← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061215.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061215.4 Rolnummer: C.05.0558.N Kamer: 1N + Eerste Kamer + Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-02-27 Raadplegingen: 569 - laatst gezien 2026-07-04 03:34 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het recht van opstal dat voor onbepaalde duur wordt bedongen, waardoor in werkelijkheid een zakelijk recht wordt gevestigd voor meer dan vijftig jaar, is niet nietig maar dient herleid te worden tot deze wettelijk bepaalde maximumtermijn. Thesaurus CAS: OPSTAL (RECHT VAN) UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Opstal Vrije woorden: OPSTAL (RECHT VAN) Onbepaalde duur Wettelijke bepalingen: Wet - 10-01-1824 - Artt.1en4 Annotaties Publicaties: R.W. - Mathieu MUYLLE; Hoe lang duurt mijn recht van opstal? - 2007-2008, 104-107 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0558.N

  1. V.D.C., en zijn echtgenote,
  2. M.M.,
  3. V.D. F., en zijn echtgenote,
  4. L. M., eisers, vertegenwoordigd door mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  5. V. H. G., en zijn echtgenote,
  6. C.P., verweerders, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 14 februari 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 1134, 1135, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 780, 3°, en 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 4 van de wet van 10 januari 1824 over het recht van opstal; - het algemeen rechtsbeginsel houdende de rechten van de verdediging - het algemeen rechtsbeginsel dat overeenkomsten van onbepaalde duur, ingevolge het beginsel van de individuele vrijheid, eenzijdig kunnen worden opgezegd. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest ontvangt het hoger beroep van de eisers, maar verklaart het ten onrechte slechts beperkt gegrond. Het steunt daarbij op volgende overwegingen: Het voorwerp van de betwisting tussen partijen betreft een bij overeenkomst gevestigd opstalrecht. Partijen betwisten niet dat de wet van 10 januari 1824 (Opstalwet) van toepassing is. Een essentieel kenmerk van het recht van opstal is dat het een in de tijd beperkt recht is. Het kan slechts voor een termijn van maximum 50 jaar worden toegestaan (...). De beëindiging van het opstalrecht wordt geregeld in artikel 9 Opstalwet. Dit artikel handelt over de vermenging, het tenietgaan van de grond en de verjaring van dertig jaren. Het gaat hier slechts om een exemplatieve opsomming, die moet worden aangevuld met andere gemeenrechtelijke wijzen van tenietgaan van zakelijke rechten, bijvoorbeeld de afloop van de overeengekomen duur van het opstalrecht. Te dezen hebben partijen geen termijn bedongen. Bij gebreke van een bedongen kortere termijn moet worden aangenomen dat het opstalrecht voor de maximumduur van 50 jaar werd gevestigd. Nu partijen de overeenkomst van opstalrecht niet minnelijk hebben beëindigd, hebben appellanten (d.w.z. de eisers) niet het recht om deze overeenkomst die geldt voor 50 jaar op te zeggen. De mogelijkheid tot opzegging is overigens ook niet conventioneel bepaald. De tegenvordering van appellanten (d.w.z. de eisers) blijft afgewezen. Grieven Eerste onderdeel Het bestreden arrest schendt onmiskenbaar artikel 4 van de Opstalwet. Deze wetsbepaling stelt enkel een maximumtermijn (van 50 jaar) voor het recht van opstal. Nergens laat deze wetsbepaling toe te stellen dat wanneer geen termijn is bepaald, de maximumtermijn dient te gelden. (Schending van artikel 4 van de wet van 10 januari 1824 over het recht van opstal) Tweede onderdeel Het bestreden arrest miskent de bindende kracht van de overeenkomst tussen partijen. Partijen hadden uitdrukkelijk gesteld dat het ging om een opstalrecht voor onbepaalde duur, hetgeen bevestigd wordt in bijgevoegd stuk
  7. Door desalniettemin te oordelen dat het hier gaat om een opstalrecht voor de bepaalde duur van 50 jaar wordt de bindende kracht van de overeenkomst tussen partijen geschonden. Overigens zou uit het feit dat niet uitdrukkelijk een kortere termijn werd bedongen op zich niet kunnen afgeleid worden dat dan maar de wettelijke maximumtermijn moet gelden. Het gaat niet op in rechte om voor te houden dat wanneer partijen geen welbepaalde duur hebben bedongen de wettelijke maximumduur dient te gelden. (Schending van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek en voor zoveel als nodig van artikel 4 van de wet van 10 januari 1824 over het recht opstal) Derde onderdeel Alleszins heeft het bestreden arrest de bewijskracht van de overeenkomst tussen partijen miskend. Deze geschreven akte werd door de huidige eisers tot staving van hun betoog aan het hof van beroep voorgelegd. In deze geschreven akte is duidelijk bepaald dat het ging om een overeenkomst van onbepaalde duur. Door desondanks te beslissen dat het hier ging om een overeenkomst van bepaalde duur - te weten 50 jaar - heeft het hof van beroep deze aan haar regelmatig voorgelegde akte in haar bewijskracht miskend. (Schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) Vierde onderdeel Moest men van oordeel zijn dat het hof van beroep zich in deze niet heeft uitgesproken over de vraag of het hier nu al dan niet ging om een overeenkomst tussen partijen van onbepaalde duur, dan kan zulks alleen beduiden dat het hof van beroep - in die hypothese - verzuimd heeft uitspraak te doen over een door de eisers duidelijk in hun conclusies opgeworpen betwisting (schending van artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek) en bovendien geheel ten onrechte verzuimd heeft rekening te houden met de door de eisers neergelegde schriftelijke overeenkomst tussen partijen (schending van het algemeen rechtsbeginsel houdende de rechten