van verdediging van de belastingplichtige bij de wijzigings- en bezwaarprocedure' (noot onder Cass., 28 januari 1994), A.J.T., 1994-95,
(79), 80.
(6)Cass., 19 april 2002, R.W., 2003-2004, 419.
(7)Zie S. MOSSELMANS, 'Aanpassing van de vordering in de zin van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek', Jaarverslag van het Hof van Cassatie 2001-2002, 468-495.
(8)K. BROECKX, 'De feiten in de dagvaarding', R. Cass., 1994, 332; S. MOSSELMANS, l.c., 468; Ph. THION, 'Nieuwe grieven in de fiscale procedure' (noot onder Rb. Antwerpen, 19 juni 2002), T.F.R., 2003,
(76), 79.
(9)Cass., 8 september 1986, A.C., 1986-87, nr. 13; Cass., 16 januari 1989, A.C., 1988-89, nr. 287; Cass., 8 januari 1998, A.C., 1998, nr. 14
(10)S. MOSSELMANS, 'Aanpassing van de vordering in de zin van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek', Jaarverslag van het Hof van Cassatie 2001-2002, 475 en de verwijzingen aldaar.
(11)Zie o.m. Cass., 28 juni 2001, C.99.0422.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010628.14
(12)Zie o.m. Cass., 11 mei 1990, A.C., 1989-90, nr. 536
(13)Zie nader: K. BROECKX, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen-Apeldoorn, Maklu, 1995, 288, nr. 633.
(14)Procureur-Generaal E Krings, conclusie bij Cass., 5 mei 1988, A.C., 1987-88,
(1135), 1137.
(15)E. KRINGS, conclusie bij Cass., 24 november 1978, A.C., 1978-79,
(341), 343.
(16)In die zin o.m. S. MOSSELMANS, 'Aanpassing van de vordering in de zin van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek', Jaarverslag van het Hof van Cassatie 2001-2002,
(468), 469 met verwijzingen naar de cassatierechtspraak; S. MOSSELMANS, 'Tussenvorderingen in het gerechtelijk privaatrecht', R.W., 2004-2005,
(1601), 1602; Ph. THION, 'Kwalificatie van oorzaak en voorwerp van de vordering', NJW, 2003,
(726), 730, nr. 12.
(17)E. KRINGS en B. DE KONINCK, 'Het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden', T.P.R., 1982,
(655), 671, nr. 21 e.v.; In die zin: Cass., 27 juni 1988, A.C., 1987-88, nr. 666, conclusie toenmalige advocaat-generaal LENAERTS; Anders J. VAN COMPERNOLLE, J., 'L'office du juge et le fondement du litige' (noot onder Cass.,24 november 1978 en Cass., 9 oktober 1980), R.C.J.B., 1982,
(14), 31, nr. 27; W. RAUWS, 'Het ambtshalve aanvullen van de rechtsgrond en de autonomie van de partijen' (noot onder Cass., 10 mei 1985), R.W., 1985-86,
(2215), 2220-2222.
(18)Zie o.m. Cass., 8 september 1986, A.C., 1986-87, nr. 13; Cass., 16 januari 1989, A.C., 1988-89, nr. 287, conclusie LENAERTS; E. KRINGS en B. DE KONINCK, o.c., T.P.R., 1982, 674, nr. 24.
(19)Zie hierover o.m. W. RAUWS, 'Jura novit curia', R.W., 1985-86, 900- 903 en het naschrift van A. VAN OEVELEN en E. DIRIX, 'De ambtshalve aanvulling of wijziging van rechtsgronden en de problematiek van de samenloop van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid', R.W., 1985-86, 903-910.
(20)Cass., 14 april 2005, C.03.0148.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050414.8, met conclusie van advocaat-generaal met opdracht Ph. DE KOSTER. Het arrest werd reeds gepubliceerd in J.L.M.B., 2005, 856, noot DE LEVAL, in J.T., 2005, 659, noot VAN COMPERNOLLE en in RAGB, 2005/18, 1663, noot VERBEKE; Zie voorheen reeds Cass., 18 november 2004, C.04.0062.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041118.8, gepubliceerd in J.T., 2005, 160, noot J.-F. VAN DROOGHENBROECK; Cass., 22 januari 1998, A.C., 1988, nr. 44; Cass., 18 februari 1993, A.C., 1993, nr. 103.
(21)Cass., 18 november 2004, C.04.0062.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041118.8; W. RAUWS, 'Het ambtshalve aanvullen van de rechtsgrond en de autonomie van de partijen' (noot onder Cass., 10 mei 1985), R.W., 1985-86,
(2215), 2223, nr. 5.
(22)Circ. nr. Ci.RH.863/530.827 - Wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen - Wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken. Koninklijk besluit van 25 maart 1999 tot uitvoering van artikel 7 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, Bull. Bel., 2000/ 807,
(1817), 1927-1931, i.h.b. nr. 145.
(23)Ibid., 1929-1931.
(24)Ibid., 1925, nr. 143.
(25)P. VAN ORSHOVEN, P., 'Het verschil tussen 'vragen' en 'inroepen'. Over het beschikkingsbeginsel of de macht van de rechter in fiscalibus', T.F.R., 2004,
(155), 165.
(26)Zie o.m. Cass., 24 november 1978, A.C., 1978-1979, 341, conclusie advocaat-generaal KRINGS; Cass., 15 februari 1988, A.C., 1987-88, nr. 368; Cass., 17 april 1989, A.C., 1988-89, nr. 462; Cass., 18 februari 1993, A.C., 1993, nr. 103; Cass., 19 juni 1998, A.C., 1998, nr. 326; Zie tevens de verwijzingen bij P. LEMMENS, 'De ambtshalve aanvulling van rechtsgronden en de eerbiediging van de rechten van verdediging' (noot onder Cass., 22 oktober 1982), R.W., 1982-83,
(2188), 2189.
(27)Zie o.m. Cass., 8 januari 1998, A.C., 1998, 44.
(28)H. DUBOIS, 'De rol van de partijen voor de fiscale rechtbank', T.F.R., 2003, 259-266; K. SPAGNOLI, 'De actieve rechter en de limieten van het fiscaal geschil', T.F.R., 2003, 595-610.
(29)J. VAN BESIEN, L. VANHEESWIJCK en K. GHEYSEN, 'Verslag discussieforum 21 mei 2003. De actieve rechter en de limieten van het fiscaal geschil', T.F.R., 2003,
(679), 680.
(30)Rb. Antwerpen, 5 juni 2002, T.F.R., 2003, 125, noot VANBELLEN. In deze zaak wierp de rechter ambtshalve de afwezigheid van een bericht van wijziging van de aanslag op; Rb. Antwerpen, 10 december 2003, T.F.R., 2004, 535, noot DE MEYERE.
