id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061222.2 Rolnummer: C.06.0089.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2007-01-19 Raadplegingen: 319 - laatst gezien 2026-07-04 01:02 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De derde die tot zekerheid van andermans schuld aan de schuldeiser een zakelijke zekerheid verschaft, is anders dan de borg niet tot deze schuld gehouden met zijn gehele vermogen, maar heeft hiervoor slechts in te staan tot beloop van het zakelijk zekerheidsrecht
(1).
(1)E. DIRIX, en R. DE CORTE, Zekerheidsrechten, Antwerpen, Story-Scientia, 1999, nr 424bis. Thesaurus CAS: PAND UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen - Borgtochten, kredieten, betalingen Vrije woorden: Zakelijke borg - Begrip - Omvang van de verbintenis Fiche 2 De regels inzake borgtocht zijn op de zakelijke borg enkel van toepassing in zoverre zij verenigbaar zijn met de aard ervan
(1).
(1)F. T'KINT, Sûretés et principes généraux du droit de poursuite des créanciers, Brussel, Larcier, 1991, nr 718; M. VAN QUICKENBORNE, Borgtocht, in A.P.R., nrs 70-71; B. GOMBERT, "De rechtspositie van de zakelijke borg", noot onder Antwerpen 31 mei 1999, A.J.T., 1999-2000, 759; E. DIRIX, en R. DE CORTE, Zekerheidsrechten, Antwerpen, Story-Scientia, 1999, nr 424bis. Thesaurus CAS: PAND Vrije woorden: Zakelijke borg - Regels inzake borgtocht - Toepassing Fiche 3 De artikelen 2028 en 2029 van het Burgerlijk Wetboek zijn ook van toepassing op de hoofdelijke borg
(1).
(1)M. VAN QUICKENBORNE, Borgtocht, in A.P.R., nr 452. Thesaurus CAS: BORGTOCHT Vrije woorden: Hoofdelijke borg - Borg die betaald heeft - Rechtsvordering tegen de schuldenaar Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 2028 en 2029 Fiche 4 De artikelen 2028 en 2029 van het Burgerlijk Wetboek die bepalen dat de borg die de schuld betaald heeft, op de hoofdschuldenaar verhaal heeft om door hem terugbetaald te worden en dat hij te dien einde in de rechten treedt die de schuldeiser had tegen de schuldenaar, zijn van overeenkomstige toepassing op de zakelijke borg aangezien de uitwinning door de schuldeisers van het zakelijk zekerheidsrecht tot beloop van de waarde ervan, te beschouwen is als een betaling van de hoofdschuld
(1).
(1)R.P.D.B., V° Hypothèques et Privilèges immobiliers, nr 2805; P. DESCHEPPER, "Gage constitué par un tiers", Rev. Banque, 1965, 325-326; M. VAN QUICKENBORNE, Borgtocht, in A.P.R., nrs 70-71; E. DIRIX, en R. DE CORTE, Zekerheidsrechten, Antwerpen, Story-Scientia, 1999, nr 424bis. Thesaurus CAS: PAND Vrije woorden: Uitwinning door de schuldeiser - Rechtsvordering tegen de schuldenaar - Regels inzake borgtocht - Toepassing Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1251, 3°, 2028 en 2029 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0089.N CONSTRUCTIONS TRAVAUX ET SERVICES, naamloze vennootschap, met zetel te 4500 Huy, rue René Dubois 71, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BALMORAL, naamloze vennootschap, met zetel te 4900 Spa, avenue Leopold II, 40, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 523, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, mede in zake
- KORAMIX HOLDING, afgekort Koceram, naamloze vennootschap, met zetel te 8500 Kortrijk, Kapel ter Bede 86,
- MERCATOR VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 9000 Gent, Kortrijksesteenweg 302, partijen opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 28 januari 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 1213, 1216, 1251, 1319, 1320, 1322, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016 en 2029 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep veroordeelt de eiseres tot betaling aan de in bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen van de som van 1.031.840,51 euro, vermeerderd met de intresten. De tusseneis van de eiseres tegen verweerster, tot vrijwaring voor elke veroordeling van de eiseres t.o.v. de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen, wordt ontvankelijk verklaard, doch als ongegrond afgewezen en de eiseres wordt in de kosten van het geding in eerste aanleg t.o.v. de verweerster en in de kosten van het hoger beroep veroordeeld op grond van volgende overwegingen: "