van de verdediging) Vijfde onderdeel Waar het stelt: "Te dezen hebben partijen geen termijn bedongen. Bij gebreke van een bedongen kortere termijn moet worden aangenomen dat het opstalrecht voor de maximumduur van 50 jaar werd gevestigd", is het bestreden arrest alleszins dubbelzinnig gemotiveerd. Inderdaad, het is hieruit niet duidelijk of het hof van beroep dit standpunt stelt als algemene regel (wat geheel onwettelijk zou zijn) dan wel als concrete beschouwing beperkt tot huidig geval (wat eventueel wettelijk zou kunnen zijn). (Schending van artikel 149 van de Grondwet). Zesde onderdeel Alleszins heeft het hof van beroep, door te oordelen zoals gesteld, de regel miskend dat overeenkomsten van onbepaalde duur vatbaar zijn voor opzegging door een der partijen. (Schending van artikel 1135 van het Burgerlijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel dat overeenkomsten van onbepaalde duur, ingevolge het beginsel van de individuele vrijheid, eenzijdig kunnen worden opgezegd) Zevende onderdeel In ieder geval heeft het bestreden arrest, noch door de in het middel aangehaalde noch door enige andere redengeving een afdoend antwoord verschaft op de beroepsconclusie van de eisers waar deze stelde: "Er kan geen betwisting bestaan omtrent het feit dat tussen partijen werd overeengekomen een recht van opstal te vestigen voor onbepaalde duur' , en 'In geen geval kan de redenering worden gevolgd dat de toekenning van een recht van opstal voor onbepaalde duur gelijk zou staan met de toekenning ervan voor de maximumduur van 50 jaar. Zulks zou manifest in strijd zijn met artikel 4 van de Opstalwet, en bovendien neerkomen op het stellen van de regel dat contracten van onbepaalde duur in principe eeuwigdurend zijn, hetgeen juridisch totaal onaanvaardbaar is", en,"Samengevat kan worden gesteld dat de redenering als zouden (de eisers) terzake een recht van opstal hebben toegestaan voor de maximumduur van 50 jaar i.p.v. voor onbepaalde duur, om een dubbele reden manifest in rechte faalt. In de eerste plaats schendt deze redenering de bindende kracht van de overeenkomst die (de eisers) sloten. De bindende kracht van een overeenkomst houdt inderdaad niet alleen in dat men gehouden is tot datgene waartoe men zich verbond, maar ook dat men rechtens in géén geval gehouden is tot datgene waartoe men zich niet verbond. In de tweede plaats schendt deze redenering de bewijskracht van de overeenkomst welke door (de eisers) werd ondertekend. Zij is duidelijk niet verenigbaar met de termen ervan". (Schending van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 780, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  8. Artikel 1 van de wet van 10 januari 1824 op het recht van opstal bepaalt dat het recht van opstal een zakelijk recht is om gebouwen, werken of beplantingen op een andermans grond te hebben. Krachtens artikel 4 van de Opstalwet kan het recht van opstal voor geen langere tijd dan van vijftig jaren worden bepaald, behoudens de bevoegdheid om het te hernieuwen.
  9. Uit voormelde wettelijke bepalingen volgt dat wanneer het recht van opstal voor onbepaalde duur wordt bedongen, er in werkelijkheid een zakelijk recht wordt gevestigd voor meer dan vijftig jaar. Dergelijk recht van opstal is weliswaar niet nietig, maar dient herleid te worden tot de wettelijk bepaalde maximumtermijn van vijftig jaar.
  10. Het onderdeel dat uitgaat van een tegengestelde rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  11. Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat de appelrechters door te oordelen dat het voor onbepaalde duur bedongen recht van opstal tot vijftig jaren moet worden herleid, de verbindende kracht van de overeenkomst tussen partijen niet hebben miskend.
  12. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  13. De appelrechters zeggen niet dat in de overeenkomst tussen partijen is bedongen dat het recht van opstal vijftig jaren zal duren, maar oordelen dat het voor onbepaalde duur bedongen recht van opstal dient herleid te worden tot de wettelijk toegestane maximum duurtijd. Door aldus te oordelen geven de appelrechters geen uitlegging van de tussen partijen gesloten overeenkomst, maar bepalen zij de rechtsgevolgen ervan. Zodoende miskennen zij niet de bewijskracht van de overeenkomst.
  14. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vierde onderdeel
  15. Anders dan waar het onderdeel van uitgaat, stellen de appelrechters wel degelijk vast dat het recht van opstal voor onbepaalde duur werd bedongen.
  16. Het onderdeel gaat uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist dienvolgens feitelijke grondslag. Vijfde onderdeel
  17. De appelrechters onderzoeken in concreto wat "te dezen" werd bedongen tussen de partijen en formuleren geen algemeen geldende regel. De in het onderdeel aangevoerde dubbelzinnigheid bestaat niet.
  18. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Zesde onderdeel
  19. De appelrechters oordelen dat het recht van opstal moet worden herleid tot de wettelijke maximumduur van vijftig jaar. Het onderdeel dat er van uitgaat dat tussen partijen een overeenkomst van onbepaalde duur bestaat, berust op een onjuiste lezing van het arrest.
  20. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Zevende onderdeel
  21. De appelrechters verwerpen en beantwoorden het in het onderdeel bedoelde verweer met de in het middel vermelde redenen.
  22. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 807,07 euro jegens de eisende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van 15 december 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061215.4 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151203.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.