(31)Ph. VAN BELLEN, 'Ambtshalve beoordelen van grieven' (noot onder Rb. Antwerpen, 5 juni 2002), T.F.R., 2003,
(127), 128; H. VANDEBERGH, 'De bevoegdheid van de rechtbank in een fiscaal geding: moet de rechter ambtshalve grieven tegen een aanslag inroepen', T.F.R., 2000, 720; P. VAN ORSHOVEN, P., o.c., T.F.R., 2004,
(155), 158; Vgl. D. LAMBOT, 'L'étendue des pouvoirs du juge en matière d'impôts sur les revenus ', in Mélanges John Kirkpatrick, Brussel, Bruylant, 2004,
(457), 488-489;G. DE LEVAL en J.-F. VAN DROOGHENBROECK, ' Principe dispositif et droit judiciaire fiscal ', Revue Générale du Contentieux Fiscal, 2004, p. 40, nr. 44.
(32)Rb. Bergen, 12 februari 2002, T.F.R., 2003, 185, noot DE MEYERE; Rb. Antwerpen, 19 juni 2002, T.F.R., 2003, 74, noot THION.
(33)F. COLLY, 'Aspects de la notion de cause juridique de la demande en justice dans le contentieux administratif de pleine juridiction', Rev. fr. Droit adm., 1987,
(786), 789, nrs. 4 en 5; Zie nader : R. CHAPUS, Droit du contentieux administratif, Parijs, Montchrestien, 2004, 644, nr. 763 en de verwijzingen aldaar; C. DEBOUY, Les moyens d'orde public dans la procédure administrative contentieuse, Parijs, PUF, 1980, 473 definieert de oorzaak als ' le principe juridique sur lequel le réquerant fonde sa demande '.
(34)F. COLLY, l.c., 790, nr. 6.
(35)Zie in die zin MAGREMANNE, J.P., MARLIERE, M, LAMBOT, D. en DE CLIPPEL, B., Le contentieux de de l'impôt sur les revenus, Brussel, Kluwer, 2000, 554. Volgens deze auteurs is de oorzaak van de vordering van de belastingplichtige de omstandigheid dat de schuldvordering van de fiscus niet wettelijk gevestigd of verschuldigd is.
(36)Cass., 24 november 1988, A.C., 1988-89, nr. 180; Cass., 22 maart 1993, A.C., 1993, nr. 154.
(37)P. VAN ORSHOVEN, P., 'Het verschil tussen 'vragen' en 'inroepen'. Over het beschikkingsbeginsel of de macht van de rechter in fiscalibus', T.F.R., 2004,
(155), 161-162.
(38)We mogen in dit verband echter niet uit het oog verliezen dat de rechter, zelfs in materies die de openbare orde raken (zoals het fiscaal recht), geen uitspraak mag doen over niet gevorderde zaken en niet meer mag toekennen dan gevraagd is. In voorkomend geval zal de rechter, die ambtshalve een nieuwe grond van onwettigheid opwerpt, de zaak in voortzetting stellen of de heropening der debatten bevelen om de belastingplichtige toe te laten zijn vordering op dit punt uit te breiden. Thesaurus CAS: NIEUWE VORDERING Vrije woorden: NIEUWE VORDERING Fiscale zaken Uitbreiding van de vordering Vordering gesteund op de gedinginleidende akte Begrip Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.807 Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 15 dec. 2006, AR F.05.0019.N, A.C., 2006, nr ... Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - ALLERLEI Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - ALLERLEI Vordering in rechte Uitbreiding van de vordering Vordering gesteund op de gedinginleidende akte Begrip Toelaatbaarheid Thesaurus CAS: NIEUWE VORDERING Vrije woorden: NIEUWE VORDERING Fiscale zaken Uitbreiding van de vordering Vordering gesteund op de gedinginleidende akte Begrip Toelaatbaarheid Nota: F.05.0019.N Conclusies van advocaat-generaal Dirk THIJS: 1. Sedert de wetten van 15 en 23 maart 1999 verloopt de procedure in fiscale zaken bij de hoven en rechtbanken in de regel volgens de regels van het Gerechtelijk Wetboek en dit is een belangrijke nieuwigheid. De voorafgaande administratieve fase - het bezwaar bij de directeur der belastingen - bleef echter behouden. Ook onder het nieuwe fiscale procesrecht moet een bezwaar tegen een belastingaanslag eerst voorgelegd worden aan de directeur der belastingen (zie artikel 1385undecies, eerste lid, Ger.W.). Een dergelijk geschil betreffende de toepassing van een belastingwet kan vervolgens bij verzoekschrift op tegenspraak worden ingeleid bij de rechtbank van eerste aanleg. De rechtsmacht van de rechter wordt onder de nieuwe fiscale procedure niet meer beperkt door de omvang van de bezwaren die aan de directeur der belastingen werden voorgelegd. De belastingplichtige mag dus in zijn verzoekschrift bezwaren formuleren die niet bij de directeur werden aangevoerd of waarover deze zich niet van ambtswege heeft uitgesproken
(1). De wetgever wou duidelijk kom af maken met de beperkingen die het oude fiscaal procesrecht inzake nieuwe grieven en nieuwe stukken oplegde aan de belastingplichtige
(2). Daarmee is duidelijk dat de belastingplichtige bij het inleiden van het geding nieuwe grieven kan aanvoeren en nieuwe stukken kan voorleggen en dat hij niet meer wordt belemmerd door het mogelijk te beperkte verweer dat hij heeft gevoerd in de fase van het bezwaar bij de directeur. Van zodra de vordering in rechte is ingeleid, wordt het aanvoeren van nieuwe grieven in de loop van de procedure beperkt door het gemeen procesrecht en meer bepaald door artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek
(3). Tijdens de parlementaire voorbereiding verwees de Minister van Financiën uitdrukkelijk naar deze wetsbepaling
(4). Recente rechtspraak leert dat de concrete draagwijdte van deze wetsbepaling in fiscalibus erg omstreden is.
  1. De relevante feiten, die ten grondslag liggen aan het cassatieberoep van eisers, kunnen als volgt worden samengevat. In hun gedinginleidende akte vroegen eisers de gedeeltelijke ontheffing van de betwiste aanslag in de personenbelasting voor het aanslagjaar
  2. De betwisting had in den beginne slechts betrekking op een gedeelte van de inkomsten dat - althans volgens eisers - verkeerdelijk werd belast als pensioeninkomen. Ter zitting van de rechtbank van eerste aanleg van 26 mei 2003 stelt de eerste rechter de afwezigheid vast van een bericht van wijziging van aangifte en stelt hij de zaak in voortzetting om partijen toe te laten aanvullend te concluderen. Eisers breiden vervolgens hun eis uit bij conclusie en vorderen de vernietiging van de betwiste aanslag wegens de niet verzending van een bericht van wijziging, zoals voorgeschreven bij artikel 346 W.I.B.