- Ook in huidige aanleg blijft (de eiseres) in gebreke om een rechtsgrond aan te brengen waarop zij haar vrijwaringsvordering tegen (de verweerster) zou kunnen stoelen. Zowel subrogatie (art. 1251, 3°, B.W.) als zakelijke borgstelling (art. 2029 B.W.) zijn te dezen niet van toepassing, gelet op het autonoom karakter van de verbintenis welke (de eiseres) op 28 maart 1997 jegens (de tot bindendverklaring opgeroepen partijen) heeft aangegaan. Weliswaar heeft (de eiseres) het pand toen verstrekt tot zekerheid van de terugbetaling van de obligatielening door (de verweerster) maar zij verliest uit het oog dat volgens het derde lid van art. 1 van dat 'pandcontract rekening' van 28 maart 1997 zij de verbintenissen van (de verweerster) jegens (de tot bindendverklaring opgeroepen partijen) '... hoofdelijk en ondeelbaar ... heeft aangegaan ...'. De oorspronkelijke tusseneis van (de eiseres) tegen (de verweerster) is dan ook ontvankelijk doch ongegrond". Grieven Eerste onderdeel De overeenkomstig de artikelen 2011, 2012, 2013, 2014, 2015 en 2016 van het Burgerlijk Wetboek aangegane borgtocht is, krachtens deze wetsbepalingen, een aan de gewaarborgde hoofdverbintenis accessoire overeenkomst. Het is derhalve tegenstrijdig te beslissen, enerzijds, dat de verbintenis die de eiseres op 28 maart 1997 aanging, een autonoom karakter heeft, waaruit de appelrechters afleiden dat zowel subrogatie als zakelijke borgstelling "te dezen niet van toepassing zijn", en, anderzijds, dat de eiseres in de overeenkomst van 28 maart 1997 een pand verstrekte tot zekerheid van de terugbetaling van de lening door de verweerster, hetgeen impliceert dat deze overeenkomst een aan de gewaarborgde hoofdverbintenis accessoire overeenkomst is en dat de door de eiseres aangegane verbintenis dus geen autonoom karakter heeft. Door de beslissing dat de verbintenis die de eiseres op 28 maart 1997 aanging een autonoom karakter heeft, schendt het bestreden arrest de artikelen 2011, 2012, 2013, 2014, 2015 en 2016 van het Burgerlijk Wetboek. In zoverre de appelrechters hun beslissing steunen op voornoemde tegenstrijdige motieven, schenden zij bovendien artikel 149 van de Grondwet. Tweede onderdeel Krachtens artikel 2029 van het Burgerlijk Wetboek treedt de borg die de schuld betaald heeft, in alle rechten die de schuldeiser had tegen de schuldenaar. Krachtens artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek geschiedt indeplaatsstelling van rechtswege ten voordele van hem die, met anderen of voor anderen tot betaling van een schuld gehouden zijnde, er belang bij had deze te voldoen. Het bestreden arrest stelt vast dat de eiseres een pand verstrekte tot zekerheid van de terugbetaling van de lening door de verweerster aan de tot bindendverklaring opgeroepen partijen. Op de aldus door de eiseres verstrekte zakelijke borg zijn die regels inzake de borgtocht, die geen afbreuk doen aan het zakelijk karakter, van toepassing. Bijgevolg is onder meer artikel 2029 van het Burgerlijk Wetboek toepasselijk op de door de eiseres verstrekte borg, zodat de eiseres een subrogatoir verhaalsrecht heeft op de verweerster, die de hoofdschuldenaar is. Door te beslissen dat zakelijke borgstelling "te dezen niet van toepassing" is, miskennen de appelrechters derhalve artikel 2029 van het Burgerlijk Wetboek. De appelrechters miskennen eveneens artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre zij beslissen dat ook "subrogatie" "te dezen niet van toepassing" is, terwijl indeplaatsstelling van rechtswege geschiedt ten voordele van hem die, met anderen of voor anderen tot betaling van een schuld gehouden zijnde, er belang bij had deze te voldoen. In zoverre de appelrechters de toepassing van de artikelen 1251, 3°, en 2029 van het Burgerlijk Wetboek uitsluiten, louter door te verwijzen naar het "autonoom karakter van de verbintenis welke de eiseres op 28 maart 1997 jegens de tot bindendverklaring opgeroepen partijen heeft aangegaan", kan uit het bestreden arrest bovendien niet worden afgeleid waarom de appelrechters de vordering tot vrijwaring van de eiseres tegen de verweerster afwijzen, noch waarom de appelrechters oordelen dat er geen zakelijke subrogatie of indeplaatsstelling was. In zoverre het arrest aldus de toepassing van de artikelen 1251, 3°, en 2029 van het Burgerlijk Wetboek uitsluit, zonder vast te stellen dat niet aan de voorwaarden van die wetsbepalingen zou zijn voldaan, laat het uw Hof niet toe om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen en miskent het mitsdien artikel 149 van de Grondwet. Derde onderdeel Zoals blijkt uit de vaststellingen van het bestreden arrest, heeft de eiseres zich, bij overeenkomst van 28 maart 1997, genoemd "Pandcontract rekening", ertoe verbonden de in de overeenkomst aangeduide bankrekening in pand te geven tot zekerheid van de terugbetaling, door de verweerster aan de tot bindendverklaring opgeroepen partijen, van een obligatielening. In bedoelde overeenkomst heeft de eiseres zich dus niet hoofdelijk en ondeelbaar verbonden om zelf die obligatielening terug te betalen, maar wel een bankrekening in pand te geven, tot zekerheid van de terugbetaling, door de verweerster, van de obligatielening. Door te beslissen dat de eiseres "volgens het derde lid van art. 1 van dat 'pandcontract rekening' van 28 maart 1997 de verbintenissen van (de verweerster) jegens (de tot bindendverklaring opgeroepen partijen) '... hoofdelijk en ondeelbaar ... heeft aangegaan ...", geven de appelrechters aan bedoelde akte een uitlegging die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is en beweren zij dat die akte iets inhoudt dat zij niet inhoudt, zodat zij de bewijskracht ervan miskennen (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Ook wanneer het bestreden arrest zo moet worden gelezen dat de appelrechters hun beslissing, om de toepassing van de artikelen 1251, 3°, en 2029 van het Burgerlijk Wetboek uit te sluiten, steunen op de vaststelling dat de eiseres jegens de tot bindendverklaring opgeroepen partijen 'hoofdelijk en ondeelbaar' verbintenissen (namelijk het in pand geven van een rekening) heeft aangegaan, miskent het bestreden arrest genoemde wetsbepalingen. De debiteurs die hoofdelijk gehouden zijn kunnen hun (regres)vordering tegen de codebiteurs steunen op de in artikel 1251 van het Burgerlijk Wetboek geregelde wettelijke subrogatie. Artikel 1216 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat, indien de zaak waarvoor de schuld hoofdelijk is aangegaan, slecht een van de hoofdelijke medeschuldenaars aangaat, deze tot voldoening van de gehele schuld is gehouden ten aanzien van de overige medeschuldenaars, die te zijnen opzichte slechts als zijn borgen beschouwd worden. Het feit dat de eiseres haar verbintenissen t.o.v. de tot bindendverklaring opgeroepen partijen 'hoofdelijk en ondeelbaar' heeft aangegaan, belet de eiseres dus niet om haar vordering tot vrijwaring tegen de verweerster te steunen op de artikelen 1251 en 2029 van het Burgerlijk Wetboek. Derhalve miskennen de appelrechters de artikelen 1251, 3°, en 2029 van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre zij de toepassing van deze wetsbepalingen uitsluiten op grond van het feit dat de eiseres jegens de tot bindendverklaring opgeroepen partijen 'hoofdelijk en ondeelbaar' verbintenissen heeft aangegaan. De appelrechters miskennen tot slot artikel 1216 van het Burgerlijk Wetboek in zoverre zij de tusseneis van de eiseres tegen de verweerster, tot vrijwaring voor elke veroordeling van de eiseres t.o.v. de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen, afwijzen als ongegrond. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel
- De derde die tot zekerheid van andermans schuld aan de schuldeiser een zakelijke zekerheid verschaft, is anders dan de borg niet tot deze schuld gehouden met zijn gehele vermogen, maar heeft hiervoor slechts in te staan tot beloop van het zakelijk zekerheidsrecht. De regels inzake borgtocht zijn op deze zakelijke borg enkel van toepassing in zoverre zij verenigbaar zijn met de aard ervan.
- Overeenkomstig de artikelen 2028 en 2029 van het Burgerlijk Wetboek, heeft de borg die de schuld betaald heeft, op de hoofdschuldenaar verhaal om door hem terugbetaald te worden en treedt hij te dien einde in de rechten die de schuldeiser had tegen de schuldenaar. Deze bepalingen zijn ook van toepassing op de hoofdelijke borg.
- De artikelen 2028 en 2029 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing op de zakelijke borg aangezien de uitwinning door de schuldeisers van het zakelijk zekerheidsrecht tot beloop van de waarde ervan, te beschouwen is als een betaling van de hoofdschuld.
- Uit het arrest blijkt dat: - de verweerster een lening aanging bij de tot bindendverklaring opgeroepen partijen; - tussen de partijen een overeenkomst "pandcontract rekening" werd gesloten waarbij de eiseres zich ertoe verbond om samen met de verweerster een bedrag van 1.031.840,51 euro te storten op een geblokkeerde rekening dat aan de geldschieters zou worden vrijgegeven indien de lening op de vervaldag niet wordt terugbetaald; - de lening niet werd terugbetaald en de eiseres door de geldschieters werd gedagvaard tot de vrijgave van de gelden op de geblokkeerde rekening; - deze vordering door de eerste rechter gegrond werd verklaard en de appelrechters het hoger beroep tegen deze beslissing verwerpen.
- De appelrechters die oordelen dat de eiseres "(weliswaar) het pand tot zekerheid van de terugbetaling van de obligatielening van (de verweerster)" heeft verstrekt, verwerpen de door de eiseres tegen de verweerster ingestelde vrijwaringsvordering "gelet op het autonoom karakter" van de door de eiseres opgenomen verbintenis nu zij zich blijkens de pandovereenkomst "hoofdelijk en ondeelbaar" heeft verbonden.
- Door aldus te oordelen verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Vordering tot bindendverklaring
- Aangezien het middel niet opkomt tegen de beslissing waarbij de eiseres werd veroordeeld tot de betaling van een som ten overstaan van de tot bindendverklaring opgeroepen partijen, is de vordering tot bindendverklaring niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit uitspraak doet over de door de eiseres ingestelde vordering tot vrijwaring en uitspraak doet over de kosten van de eiseres en de verweerster. Verwerpt de vordering tot bindendverklaring. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiseres in de kosten van de vordering tot bindendverklaring. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. De kosten zijn begroot op de som van 1013,54 euro jegens de eisende partij, op de som van 171,18 euro jegens de in bindend verklaring opgeroepen partij en op de som van 171,18 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Beatrijs Deconinck, en op de openbare terechtzitting van 22 december 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061222.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201210.1F.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div