← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061219.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061219.4 Rolnummer: P.06.1194.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2006-12-29 Raadplegingen: 688 - laatst gezien 2026-07-04 02:19 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Overeenkomstig artikel 1119, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, wordt tegen een tweede beslissing, na cassatie, in zoverre de beslissing van de rechter op verwijzing overeenstemt met het eerste cassatiearrest, geen cassatieberoep toegelaten

(1).
(1)Zie Cass., 21 sept. 1981, AR M458N, nr 54; Cass., 5 april 1991, AR 6436, nr 408; Cass., 18 jan. 1993, AR 8151, nr 33, met concl. proc.-gen. Lenaerts; Cass., 6 juni 2005, AR S.04.0181.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050606.11, nr 322, met concl. eerste adv.-gen. Leclercq. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Beslissingen uit hun aard niet vatbaar voor cassatieberoep Vrije woorden: Beslissing na cassatie - Met het cassatiearrest overeenstemmende beslissing van de verwijzigingsrechter - Ontvankelijkheid van het cassatieberoep Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 440 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 2 Bij het oordeel over het bestaan van voldoende bezwaren, moet de raadkamer ambtshalve de ontvankelijkheid van de strafvordering onderzoeken; ze moet hierbij onder meer onderzoeken of de strafvordering van het misdrijf dat de verdachte zou kunnen hebben gepleegd, niet verjaard is
(1).
(1)Cass., 6 nov. 1996, AR P.96.0695.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961106.6, nr 421. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Raadkamer - Regeling van de rechtspleging - Opdracht - Ontvankelijkheid van de strafvordering - Verjaring Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 128, 129 en 130 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 Overeenkomstig artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering kan de inverdenkinggestelde slechts in een beperkt aantal gevallen hoger beroep instellen tegen de verwijzingsbeschikking van de raadkamer; daartoe behoren onder meer de onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden met betrekking tot de verwijzingsbeschikking en de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering, maar niet het oordeel van de raadkamer over het bestaan van voldoende bezwaren
(1).
(1)Cass., 11 jan. 2000, AR P.99.0905.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000111.4, nr 20, voltallige zitting, met concl. O.M.; Cass., 3 okt. 2000, AR P.00.1152.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001003.8, nr 512; VERSTRAETEN, R., Handboek Strafvordering, 4de uitgave, Maklu 2005, p. 617, nr 1286. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: Onderzoeksgerechten - Raadkamer - Regeling van de rechtspleging - Beschikking van verwijzing van de raadkamer - Hoger beroep van de inverdenkinggestelde - Gevallen Onderzoeksgerechten - Raadkamer - Regeling van de rechtspleging - Beschikking van verwijzing van de raadkamer - Oordeel over het bestaan van voldoende bezwaren - Hoger beroep van de inverdenkinggestelde - Ontvankelijkheid Fiche 5 Bij een ontvankelijk hoger beroep van de inverdenkinggestelde tegen de verwijzingsbeschikking is de kamer van inbeschuldigingstelling in elk geval bevoegd en verplicht de verlopen verjaring sedert de door de beschikking van de raadkamer bepaalde datum van het misdrijf en de eventuele schorsingen en stuitingen ervan te onderzoeken. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Raadkamer - Verwijzingsbeschikking - Ontvankelijk hoger beroep van de inverdenkinggestelde - Kamer van inbeschuldigingstelling - Opdracht - Ontvankelijkheid van de strafvordering - Onderzoek van de verjaring sedert de door de raadkamer bepaalde datum van het misdrijf Fiche 6 Bij een ontvankelijk hoger beroep van de inverdenkinggestelde, die bij een schriftelijke conclusie voor de raadkamer de verjaring van de strafvordering heeft ingeroepen, is de kamer van inbeschuldigingstelling in de regel niet bevoegd zich uit te spreken over het bestaan van bezwaren; wanneer de raadkamer evenwel niet de datum of het tijdsbestek van het misdrijf, waaromtrent voldoende bezwaren bestaan, heeft bepaald, is de verwijzingsbeschikking onregelmatig en is de kamer van inbeschuldigingstelling noodzakelijk gehouden zelf die datum of dat tijdsbestek te bepalen
(1).