  3. Dit vormvereiste betreft een substantiële formaliteit waarvan de miskenning leidt tot de integrale vernietiging van de aanslag
(5). Het bestreden vonnis verklaart de uitgebreide vordering toelaatbaar en vernietigt de aanslag integraal omdat er geen bericht van wijziging werd verzonden. De appèlrechters oordelen dat de oorzaak van de vordering in casu de aanslag is, zijnde het rechtsfeit dat aan de betwisting ten grondslag ligt. Zij oordelen tevens dat eisers zowel het voorwerp als de oorzaak van hun vordering gewijzigd hebben. Omwille van die reden oordelen zij dat de eerste rechter ten onrechte de uitgebreide vordering op grond van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek toelaatbaar heeft verklaard.
  1. Eisers verwijten de appèlrechters dat zij met hun beslissing artikel 807 Ger. W. hebben geschonden. Aangezien de gewijzigde vordering tevens steunt op dezelfde aanslag als vermeld in de gedinginleidende akte, hadden de appèlrechters naar hun oordeel de gewijzigde vordering toelaatbaar moeten verklaren. Artikel 807 Ger. W. vereist volgens eisers immers niet dat het ander feit, waarop de gewijzigde vordering van eisers steunt (in casu het niet verzenden van een bericht van wijziging van de aanslag) tevens in de gedinginleidende akte zou worden vermeld.
  2. Een vordering die voor de rechter aanhangig is, kan slechts worden uitgebreid of gewijzigd onder de voorwaarden gesteld door artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek. Krachtens die wetsbepaling kan een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. De gewijzigde of uitgebreide vordering moet met andere woorden worden geformuleerd in een op tegenspraak genomen conclusie en moet gebaseerd zijn op een feit of akte in de gedinginleidende akte aangevoerd. Een voorbeeld ter illustratie. In een betwisting over een onteigening werd door de overheid een vordering ingesteld tot herziening van de voorlopig toegekende vergoeding. Nadien betoogde de overheid in een nieuwe op tegenspraak genomen conclusie dat sterke concentraties van zware metalen waren aangetroffen in de bodem van de onteigende grond zodat de waarde van het goed verminderd was tot een symbolische frank en stelde zij een nieuwe vordering in waarbij zij de onteigende aansprakelijk stelde voor de betaling van de kosten voor de sanering van de grond. De appèlrechters verklaarden die laatste vordering ontvankelijk om reden "dat zij gebaseerd is op het feit van de onteigening waarmee zij nauw verbonden is, met dien verstande dat de vordering te dezen alleen verantwoord kan zijn aan de zijde van onteigende overheid". Deze beslissing werd door het Hof in zijn arrest van 19 april 2002 vernietigd omdat deze nieuwe vordering niet gegrond was op een feit of een akte in de dagvaarding aangevoerd
(6). 5. Vermits de uitgebreide rechtspraak van het Hof over artikel 807 Ger. W. reeds uitvoerig werd besproken in het Jaarverslag 2001-2002, beperken we ons hier tot enkele krachtlijnen
(7). Algemeen wordt aanvaard dat artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek toelaat het voorwerp van de oorspronkelijke vordering uit te breiden of te wijzigen mits de "oorzaak" van de vordering niet volledig wordt gewijzigd
(8). Er moet m.a.w. een voldoende verband zijn tussen de oorspronkelijke en de uitgebreide of gewijzigde vordering. Artikel 807 Ger. W. verzet zich niet tegen een wijziging van de juridische kwalificatie van de feiten, die aan de eis ten grondslag liggen. De wijzigende en de oorspronkelijke vordering moet bijgevolg niet dezelfde juridische grondslag hebben
(9). 6. Uw Hof heeft in het verleden een ruime interpretatie gegeven aan het voorschrift van artikel 807 Ger. W.
(10). Deze wetsbepaling vereist niet dat de nieuwe vordering, wanneer zij berust op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, uitsluitend op dat feit of die akte berust
(11). De rechter mag tevens steunen op nieuwe feiten die zich sedert de dagvaarding hebben voorgedaan of sedertdien zijn ontdekt en een weerslag hebben op het geschil
(12). Het beginsel van de onveranderlijkheid van het geschil moet ook volgens de rechtsleer doelgericht en niet te strak worden geïnterpreteerd
(13). Procureur-generaal Krings heeft er in dit verband op gewezen dat artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek de proceseconomie dient. Het was immers de bedoeling van de wetgever dat betwistingen tussen partijen zoveel mogelijk ineens zouden worden afgedaan. Door de ruime mogelijkheden die artikel 807 Ger. W. biedt voor het instellen van een uitgebreide of gewijzigde vordering wou men vermijden dat "nieuwe vorderingen" omwille van zuivere processuele redenen zouden aanleiding moeten geven tot een nieuw geding, met bijkomende kosten en tijdverlies
(14). 7. Voor een goed begrip van artikel 807 Ger. W. moeten we even stilstaan bij de begrippen "voorwerp van de vordering" en "oorzaak van de vordering". De eerste notie laat zich vrij eenvoudig definiëren: het voorwerp van de vordering is datgene wat de eiser vordert. Het is m.a.w. de gevorderde zaak, de gevorderde maatregel, de aanspraak die men op een zaak doet gelden of de aanspraak op een recht
(15). De rechter mag geen uitspraak doen over niet gevorderde zaken of meer toekennen dan er gevraagd was. Hij beslist dan immers "ultra petita" en schendt zodoende het beschikkingsbeginsel dat is neergelegd in artikel 1138, 2° Ger.W. Dit heeft o.m. tot gevolg dat de rechter in fiscalibus een belastingaanslag niet integraal kan vernietigen, indien de eisende partij slechts een ontheffing - d.i. een gedeeltelijke vernietiging - van de aanslag vraagt (bv. om reden dat een verkeerd tarief werd toegepast). 8. Over de juiste definitie van het begrip "oorzaak van de vordering" bestaat er geen eensgezindheid. Volgens een eerste opvatting is de oorzaak van de vordering het rechtsfeit en/of de rechtshandeling die dient tot staving van het gevorderde
(16). De oorzaak zou het geheel van de rechtsfeiten omvatten die door de eisende partij worden ingeroepen tot staving van het recht waarvan hij de erkenning of bescherming vraagt. Volgens procureur-generaal Krings is de oorzaak de titel waarop de partij zich beroept om uit het vastgestelde feit, het gevorderde te bekomen
(17). Unaniem wordt aanvaard dat de oorzaak niet verwijst naar de rechtsgrond of de rechtsnorm(en) die toepasselijk zijn op het geschil
(18). Deze moet de rechter zelf vaststellen op grond van de hem voorgelegde rechtsfeiten of rechtshandelingen. Over de vraag of "de oorzaak" verwijst naar het rechtsfeit dat tot de onmiddellijke grondslag van de vordering dient, of naar het geheel van feiten die de eiser inroept om de inwilliging van zijn vordering te verkrijgen, bestaat reeds lange tijd discussie
(19). In een recent arrest van 14 april 2005 is het Hof die laatste opvatting bijgetreden. Het Hof omschrijft in dit arrest de taak van de rechter als volgt: "de rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop toepasselijke rechtsregel; mits hij het recht van verdediging eerbiedigt, heeft de rechter de plicht ambtshalve de middelen in rechte op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten, die door de partijen in het bijzonder worden aangevoerd tot staving van hun eisen". Het zijn de "naakte" feiten en niet de feiten onder een juridische kwalificatie die de oorzaak van de vordering uitmaken. De rechter die beslist dat eiser zich niet beroept op de contractuele aansprakelijkheid van de verweerder maar enkel op zijn quasi-delictuele aansprakelijkheid en op grond hiervan beslist dat hij niet kan nagaan of verweerder contractueel aansprakelijk is op grond van de feiten die eiser tot staving van zijn vordering aanvoerde, miskent het beschikkingsbeginsel
(20). Het beschikkingsbeginsel houdt anderzijds ook in dat de rechter zich niet mag steunen op feiten die niet door de partijen zijn aangevoerd. Doet de rechter dit wel, dan wijzigt hij de oorzaak van de vordering en miskent hij het beschikkingsbeginsel
(21). De rechter is echter in de regel niet gebonden door de kwalificatie of juridische omschrijving die de eisende partij heeft gegeven aan de feiten, waarop zij zich beroept, en mag rechtsgronden aanvullen. Hij mag echter onder geen beding de door de partijen gestelde feiten ambtshalve aanvullen. De regel dat de rechter de oorzaak van de vordering niet mag wijzigen, geldt zelfs indien de betwisting de openbare orde raakt. 9. In een lijvige circulaire over de nieuwe fiscale procedure beklemtoont de administratie dat de toepassing van het gemeen procesrecht in fiscale zaken inhoudt dat de belastingplichtige na de inleiding van het geding zijn vordering slechts kan uitbreiden of wijzigen onder de voorwaarden van artikel 807 Ger. W.
