← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061222.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 883

Thesaurus CAS: ONVERDEELDHEID UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Vereffening en verdeling Vrije woorden: Nalatenschap - Mede-erfgenaam - Onverdeeld aandeel in een goed - Verkoop aan een derde - Aard - Verdeling Wettelijke bepalingen:

Art. 883

Thesaurus CAS: VERDELING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Vereffening en verdeling Vrije woorden: Nalatenschap - Mede-erfgenaam - Onverdeeld aandeel in een goed - Verkoop aan een derde - Aard Wettelijke bepalingen:

Art. 883

Thesaurus CAS: ERFENISSEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Vereffening en verdeling Vrije woorden: Nalatenschap - Mede-erfgenaam - Onverdeeld aandeel in een goed - Verkoop aan een derde - Verdeling Wettelijke bepalingen:

Art. 883

Fiches 5 - 8 In afwachting van de vereffening-verdeling van de nalatenschap kan de koper van een onverdeeld aandeel in een goed uit die nalatenschap bij de vereffening en verdeling geen rechten als deelgenoot laten gelden op dat goed, doch wel als schuldeiser van de verkoper toezien op die verdeling

(1).
(1)Zie V. SAGAERT, Commentaar bij art. 882, B.W. in Erfenissen, schenkingen en testamenten. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Antwerpen, Kluwer, Afl. 23, 57-58, nrs 3-4 en 60-61, nrs 7-9. Thesaurus CAS: EIGENDOM UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Vereffening en verdeling Vrije woorden: Mede-eigendom - Nalatenschap - Mede-erfgenaam - Onverdeeld aandeel in een goed - Verkoop aan een derde - Rechten van de derde Wettelijke bepalingen:

Art. 882

Thesaurus CAS: ONVERDEELDHEID UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Vereffening en verdeling Vrije woorden: Nalatenschap - Mede-erfgenaam - Onverdeeld aandeel in een goed - Verkoop aan een derde - Rechten van de derde Wettelijke bepalingen:

Art. 882

Thesaurus CAS: VERDELING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Vereffening en verdeling Vrije woorden: Nalatenschap - Mede-erfgenaam - Onverdeeld aandeel in een goed - Verkoop aan een derde - Rechten van de derde Wettelijke bepalingen:

Art. 882

Thesaurus CAS: ERFENISSEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Vereffening en verdeling Vrije woorden: Nalatenschap - Mede-erfgenaam - Onverdeeld aandeel in een goed - Verkoop aan een derde - Rechten van de derde Wettelijke bepalingen:

Art. 882Tekst van de beslissing Nr.

