← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061222.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061222.3 Rolnummer: C.05.0210.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2007-01-19 Raadplegingen: 1060 - laatst gezien 2026-07-04 04:52 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 5 Een vordering die binnen de tienjarige termijn voor de aansprakelijkheid van de aannemer en de architect wordt ingesteld, onttrekt aan het verval van deze termijn ook een vordering ingesteld op grond van nieuwe gevolgen, voor een bepaald bouwwerk, van eenzelfde gebrek en van eenzelfde contractuele tekortkoming in de conceptie of de uitvoering; hierbij is vereist dat uit de tijdig ingestelde vordering blijkt wat zij omvat

(1).
(1)Cass., 29 maart 1984, AR 6971, 1983-1984, nr 441; W. ABBELOOS, en D. ABBELOOS, "De tienjarige aansprakelijkheid van aannemer en architect", A.J.T., 2000-2001, p. 524; V. VAN HOUTTE-VAN POPPEL, "Bestekken en aannemingen - artikel 1792" in Bijzondere overeenkomsten, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, 1997, 15. Thesaurus CAS: AANNEMING VAN WERK Vrije woorden: Aansprakelijkheid van aannemer en architect - Vordering binnen de tienjarige termijn - Vordering voor nieuwe gevolgen van gebrek en tekortkoming - Gevolg - Vereiste Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1792 en 2270 Thesaurus CAS: ARCHITECT (AANSPRAKELIJKHEID) Vrije woorden: Vordering binnen de tienjarige termijn - Vordering voor nieuwe gevolgen van gebrek en tekortkoming - Gevolg - Vereiste Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1792 en 2270 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Aansprakelijkheid van aannemer en architect - Vordering voor nieuwe gevolgen van gebrek en tekortkoming - Gevolg - Vereiste Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1792 en 2270 Thesaurus CAS: NIEUWE VORDERING Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Aannemingsovereenkomst - Aansprakelijkheid van aannemer en architect - Binnen de tienjarige termijn ingestelde vordering - Vordering voor nieuwe gevolgen van gebrek en tekortkoming - Gevolg - Vereiste Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1792 en 2270 Thesaurus CAS: HUUR VAN DIENSTEN Vrije woorden: Aannemingsovereenkomst - Aansprakelijkheid van aannemer en architect - Verborgen gebrek - Vordering binnen de tienjarige termijn - Vordering voor nieuwe gevolgen van gebrek en tekortkoming - Gevolg - Vereiste Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1792 en 2270 Fiche 6 De rechter bepaalt vrij de datum vanaf wanneer vergoedende interest wordt toegekend, voor zover geen interest wordt toegekend voor een periode die het ontstaan van de schade voorafgaat; in het geval een schade zich uitstrekt over een langere periode kan hij op het totale bedrag van de schadevergoeding interest toekennen vanaf een gemiddelde datum
(1).
(1)Zie Cass., 9 april 1997, AR P.97.0223.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970409.9, nr 177 en 22 april 1997, AR P.95.1475.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970422.7, nr 196. Thesaurus CAS: INTERESTEN - COMPENSATOIRE INTERESTEN Vrije woorden: Beoordeling door de bodemrechter - Grenzen - Schade die zich uitstrekt over een langere periode - Vertrekpunt Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1382 en 1383 Fiche 7 Bij waardeschulden, zoals de verbintenis tot vergoeding van schade wegens wanprestatie, kan de rechter interest op compensatoire interest toekennen, zonder aan de voorwaarden van artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek gebonden te zijn, indien hij oordeelt dat dit voor een volledige vergoeding van de schade vereist is
(1).
(1)Zie: J. PETIT, "Interest" in A.P.R., 1995, p. 200-201, nr 214 en de geciteerde rechtsleer. Thesaurus CAS: ANATOCISME Vrije woorden: Artikel 1154, B.W. - Toepassingsgebied - Schadevergoeding wegens contractuele wanprestatie - Waardeschuld - Compensatoire interest - Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1154 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0210.N D.S., eiser, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  1. N.N., vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  2. A.I.M. BELGIQUE A.I.M. BELGIË, naamloze vennootschap, met zetel te 1050 Brussel, Luxemburgstraat 47-51, verweerders. I. BESTREDEN BESLISSING Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 26 november 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. III. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Het verzoekschrift tot cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Krachtens de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek, zijn de aannemer en de architect gedurende tien jaar aansprakelijk voor het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van bouwwerken ten gevolge van gebreken in de constructie of de ongeschiktheid van de grond.
