id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061215.3 Rolnummer: F.05.0099.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2007-02-21 Raadplegingen: 538 - laatst gezien 2026-07-03 14:28 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Om het van vennootschapsbelasting vrijgesteld bedrag van de gerealiseerde meerwaarde op aandelen te bepalen, mag de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde bij vervreemding niet verminderd worden met de kosten van de vervreemding
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M.; de aangehaalde bepalingen zijn de voor het aanslagjaar 1999 toepasselijke. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Meerwaarden UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VENNOOTSCHAPPEN - Grondslag - Vaststelling netto-inkomen Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Meerwaarden Gerealiseerde meerwaarden op aandelen Vrijgesteld bedrag Wijze van berekening Wettelijke bepalingen: Wet - 12-06-1992 - Artt.43,183,e Nota: F.05.0099.N Conclusies van advocaat-generaal Dirk THIJS:
- (...)
- Onderhavige betwisting betreft de vraag of de krachtens artikel 192 ,§ 1, eerste lid WIB 92 in de vennootschapsbelasting vrijgestelde meerwaarde op aandelen de bruto-meerwaarde betreft, dat wil zeggen de meerwaarde zonder aftrek van de kosten verbonden aan de vervreemding, dan wel de netto-meerwaarde, zijnde de bruto-meerwaarde verminderd met de kosten van de vervreemding. Eiser is van oordeel dat de vrijgestelde meerwaarde de bruto-meerwaarde betreft, terwijl verweerder er daarentegen van uitgaat dat de vrijstelling slechts geldt voor het verschil tussen enerzijds de ontvangen vergoeding bij de vervreemding van de aandelen verminderd met de kosten die verband houden met de vervreemding van de aandelen, en anderzijds de aanschaffings- of beleggingswaarde van de aandelen verminderd met de voorheen aangenomen waardeverminderingen en afschrijvingen. In graad van beroep heeft het bestreden arrest het standpunt van verweerder gevolgd.
- In het eerste onderdeel van het enig middel tot cassatie voert eiser onder meer aan dat de appelrechters door in die zin te oordelen de artikelen 43, 183 en 192, ,§ 1 van het W.I.B.
(1992)en 17O van de Grondwet hebben miskend. 4. Krachtens artikel 183 W.I.B.
(1992)zijn de inkomsten die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting of ervan vrijgesteld zijn, wat hun aard betreft, dezelfde als die welke inzake personenbelasting worden beoogd en wordt hun bedrag vastgesteld volgens de regels die van toepassing zijn op winst. Bijgevolg geldt de definitie van meerwaarde die vervat is in artikel 43 van het W.I.B.
(1992)ook op het stuk van de vennootschapsbelasting. Artikel 43, zoals het geldt voor de aanslagjaren 2006 en vorige, luidt als volgt: 'De verwezenlijkte meerwaarde is gelijk aan het positieve verschil tussen eensdeels de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde bij de vervreemding van het goed en anderdeels de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan verminderd met de voorheen aangenomen waardeverminderingen en afschrijvingen.' De administratieve commentaar op het W.I.B.
(1992)vermeldt in nr. 43/2 dat de verkoopwaarde in geval van verkoop de verkoopprijs is. In nr. 44/58, dat betrekking heeft op de monetaire meerwaarde, gaat de administratie er daarentegen van uit dat de verkoopwaarde de verkoopprijs is verminderd met de kosten van vervreemding. De administratie geeft geen verantwoording voor die stelling. De wet van 22 juni 2005 (artikel 2) heeft tussen de woorden 'het goed' en de woorden 'en anderdeels' de woorden 'verminderd met de kosten van vervreemding' ingelast. In tegenstelling tot de nieuwe wettekst die geldt vanaf aanslagjaar 2007, maakt de vorige tekst geen gewag van de toerekening van de kosten van vervreemding op de verwezenlijkte meerwaarde op aandelen. Het grondwettelijk legaliteitsbeginsel impliceert dat in fiscalibus geen belasting of belastbare materie kan worden ingevoerd dan door een wet, terwijl anderzijds geen vrijstelling of vermindering van belasting kan worden verleend dan mits een uitdrukkelijke wettelijke bepaling. Dit beginsel noopt tot een strikte uitlegging van de fiscale wetsbepalingen die regelen wat belastbaar is en wat niet, en in welke mate belastingvrijstelling wordt verleend
(1). Uw Hof heeft overigens het beginsel dat de belastingwetten strikt moeten worden uitgelegd, uitdrukkelijk erkend als een algemeen rechtsbeginsel
(2). Wat voorliggende problematiek betreft, noopt geen enkele wettekst de belastingplichtige om 'de op de verkoop drukkende kosten rechtstreeks toe te rekenen' op de meerwaarde op aandelen
(3). Een meerderheidsstrekking in de rechtspraak gaat er dan ook terecht van uit dat artikel 43 W.I.B.
(1992)een duidelijke bepaling is die niet hoeft geïnterpreteerd te worden, zodat de 'verkoopwaarde' niet kan geïnterpreteerd worden als verkoopprijs verminderd met de vervreemdingskosten
(4). 5. Zoals hoger vermeld, werd artikel 43 van het W.I.B.
(1992)bij artikel 2 van de wet van 22 juni 2OO5 tot invoering van een belastingsaftrek voor risicokapitaal gewijzigd met ingang van aanslagjaar 2OO7
(5). De nieuwe tekst van dit artikel luidt als volgt: ' De verwezenlijkte meerwaarde is gelijk aan het positieve verschil tussen eensdeels de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde bij de vervreemding van het goed verminderd met de kosten van vervreemding en anderdeels de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan verminderd met de voorheen aangenomen waardeverminderingen en afschrijvingen.' Uit volgende passus uit de parlementaire voorbereiding van de wet blijkt duidelijk dat ook volgens de wetgever tot en met het aanslagjaar 2OO6 de kosten in verband met de vervreemding in mindering kunnen worden gebracht als beroepskosten, terwijl het gehele bedrag van de verwezenlijkte bruto-meerwaarde van belasting wordt vrijgesteld: 'De verwezenlijkte meerwaarde wordt omschreven in artikel 43 W.I.B. 92, als het positieve verschil tussen eensdeels de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde bij de vervreemding van het goed en anderdeels de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan, verminderd met de voorheen aangenomen waardeverminderingen en afschrijvingen. Thans zijn de kosten van vervreemding die betrekking hebben op de verrichting waarbij een meerwaarde op activa wordt verwezenlijkt aftrekbaar als beroepskosten. Wanneer het bedrag van de verwezenlijkte meerwaarde wordt bepaald, worden diezelfde kosten niet in mindering gebracht van het bedrag van de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde van het actief bestanddeel (eigen onderlijning). De wijze waarop de verwezenlijkte meerwaarde wordt bepaald is een probleem in de gevallen waar de verwezenlijkte meerwaarde niet wordt belast maar wordt vrijgesteld, zij het definitief of tijdelijk. Dit is m.n. het geval waarvoor het stelsel van wederbelegging geldt en voor meerwaarden op aandelen. Inderdaad kan de belastingplichtige niet alleen de gedragen kosten in mindering brengen als beroepskosten maar het bedrag van de verwezenlijkte meerwaarde die wordt vrijgesteld zal hoger zijn. Hier is dus een dubbel effect van de kosten waaraan dient te worden verholpen. Het artikel in ontwerp schrapt dit dubbel fiscaal effect door deze kosten van de vrijstellingsbasis uit te sluiten door artikel 43 W.I.B. 92 aan te passen (eigen onderlijning). Dit verklaart waarom de regering artikel 43 W.I.B. 92 wenst aan te passen teneinde het bedrag van de meerwaarde die een belastingplichtige wenst te kunnen vrijstellen te beperken, om een dubbel effect van de kosten van vervreemding te vermijden'
(6)
(7). 6. Met auteur VAN CROMBRUGGE kan worden aangenomen dat de belastingadministratie de boekhoudkundige waarderingsregels van het KB W Venn. ook voor de bepaling van de belastbare grondslag moet aanvaarden, tenzij de fiscale wet ervan afwijkt
(8). Uw Hof heeft deze primauteit van het boekhoudrecht ten aanzien van het belastingrecht bevestigd
(9)De boekhoudwetgeving schrijft voor dat de meerwaarde op de realisatie van aandelen bruto op het credit van de resultatenrekening moet komen, terwijl de kosten van de verkoop onder passende posten van het debet moeten worden geboekt. Boekhoudrechtelijk is compensatie tussen kosten en opbrengsten bijgevolg verboden. Bepaalde rechtspraak wijst er in dit verband terecht op dat er tot en met aanslagjaar 2OO6 geen fiscale bepaling is die afwijkt van het boekhoudrecht zodat de vrijgestelde meerwaarde ook op fiscaal vlak de bruto-meerwaarde is
(10). Overigens heeft de wetgever met de hoger besproken wijziging van artikel 43 bij de wet van 22 juni 2OO5 vanaf aanslagjaar 2OO7 uitdrukkelijk willen afwijken van de regels van het boekhoudrecht, zoals overigens blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet
(11). 7. Wat de in casu gestelde rechtsvraag betreft, wijst auteur BOOGAERTS ook naar het verschil met artikel 101, ,§ 1, 1°, WIB 92 waar de wetgever uitdrukkelijk stelt dat de als diverse inkomsten belastbare meerwaarde op gronden met de bijkomende kosten moet worden verminderd. De voorstanders van de strikte interpretatie van artikel 43 W.I.B.