C.05.0536.N

  1. M.M.,
  2. M.Y., eisers, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan tegen
  3. M.A., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  4. M.A., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 6 juni 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - de artikelen 577-2, ,§4, 6, 815, 841, 882, 883, 1131, 1133, 1134, 1161, 1165 1168, 1180, 1181, 1319, 1320, 1322, 1582, 1583, 1584, 1689, 2044, 2045 en 2049 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 19, eerste lid, 23, 24, 25, 26, 28, 821, 823, 1068, 1207, 1209 en 1211 van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel, volgens hetwelk afstand van recht van strikte interpretatie is en enkel kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn. Aangevochten beslissingen Bij het bestreden arrest van 6 juni 2005 ontvangt het Hof van Beroep te Antwerpen het hoger beroep van de eerste verweerster en verklaart het gegrond, hervormt het bestreden vonnis en verklaart eisers' vordering tot vervanging van de notarissen onontvankelijk. Deze beslissing is gestoeld op volgende overwegingen: "De tussen partijen hangende betwisting komt in essentie hier op neer. (De eisers) vragen de vervanging van de boedelnotarissen, aangesteld in het raam van een gerechtelijke vereffening-verdeling van de nalatenschappen van de ouders van partijen. (De eerste verweerster) roept de exceptie van dading in. Partijen hebben op 13 januari 1993 voor het ambt van de notarissen F. D.B. d.S. met standplaats te Herk-de-Stad en B. H.G. met standplaats te Hasselt, een regeling getroffen waarbij zij betreffende bepaalde onroerende goederen uit onverdeeldheid zijn getreden door kavels te vormen en zelf de goederen onder elkaar in der minne te verdelen. In de akte van dading verklaren partijen 'dat de procedures die hangende zijn tussen enkel de vier verschijners, bij wijze van dading afgesloten worden zonder dat afbreuk wordt gedaan van procedures verwant aan de uit de nalatenschap voortspruitende onverdeeldheid, hangende met andere partijen. Meer in het bijzonder zien mevrouw M.M. en de heer M.Y. niet af van hun vordering tot naasting en de inplaatsstelling ten aanzien van de naamloze vennootschap Helsen'. De vraag rijst of (de eisers) na de gesloten dading nog het recht hebben om op grond van de oorspronkelijke rechtsverhouding te vorderen. Het geschil waaromtrent de dading werd gesloten betreft de tussen partijen hangende gerechtelijke vereffening-verdeling inzake de nalatenschappen van hun ouders. Uit de bewoordingen van de dading kan worden afgeleid dat partijen afstand hebben gedaan van al hun vorderingen inzake deze gerechtelijke vereffening-verdeling met uitzondering van de vordering met betrekking tot de op dat ogenblik nog hangende betwisting van de naasting van de beweerde overdracht van erfrecht. Enkel die laatste betwisting werd uitdrukkelijk niet in de dading opgenomen. Op het moment van het aangaan van de dading was de uitkomst van dit geschil nog niet gekend. (De verweersters) hebben bij notariële akte van 20 mei 1985 hun onverdeelde rechten in het onroerend goed gelegen te Hasselt, Kapelstraat 15 aan de NV Helsen afgestaan. Deze verkoop van hun onverdeelde rechten die zij bezaten in een onroerend goed, dat afhangt van een ruimere nalatenschap, zonder medewerking van de overige medegerechtigden van die nalatenschap is ondertussen geldig bevonden. Dergelijke verkoop is geen verkoop van een recht op de nalatenschap in de zin van art. 841 B.W. (Cass. 9 september 1994). De nalatenschappen van de ouders van partijen zijn definitief vereffend en verdeeld. Er bestaat met betrekking tot het onroerend gelegen te Hasselt, Kapelstraat 15 nog enkel een onverdeeldheid tussen enerzijds de NV Helsen en anderzijds (de eisers). Deze onverdeeldheid heeft geen uitstaans meer met de nalatenschappen van de ouders van partijen. Gelet op de inhoud van de dading zijn partijen uitdrukkelijk overeengekomen niet meer op hun oorspronkelijke rechtsverhouding terug te komen. (De eerste verweerster) roept terecht de exceptie van de dading in. De nieuwe vordering van (de eisers) is niet ontvankelijk. De proceshouding van partijen kan niet als kennelijk onzorgvuldig worden beschouwd". Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 815 van het Burgerlijk Wetboek kan niemand worden genoodzaakt in onverdeeldheid te blijven; de verdeling kan te allen tijde worden gevorderd, niettegenstaande enige hiermee strijdige verbodsbepaling of overeenkomst. De verdeling bestaat meer bepaald in een bewerking, waarbij de onverdeelde rechten van elke deelgenoot op de volledige actieve massa omgevormd worden in een privatief recht op de in zijn kavel geplaatste goederen. Zij is declaratief van aard. Luidens artikel 883 van het Burgerlijk Wetboek wordt iedere erfgenaam geacht alleen en onmiddellijk te zijn opgevolgd in alle goederen die in zijn kavel zijn begrepen of die hem bij veiling ten deel zijn gevallen, en nooit de eigendom van de andere goederen van de nalatenschap te hebben gehad. Zij maakt bovendien met terugwerkende kracht een einde aan de onverdeeldheid bestaande tussen de verschillende erfgenamen met betrekking tot alle of bepaalde goederen. De declaratieve werking, waarvan sprake in artikel 883 van het Burgerlijk Wetboek, is uitsluitend verbonden aan de verdeling of aan hiermee gelijkgestelde verrichtingen, welke tot stand komen met de medewerking of in aanwezigheid van alle erfgenamen, zoals de overdracht door een erfgenaam van zijn aandeel in een bepaald goed, afhangende van de nalatenschap, aan zijn mede-erfgenamen of de afstand door een erfgenaam van zijn erfrechten aan zijn mede-erfgenamen. Voldoet niet aan voornoemde vereiste de overdracht ten bezwarende titel door een erfgenaam van zijn rechten in een of meer welbepaalde goederen uit de nalatenschap aan een derde, die hoogstens als een verkoop in de zin van artikel 1582 van het Burgerlijk Wetboek of als een overdracht van rechten in de zin van artikel 1689 van het Burgerlijk Wetboek kan worden bestempeld. Een dergelijke overeenkomst heeft geenszins tot gevolg aan de tussen de mede-erfgenamen bestaande onverdeeldheid met betrekking tot die goederen een einde te stellen. Te dezen blijkt uit de door het hof van beroep gedane vaststellingen dat door partijen op 13 januari 1993 een overeenkomst werd gesloten, door het hof van beroep "overeenkomst van dading" genoemd, waarbij zij betreffende bepaalde onroerende goederen uit de onverdeeldheid traden door kavels te vormen en zelf de goederen onder elkaar in der minne te verdelen. Uit de overeenkomst werd evenwel het lot van het handelshuis, gelegen te Hasselt, Kapelstraat 15, uitgesloten. Deze akte kon dan ook enkel met betrekking tot de uitdrukkelijk door die akte geviseerde onroerende goederen als een uit de onverdeeldheidtreding gelden. Met betrekking tot de andere goederen, afhangende van de nalatenschap, inzonderheid het handelshuis, gelegen te Hasselt, Kapelstraat 15, bleef de onverdeeldheid voortbestaan, behoudens bewijs van een met een verdeling gelijkstaande handeling, die ook met betrekking tot dit handelshuis aan de tussen de vier mede-erfgenamen bestaande onverdeeldheid een einde zou hebben gemaakt. Beantwoordt niet aan die voorwaarde de door het hof van beroep aangehaalde overeenkomst dd. 20 mei 1985, waarbij twee van de vier erfgenamen hun onverdeelde rechten in voornoemd onroerend goed overdroegen aan een derde, met name de NV Helsen, nu een dergelijke akte van verkoop geen einde stelt aan de tussen de mede-erfgenamen bestaande onverdeeldheid en geenszins kan verhinderen dat bij de bewerkingen van verdeling dat goed uiteindelijk zal worden toegewezen, hetzij in natura, hetzij bij veiling aan één der erfgenamen die overeenkomstig artikel 883 van het Burgerlijk Wetboek geacht zal worden ab initio eigenaar van dat goed geweest te zijn. Bij gebreke van een verdelingsakte met betrekking tot dit onroerend goed moest dan ook worden aangenomen dat voornoemd handelshuis nog steeds in onverdeeldheid aan de vier mede-erfgenamen toebehoorde. Besluit Op grond van de door het hof van beroep gedane vaststellingen, waaruit niet blijkt dat er met betrekking tot het handelshuis, gelegen te Hasselt, Kapelstraat 15, tussen de vier erfgenamen een akte van verdeling of hiermee gelijkgestelde akte tussenkwam, kon het hof van beroep niet wettig beslissen dat er met betrekking tot dat onroerend goed tussen partijen geen onverdeeldheid meer bestond (schending van artikelen 815 en 883 van het Burgerlijk Wetboek). In ieder geval kon het hof van beroep niet wettig besluiten dat de overdracht ten bezwarende titel door verweersters van hun onverdeelde rechten in het handelshuis, gelegen te Hasselt, Kapelstraat 15, aan de NV Helsen, derde ten aanzien van de nalatenschap, bij een akte waaraan de eisers volkomen vreemd waren, gelijkstond met een akte van verdeling, die een einde zou hebben gesteld aan de tussen hen bestaande onverdeeldheid met betrekking tot dat goed, zonder aldus het rechtsbegrip "verdeling" en haar declaratieve werking te miskennen (schending van artikelen 815 en 883 van het Burgerlijk Wetboek), aan de overeenkomst van overdracht van onverdeelde rechten een gevolg te verlenen dat hieraan door de wetgever niet wordt verbonden (schending van artikelen 577-2, ,§4, 