  4. De termijn in die artikelen bepaald, is een fatale termijn die niet geschorst noch gestuit kan worden.
  5. Een binnen die termijn ingestelde vordering onttrekt aan het verval ook een vordering ingesteld op grond van nieuwe gevolgen, voor een bepaald bouwwerk, van eenzelfde gebrek en van eenzelfde contractuele tekortkoming in de conceptie of de uitvoering. Hierbij is vereist dat uit de tijdig ingestelde vordering blijkt wat zij omvat.
  6. Het staat aan de feitenrechter, mits hij daarbij de bewijskracht van de inleidende akte niet miskent, te beslissen of de bouwheer zijn initiële vordering beperkt heeft tot de schade die hij in die akte vermeldt in verband met een bepaald bouwwerk, dan wel of hij ook eventuele navolgende schade beoogde aan dat bouwwerk of aan bouwwerken die eveneens aan de aannemer of de architect waren toevertrouwd in eenzelfde contractueel kader.
  7. De appelrechter stelt vast dat: - de uiteindelijke vordering van de eerste verweerder precies blijft berusten op de feiten van meet af aan in de dagvaarding vermeld; - de uiteindelijke vordering van de eerste verweerder geenszins als een nieuwe vordering kan worden bestempeld, maar integendeel als een wetmatige uitbreiding van de oorspronkelijke hoofdvordering; - de rode draad door het dossier er een is van "evoluerend schadegebeuren", van kwaad naar erger, van meerdere ontstane schade, uiteraard als nieuwe schade te beschrijven en te vorderen, doch inherent aan een evolutie van hetzelfde schadegebeuren. Door op grond hiervan te oordelen dat de vordering zoals in hoger beroep door de eerste verweerder ingesteld, ontvankelijk is, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht en schendt hij de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek niet.
  8. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  9. Uit het geheel van de redenen vermeld in het arrest, blijkt dat de interest tot aan de uitspraak die de appelrechter toekent vergoedend is.
  10. In zoverre het onderdeel in dit verband schending aanvoert van een aantal wetsbepalingen die betrekking hebben op de toekenning van moratoire interest, gaat het uit van een verkeerde lezing en mist het mitsdien feitelijke grondslag.
  11. De rechter bepaalt vrij de datum vanaf wanneer vergoedende interest wordt toegekend, voor zover geen interest wordt toegekend voor een periode die het ontstaan van de schade voorafgaat.
  12. In het geval een schade zich uitstrekt over een langere periode kan de rechter zonder schending van de in het onderdeel aangehaalde wetsbepalingen op het totale bedrag van de schadevergoeding interest toekennen vanaf een gemiddelde datum.
  13. Aangezien de schade van de eerste verweerder zich uitstrekt vanaf de zomer 1973 tot november 2001, kon de appelrechter vergoedende interest toekennen vanaf 10 augustus
  14. De appelrechter kent aldus vergoedende interest toe vanaf een gemiddelde datum te dezen 10 augustus
  15. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  16. Artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek, dat anatocisme met betrekking tot interesten van kapitalen aan bepaalde voorwaarden onderwerpt, heeft betrekking op geldschulden. Deze bepaling geldt niet voor vergoedende interest bij waardeschulden, zoals de verbintenis tot vergoeding van schade wegens wanprestatie, wanneer het bedrag van de vergoeding totaal aan de beoordeling van de rechter is overgelaten. Bij waardeschulden kan de rechter interest op compensatoire interest toekennen, zonder aan de voorwaarden van artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek gebonden te zijn, indien hij oordeelt dat dit voor een volledige vergoeding van de schade vereist is.
  17. Het arrest kent vergoedende interest toe vanaf 2 juli 2002 en derhalve voorafgaandelijk aan het ontstaan van de geldschuld door het vaststellen van de schadevergoeding, zodat het in artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde verbod van rente op rente daarop niet toepasselijk is.
  18. Op grond van die in de plaats gestelde reden is de beslissing naar recht verantwoord.
  19. Het middel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is derhalve bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 994,11 euro jegens de eisende partij en op de som van 167,47 euro jegens de verwerende partij sub
  20. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 22 december 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061222.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CAMON:2015:ARR.20150303.9 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190621.2 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220210.1N.4 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251024.1F.2 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251121.1F.2 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260108.1N.7 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970409.9 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970422.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080314.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090421.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120430.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130905.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.