(1992)leiden daaruit af dat de wetgever ook in dat artikel de vermindering met de kosten uitdrukkelijk zou hebben voorgeschreven mocht dit de bedoeling zijn geweest
(12). 8. De voorstanders van de vrijstelling van de meerwaarde op aandelen op grond van de bruto-meerwaarde wijzen verder nog op het verschil tussen artikel 192 W.I.B.
(1992)dat de vrijstelling van de op aandelen verwezenlijkte meerwaarden betreft en 202 W.I.B.
(1992)dat de vrijstelling van de dividenden betreft. Terwijl die bepaling
(13)uitdrukkelijk een beperking van de aftrek van DBI voorschrijft is er geen gelijkaardige bepaling inzake meerwaarden; Daarentegen schrijft artikel 192 voor dat de meerwaarden 'volledig' zijn vrijgesteld
(14). 9. De opvatting dat enkel de netto-meerwaarde op aandelen zou zijn vrijgesteld, is theoretisch vooral onderbouwd door auteur VAN CROMBRUGGE. Diens theoretische onderbouw wordt overgenomen door heel wat gerechtelijke uitspraken, waaronder het bestreden arrest dat naar deze auteur verwijst en haast letterlijk bepaalde van zijn argumenten overneemt
(15). VAN CROMBRUGGE beroept zich op het realiteitsbeginsel. De auteur vertrekt van het postulaat dat alleen een werkelijk verwezenlijkte meerwaarde kan worden vrijgesteld
(16). De auteur neemt daarbij als uitgangspunt dat uit het geheel van de bepalingen van het WIB 92 blijkt dat de inkomstenbelastingen in beginsel alleen werkelijke winst treffen. Hij stelt daarnaast dat Uw Hof herhaaldelijk heeft beslist dat alleen werkelijke waarden in aanmerking komen om, zowel in positieve als in negatieve zin, tot de winstvorming bij te dragen
(17). Volgens de auteur geldt dit ook voor meerwaarden, in het bijzonder vrij te stellen meerwaarden. Hij besluit dat alleen een aandelenmeerwaarde die werkelijk is gerealiseerd, kan worden vrijgesteld. De stelling van de auteur gaat ervan uit dat inzake inkomstenbelastingen de economische werkelijkheid primeert op de juridische voorschriften. VAN CROMBRUGGE zelf schrijft in dit verband dat in de oudere literatuur soms werd geïnsinueerd dat de fiscale wet niet geïnteresseerd is in de juridische kleur van de feiten, maar in de economische werkelijkheid. Hij vervolgt dat dit in zijn algemeenheid naar de huidige inzichten beslist onjuist is. Wanneer er een tegenstelling bestaat tussen de juridische werkelijkheid en de economische werkelijkheid, is het in beginsel de eerste die het haalt
(18). Hij schrijft ook nog dat opdat de economische realiteit boven de juridische realiteit zou gaan, telkens een wettekst of een geheel van wetteksten nodig is
(19). Die stellingen lijken mij moeilijk te verenigen met zijn stelling dat alleen werkelijke (lees economische) meerwaarden op aandelen kunnen worden vrijgesteld. Hij geeft alleszins niet aan welke wetteksten tot gevolg hebben dat de economische realiteit inzake meerwaarden het haalt op de juridische realiteit. Inzake meerwaarden lijkt de auteur aldus een onderscheid te maken tussen de economische en juridische realiteit dat moeilijk te rijmen valt met zijn eigen uitgangspunten. Uit de rechtspraak van Uw Hof blijkt overigens dat er geen algemeen rechtsbeginsel bestaat volgens welke er in fiscalibus rekening gehouden zou moeten worden met een 'economische werkelijkheid'
(20). De zienswijze van VAN CROMBRUGGE lijkt mij ten andere moeilijk te verzoenen met het grondwettelijk legaliteitsbeginsel
(21). 1O. De vrijstelling van de bruto-meerwaarde op aandelen leidt ertoe dat de kosten van vervreemding fiscaal tweemaal ten laste worden genomen. Ze worden in de eerste plaats afgetrokken als bedrijfslasten en vervolgens zijn ze vervat in de (bruto)meerwaarde die wordt vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Vanuit die optiek leidt de opvatting dat alleen de netto-meerwaarde is vrijgesteld, tot het meest billijke resultaat in die zin dat belet wordt dat de belastingplichtige dezelfde kostenpost tweemaal fiscaal in mindering brengt. Die dubbele fiscale tenlasteneming van de vervreemdingskosten was de aanleiding tot de tussenkomst van de wetgever middels de wet van 22 juni 2005
(22). In dit verband kan verwezen worden naar de rechtspraak van Uw Hof die stelt dat de draagwijdte van de fiscale wet niet kan worden beperkt onder voorwendsel dat de tekst aanleiding zou geven tot onrechtvaardigheden (23.). 11. Door te oordelen dat voor het bepalen van het vrijgestelde bedrag van de gerealiseerde meerwaarden op aandelen de kosten verbonden aan de vervreemding in mindering dienen te worden gebracht, terwijl de fiscale wetgeving zulks niet voorziet, schendt het bestreden arrest de als geschonden aangewezen bepalingen. Het eerste onderdeel komt dan ook gegrond voor, terwijl de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden. Besluit: VERNIETIGING. ARREST _______________
(1)S. HUYSMAN, De interpretatie van de fiscale wet: evolutie of stagnatie, R. Cass., 1998, 379, nr. 3; B. MALVAUX, Plus-values sur actions, L'exonération vise-t-elle la plus-value brute ou nette?, Act. Fisc., 2OO2, nr. 23/1; V. PARMENTIER, Impôts des sociétés - Plus-ou moins-values sur actions: quell traitement fiscal pour les frais supplémentaires?, Act. Fisc. 2OO1, nr. 2O/5.
(2)Cass., 1O november 1997, A.C., 1997, 11O6, nr. 464; Cass., 9 juni 1947, A.C., 1947, 193; F. VANISTENDAEL, Algemene rechtsbeginselen in het belastingrecht, in Algemene rechtsbeginselen, ed. M. Van Hoecke, Kluwer Rechtswetenschappen België, Antwerpen, 1991, 228, nr. 9; F. VANISTENDAEL, 'Les principes généraux de droit en droit fiscal, R.G.F., 1991, 124; Contra: A. BOSSUYT, Verslag van het Hof van Cassatie, 2OO3, Hoofdstuk IV Algemene rechtsbeginselen, p. 141, bovenaan.
(3)BOGAERTS, R., 'Vennootschapsbelasting, meerwaarden op aandelen: met of zonder kostenaftrek?', A.F.T., 2004, p. 68.