1134, 1582, 1583 en 1689 van het Burgerlijk Wetboek) en ten slotte de relatieve werking van deze akte, waaraan de eisers vreemd waren, te miskennen (schending van artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek). Bovendien miskent het hof van beroep de verbindende kracht van de overeenkomst van 13 januari 1993, in zoverre het aanneemt dat deze overeenkomst een einde maakte aan de volledige onverdeeldheid, nu het zelf op pagina 3 vaststelt dat het lot van het handelshuis niet in de overeenkomst was betrokken (schending van 1134 van het Burgerlijk Wetboek). Derhalve kon het hof van beroep niet wettig beslissen dat de vordering tot vervanging van de notaris, die eerder werd aangesteld om over te gaan tot de bewerkingen van vereffening en verdeling ten aanzien van de verweersters, niet meer kon worden ingesteld tegen de verweersters (schending van artikelen 1207, 1209 en 1211 van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede onderdeel Wellicht vermag iedere mede-erfgenaam tijdens de onverdeeldheid te beschikken over zijn rechten in de verschillende goederen die van de nalatenschap afhangen, zoals blijkt uit artikel 577-2, ,§4, van het Burgerlijk Wetboek. Het lot van de overeenkomst, waarbij de erfgenaam zijn onverdeelde rechten in een bepaald onroerend goed overdraagt, zal evenwel afhangen van de uiteindelijke verdeling. Wordt het goed toegewezen aan een erfgenaam, dan wordt deze immers overeenkomstig artikel 883 van het Burgerlijk Wetboek geacht ab initio, vanaf het openvallen van de nalatenschap, eigenaar van dat goed te zijn geweest, met als gevolg dat alle daden van beschikking, gesteld door een andere erfgenaam met betrekking tot dat goed of met betrekking tot zijn rechten in dat goed zullen vervallen. Immers, luidens artikel 883 van het Burgerlijk Wetboek wordt iedere erfgenaam geacht alleen en onmiddellijk te zijn opgevolgd in alle goederen die in zijn kavel zijn begrepen of die hem bij veiling ten deel zijn gevallen, en wordt hij geacht nooit de eigendom van de andere goederen van de nalatenschap te hebben gehad. Indien de overdracht, verricht door een mede-erfgenaam, hangende de nalatenschap, volkomen rechtsgeldig is, zal zij bijgevolg steeds een voorwaardelijk karakter vertonen in de zin van artikelen 1168, 1181 en 1584 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat de rechten van de derde, aan wie een erfgenaam zijn onverdeelde rechten in een welbepaald goed, afhangende van de nalatenschap, heeft overgedragen, zullen afhangen van de uiteindelijke verdelingsoperaties en dat hij slechts daadwerkelijk een recht op dat kwestieuze goed zal kunnen laten gelden op het ogenblik waarop het in de kavel van de overdrager wordt geplaatst dan wel aan laatstgenoemde bij veiling wordt toegewezen. Hangende de nalatenschap kan de derde evenwel geen enkel recht op het kwestieuze goed laten gelden, zulks in overeenstemming met artikel 1181 van het Burgerlijk Wetboek. De derde die hangende de nalatenschap de onverdeelde rechten van een erfgenaam in een bepaald goed van die nalatenschap verwerft, verwerft hoogstens de hoedanigheid van schuldeiser van de erfgenaam-overdrager of erfgenaam-verkoper, zoals blijkt uit artikel 882 van het Burgerlijk Wetboek, hetwelk uitdrukkelijk bepaalt dat schuldeisers van een deelgenoot, om te beletten dat de verdeling met bedrieglijke benadeling van hun rechten geschiedt, zich ertegen kunnen verzetten dat zij buiten hun aanwezigheid wordt gedaan. Uit het voorgaande volgt dat, zelfs in geval van overdracht door een erfgenaam van zijn rechten in een welbepaald goed uit de nalatenschap, de vordering in verdeling zal moeten worden vervolgd tegen deze mede-erfgenaam. De omstandigheid dat de nalatenschap nog uit één enkel onroerend goed zou bestaan doet daaraan geen afbreuk. Uit het voorgaande volgt dat zo bij overeenkomst dd. 20 mei 1985 verweersters hun onverdeelde rechten in het onroerend goed, gelegen te Hasselt, Kapelstraat 15, overdroegen aan een derde, met name de NV Helsen, deze laatste hierdoor slechts een voorwaardelijk recht bekwam, waarvan het lot van de uiteindelijke verdelingsoperatie zal afhangen. Hangende de nalatenschap bezit die derde hoogstens de hoedanigheid van schuldeiser, zoals overigens uitdrukkelijk vastgesteld door de rechtbank van eerste aanleg bij het vonnis van 6 maart 1990, bevestigd in hoger beroep bij arrest van 13 mei 1992 van het Hof van Beroep te Antwerpen, waarbij de vordering tot verdeling werd ingewilligd, een notaris werd aangesteld om tot de bewerkingen van vereffening en van verdeling over te gaan en de vordering tot tussenkomst van de NV Helsen in de procedure in voormeld