(22). Dit impliceert, aldus de circulaire, dat nieuwe vorderingen die de belastingplichtige in de loop van de procedure formuleert en die uitsluitend gegrond zijn op feiten die niet voorkomen in het gedinginleidende verzoekschrift niet ontvankelijk zijn. Volgens de fiscus kan een belastingplichtige die in zijn verzoekschrift slechts als grief laat gelden dat de beroepskosten ten onrechte werden geweigerd, later niet meer in zijn conclusies aanvoeren dat hij eveneens recht heeft op investeringsaftrek. De belastingadministratie geeft in de circulaire nog enkele andere voorbeelden van zogenaamde niet-ontvankelijke nieuwe vorderingen en past daarbij artikel 807 Ger. W. toe op een wijze die uitermate betwistbaar is
(23). De fiscus stelt daarnaast de "oorzaak van de vordering" van de belastingplichtige gelijk met de juridische grondslag van de eis, of met de juridische titel waarop wordt gesteund om de vordering ingewilligd te zien. Daaruit zou volgen dat "de rechter die ambtshalve elementen van het dossier herkwalificeert om een andere rechtsnorm toe te passen dan die welke werd aangevoerd ter ondersteuning van de vordering, de oorzaak van de vordering wijzigt en het recht van de partijen schendt om de grenzen van de vordering zelf te bepalen".
(24)Die gevolgtrekking strookt evenwel niet met de rechtspraak van het Hof en met de zienswijze van de rechtsleer. De rechter mag in beginsel de juridische grondslag van de vordering d.i. hetgeen partijen inroepen tot staving van hun vordering, wijzigen en vervangen door een andere rechtsgrond
(25). Dit kan slechts op voorwaarde dat de rechter geen betwisting opwerpt waarvan het bestaan door de conclusies van de partijen is uitgesloten, dat hij enkel op regelmatig aan zijn beoordeling voorgelegde feiten of stukken steunt en dat hij noch het voorwerp noch de oorzaak van de vordering wijzigt
(26). Het voorgaande toont aan dat het standpunt van de fiscale administratie onverenigbaar is met de regels van het gemeenrechtelijk procesrecht inzake het uitbreiden of wijzigen van een vordering. Artikel 807 Ger. W. vereist in elk geval niet dat de wijzigende en de oorspronkelijke vordering dezelfde juridische grondslag hebben
(27). 10. Sommige auteurs gaan lijnrecht in tegen de zienswijze dat artikel 807 Ger. W. van toepassing is op de vordering die de belastingplichtige inleidt tegen een belastingaanslag
(28). Zij verdedigen de opvatting dat de betwisting van een belastingaanslag voor de fiscale rechtbank een verzetprocedure is. Vermits de belastingplichtige niet optreedt als eiser maar als verweerder zou hij zijn verweer kunnen voeren op een onbeperkte wijze en in de loop van het geding steeds nieuwe feitelijke en juridische grieven kunnen inroepen. De beperkingen die gelden voor het uitbreiden of wijzigen van een vordering (cfr. artikel 807 Ger. W.) zijn immers niet van toepassing op een verweer. Met deze opvatting kan echter niet worden ingestemd. Uit de artikelen 1385decies en 1385undecies Ger. W. blijkt immers dat de belastingplichtige een vordering betreffende de toepassing van de belastingwet inleidt en dat hij bijgevolg de eisende partij is
(29).
  1. Uit een overzicht van de gepubliceerde rechtspraak blijkt dat de uitbreiding van de vordering van de belastingplichtige meer dan eens wordt afgewezen omwille van artikel 807 Ger. W. Twee opvattingen staan lijnrecht tegenover elkaar.