(4)Bergen, 6 april 2005, Fisc.Act., 2005, nr. 14/3; Rb. Antwerpen, 6 januari 2003, F.J.F., 2003, nr. 2003/188; Rb. Antwerpen, 12 en 17 november 2003, onuitgeg. Besproken in Fiscoloog, 2004, nr. 921, p. 11; Rb. Antwerpen, 27 februari 2004, onuitgeg., besproken in A.F.T., 2004, p. 33 e.v.;Rb. Bergen, 11 september 2002, onuitgeg., besproken in Fiscoloog, 2002, nr. 861, p. 1-2; Rb. Brussel, 26 mei 2004, F.J.F., nr. 2005/75; Rb. Hasselt, 13 oktober 2004, F.J.F., 2005, nr. 2005/74; Rb. Nijvel, 23 april 2002, J.D.F., 2002, p. 229; KLEYNEN, G., Rappel des diverses déformations de l'article 192 du code des impôts sur les revenus 1992 par l'administration, J.D.F., 2002, p. é.
(5)B.S., 3O juni 2OO5.
(6)eigen onderlijning.
(7)Parl. St., Kamer, 2OO4-2OO5, st. 51, 1778/OO, wetsontwerp dd. 11 mei 2OO5, p. 8.
(8)VAN CROMBRUGGE, S., 'Het fiscaal winstbegrip' in Vennootschap en belasting, losbladig, (bijwerking 2002), Deel III, 3, nr. 740.
(9)o.m. Cass., 20 februari 1997, Arr. Cass., 1997, nr. 100.
(10)Rb. Brussel, 26 mei 2004, F.J.F., 2005, nr. 2005/75; Rb. Nijvel, 23 april 2002, J.D.F., 2002, p. 229, Rb. Hasselt, 13 oktober 2004, F.J.F., 2005, nr. 2005/74.
(11)Parl. St., Kamer, 2OO4-2OO5, st. 51, 1778/OO, wetsontwerp dd. 11 mei 2OO5, p. 8: 'Tenslotte wordt opgemerkt dat het fiscaal recht is gebaseerd op de jaarrekeningen welke zijn opgesteld op basis van het boekhoudrecht met inachtnemingen van eigen waarderingsregels voor de vaststelling van de belastbare basis. Niets weerhoudt het fiscaal recht af te wijken van bepaalde algemene beginselen van het boekhoudrecht'.
(12)BOGAERTS, R., 'Vennootschapsbelasting, -meerwaarden op aandelen: met of zonder kostenaftrek', A.F.T., 2004, p. 73, en de aldaar geciteerde auteurs.
(13)juncto art. 204, WIB 92.
(14)BOGAERTS, R., 'Vennootschapsbelasting, -meerwaarden op aandelen: met of zonder kostenaftrek, A.F.T., 2004, p. 73.
(15)cfr. Antwerpen, 17 mei 2005, niet gepubliceerd, besproken in Fisc. Act., 2005, nr. 31, p. 1; Rb. Bergen, 28 november 2002, T.F.R., 2003, nr. 2003/51;Rb. Leuven, 10 januari 2003, T.F.R., 2003, nr. 2003/94; Rb. Namen, 19 juni 2002, F.J.F., 2002, nr. 2002/255.
(16)VAN CROMBRUGGE, S., Berekening deelnemingsvrijstelling: veel drukte om niets?', Fiscoloog, 2000, nr. 752, p. 7; Rb. Leuven, 10 januari 2003, T.F.R., 2003, nr. 2003/94.
(17)o.m. Cass., 28 oktober 1982, Arr .Cass., 1982-1983, nr. 144; R.W., 1982-83, é6; Cass., 5 januari 1990, T.R.V., 1990, 124.
(18)VAN CROMBRUGGE, S., Grondregels van het Belgisch fiscaal recht, 1994, p. 42, nr. 33
(19)ibidem p. 43
(20)Cass., 23 december 1993, Arr.Cass., 1993, nr. 547; Cass., 29 januari 1988, Arr.Cass., 1987-1988, nr. 329; TIBERGHIEN, A., Handboek voor fiscaal recht, 2004, nr. 0056.
(21)cfr. supra.
(22)cfr. supra.
(23)Cass., 28 mei 1971, Pas., I, 1971, p. 922; Cass., 15 december 1974, Pas., I, 1947, p. 545; DASESSE, M en MINNE, P. Droit fiscal, Brussel, Bruylant, 2001, p. 59, nr. II.4.
- Fiche 2 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 15 dec. 2006, AR F.05.0099.N, A.C., 2006, nr ... Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Meerwaarden Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Meerwaarden Gerealiseerde meerwaarden op aandelen Vrijgesteld bedrag Wijze van berekening Nota: F.05.0099.N Conclusies van advocaat-generaal Dirk THIJS:
- (...)
- Onderhavige betwisting betreft de vraag of de krachtens artikel 192 ,§ 1, eerste lid WIB 92 in de vennootschapsbelasting vrijgestelde meerwaarde op aandelen de bruto-meerwaarde betreft, dat wil zeggen de meerwaarde zonder aftrek van de kosten verbonden aan de vervreemding, dan wel de netto-meerwaarde, zijnde de bruto-meerwaarde verminderd met de kosten van de vervreemding. Eiser is van oordeel dat de vrijgestelde meerwaarde de bruto-meerwaarde betreft, terwijl verweerder er daarentegen van uitgaat dat de vrijstelling slechts geldt voor het verschil tussen enerzijds de ontvangen vergoeding bij de vervreemding van de aandelen verminderd met de kosten die verband houden met de vervreemding van de aandelen, en anderzijds de aanschaffings- of beleggingswaarde van de aandelen verminderd met de voorheen aangenomen waardeverminderingen en afschrijvingen. In graad van beroep heeft het bestreden arrest het standpunt van verweerder gevolgd.
- In het eerste onderdeel van het enig middel tot cassatie voert eiser onder meer aan dat de appelrechters door in die zin te oordelen de artikelen 43, 183 en 192, ,§ 1 van het W.I.B.
(1992)en 17O van de Grondwet hebben miskend. 4. Krachtens artikel 183 W.I.B.
(1992)zijn de inkomsten die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting of ervan vrijgesteld zijn, wat hun aard betreft, dezelfde als die welke inzake personenbelasting worden beoogd en wordt hun bedrag vastgesteld volgens de regels die van toepassing zijn op winst. Bijgevolg geldt de definitie van meerwaarde die vervat is in artikel 43 van het W.I.B.
(1992)ook op het stuk van de vennootschapsbelasting. Artikel 43, zoals het geldt voor de aanslagjaren 2006 en vorige, luidt als volgt: "De verwezenlijkte meerwaarde is gelijk aan het positieve verschil tussen eensdeels de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde bij de vervreemding van het goed en anderdeels de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan verminderd met de voorheen aangenomen waardeverminderingen en afschrijvingen." De administratieve commentaar op het W.I.B.
(1992)vermeldt in nr. 43/2 dat de verkoopwaarde in geval van verkoop de verkoopprijs is. In nr. 44/58, dat betrekking heeft op de monetaire meerwaarde, gaat de administratie er daarentegen van uit dat de verkoopwaarde de verkoopprijs is verminderd met de kosten van vervreemding. De administratie geeft geen verantwoording voor die stelling. De wet van 22 juni 2005 (artikel 2) heeft tussen de woorden "het goed" en de woorden "en anderdeels" de woorden "verminderd met de kosten van vervreemding" ingelast. In tegenstelling tot de nieuwe wettekst die geldt vanaf aanslagjaar 2007, maakt de vorige tekst geen gewag van de toerekening van de kosten van vervreemding op de verwezenlijkte meerwaarde op aandelen. Het grondwettelijk legaliteitsbeginsel impliceert dat in fiscalibus geen belasting of belastbare materie kan worden ingevoerd dan door een wet, terwijl anderzijds geen vrijstelling of vermindering van belasting kan worden verleend dan mits een uitdrukkelijke wettelijke bepaling. Dit beginsel noopt tot een strikte uitlegging van de fiscale wetsbepalingen die regelen wat belastbaar is en wat niet, en in welke mate belastingvrijstelling wordt verleend
(1). Uw Hof heeft overigens het beginsel dat de belastingwetten strikt moeten worden uitgelegd, uitdrukkelijk erkend als een algemeen rechtsbeginsel
(2). Wat voorliggende problematiek betreft, noopt geen enkele wettekst de belastingplichtige om "de op de verkoop drukkende kosten rechtstreeks toe te rekenen" op de meerwaarde op aandelen
(3). Een meerderheidsstrekking in de rechtspraak gaat er dan ook terecht van uit dat artikel 43 W.I.B.