(1)Zie Cass., 29 jan. 2003, AR P.02.1368.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030129.10, nr 64; Cass., 28 juni 2005, AR P.05.0658.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050628.18, nr 380 met concl. adv.-gen. Vandermeersch; Cass., 8 nov. 2005, AR P.05.1191.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.20, nr 578; Cass., 5 april 2006, AR P.06.0098.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060405.8, nr 203; Cass., 28 nov. 2006, AR P.06.1234.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061128.10, nr ...; Cass., 5 dec. 2006, AR P.06.1218.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061205.6, nr ... Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Raadkamer - Schriftelijke conclusie betreffende het verval van de strafvordering door verjaring - Regeling van de rechtspleging - Verwijzingsbeschikking - Ontvankelijk hoger beroep van de inverdenkinggestelde - Verzuim van de raadkamer de datum of het tijdsbestek van het misdrijf te bepalen - Onregelmatige verwijzingsbeschikking - Bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling Fiche 7 De enkele omstandigheid dat de dader een valsheid in een geschrift of een gebruik van een vals of vervalst stuk bekent, stelt nog geen einde aan het strafbare gebruik daarvan; hiervoor is vereist dat hij verzaakt aan het met het gebruik van de valsheid of van het valse of vervalste stuk beoogde doel, hetgeen inhoudt dat hij niet langer de valsheid inroept om daarmee onrechtmatig voordeel te verkrijgen of nadeel te berokkenen
(1).
(1)Zie Cass., 16 okt. 1996, AR P.96.0950.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961016.5, nr
  1. Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Vrije woorden: Gebruik van valse stukken - Ogenblik waarop het gebruik eindigt - Bekentenis met verzaking aan het beoogde doel Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 196 en 197 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.06.1194.N DEM ASS. nv, met zetel te 1170 Brussel, Vorstlaan 25, burgerlijke partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
  2. C R R, inverdenkinggestelde,
  3. G P Y E, inverdenkinggestelde, met als raadslieden mr. Philip Traest, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar de verweerder woonplaats kiest, mr. Antoon Lust, advocaat bij de balie te Brugge en mr. Martine De Roeck, advocaat bij de balie te Antwerpen,
  4. C H P H R, inverdenkinggestelde, met als raadslieden mr. Victor Dauginet, advocaat bij de balie te Antwerpen, mr. Leon Martens, advocaat bij de balie te Gent en mr. M. Crommen, advocaat bij de balie te Antwerpen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 juni 2006, op verwijzing gewezen ingevolge arrest van het Hof van 11 mei
  5. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  6. Overeenkomstig artikel 1119, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek wordt tegen een tweede beslissing, na cassatie, in zover zij overeenstemt met het eerste cassatiearrest, geen cassatieberoep toegelaten.
  7. Het verwijzingsarrest van het Hof van Cassatie oordeelde: "Dat het onderzoeksgerecht dat bij de regeling van de rechtspleging van het voltooide gerechtelijk onderzoek over het in conclusie aangevoerde middel van verval van de strafvordering door verjaring moet oordelen, zich niet kan vergenoegen met een prima facie onderzoek van die verjaring; dat het op grond van de precieze feiten waarvan het oordeelt dat daaromtrent tegen de verdachten voldoende bezwaren bestaan, moet onderzoeken of deze feiten, mocht de vonnisrechter deze bewezen achten, al dan niet verjaard zijn." Het bestreden arrest voegt zich naar deze beslissing van het Hof betreffende dit rechtspunt. In zoverre het cassatieberoep opkomt tegen het oordeel van het bestreden arrest waar het zich voegt naar de beslissing van het Hof, is het niet ontvankelijk. Eerste middel
  8. Overeenkomstig de artikelen 128, 129 en 130 Wetboek van Strafvordering oordeelt de raadkamer bij de regeling van de rechtspleging of er voldoende bezwaren bestaan om een verdachte hetzij wegens een overtreding of een van de in de artikel 138 bedoelde wanbedrijven naar de politierechtbank te verwijzen, hetzij wegens een misdrijf dat strafbaar blijkt te zijn met correctionele straffen, behoudens het geval bedoeld in artikel 129, eerste lid, naar de correctionele rechtbank te verwijzen. Bij het oordeel over het bestaan van voldoende bezwaren, moet de raadkamer ambtshalve de ontvankelijkheid van de strafvordering onderzoeken. Ze moet hierbij onder meer onderzoeken of de strafvordering van het misdrijf dat de verdachte zou kunnen hebben gepleegd, niet verjaard is. Indien dit het geval is, kan het strafgerecht over het feit niet meer oordelen en moet de raadkamer de verdachte buitenvervolging stellen.