  2. Door een deel van de rechtspraak wordt aangenomen dat de oorzaak van de vordering de betwiste aanslag is
(30). De (betwiste) aanslag wordt aanzien als het rechtsfeit dat aan de vordering ten grondslag ligt. Deze opvatting wordt ook verdedigd door de meeste auteurs en maakt het mogelijk om de diverse onwettigheden die kleven aan de aanslag in elke stand van het geding op te werpen
(31). Vraagt de belastingplichtige eerst een gedeeltelijke ontheffing van de aanslag (bv. omdat een deel van het inkomen naar zijn oordeel niet belastbaar is) en later de nietigheid van de aanslag omwille van een procedurefout in de fase van het vestigen van de aanslag, dan vormt artikel 807 Ger. W. hiervoor geen beletsel. De uitbreiding van de vordering steunt dan immers op dezelfde oorzaak (de betwiste aanslag). 13. Niet zelden wordt de "oorzaak van de vordering" in fiscalibus op een andere wijze ingevuld. Een deel van de rechtspraak is namelijk de mening toegedaan dat de rechtsfeiten op basis waarvan de belastingaanslag wordt betwist de oorzaak van de vordering uitmaken en slaat in die optiek acht op de precieze middelen of grieven die de belastingplichtige aanvoert om de gehele of gedeeltelijke onwettigheid van de belastingaanslag aan te tonen
(32). Volgens die zienswijze moet de rechter in concreto kijken naar de in de gedinginleidende akte opgeworpen rechtsfeiten en op die manier de oorzaak van de vordering precies omschrijven. De oorzaak van de vordering van de belastingplichtige is dan het rechtsfeit dat de aangevoerde onwettelijkheid staaft. Indien de eisuitbreiding inhoudt dat de rechtstreekse juridische grondslag van de eis wijzigt (bv. eerst wordt de gedeeltelijke onwettigheid van de aanslag aangevoerd wegens de schending van een materiële belastingwet en later de integrale onwettigheid wegens schending van een procedurevoorschrift) dan wijzigt de oorzaak van de vordering en is de uitgebreide vordering om die reden niet toelaatbaar. 14. De definitie die in het Franse bestuursrecht wordt gegeven aan het causa-begrip spoort hiermee voor een deel gelijk. Bij onze zuiderburen wordt in administratieve geschillen de oorzaak van de vordering omschreven als "le fondement juridique de la demande" en wordt een onderscheid gemaakt naargelang de oorzaak van de vordering betrekking heeft op een interne of een externe onwettigheid. Indien de burger in eerste instantie de interne onwettigheid van een administratieve rechtshandeling inroept en later zijn vordering tot nietigverklaring steunt op een externe onwettigheid dan wijzigt hij de oorzaak van zijn vordering
(33). In het Franse fiscale procesrecht wordt dan weer een onderscheid gemaakt tussen vier mogelijke "oorzaken" van de vordering: de gegrondheid van de aanslag, de aanslagprocedure, de procedure van invordering en de boeten
(34). 15. De vraag of de belastingplichtige de oorzaak van zijn vordering wijzigt indien hij in de loop van het geding een andere vorm van onwettigheid aanvoert dan in zijn gedinginleidende akte, moet m.i. ontkennend worden beantwoord. De oorzaak van de vordering van de belastingplichtige is "de betwiste aanslag" of de onregelmatigheid van de aanslag. De rechter moet zijn blik niet richten op de concrete onwettigheid die wordt aangevoerd, want dan bevindt hij zich reeds te zeer op het terrein van de juridische kwalificatie. De hier verdedigde opvatting, die aansluit bij een meerderheidsstrekking in de rechtsleer (cfr. supra, sub nr. 12), houdt ook rekening met de specifieke kenmerken van een geschil inzake belastingen. De burger die een administratieve rechtshandeling, zoals een belastingaanslag, aanvecht, verdedigt zich tegen een akte die zijn rechtstoestand wijzigt en die geacht wordt gelijkvormig te zijn met het recht (het zgn. "privilège du préalable "). Het feit dat aanleiding geeft tot de vordering van de belastingplichtige is de betwiste belasting en meer bepaald de omstandigheid dat de belasting niet wettelijk verschuldigd is. Het feit of beter de "akte" (d.i. de rechtshandeling) waar het in een dergelijke fiscale betwisting om draait is "de aanslag" en het bestaan van deze akte werd zeker vermeld in de gedinginleidende akte. De verschillende onwettigheden die de belastingplichtige aanvoert te zijner verdediging, leiden niet tot een wijziging van de "oorzaak" van zijn vordering maar zijn enkel middelen die in elke stand van het geding kunnen worden ingeroepen
(35). Door deze meer algemene omschrijving wordt de "oorzaak" van de vordering in het fiscaal contentieux duidelijk losgekoppeld van de concrete onwettigheid die wordt aangevoerd. 16. We kunnen voorts niet omheen de vaststelling dat de fiscale rechter recht moet spreken op basis van de feiten die hem worden voorgelegd en dat zijn rechtsmacht zich - althans sinds de hervorming van 1999 - niet noodzakelijk beperkt tot het uitspraak doen over de vermeende onwettigheden die worden aangevoerd door de belastingplichtige. De hoven en rechtbanken hebben op grond van artikel 159 van de Grondwet de plicht de wettigheid te toetsen van de overheidsbesluiten en van de individuele administratieve rechtshandelingen - en dus ook van de belastingaanslagen - waarvan de toepassing wordt gevorderd
(36). Dit impliceert dat de rechter zijn onderzoek niet noodzakelijk moet beperken tot de onwettigheden die door de belastingplichtige worden aangevoerd. Indien de rechter de belastingaanslag omwille van een andere rechtsgrond dan de initieel aangevoerde onwettig acht, treedt hij niet buiten de perken van het geschil en bezondigt hij zich niet aan een verboden aanvulling van feiten, wanneer hij daaromtrent de debatten heropent om de belastingplichtige toe te laten zijn oorspronkelijke vordering uit te breiden. De (formele en materiële) correctheid van de belastingaanslag raakt immers de openbare orde. Middelen die de openbare orde raken worden geacht van rechtswege deel uit te maken van een (fiscaal) geschil. Er kan dan ook weinig twijfel over bestaan dat de rechtbank van eerste aanleg de legaliteit van een aanslag in de directe belastingen mag controleren en dat haar macht verder reikt dan de concrete onwettigheid die door de belastingplichtige wordt aangevoerd
(37). Noch de rechter die ambtshalve een "nieuwe" grond van onwettigheid van de aanslag opwerpt, noch de belastingplichtige die in de loop van het geding de reden van zijn vordering tot nietigverklaring van de aanslag wijzigt, brengen een verandering aan in de "oorzaak van de vordering"
(38). 17. Het voorgaande leidt tot het besluit dat de oorzaak van de vordering van eisers in casu de "betwiste belasting" is, of anders uitgedrukt "de vermeende onregelmatigheid van de aanslag". Door in de loop van het geding de vernietiging van de aanslag te vorderen wegens de miskenning van een procedurevoorschrift hebben de eisers hun oorspronkelijke vordering, waarbij zij die aanslag slechts gedeeltelijk betwistten, uitgebreid, zonder evenwel de oorzaak van die vordering te wijzigen. De appèlrechters hebben bijgevolg artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek geschonden door te oordelen dat "de eerste rechter ten onrechte de uitgebreide vordering toelaatbaar heeft verklaard". Het eerste onderdeel komt dan ook gegrond voor. Besluit: VERNIETIGING. _______________
(1)Zie de toelichting bij het Amendement nr. 22 van de Regering, Parl. St., Senaat, zitting 1998-1999, nr. 1-967/7, 4 dat tot doel had om de oorspronkelijke voorziene begrenzing van de grieven die konden worden ingeroepen voor de rechtbank van eerste aanleg te schrappen. De eiser mag voor de rechter dus bezwaren aanvoeren die hij niet heeft geopperd in het stadium van het administratief beroep (Wetsontwerp betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, Senaat, Parl. St., 1998-99, nr. 1-966/11, é).