(1992)een duidelijke bepaling is die niet hoeft geïnterpreteerd te worden, zodat de "verkoopwaarde" niet kan geïnterpreteerd worden als verkoopprijs verminderd met de vervreemdingskosten
(4). 5. Zoals hoger vermeld, werd artikel 43 van het W.I.B.
(1992)bij artikel 2 van de wet van 22 juni 2OO5 tot invoering van een belastingsaftrek voor risicokapitaal gewijzigd met ingang van aanslagjaar 2OO7
(5). De nieuwe tekst van dit artikel luidt als volgt: " De verwezenlijkte meerwaarde is gelijk aan het positieve verschil tussen eensdeels de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde bij de vervreemding van het goed verminderd met de kosten van vervreemding en anderdeels de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan verminderd met de voorheen aangenomen waardeverminderingen en afschrijvingen." Uit volgende passus uit de parlementaire voorbereiding van de wet blijkt duidelijk dat ook volgens de wetgever tot en met het aanslagjaar 2OO6 de kosten in verband met de vervreemding in mindering kunnen worden gebracht als beroepskosten, terwijl het gehele bedrag van de verwezenlijkte bruto-meerwaarde van belasting wordt vrijgesteld: "De verwezenlijkte meerwaarde wordt omschreven in artikel 43 W.I.B. 92, als het positieve verschil tussen eensdeels de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde bij de vervreemding van het goed en anderdeels de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan, verminderd met de voorheen aangenomen waardeverminderingen en afschrijvingen. Thans zijn de kosten van vervreemding die betrekking hebben op de verrichting waarbij een meerwaarde op activa wordt verwezenlijkt aftrekbaar als beroepskosten. Wanneer het bedrag van de verwezenlijkte meerwaarde wordt bepaald, worden diezelfde kosten niet in mindering gebracht van het bedrag van de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde van het actief bestanddeel (eigen onderlijning). De wijze waarop de verwezenlijkte meerwaarde wordt bepaald is een probleem in de gevallen waar de verwezenlijkte meerwaarde niet wordt belast maar wordt vrijgesteld, zij het definitief of tijdelijk. Dit is m.n. het geval waarvoor het stelsel van wederbelegging geldt en voor meerwaarden op aandelen. Inderdaad kan de belastingplichtige niet alleen de gedragen kosten in mindering brengen als beroepskosten maar het bedrag van de verwezenlijkte meerwaarde die wordt vrijgesteld zal hoger zijn. Hier is dus een dubbel effect van de kosten waaraan dient te worden verholpen. Het artikel in ontwerp schrapt dit dubbel fiscaal effect door deze kosten van de vrijstellingsbasis uit te sluiten door artikel 43 W.I.B. 92 aan te passen (eigen onderlijning). Dit verklaart waarom de regering artikel 43 W.I.B. 92 wenst aan te passen teneinde het bedrag van de meerwaarde die een belastingplichtige wenst te kunnen vrijstellen te beperken, om een dubbel effect van de kosten van vervreemding te vermijden"
(6)
(7). 6. Met auteur VAN CROMBRUGGE kan worden aangenomen dat de belastingadministratie de boekhoudkundige waarderingsregels van het KB W Venn. ook voor de bepaling van de belastbare grondslag moet aanvaarden, tenzij de fiscale wet ervan afwijkt
(8). Uw Hof heeft deze primauteit van het boekhoudrecht ten aanzien van het belastingrecht bevestigd
(9)De boekhoudwetgeving schrijft voor dat de meerwaarde op de realisatie van aandelen bruto op het credit van de resultatenrekening moet komen, terwijl de kosten van de verkoop onder passende posten van het debet moeten worden geboekt. Boekhoudrechtelijk is compensatie tussen kosten en opbrengsten bijgevolg verboden. Bepaalde rechtspraak wijst er in dit verband terecht op dat er tot en met aanslagjaar 2OO6 geen fiscale bepaling is die afwijkt van het boekhoudrecht zodat de vrijgestelde meerwaarde ook op fiscaal vlak de bruto-meerwaarde is
(10). Overigens heeft de wetgever met de hoger besproken wijziging van artikel 43 bij de wet van 22 juni 2OO5 vanaf aanslagjaar 2OO7 uitdrukkelijk willen afwijken van de regels van het boekhoudrecht, zoals overigens blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet
(11). 7. Wat de in casu gestelde rechtsvraag betreft, wijst auteur BOOGAERTS ook naar het verschil met artikel 101, ,§ 1, 1°, WIB 92 waar de wetgever uitdrukkelijk stelt dat de als diverse inkomsten belastbare meerwaarde op gronden met de bijkomende kosten moet worden verminderd. De voorstanders van de strikte interpretatie van artikel 43 W.I.B.
(1992)leiden daaruit af dat de wetgever ook in dat artikel de vermindering met de kosten uitdrukkelijk zou hebben voorgeschreven mocht dit de bedoeling zijn geweest
(12). 8. De voorstanders van de vrijstelling van de meerwaarde op aandelen op grond van de bruto-meerwaarde wijzen verder nog op het verschil tussen artikel 192 W.I.B.
(1992)dat de vrijstelling van de op aandelen verwezenlijkte meerwaarden betreft en 202 W.I.B.
(1992)dat de vrijstelling van de dividenden betreft. Terwijl die bepaling
(13)uitdrukkelijk een beperking van de aftrek van DBI voorschrijft is er geen gelijkaardige bepaling inzake meerwaarden; Daarentegen schrijft artikel 192 voor dat de meerwaarden 'volledig' zijn vrijgesteld
(14). 9. De opvatting dat enkel de netto-meerwaarde op aandelen zou zijn vrijgesteld, is theoretisch vooral onderbouwd door auteur VAN CROMBRUGGE. Diens theoretische onderbouw wordt overgenomen door heel wat gerechtelijke uitspraken, waaronder het bestreden arrest dat naar deze auteur verwijst en haast letterlijk bepaalde van zijn argumenten overneemt
(15). VAN CROMBRUGGE beroept zich op het realiteitsbeginsel. De auteur vertrekt van het postulaat dat alleen een werkelijk verwezenlijkte meerwaarde kan worden vrijgesteld
(16). De auteur neemt daarbij als uitgangspunt dat uit het geheel van de bepalingen van het WIB 92 blijkt dat de inkomstenbelastingen in beginsel alleen werkelijke winst treffen. Hij stelt daarnaast dat Uw Hof herhaaldelijk heeft beslist dat alleen werkelijke waarden in aanmerking komen om, zowel in positieve als in negatieve zin, tot de winstvorming bij te dragen
(17). Volgens de auteur geldt dit ook voor meerwaarden, in het bijzonder vrij te stellen meerwaarden. Hij besluit dat alleen een aandelenmeerwaarde die werkelijk is gerealiseerd, kan worden vrijgesteld. De stelling van de auteur gaat ervan uit dat inzake inkomstenbelastingen de economische werkelijkheid primeert op de juridische voorschriften. VAN CROMBRUGGE zelf schrijft in dit verband dat in de oudere literatuur soms werd geïnsinueerd dat de fiscale wet niet geïnteresseerd is in de juridische kleur van de feiten, maar in de economische werkelijkheid. Hij vervolgt dat dit in zijn algemeenheid naar de huidige inzichten beslist onjuist is. Wanneer er een tegenstelling bestaat tussen de juridische werkelijkheid en de economische werkelijkheid, is het in beginsel de eerste die het haalt