  9. Overeenkomstig artikel 135, ,§ 2, Wetboek van Strafvordering kan de inverdenkinggestelde slechts in een beperkt aantal gevallen beroep instellen tegen de verwijzingsbeschikking van de raadkamer. Daartoe behoort niet het oordeel van de raadkamer over het bestaan van voldoende bezwaren. Tegen dit oordeel kan de inverdenkinggestelde geen beroep instellen. Daartoe behoren onder meer wel de onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden met betrekking tot de verwijzingsbeschikking en de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering.
  10. De verjaring van de strafvordering moet worden beoordeeld aan de hand van, enerzijds, de datum waarop dit misdrijf is gepleegd, anderzijds, de tijd die sedertdien verlopen is hierbij rekening gehouden met de verjaringstermijnen voor de onderscheiden misdrijven bepaald in de artikelen 21 en 21bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de eventuele schorsingen en stuitingen van de verjaring bepaald in de daarop volgende artikelen 22, 23, 24 en
  11. Bij een ontvankelijk beroep van de inverdenkinggestelde tegen de verwijzingsbeschikking, is de kamer van inbeschuldigingstelling in elk geval bevoegd en verplicht de verlopen verjaring sedert de door de beschikking van de raadkamer bepaalde datum van het misdrijf en de eventuele schorsingen en stuitingen ervan te onderzoeken.
  12. Bij een ontvankelijk beroep van de inverdenkinggestelde die bij schriftelijke conclusie voor de raadkamer de verjaring van de strafvordering heeft ingeroepen, is de kamer van inbeschuldigingstelling in de regel niet bevoegd zich uit te spreken over het bestaan van bezwaren. Heeft de raadkamer evenwel niet de datum of het tijdsbestek van het misdrijf waaromtrent voldoende bezwaren bestaan, bepaald, is de verwijzingsbeschikking onregelmatig en is de kamer van inbeschuldigingstelling noodzakelijk gehouden zelf die datum of dat tijdsbestek te bepalen.
  13. De beschikking van de raadkamer overwoog: "
  14. Schending van de rechten van de verdediging door onduidelijkheid in de vordering: De vordering van het openbaar ministerie is zeer gedetailleerd. Inzake alle tenlasteleggingen en onderdelen ervan wordt duidelijk de datum van elk feit vermeld. Betreffende het gebruik van valse stukken wordt vermeld: tot op heden. De (eisers) weten derhalve precies wat hen ten laste gelegd wordt en kunnen hierop ten volle vrij tegenspraak geven. Er is dan ook geen enkele onregelmatigheid of welke omstandigheid ook voorhanden die de rechten van verdediging van de (eisers) op welke wijze ook zou kunnen schenden.