(2)Nieuwe bezwaren konden onder het oude fiscaal procesrecht worden aangevoerd voor zover zij een overtreding van de wet of een schending van de op straffe van nietigheid voorgeschreven procedurevormen aanvoerden (oud artikel 377, tweede lid, W.I.B. 1992). Die bezwaren moesten op straffe van verval worden geformuleerd in de voorziening of wel in een geschrift aan de griffie van het Hof van Beroep worden afgegeven binnen de zestig dagen na de neerlegging van het administratief dossier door de directeur der belastingen (cfr. oud artikel 378 en 381 W.I.B. 1992).
(3)J. LINSMEAU, "Les conséquences et effets pratiques de l'application du Code judiciaire à la nouvelle procédure fiscale", in La nouvelle procédure fiscale et sa pratique, Brussel, Editions du Jeune Barreau, 1999, 151-155. Vóór de hervorming van 1999 was artikel 807 Ger. W. niet toepasselijk op de procedure in fiscale zaken voor het Hof van Beroep vermits de nieuwe bezwaren-regeling van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen hiermee onverenigbaar was (Cass., 14 september 1976, A.C., 1977, 57; P. VAN ORSHOVEN, Behoorlijke rechtsbedeling bij geschillen over directe rijksbelastingen, Antwerpen, Kluwer, 1987, p. 404, nr. 320).
(4)Zie o.m. Parl. St., Senaat, 1998-99, nr. 1-966/11, 232. Naar aanleiding van een amendement van senator Hatry bevestigde de Minister de toepassing van het Gerechtelijk Wetboek op het nieuwe fiscaal procesrecht en verwees hij uitdrukkelijk naar de artikelen 807 en 1042 Ger.W. Ook op andere plaatsen kwam artikel 807 Ger. W. ter sprake. Zo verklaarde de Minister dat hij met het oog op de gelijkheid voor de rechter de administratie niet wil verbieden argumenten en middelen aan te voeren die zij niet in de administratieve fase heeft gebruikt, aangezien alle partijen in de gerechtelijke fase nieuwe argumenten ontdekken (Ibidem, 235).
(5)Cass., 4 maart 1969, A.C., 1969, 622; A. SPRUYT, "Bericht van wijziging is een substantieel vereiste voor de geldigheid van in afwijking van de aangifte gevestigde aanslagen" (noot onder Gent, 19 mei 1978, R.W., 1979-80, 1049 met nadere verwijzingen; I. VAN DE WOESTEYNE, "De rechten van verdediging van de belastingplichtige bij de wijzigings- en bezwaarprocedure" (noot onder Cass., 28 januari 1994), A.J.T., 1994-95,
(79), 80.
(6)Cass., 19 april 2002, R.W., 2003-2004, 419.
(7)Zie S. MOSSELMANS, "Aanpassing van de vordering in de zin van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek", Jaarverslag van het Hof van Cassatie 2001-2002, 468-495.
(8)K. BROECKX, "De feiten in de dagvaarding", R. Cass., 1994, 332; S. MOSSELMANS, l.c., 468; Ph. THION, "Nieuwe grieven in de fiscale procedure" (noot onder Rb. Antwerpen, 19 juni 2002), T.F.R., 2003,
(76), 79.
(9)Cass., 8 september 1986, A.C., 1986-87, nr. 13; Cass., 16 januari 1989, A.C., 1988-89, nr. 287; Cass., 8 januari 1998, A.C., 1998, nr. 14
(10)S. MOSSELMANS, "Aanpassing van de vordering in de zin van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek", Jaarverslag van het Hof van Cassatie 2001-2002, 475 en de verwijzingen aldaar.
(11)Zie o.m. Cass., 28 juni 2001, C.99.0422.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010628.14
(12)Zie o.m. Cass., 11 mei 1990, A.C., 1989-90, nr. 536
(13)Zie nader: K. BROECKX, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen-Apeldoorn, Maklu, 1995, 288, nr. 633.
(14)Procureur-Generaal E Krings, conclusie bij Cass., 5 mei 1988, A.C., 1987-88,
(1135), 1137.
(15)E. KRINGS, conclusie bij Cass., 24 november 1978, A.C., 1978-79,
(341), 343.
(16)In die zin o.m. S. MOSSELMANS, "Aanpassing van de vordering in de zin van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek", Jaarverslag van het Hof van Cassatie 2001-2002,
(468), 469 met verwijzingen naar de cassatierechtspraak; S. MOSSELMANS, "Tussenvorderingen in het gerechtelijk privaatrecht", R.W., 2004-2005,
(1601), 1602; Ph. THION, "Kwalificatie van oorzaak en voorwerp van de vordering", NJW, 2003,
(726), 730, nr. 12.
(17)E. KRINGS en B. DE KONINCK, "Het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden", T.P.R., 1982,
(655), 671, nr. 21 e.v.; In die zin: Cass., 27 juni 1988, A.C., 1987-88, nr. 666, conclusie toenmalige advocaat-generaal LENAERTS; Anders J. VAN COMPERNOLLE, J., "L'office du juge et le fondement du litige" (noot onder Cass.,24 november 1978 en Cass., 9 oktober 1980), R.C.J.B., 1982,
(14), 31, nr. 27; W. RAUWS, "Het ambtshalve aanvullen van de rechtsgrond en de autonomie van de partijen" (noot onder Cass., 10 mei 1985), R.W., 1985-86,
(2215), 2220-2222.
(18)Zie o.m. Cass., 8 september 1986, A.C., 1986-87, nr. 13; Cass., 16 januari 1989, A.C., 1988-89, nr. 287, conclusie LENAERTS; E. KRINGS en B. DE KONINCK, o.c., T.P.R., 1982, 674, nr. 24.
(19)Zie hierover o.m. W. RAUWS, "Jura novit curia", R.W., 1985-86, 900- 903 en het naschrift van A. VAN OEVELEN en E. DIRIX, "De ambtshalve aanvulling of wijziging van rechtsgronden en de problematiek van de samenloop van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid", R.W., 1985-86, 903-910.
(20)Cass., 14 april 2005, C.03.0148.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050414.8, met conclusie van advocaat-generaal met opdracht Ph. DE KOSTER. Het arrest werd reeds gepubliceerd in J.L.M.B., 2005, 856, noot DE LEVAL, in J.T., 2005, 659, noot VAN COMPERNOLLE en in RAGB, 2005/18, 1663, noot VERBEKE; Zie voorheen reeds Cass., 18 november 2004, C.04.0062.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041118.8, gepubliceerd in J.T., 2005, 160, noot J.-F. VAN DROOGHENBROECK; Cass., 22 januari 1998, A.C., 1988, nr. 44; Cass., 18 februari 1993, A.C., 1993, nr. 103.
(21)Cass., 18 november 2004, C.04.0062.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041118.8; W. RAUWS, "Het ambtshalve aanvullen van de rechtsgrond en de autonomie van de partijen" (noot onder Cass., 10 mei 1985), R.W., 1985-86,
(2215), 2223, nr. 5.