(18). Hij schrijft ook nog dat opdat de economische realiteit boven de juridische realiteit zou gaan, telkens een wettekst of een geheel van wetteksten nodig is
(19). Die stellingen lijken mij moeilijk te verenigen met zijn stelling dat alleen werkelijke (lees economische) meerwaarden op aandelen kunnen worden vrijgesteld. Hij geeft alleszins niet aan welke wetteksten tot gevolg hebben dat de economische realiteit inzake meerwaarden het haalt op de juridische realiteit. Inzake meerwaarden lijkt de auteur aldus een onderscheid te maken tussen de economische en juridische realiteit dat moeilijk te rijmen valt met zijn eigen uitgangspunten. Uit de rechtspraak van Uw Hof blijkt overigens dat er geen algemeen rechtsbeginsel bestaat volgens welke er in fiscalibus rekening gehouden zou moeten worden met een "economische werkelijkheid"
(20). De zienswijze van VAN CROMBRUGGE lijkt mij ten andere moeilijk te verzoenen met het grondwettelijk legaliteitsbeginsel
(21). 1O. De vrijstelling van de bruto-meerwaarde op aandelen leidt ertoe dat de kosten van vervreemding fiscaal tweemaal ten laste worden genomen. Ze worden in de eerste plaats afgetrokken als bedrijfslasten en vervolgens zijn ze vervat in de (bruto)meerwaarde die wordt vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Vanuit die optiek leidt de opvatting dat alleen de netto-meerwaarde is vrijgesteld, tot het meest billijke resultaat in die zin dat belet wordt dat de belastingplichtige dezelfde kostenpost tweemaal fiscaal in mindering brengt. Die dubbele fiscale tenlasteneming van de vervreemdingskosten was de aanleiding tot de tussenkomst van de wetgever middels de wet van 22 juni 2005
(22). In dit verband kan verwezen worden naar de rechtspraak van Uw Hof die stelt dat de draagwijdte van de fiscale wet niet kan worden beperkt onder voorwendsel dat de tekst aanleiding zou geven tot onrechtvaardigheden (23.). 11. Door te oordelen dat voor het bepalen van het vrijgestelde bedrag van de gerealiseerde meerwaarden op aandelen de kosten verbonden aan de vervreemding in mindering dienen te worden gebracht, terwijl de fiscale wetgeving zulks niet voorziet, schendt het bestreden arrest de als geschonden aangewezen bepalingen. Het eerste onderdeel komt dan ook gegrond voor, terwijl de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden. Besluit: VERNIETIGING. ARREST _______________
(1)S. HUYSMAN, De interpretatie van de fiscale wet: evolutie of stagnatie, R. Cass., 1998, 379, nr. 3; B. MALVAUX, Plus-values sur actions, L'exonération vise-t-elle la plus-value brute ou nette?, Act. Fisc., 2OO2, nr. 23/1; V. PARMENTIER, Impôts des sociétés - Plus-ou moins-values sur actions: quell traitement fiscal pour les frais supplémentaires?, Act. Fisc. 2OO1, nr. 2O/5.
(2)Cass., 1O november 1997, A.C., 1997, 11O6, nr. 464; Cass., 9 juni 1947, A.C., 1947, 193; F. VANISTENDAEL, Algemene rechtsbeginselen in het belastingrecht, in Algemene rechtsbeginselen, ed. M. Van Hoecke, Kluwer Rechtswetenschappen België, Antwerpen, 1991, 228, nr. 9; F. VANISTENDAEL, "Les principes généraux de droit en droit fiscal, R.G.F., 1991, 124; Contra: A. BOSSUYT, Verslag van het Hof van Cassatie, 2OO3, Hoofdstuk IV Algemene rechtsbeginselen, p. 141, bovenaan.
(3)BOGAERTS, R., "Vennootschapsbelasting, meerwaarden op aandelen: met of zonder kostenaftrek?", A.F.T., 2004, p. 68.
(4)Bergen, 6 april 2005, Fisc.Act., 2005, nr. 14/3; Rb. Antwerpen, 6 januari 2003, F.J.F., 2003, nr. 2003/188; Rb. Antwerpen, 12 en 17 november 2003, onuitgeg. Besproken in Fiscoloog, 2004, nr. 921, p. 11; Rb. Antwerpen, 27 februari 2004, onuitgeg., besproken in A.F.T., 2004, p. 33 e.v.;Rb. Bergen, 11 september 2002, onuitgeg., besproken in Fiscoloog, 2002, nr. 861, p. 1-2; Rb. Brussel, 26 mei 2004, F.J.F., nr. 2005/75; Rb. Hasselt, 13 oktober 2004, F.J.F., 2005, nr. 2005/74; Rb. Nijvel, 23 april 2002, J.D.F., 2002, p. 229; KLEYNEN, G., Rappel des diverses déformations de l'article 192 du code des impôts sur les revenus 1992 par l'administration, J.D.F., 2002, p. é.
(5)B.S., 3O juni 2OO5.
(6)eigen onderlijning.
(7)Parl. St., Kamer, 2OO4-2OO5, st. 51, 1778/OO, wetsontwerp dd. 11 mei 2OO5, p. 8.
(8)VAN CROMBRUGGE, S., "Het fiscaal winstbegrip" in Vennootschap en belasting, losbladig, (bijwerking 2002), Deel III, 3, nr. 740.
(9)o.m. Cass., 20 februari 1997, Arr. Cass., 1997, nr. 100.
(10)Rb. Brussel, 26 mei 2004, F.J.F., 2005, nr. 2005/75; Rb. Nijvel, 23 april 2002, J.D.F., 2002, p. 229, Rb. Hasselt, 13 oktober 2004, F.J.F., 2005, nr. 2005/74.
(11)Parl. St., Kamer, 2OO4-2OO5, st. 51, 1778/OO, wetsontwerp dd. 11 mei 2OO5, p. 8: "Tenslotte wordt opgemerkt dat het fiscaal recht is gebaseerd op de jaarrekeningen welke zijn opgesteld op basis van het boekhoudrecht met inachtnemingen van eigen waarderingsregels voor de vaststelling van de belastbare basis. Niets weerhoudt het fiscaal recht af te wijken van bepaalde algemene beginselen van het boekhoudrecht".
(12)BOGAERTS, R., "Vennootschapsbelasting, -meerwaarden op aandelen: met of zonder kostenaftrek", A.F.T., 2004, p. 73, en de aldaar geciteerde auteurs.
(13)juncto art. 204, WIB 92.
(14)BOGAERTS, R., "Vennootschapsbelasting, -meerwaarden op aandelen: met of zonder kostenaftrek, A.F.T., 2004, p. 73.
(15)cfr. Antwerpen, 17 mei 2005, niet gepubliceerd, besproken in Fisc. Act., 2005, nr. 31, p. 1; Rb. Bergen, 28 november 2002, T.F.R., 2003, nr. 2003/51;Rb. Leuven, 10 januari 2003, T.F.R., 2003, nr. 2003/94; Rb. Namen, 19 juni 2002, F.J.F., 2002, nr. 2002/255.
(16)VAN CROMBRUGGE, S., Berekening deelnemingsvrijstelling: veel drukte om niets?", Fiscoloog, 2000, nr. 752, p. 7; Rb. Leuven, 10 januari 2003, T.F.R., 2003, nr. 2003/94.
(17)o.m. Cass., 28 oktober 1982, Arr .Cass., 1982-1983, nr. 144; R.W., 1982-83, é6; Cass., 5 januari 1990, T.R.V., 1990, 124.
(18)VAN CROMBRUGGE, S., Grondregels van het Belgisch fiscaal recht, 1994, p. 42, nr. 33
(19)ibidem p. 43
(20)Cass., 23 december 1993, Arr.Cass., 1993, nr. 547; Cass., 29 januari 1988, Arr.Cass., 1987-1988, nr. 329; TIBERGHIEN, A., Handboek voor fiscaal recht, 2004, nr. 0056.
(21)cfr. supra.
(22)cfr. supra.