  15. Verjaring De (eisers) wordt niet alleen het misdrijf valsheid in geschrifte ten laste gelegd, doch ook het gebruik ervan. Het is vaste rechtspraak dat bij dergelijke tenlasteleggingen de verjaring van de strafvordering zowel ten opzichte van de valsheid als van het gebruik van valse stukken, eerst ingaat vanaf de laatste gebruikmaking ervan. De beoordeling van de duur van de gebruikmaking, is in casu een beoordeling ten gronde, die derhalve enkel de strafrechter toekomt. Deze raadkamer kan enkel vaststellen dat er in het strafonderzoek gegevens voorhanden zijn die de strafrechter er zouden kunnen toe brengen te oordelen dat valse stukken tot een bepaald tijdstip werden gebruikt, waardoor de strafvordering alsdan niet door verjaring vervallen zou zijn. Het komt eveneens de strafrechter toe te oordelen over de eenheid van opzet tussen de verschillende ten laste gelegde feiten en uitspraak te doen over de toepasselijkheid van de regelen van de eendaadse samenloop." Met deze overwegingen oordeelde de raadkamer niet dat er voldoende bezwaren bestonden van gebruik van valse stukken "tot op heden", maar slechts dat eventueel voor de correctionele rechtbank zou kunnen blijken dat er "tot op heden" nog gebruik van valse stukken was geweest. Hiermede stelde de raadkamer niet zelf vast dat daaromtrent op het ogenblik van haar beschikking voldoende bezwaren bestonden. De beslissing van de raadkamer was op dit punt dus onregelmatig.
  16. Gelet op die onregelmatigheid van de verwijzingsbeschikking was de kamer van inbeschuldigingstelling hier zelf gehouden de bezwaren tegen de eiser in verband met het gebruik van de valse stukken te onderzoeken. Hierdoor trad ze niet buiten haar saisine. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  17. De enkele omstandigheid dat de dader een valsheid in een geschrift of het gebruik van een vals of vervalst stuk bekent, stelt nog geen einde aan het strafbare gebruik daarvan. Hiervoor is vereist dat hij het gebruik van het met de valsheid of het gebruik van het valse stuk of vervalste stuk beoogde doel verzaakt. Dat hij verzaakt houdt in dat hij niet langer de valsheid inroept om daarmee onrechtmatig voordeel te verkrijgen of nadeel te berokkenen.
  18. Het bestreden arrest overweegt: "Te dezen is het duidelijk dat de (eerste verweerster) op 17 maart 1994 door nieuwe positieve daad aan het verder gebruik van haar valsheden verzaakte, daar zij toen tegenover de auditdienst van Axa Belgium (L en C) het ganse fraudegebeuren erkende en diende vast te stellen dat door de ontdekking van haar deelname aan de fraude zij het deel van de onrechtmatig verkregen vergoedingen niet langer kon blijven behouden (zie kaft 2 st. 5 en bijlage A 4 antwoord van (eerste verweerster) K. I a). Aangezien de verzekeringsmaatschappij (eiseres) als rechtsopvolger van (...) tot de bekentenis geloof was blijven hechten aan de gebruikte valse documenten, die vals werden opgemaakt en gebruikt door (eerste verweerster), zoals er bezwaren zijn, verloren deze geschriften pas op dat moment het nuttig effect dat deze inverdenkinggestelde ervan verwachtte, namelijk zowel het behoud van de ten onrechte verkregen vergoedingen voor haarzelf als voor de inverdenkinggestelden, die zij terwille is geweest en de verberging van het fraudesysteem. In casu situeert het laatste nuttig gebruik van de valsheden zich in hoofde van de (eerste verweerster) tot en met 16 maart 1994." Met deze overwegingen waarmede het bestreden arrest oordeelt dat de eerste verweerster met haar bekentenis tevens het gebruik van de valse documenten verzaakte, verantwoordt het zijn beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel
  19. De enkele omstandigheid dat de dader een valsheid in een geschrift of het gebruik van een vals of vervalst stuk bekent, stelt nog geen einde aan het strafbare gebruik daarvan. Hiervoor is vereist dat hij tevens het gebruik van het met de valsheid of het gebruik van het valse stuk of vervalste stuk beoogde doel verzaakt. Dat hij verzaakt houdt in dat hij niet langer de valsheid inroept om daarmee onrechtmatig voordeel te verkrijgen of nadeel te berokkenen.