(22)Circ. nr. Ci.RH.863/530.827 - Wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen - Wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken. Koninklijk besluit van 25 maart 1999 tot uitvoering van artikel 7 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, Bull. Bel., 2000/ 807,
(1817), 1927-1931, i.h.b. nr. 145.
(23)Ibid., 1929-1931.
(24)Ibid., 1925, nr. 143.
(25)P. VAN ORSHOVEN, P., "Het verschil tussen "vragen" en "inroepen". Over het beschikkingsbeginsel of de macht van de rechter in fiscalibus", T.F.R., 2004,
(155), 165.
(26)Zie o.m. Cass., 24 november 1978, A.C., 1978-1979, 341, conclusie advocaat-generaal KRINGS; Cass., 15 februari 1988, A.C., 1987-88, nr. 368; Cass., 17 april 1989, A.C., 1988-89, nr. 462; Cass., 18 februari 1993, A.C., 1993, nr. 103; Cass., 19 juni 1998, A.C., 1998, nr. 326; Zie tevens de verwijzingen bij P. LEMMENS, "De ambtshalve aanvulling van rechtsgronden en de eerbiediging van de rechten van verdediging" (noot onder Cass., 22 oktober 1982), R.W., 1982-83,
(2188), 2189.
(27)Zie o.m. Cass., 8 januari 1998, A.C., 1998, 44.
(28)H. DUBOIS, "De rol van de partijen voor de fiscale rechtbank", T.F.R., 2003, 259-266; K. SPAGNOLI, "De actieve rechter en de limieten van het fiscaal geschil", T.F.R., 2003, 595-610.
(29)J. VAN BESIEN, L. VANHEESWIJCK en K. GHEYSEN, "Verslag discussieforum 21 mei 2003. De actieve rechter en de limieten van het fiscaal geschil", T.F.R., 2003,
(679), 680.
(30)Rb. Antwerpen, 5 juni 2002, T.F.R., 2003, 125, noot VANBELLEN. In deze zaak wierp de rechter ambtshalve de afwezigheid van een bericht van wijziging van de aanslag op; Rb. Antwerpen, 10 december 2003, T.F.R., 2004, 535, noot DE MEYERE.
(31)Ph. VAN BELLEN, "Ambtshalve beoordelen van grieven" (noot onder Rb. Antwerpen, 5 juni 2002), T.F.R., 2003,
(127), 128; H. VANDEBERGH, "De bevoegdheid van de rechtbank in een fiscaal geding: moet de rechter ambtshalve grieven tegen een aanslag inroepen", T.F.R., 2000, 720; P. VAN ORSHOVEN, P., o.c., T.F.R., 2004,
(155), 158; Vgl. D. LAMBOT, "L'étendue des pouvoirs du juge en matière d'impôts sur les revenus ", in Mélanges John Kirkpatrick, Brussel, Bruylant, 2004,
(457), 488-489;G. DE LEVAL en J.-F. VAN DROOGHENBROECK, " Principe dispositif et droit judiciaire fiscal ", Revue Générale du Contentieux Fiscal, 2004, p. 40, nr. 44.
(32)Rb. Bergen, 12 februari 2002, T.F.R., 2003, 185, noot DE MEYERE; Rb. Antwerpen, 19 juni 2002, T.F.R., 2003, 74, noot THION.
(33)F. COLLY, "Aspects de la notion de cause juridique de la demande en justice dans le contentieux administratif de pleine juridiction", Rev. fr. Droit adm., 1987,
(786), 789, nrs. 4 en 5; Zie nader : R. CHAPUS, Droit du contentieux administratif, Parijs, Montchrestien, 2004, 644, nr. 763 en de verwijzingen aldaar; C. DEBOUY, Les moyens d'orde public dans la procédure administrative contentieuse, Parijs, PUF, 1980, 473 definieert de oorzaak als " le principe juridique sur lequel le réquerant fonde sa demande ".
(34)F. COLLY, l.c., 790, nr. 6.
(35)Zie in die zin MAGREMANNE, J.P., MARLIERE, M, LAMBOT, D. en DE CLIPPEL, B., Le contentieux de de l'impôt sur les revenus, Brussel, Kluwer, 2000, 554. Volgens deze auteurs is de oorzaak van de vordering van de belastingplichtige de omstandigheid dat de schuldvordering van de fiscus niet wettelijk gevestigd of verschuldigd is.
(36)Cass., 24 november 1988, A.C., 1988-89, nr. 180; Cass., 22 maart 1993, A.C., 1993, nr. 154.
(37)P. VAN ORSHOVEN, P., "Het verschil tussen "vragen" en "inroepen". Over het beschikkingsbeginsel of de macht van de rechter in fiscalibus", T.F.R., 2004,
(155), 161-162.
(38)We mogen in dit verband echter niet uit het oog verliezen dat de rechter, zelfs in materies die de openbare orde raken (zoals het fiscaal recht), geen uitspraak mag doen over niet gevorderde zaken en niet meer mag toekennen dan gevraagd is. In voorkomend geval zal de rechter, die ambtshalve een nieuwe grond van onwettigheid opwerpt, de zaak in voortzetting stellen of de heropening der debatten bevelen om de belastingplichtige toe te laten zijn vordering op dit punt uit te breiden. Annotaties Publicaties: Cour.fisc., 2007 - X - liv.7,p.412-415 R.W. - L. VANDENBERGHE; Toelaatbaarheid van nieuwe grieven in belastinggeschillen. Het Hof van cassatie verwerpt restrextieve interpretatie van art.