(23)Cass., 28 mei 1971, Pas., I, 1971, p. 922; Cass., 15 december 1974, Pas., I, 1947, p. 545; DASESSE, M en MINNE, P. Droit fiscal, Brussel, Bruylant, 2001, p. 59, nr. II.4.3. Annotaties Publicaties: Fiscoloog - Marc Dhaene - 31 januari 2007,1056 Fiscologue - Marc Dhaene - 2 février 2007, 1056 Tekst van de beslissing Nr. F.05.0099.N V.A. METHOLD 'S HERTOGENBOSCH, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2000 Antwerpen, Deguinlei 50, bus 6, eisers, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, voor wie optreedt de gewestelijke directeur van de directie van de administratie der directe belastingen van Antwerpen I, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 2, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 17 mei 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen artikel 170 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; de artikelen 43, 192, eerste lid, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 22 december 1998, en 192, ,§1, eerste lid, zoals van toepassing na de wijziging bij wet van 22 december 1998 en vóór de wijziging bij wet van 10 maart 1999, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)); de artikelen 1582, 1591 en 1592 van het Burgerlijk Wetboek; de artikelen 25, ,§2, 35, 36 en 41 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen); de artikelen 6, 20, 21, 29, ,§1bis en ,§3, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 betreffende de jaarrekening van ondernemingen; het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de belastingwetten op strikte wijze moeten worden uitgelegd. Aangevochten beslissingen Bij het bestreden arrest verklaart het Hof van Beroep te Antwerpen de verweerders hoger beroep ontvankelijk en gegrond, hervormt het bestreden vonnis, waarbij de rechtbank de oorspronkelijke vordering toelaatbaar en gegrond verklaarde, de bestreden beslissing wijzigde, ontheffing verleende van de bestreden aanslag in de mate dat de vrijgestelde verwezenlijkte meerwaarden op aandelen werd verminderd met 66.823,19 euro, de herberekening van de bestreden aanslag beval, de vennootschap ontsloeg van de ten onrechte ingekohierde belastingen en de Belgische Staat in voorkomend geval veroordeelde tot terugbetaling van de eventueel door de vennootschap reeds betaalde bedragen en/of door de verweerder ten onrechte ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 418 WIB'92 en tot de kosten van het geding, en, opnieuw wijzende, verklaart de oorspronkelijke vordering ongegrond en veroordeelt de eiser tot de kosten. Deze beslissing is gestoeld op volgende overwegingen: "In de vennootschapsbelasting zijn meerwaarden die worden verwezenlijkt op aandelen, andere dan ruilmeerwaarden bij herstructurering en meerwaarden bij aandelenleningen (artikel 45 WIB'92) volledig vrijgesteld wanneer aan de taxatievoorwaarde van het DBI-stelsel voldaan is (artikel 192, eerste lid, WIB'92). Deze vrijstelling wordt in de technische benadering van de belastbare vennootschapswinst geëffectueerd door de begintoestand van de reserves te verhogen (artikel 74 KB/WIB'92). De ratio legis van de deelnemingsvrijstelling in het algemeen is de voorkoming van economische dubbele belasting. Aan de meerwaarde die een moedermaatschappij behaalt op haar aandelen, beantwoordt reeds belaste winst van de dochtermaatschappij. Daarom past het de meerwaarde bij de moedermaatschappij vrij te stellen. Deze ratio legis verklaart alleen waarom het stelsel in het algemeen werd ingevoerd, doch men kan er geen mathematische regels uit afleiden, temeer daar er tussen de reeds belaste winst van de dochtermaatschappij en de aandelenmeerwaarde van de moedermaatschappij bijna nooit een mathematische gelijkheid bestaat. De wettekst zelf maakt dan ook geen enkele allusie op dergelijke gebeurlijke mathemastische gelijkheid. Minderwaarden op aandelen zijn, behoudens een uitzondering, in de vennootschapsbelasting niet aftrekbaar als beroepskosten (artikel 198, 1e lid, 7°, WIB'92), terwijl de bijkomende kosten bij verkoop met minderwaarde niet aan de te verwerpen minderwaarde worden toegevoegd. De verwerping als beroepskost van minderwaarden op aandelen is een uitzondering op het principe van de aftrekbaarheid van beroepskosten en moet dus strikt geïnterpreteerd worden. Daarom zijn alleen de echte minderwaarden te verwerpen en niet de bijkomende kosten. Ook de vrijstelling van verwezenlijkte meerwaarden op aandelen is een uitzondering op de principiële belastbaarheid van alle vennootschapswinsten en moet dus eveneens strikt geïnterpreteerd worden. In het DBI-stelsel zijn de dividenden die van een dochtermaatschappij worden ontvangen slechts voor 95 pct. aftrekbaar (artikel 204 WIB'92). Deze beperking is ingegeven door de overweging dat het niet-aftrekbare gedeelte wel zal worden opgeslorpt door algemene beheerskosten, die aftrekbaar zijn als beroepskosten. Indien dit niet aan de werkelijkheid zou beantwoorden, ontstaat er toch maar een fiscale extra last. De kosten die effectief op het behoud van een aandelenpakket drukken zijn daarenboven in werkelijkheid dikwijls veel hoger. Door de DBI-aftrek tot 95 pct. te beperken heeft de wetgever tot doel gehad de dividenden slechts voor hun netto bedrag aftrekbaar te maken en alzo op forfaitaire wijze de dubbele aftrekken wat te verminderen. Compensatie tussen tegoeden en schulden, tussen rechten en verplichtingen en tussen kosten en opbrengsten is volgens het boekhoudrecht verboden (artikel 6 KB 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen). De meerwaarde op de realisatie van de aandelen moet bijgevolg bruto op het credit van de resultatenrekening komen en de kosten van de verkoop moeten op passende posten van het debet komen. Boekhoudkundige winst is evenwel niet noodzakelijk (en zelfs zelden) identiek aan de fiscale winst die tot grondslag van de belastingheffing dient, omwille van de toepassing van diverse autonome fiscale regelen. De vrijstellingen van meerwaarden zijn dergelijke autonome fiscale regelen. Het is aldus niet zo dat de boekhoudkundige techniek van de overboeking naar belastingvrije reserves (rubriek XII Resultatenrekening) uit zichzelf een fiscale vrijstelling tot gevolg heeft. Men kan deze techniek maar gebruiken wanneer en in de mate dat de fiscale wetgeving zulks toelaat. Op dezelfde wijze volstaat het evenmin dat het bruto bedrag van een aandelenmeerwaarde op het credit van de resultatenrekening staat om daar meteen uit af te leiden dat dat bedrag dan ook wel fiscaal volledig zal vrijgesteld zijn. Een meerwaarde is maar vrijgesteld indien en in de mate dat de fiscale wet dat bepaalt. Het probleem van het vrij te stellen bedrag bij meerwaarden op aandelen is bijgevolg een zuiver fiscaalrechtelijk probleem. Uit het geheel van de bepalingen van het WIB'92 blijkt dat de inkomstenbelastingen in beginsel alleen de werkelijke winst treffen. Derhalve komen alleen werkelijke waarden in aanmerking om, zowel in positieve als in negatieve zin, bij te dragen tot de winstvorming. Dit geldt ook voor meerwaarden, in het bijzonder voor vrij te stellen meerwaarden. Derhalve kan alleen een aandelen-meerwaarde die werkelijk is gerealiseerd worden vrijgesteld; wie meer wil vrijstellen, stelt vrij wat er niet is. De Belgische fiscale wet laat zulks, met het realiteitsbeginsel, niet toe. De door (de eisers) verdedigde stelling heeft tot gevolg dat de kosten tweemaal in mindering van de belastbare grondslag zouden worden gebracht. De meerwaarde op de aandelen wordt bruto op het credit van de resultatenrekening geboekt, terwijl de verkoopkosten op het debet van de resultatenrekening worden geboekt. Deze verkoopkosten worden hierbij reeds ten laste van het resultaat gelegd. Indien men zou aanvaarden dat de bruto geboekte meerwaarde wordt vrijgesteld, worden de verkoopkosten een tweede maal ten laste van het resultaat gelegd, hetgeen door de wet niet wordt toegelaten. Voor de bepaling van het belastbare bedrag van de meerwaarden zoals vermeld in artikel 192 WIB'92 dient wel rekening gehouden te worden met het realiteitsbeginsel en er kan derhalve niet meer worden vrijgesteld dan er daadwerkelijk gerealiseerd wordt. De boeking van zowel de verkoop van de aandelen als de boeking van de kosten naar aanleiding van deze verkoop vormen dan ook één economisch geheel. Krachtens artikel 192 WIB'92 dient rekening gehouden te worden met de eventuele vroeger aangenomen waardeverminderingen welke ook in een vorig boekjaar ten laste van het resultaat werden genomen doch waarmee in het jaar van realisatie van de meetwaarde eveneens rekening dient gehouden te worden voor de bepaling van het belastbare bedrag van de gerealiseerde meerwaarde. De administratie heeft