  20. Het bestreden arrest overweegt: "Te dezen is het duidelijk dat de (tweede en derde verweerders) op 23 november 1993 elk door een nieuwe positieve daad aan het verder gebruik van hun valsheden verzaakten, daar zij toen in de kantoren van Creyf's Interim N.V. te Antwerpen tegenover de heer Gonissen als vertegenwoordiger van de vennootschap hebben medegedeeld dat zij bereid waren een bedrag van 30.000.000 toenmalige BF (thans door omzetting in euro: 743 680,57 euro bedragende) ter beschikking te stellen, daar zij hadden vastgesteld dat door de ontdekking van hun deelname aan de fraude zij het deel van de onrechtmatig verkregen vergoedingen niet langer konden blijven behouden.(st. 75 PV nr. 2033/98 dd. 6.3.1998 kaft 8). Aangezien de N.V. Creyfs Interim tot deze erkenning geloof was blijven hechten aan de gebruikte valse documenten - die vals werden opgemaakt en gebruikt door de (tweede en derde verweerders), zoals er bezwaren zijn - verloren deze geschriften pas op dat moment het nuttig effect dat deze inverdenkinggestelden ervan verwachtten, namelijk zowel het behoud van de ten onrechte verkregen vergoedingen voor henzelf als voor de inverdenkinggestelden, die zij terwille waren geweest en kwam ook een einde aan de verberging van het fraudesysteem, dat eveneens door het gebruik van deze valsheden door deze inverdenkinggestelden was beoogd." Met deze overwegingen waarmede het bestreden arrest oordeelt dat de tweede en de derde verweerder niet alleen het gebruik van valse stukken bekenden maar daarbij het gebruik van de valse documenten verzaakte, verantwoordt het zijn beslissing naar recht. Daaraan wordt niet afgedaan dat de tweede en de derde verweerder, na hun bekentenis met verzaking, ingevolge onderlinge twist alsnog weigerden de door het strafbare gebruik van de valse stukken veroorzaakte schade te vergoeden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  21. Het arrest overweegt wat hierboven is aangehaald. Het onderdeel voert vooreerst aan dat het proces-verbaal naar hetwelk het bestreden arrest verwijst, vermeldt: "M H heeft dat voorstel aan (derde verweerder) overgemaakt, die daar niet mede akkoord ging en onomwonden stelde 'dat er mocht van komen wat er wilde'. Een oplossing voor het probleem was daardoor niet meer mogelijk". Het onderdeel stelt vervolgens: "Hieruit volgt dat het bestreden arrest, enkel dan mits schending van de bewijskracht van stuk 75 PV nr. 2033/98 dd. 6.3.1998 kaft 8 heeft kunnen beslissen dat tweede en derde verweerder verzaakten aan hun valsheden op 23 november 1993 door op die dag te Antwerpen aan de vennootschap te hebben medegedeeld dat zij bereid waren een bedrag ter beschikking te stellen (Schending van de artikelen 196, 197 van het Strafwetboek en 21 van het Wetboek van Strafvordering), dan wanneer uit de volledige lezing van voormeld stuk 75, meer bepaald ook het verso ervan, blijkt dat die belofte geen gestand hield nu derde verweerder "daar niet mede akkoord ging en onomwonden stelde 'der er mocht van komen wat wilde' ". Een oplossing voor het probleem was daardoor niet meer mogelijk"(Schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) en uit het geheel van deze gegevens alleen niet valt af te leiden dat tweede en derde verweerders verzaakten aan hun valsheden (Schending van de artikelen 196, 197 van het Strafwetboek en 21 van het Wetboek van Strafvordering." Anders dan het onderdeel aanvoert, is de uitlegging die het bestreden arrest van de inhoud van het in het onderdeel bedoelde proces-verbaal geeft, niet onverenigbaar met de bewoording ervan. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek van beslissing op de strafvordering
  22. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. Begroot de kosten in het geheel op 211, 47euro, waarvan 171,47 euro is verschuldigd en 30 euro door de eiseres betaald. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère en Dirk Debruyne, en op de openbare terechtzitting van 19 december 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061219.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080521.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961016.5 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961106.6 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000111.4 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001003.8 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030129.10 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050606.11 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050628.18 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.20 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060405.8 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061128.10 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061205.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.