  1. - 2007-2008, 310-311 T.F.R. - K.SPAGNOLI; Nagenoeg onbeperkte mogelijkheid tot eisuitbreding en -wijziging in fiscale gedingen. - 2007, 929-933 Tekst van de beslissing Nr. F.05.0019.N
  2. S.W., en zijn echtgenote,
  3. O.W., eisers, vertegenwoordigd door mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 81, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der directe belastingen Antwerpen II, wiens kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Tabakvest 50, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 december 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek; en voor zoveel als nodig: - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 23, 24, 26, 702 en 807 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest vernietigt het vonnis a quo en trekt de zaak aan zich op grond van volgende motieven: "Het bestreden vonnis van 27 oktober 2003 heeft de betwiste aanslag vernietigt omdat geen bericht van wijziging van aangifte werd verzonden, middel dat door de eerste rechter ambtshalve werd opgeworpen op de zitting van 26 mei 2003 en dat nadien door (de eisers) in conclusie bij middel van eisuitbreiding werd ingeroepen. De oorzaak van de vordering is in casu de aanslag, zijnde het rechtsfeit dat aan de betwisting ten grondslag ligt. Het voorwerp van de vordering, zoals blijkt uit het verzoekschrift in voorziening van 22 april 2002 en uit de nadien door (de eisers) neergelegde conclusies, bestaat in de ontheffing van de aanslag wat betreft de inkomsten die werden belast als pensioeninkomen. Op de zitting van 26 mei 2003 werd door de eerste rechter ambtshalve de afwezigheid van een bericht van wijziging van aangifte vastgesteld, waarna de zaak in voortzetting werd gesteld teneinde partijen toe te laten aanvullend te concluderen. In nadien neergelegde conclusies breiden (de eisers) hun eis uit en vorderen zij de vernietiging van de aanslag. (De eisers) hebben dus zowel het voorwerp als de oorzaak van hun vordering gewijzigd, terwijl noch in het inleidend verzoekschrift noch in de daaropvolgende conclusies de afwezigheid van een bericht van wijziging van aangifte werd opgeworpen. Door ambtshalve de afwezigheid van het bericht van wijziging van aangifte op te werpen en de aanslag om die reden volledig te vernietigen, heeft de eerste rechter het voorwerp van de vordering gewijzigd. De eerste rechter heeft ten onrechte geoordeeld dat hij ambtshalve de nietigheid van de aanslag om die reden kan onderzoeken. De eerste rechter heeft ten onrechte de uitbreiding van de vordering door (de eisers) toelaatbaar verklaard. Het bestreden vonnis dient dan ook vernietigd te worden en het hof van beroep trekt de zaak aan zich". Grieven Eerste onderdeel Artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek vereist dat de gewijzigde vordering, om toelaatbaar te zijn, berust op een feit of een akte aangehaald in de inleidende akte. Het is niet nodig dat die vordering uitsluitend op dit feit of die akte zou steunen. Met andere woorden, de gewijzigde vordering mag steunen op meerdere feiten of akten en voor de toelaatbaarheid ervan volstaat dat in de inleidende akte minstens één van die feiten of akten wordt aangevoerd. De gewijzigde vordering van de eisers, welke strekt tot de vernietiging van de betwiste aanslag, steunt op die aanslag en op het feit van de afwezigheid van een bericht van wijziging van de aanslag. De betwiste aanslag wordt in het inleidend verzoekschrift van de eisers van 22 april 2002 vermeld, nu de eisers bij het verzoekschrift de ontheffing van de aanslag vorderen wat betreft de inkomsten die verkeerdelijk werden belast als pensioeninkomen. Het betreden arrest neemt aan dat de oorzaak van de oorspronkelijke vordering de aanslag is (p. 9 bovenaan) en aanvaardt dus dat de aanslag werd aangevoerd als rechtsfeit ter ondersteuning van de oorspronkelijke vordering. Nu de gewijzigde vordering tevens steunt op dezelfde aanslag, vermeld in de inleidende akte, volstaat dit om die vordering toelaatbaar te verklaren. Artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek vereist niet dat het ander feit waarop de gewijzigde vordering van eisers steunt, te weten de afwezigheid van het bericht van wijziging van de aanslag, tevens in de inleidende akte zou worden vermeld. Het bestreden arrest heeft derhalve met schending van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek de gewijzigde vordering ontoelaatbaar geacht en dus met schending van die wetsbepaling beslist dat de eerste rechter ten onrechte de gewijzigde vordering toelaatbaar heeft verklaard. De vernietiging door het bestreden arrest van het eerste vonnis is dus onwettig en het hof van beroep heeft op onwettige wijze de zaak aan zich getrokken (schending van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede onderdeel (voor zoveel als nodig) De termen van het vonnis a quo van 27 oktober 2003 laten in geen enkel opzicht toe te oordelen, zoals het bestreden arrest het doet, dat de eerste rechter het voorwerp van de vordering van de eisers heeft gewijzigd en dat de eerste rechter geoordeeld heeft dat hij ambtshalve de nietigheid van de aanslag kon onderzoeken. Integendeel, in dit vonnis staat dat de eisers hun vordering hebben uitgebreid wegens de door de eerste rechter gedane vaststelling van afwezigheid van een bericht van wijziging van aangifte en dat die uitgebreide vordering ontvankelijk en gegrond is, dit laatste wegens de afwezigheid van een bericht van wijziging. In de mate het bestreden arrest het vonnis a quo vernietigt om de reden dat de eerste rechter het voorwerp van de vordering heeft gewijzigd door de afwezigheid van een bericht van wijziging van de aangifte te hebben vastgesteld en dat de eerste rechter geoordeeld heeft dat hij ambtshalve de nietigheid van de aanslag kon onderzoeken, schendt het bestreden arrest (i) de bewijskracht van alle termen van het vonnis a quo (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek); (ii) het gezag van gewijsde toekomend aan dit vonnis (schending van de artikelen 23, 24 en 26 van het Gerechtelijk Wetboek); (iii) het wettelijk begrip vordering, dat voorkomt in de artikelen 702 en 807 van het Gerechtelijk Wetboek, nu het vaststellen door de eerste rechter van de afwezigheid van een bericht van wijziging van aangifte geen wijziging inhoudt door de eerste rechter van de vordering (schending van de artikelen 702 en 807 van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert aan dat de appelrechters onterecht hebben geoordeeld dat de eerste rechter de gewijzigde vordering die strekte tot vernietiging van de aanslag wegens het niet-verzenden van een bericht van wijziging, niet toelaatbaar hebben verklaard en aldus artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek hebben geschonden.
  5. Krachtens artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek kan een vordering die voor de rechter aanhangig is, worden uitgebreid of gewijzigd, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is, zonder dat is vereist dat de nieuwe vordering uitsluitend daarop berust.
  6. De appelrechters stellen vast dat: - de eisers voor de eerste rechter de ontheffing hebben gevraagd van de aanslag die voor het aanslagjaar 1999 ten hunnen laste onder het kohierartikel 701098033 is gevestigd; - de eisers, na de ambtshalve heropening van het debat door de eerste rechter in verband met de regelmatigheid van de vestigingsprocedure, hun vordering hebben uitgebreid en ook de vernietiging van voormelde aanslag hebben gevorderd omdat hen geen bericht van wijziging van de aangifte was toegestuurd; - het beroepen vonnis de aanslag heeft vernietigd omwille van de afwezigheid van een bericht van wijziging van de aangifte. De appelrechters vernietigen dit vonnis omdat de eerste rechter ten onrechte de uitbreiding van de vordering door de eisers toelaatbaar heeft verklaard.
  7. De belastingplichtige die een aanslag betwist en die in de loop van het geding, behalve de ontheffing ook de vernietiging ervan vraagt, steunt de uitbreiding van zijn vordering op een akte die bij de inleiding van het geding is aangevoerd. De appelrechters die een dergelijke eisuitbreiding niet toelaatbaar verklaren, schenden bijgevolg artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  8. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit de fiscale voorziening ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal gemaakt worden op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Eric Stassijns en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van 15 december 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061215.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081110.19 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100604.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010628.14 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041118.8 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050414.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.