derhalve terecht de door (de eisers) oorspronkelijk aangegeven vrijgestelde meerwaarden verminderd met een bedrag van 66.823,19 euro, zijnde de aan de verkoop van de aandelen inherente kosten. De betwiste aanslag is volkomen rechtsgeldig. De oorspronkelijke vordering van (de eisers) is dan ook ongegrond en het bestreden vonnis dient hervormd te worden. Het hoger beroep is derhalve gegrond en (de eisers) dient veroordeeld te worden tot de kosten van het geding in beide aanleggen". Grieven Eerste onderdeel Ingevolge artikel 170 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 kan geen belasting ten behoeve de de Staat worden ingevoerd dan door wet. Bovendien moeten belastingwetten strikt worden uitgelegd, hetgeen wordt verwoord in een algemeen rechtsbeginsel, waarvan het bestaan door het Hof uitdrukkelijk wordt erkend. Dat beginsel, dat rechtstreeks is terug te brengen op het legaliteitsbeginsel, houdt in dat er slechts tot het bestaan van een grond tot heffing van belasting zal kunnen worden besloten wanneer de wetgever uitdrukkelijk heeft bepaald dat het kwestieuze feit belastbaar is, hetgeen iedere toepassing per analogie van fiscale bepalingen uit het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)op situaties die niet uitdrukkelijk door de wetgever werden geviseerd, uitsluit. Luidens artikel 192, eerste lid, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 22 december 1998, en artikel 192, ,§1, eerste lid, zoals van toepassing na de wijziging bij wet van 22 december 1998 en vóór de wijziging bij wet van 10 maart 1999, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), zijn volledig vrijgesteld van belasting de meerwaarden verwezenlijkt op aandelen waarvan de eventuele inkomsten in aanmerking komen om overeenkomstig artikel 202 van de winst te worden afgetrokken. Uit artikel 43 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)volgt dat de verwezenlijkte meerwaarde, waarvan sprake in voornoemd artikel 192, gelijk is aan het positieve verschil tussen eensdeels de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde bij de vervreemding van het goed en anderdeels de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan verminderd met de voorheen aangenomen waardevermindering en afschrijvingen. In voormeld artikel is geen sprake van enig ander element, waarmee bij de bepaling van de verwezenlijkte meerwaarde rekening zou moeten worden gehouden, inzonderheid de kosten, verbonden met de verkoop, waaruit volgt dat, op straffe van toevoeging aan voornoemde wetsbepaling van een voorwaarde die niet door de wet werd voorgeschreven, er geen aanleiding bestaat tot het in mindering brengen op de verkoopprijs van de kosten verbonden met de verkoop ter bepaling van de vrijgestelde meerwaarde. De tekst beperkt er zich immers toe te verwijzen naar de ontvangen vergoeding of verkoopwaarde. In afwezigheid van afwijkende bepaling moet dan ook worden aangenomen dat "de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde bij de vervreemding van het goed" in geval van verkoop verwijst naar het begrip "koopprijs" in de zin van het burgerlijk recht, zijnde de prijs die de ene partij overeenkomstig artikel 1582 van het Burgerlijk Wetboek zich ertoe verbindt om aan de andere partij te betalen als tegenprestatie voor de levering van een zaak en die overeenkomstig artikelen 1591 en 1592 van het Burgerlijk Wetboek door de partijen dan wel door een derde wordt bepaald, waarbij de kosten buiten beschouwing worden gelaten. In de administratieve commentaar wordt trouwens uitdrukkelijk gepreciseerd dat onder de verkoopwaarde in geval van verkoop de verkoopprijs moet worden verstaan, zonder dat hierbij wordt aangevoerd dat op voornoemd bedrag enige kost in mindering zou moeten worden gebracht. Besluit Waar het hof van beroep bij het bestreden arrest oordeelt dat er slechts rekening kan worden gehouden met de nettoverkoopprijs, daar waar in de definitie van het begrip "meerwaarde", gegeven bij artikel 43 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), geen sprake is van enige herleiding van de verkoopprijs met de kosten verbonden met de verkoop, doch het begrip verkoopwaarde wordt gehanteerd in de gemeenrechtelijke zin van "koopprijs", doet het hof van beroep uitspraak in miskenning van het begrip "meerwaarde" (schending van artikelen 43 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), 1582, 1591 en 1592 van het Burgerlijk Wetboek) en kon het niet wettig beslissen dat de vrijstelling van belasting, waarvan sprake in artikel 192, eerste lid, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 22 december 1998, en artikel 192, ,§1, eerste lid, zoals van toepassing na de wijziging bij wet van 22 december 1998 en vóór de wijziging bij wet van 10 maart 1999, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), enkel gold voor de meerwaarde, bekomen na het in mindering brengen van de aan de verkoop van de aandelen inherente kosten (schending van artikelen 43, 192, eerste lid, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 22 december 1998, en 192, ,§1, eerste lid, zoals van toepassing na de wijziging bij wet van 22 december 1998 en vóór de wijziging bij wet van 10 maart 1999, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)), daarbij tevens uitspraak doende in miskenning van artikel 170 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 alsmede van het algemeen rechtsbeginsel, volgens hetwelk de belastingwetten op strikte wijze moeten worden uitgelegd. Tweede onderdeel In beginsel primeert bij het bepalen van het belastbaar resultaat inzake vennootschapsbelasting het boekhoudrecht, tenzij en in de mate dat de fiscale wetgeving ervan zou afwijken. Deze regel geldt evenzeer ten aanzien van de bepaling van de voor belastingvrijstelling in aanmerking komende meerwaarde. Uit de beschouwingen uit het eerste onderdeel blijkt dat de fiscale wet terzake niets anders bepaalt dan dat de verwezenlijkte meerwaarde gelijk is aan het positieve verschil tussen eensdeels de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde bij de vervreemding van het goed en anderdeels de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan, verminderd met de voorheen aangenomen waardevermindering en afschrijvingen. De wetgever week m.a.w. geenszins af van het boekhoudrecht, dat in artikel 35 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen, voorheen artikel 20 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 betreffende de jaarrekening van ondernemingen, als algemene regel voorschrijft dat elk actiefbestanddeel wordt gewaardeerd tegen aanschaffingswaarde en voor dat bedrag in de balans wordt opgenomen, onder aftrek van de desbetreffende afschrijvingen en waardeverminderingen, omschrijving van de aanschaffings- of beleggingswaarde die als dusdanig in artikel 43 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)is terug te vinden. Die aanschaffingswaarde wordt tevens geacht naast de koopprijs ook bijkomende kosten te bevatten, zoals blijkt uit artikel 36 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 (voorheen artikel 21 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976). Deze regeling is ook van toepassing op financiële vaste activa en geldbeleggingen, met dien verstande dat artikel 41, ,§2, van het koninklijk besluit van 30 januari 2001, voorheen artikel 29, ,§3, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976, uitdrukkelijk bepaalt dat de bijkomende kosten met betrekking tot het aanschaffen van financiële vaste activa en van geldbeleggingen ten laste mogen worden genomen van de resultatenrekening van het boekjaar in de loop waarvan ze werden aangegaan. Bovendien bepaalt artikel 25, ,§2, van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 (voorheen artikel 6 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 betreffende de jaarrekening van ondernemingen) uitdrukkelijk dat compensatie tussen tegoeden en schulden, tussen rechten en verplichtingen en tussen kosten en opbrengsten verboden is, behalve in de gevallen voorzien door deze titel, derwijze dat iedere compensatie tussen de verkoopkosten en de ontvangen verkoopprijs ter bepaling van het bedrag van de vrijstelbare meerwaarde op aandelen is uitgesloten. Uit het voorgaande volgt dat als verkoopprijs zal worden geboekt het bedrag dat uit hoofde van de verkoop wordt bekomen, ongeacht de kosten, gemaakt naar aanleiding van die verkoop, dewelke bij toepassing van artikel 25, ,§2, van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 (voorheen artikel 6 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 betreffende de jaarrekening van ondernemingen) zullen worden geboekt volgens hun eigen aard onder de meest geëigende post uit het wettelijk schema. Indien naar aanleiding van de verkoop van aandelen bijkomende kosten worden gemaakt, zullen zij bijgevolg, bij gebreke van afwijkende bepaling in het fiscaal recht, niet in mindering worden gebracht van de ontvangen verkoopprijs ter bepaling van de vrijstelbare meerwaarde op aandelen. Besluit Waar het hof van beroep oordeelt "dat boekhoudkundige winst niet noodzakelijk (en zelfs zelden) identiek (is) aan de fiscale winst die tot grondslag van de belastingheffing dient, omwille van de toepassing van diverse autonome fiscale regelen", dat "de vrijstellingen van meerwaarden dergelijke autonome regelen (zijn)", dat "het evenmin (volstaat) dat het bruto bedrag van een aandelenmeerwaarde op het credit van de resultatenrekening staat om daar meteen uit af te leiden dat dat bedrag dan ook wel fiscaal volledig zal vrijgesteld zijn", dat "een meerwaarde maar (is) vrijgesteld indien en in de mate dat de fiscale wet dat bepaalt", waarna het besluit dat "het probleem van het vrij te stellen bedrag bij meerwaarden op aandelen bijgevolg een zuiver fiscaalrechtelijk probleem (is)", doet het hof van beroep uitspraak in miskenning van de regels van het fiscaal recht, inzonderheid de artikelen 43, 192, eerste lid, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 22 december 1998, en 192, ,§1, eerste lid, zoals van toepassing na de wijziging bij wet van 22 december 1998 en vóór de wijziging bij wet van 10 maart 1999, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), waaruit, in tegenstelling tot hetgeen het hof van beroep beslist, geenszins blijkt dat hierbij werd afgeweken van de regels van het boekhoudrecht, inzonderheid van artikelen 25, ,§2, 35, 36 en 41 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen, voorheen 6, 20, 21, 29, ,§1bis en ,§3, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 betreffende de jaarrekening van ondernemingen, ter bepaling van de bij vervreemding van aandelen ontvangen verkoopprijs (schending van artikelen 43, 192, eerste lid, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 22 december 1998, en 192, ,§1, eerste lid, zoals van toepassing na de wijziging bij wet van 22 december 1998 en vóór de wijziging bij wet van 10 maart 1999, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)), anderzijds van de regels van het boekhoudrecht die, behoudens uitdrukkelijk afwijkende bepaling, ook inzake fiscaal recht van toepassing zijn en waaruit meer bepaald volgt dat iedere compensatie tussen kosten en schuldvorderingen, en derhalve tussen de overeengekomen verkoopprijs en de bijkomende kosten, gemaakt naar aanleiding van die verkoop, uitgesloten is (schending van artikelen 25, ,§2, 35, 36 e n 41 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen, 6, 20, 21, 29, ,§1 bis en ,§3, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 betreffende de jaarrekening van ondernemingen). Derde onderdeel Van een algemeen rechtsbeginsel van fiscaal recht kan er slechts sprake zijn wanneer blijkt dat hetgeen als dusdanig wordt voorgesteld de grondslag uitmaakt van het geheel van de regels die de heffing van belastingen beheersen. In het fiscaal recht bestaat er evenwel geen algemeen rechtsbeginsel op grond waarvan de belastingschuld zou moeten worden bepaald op grond van de economische werkelijkheid wanneer die afwijkt van de juridische. De realiteit zal dan ook slechts primeren, voorzover uit de wettelijke bepaling, waarvan toepassing moet worden gemaakt, ook blijkt dat dit de bedoeling van de wetgever was. Te dezen volgt uit de artikelen 43 en 192, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)dat als meerwaarde wordt vrijgesteld van belasting het verschil tussen eensdeels de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde bij de vervreemding van het goed en anderdeels de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan verminderd met de voorheen aangenomen waardevermindering en afschrijving. In deze bepalingen wordt nergens gesteld dat enkel acht zou kunnen worden geslagen op de meerwaarde die werkelijk werd gerealiseerd, onder te verstaan het nettobedrag, bekomen na de verrekening van de bijkomende kosten bij de vervreemding van de aandelen met het verschil tussen de verkoop- en de aanschaffingswaarde der aandelen, zoals voorgesteld door de administratie, berekening die overigens nooit zal overeenstemmen met een werkelijke meerwaarde, in de mate dat deze definitie geen rekening houdt met de kosten, gedragen door de belastingplichtige naar aanleiding van de aanschaffing van diezelfde aandelen. Besluit Waar het Belgische recht het realiteitsbeginsel niet erkent als een algemeen rechtsbeginsel met wettelijke waarde en zodoende de realiteit slechts zal primeren wanneer de wetgever dat ook heeft bepaald, kon het hof van beroep op grond van de gedane vaststellingen, met name de vaststelling dat uit het geheel van bepalingen van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)blijkt dat inkomstenbelastingen in beginsel alleen de werkelijke winst treffen, dat derhalve alleen werkelijke waarden in aanmerking komen om bij te dragen tot de winstvorming, hetgeen ook geldt voor meerwaarden, in het bijzonder voor vrij te stellen meerwaarden, en dat de Belgische fiscale wet, met het realititeitsbeginsel, niet toelaat dat er meer wordt vrijgesteld dan alleen een aandelenwaarde die werkelijk is gerealiseerd, zonder evenwel vast te stellen dat het bij de invoering van artikel 192, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), inderdaad de bedoeling van de wetgever was dat enkel de werkelijk gerealiseerde meerwaarden zouden worden vrijgesteld van belasting, verantwoordt het hof van beroep zijn beslissing dat alleen een aandelenmeerwaarde die werkelijk werd gerealiseerd kan worden vrijgesteld en dat derhalve de administratie terecht de door de vennootschap oorspronkelijk aangegeven vrijgestelde meerwaarden heeft verminderd met de aan de verkoop van de aandelen inherente kosten niet naar recht (schending van artikelen 43,192, eerste lid, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 22 december 1998, en 192, ,§1, eerste lid, zoals van toepassing na de wijziging bij wet van 22 december 1998 en vóór de wijziging bij wet van 10 maart 1999, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)). BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep Het openbaar ministerie werpt ambtshalve op dat het cassatieberoep van de tweede eiseres niet ontvankelijk is, daar zij geen partij was voor de appelrechters. Het openbaar ministerie heeft van het door hem opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid kennis gegeven overeenkomstig artikel 1097 van het Gerechtelijk Wetboek. De eiseres, die geen partij was voor de appelrechters, kan niet als procespartij optreden. Het middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep gericht tegen de tweede eiseres is gegrond. Eerste onderdeel Het hier toepasselijke artikel 192, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), bepaalt dat volledig zijn vrijgesteld de meerwaarden verwezenlijkt op aandelen waarvan de eventuele inkomsten in aanmerking komen om krachtens de artikelen 202, ,§1, en 203, van de winst te worden afgetrokken. Artikel 183 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)bepaalt dat, onder voorbehoud van de in deze titel omschreven afwijkingen, wat hun aard betreft, de inkomsten die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting of daarvan vrijgesteld zijn, dezelfde zijn als die welke inzake personenbelasting worden beoogd en dat het bedrag ervan wordt vastgesteld volgens de regels die van toepassing zijn op winst. Artikel 43 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), zoals hier van toepassing, bepaalt dat de verwezenlijkte meerwaarde gelijk is aan het positieve verschil tussen eensdeels de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde bij de vervreemding van het goed en anderdeels de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan verminderd met de voorheen aangenomen waardeverminderingen en afschrijvingen. Om het vrijgesteld bedrag van de gerealiseerde meerwaarde op aandelen te bepalen, mag de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde bij vervreemding niet verminderd worden met de kosten van de vervreemding, vermits de voormelde wetsbepalingen hierin niet voorzien. Het bestreden arrest dat anders beslist, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Eric Stassijns en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van 15 december 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061215.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20111124.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div