stadium van de procedure onontvankelijk werd verklaard, maar werd beslist dat zij wel bij de verdeling kon tussenkomen bij toepassing van artikel 882 van het Burgerlijk Wetboek. Besluit Op grond van de gedane vaststellingen, waaruit onder meer blijkt dat hangende de nalatenschap de verweersters hun onverdeelde rechten in het handelshuis, gelegen te Hasselt, Kapelstraat 15, overdroegen aan de NV Helsen, derde ten aanzien van de nalatenschap, kon het hof van beroep niet wettig beslissen dat er zodoende tussen de eisers en de verweersters geen onverdeeldheid meer bestond met betrekking tot voornoemd handelshuis, aldus uitspraak doende in miskenning van enerzijds het voorwaardelijk karakter van iedere overdracht ten bezwarende titel door een mede-erfgenaam van zijn onverdeelde rechten in een goed, afhangende van een nalatenschap, aan een derde, en dit zonder de medewerking van de overige erfgenamen (schending van de artikelen 815, 883, 1168, 1181 en 1584 van het Burgerlijk Wetboek), anderzijds van de hoedanigheid van "schuldeiser van de erfgenaam" van de derde overnemer van onverdeelde rechten in een welbepaald goed, afhangende van de nalatenschap, zolang de verdeling met betrekking tot het kwestieuze goed tussen de mede-erfgenamen niet heeft plaatsgevonden (schending van de artikelen 882, 1180 en 1584 van het Burgerlijk Wetboek). Derhalve kon het hof van beroep niet wettig beslissen dat de vordering tot vervanging van de notaris, die eerder werd aangesteld om over te gaan tot de bewerkingen van vereffening en verdeling, ten aanzien van de verweersters niet meer kon worden ingesteld (schending van de artikelen 1207, 1209 en 1211 van het Gerechtelijk Wetboek). Derde onderdeel Luidens artikel 19, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is ieder vonnis een eindvonnis in zover daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt is uitgeput, behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald. De rechter die terzake zijn rechtsmacht heeft uitgeput zal op dat geschilpunt niet meer kunnen terugkomen. Deze regel raakt de openbare orde en kan zodoende in iedere stand van het geding worden ingeroepen. Te dezen vorderden de eisers bij exploot van 9 mei 1985 de vereffening-verdeling van de nalatenschappen van de ouders van partijen, waarin onder meer vier onroerende goederen, gelegen respectievelijk te Hasselt, Kolonel Dusartplein en Kapelstraat 15, Heusden-Zolder, Galgeneinde en De Elzerik, en Tongeren, Maastrichterstraat 43, begrepen waren. De verweersters vorderden hunnerzijds bij exploot van 17 mei 1985 de vereffening-verdeling van de roerende goederen en een deskundigenonderzoek voor het samenstellen van gelijksoortige kavels. Deze beide zaken werden samengevoegd. Bij vonnis van 6 maart 1990 verklaarde de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt de vordering gegrond wat betreft het gevraagde deskundigenonderzoek, stelde een deskundige aan om na te gaan of de onroerende goederen in natura verdeelbaar waren en stelde notaris B. H.G. als instrumenterende notaris en notaris F. D.B. als vertegenwoordigende notaris aan voor de bevolen vereffening-verdeling van de eventuele nalatenschap of onverdeeldheid die heeft bestaan tussen wijlen L.M. en wijlen B.S.. Bovendien werd bij datzelfde vonnis de vrijwillige tussenkomst van de NV Helsen, die ingevolge de overeenkomst van 20 mei 1985 de rechten van de verweersters in het handelshuis, gelegen te Hasselt, Kapelstraat 15, had overgenomen, aangaande de vereffening-verdeling van de betreffende nalatenschappen in voornoemd stadium van de procedure niet toelaatbaar verklaard. Daarentegen werd gezegd voor recht dat zij bij gelegenheid van de bewerkingen van de verdeling tussenkomst zal kunnen doen conform artikel 882 van het Burgerlijk Wetboek. Dit vonnis werd bevestigd door het Hof van Beroep te Antwerpen bij arrest van 13 mei
  5. Eisers' cassatieberoep tegen dat arrest werd door het Hof verworpen bij arrest van 9 september
  6. Bij voornoemd vonnis van 6 maart 1990, dat werd bevestigd in hoger beroep en dat ingevolge de verwerping van het cassatieberoep definitief werd, werd zodoende uitdrukkelijk geoordeeld dat de NV Helsen niet vermocht tussen te komen in de procedure strekkende tot het bekomen van de vereffening en verdeling, en dit op een tijdstip waarop deze vennootschap reeds de rechten van de verweersters had overgenomen. Daarentegen verklaarde de rechtbank uitdrukkelijk dat zij de mogelijkheid had om naderhand bij toepassing van artikel 882 van het Burgerlijk Wetboek bij de bewerkingen van de verdeling aanwezig te zijn. Aan deze beslissing lag noodzakelijkerwijze de vaststelling ten gronde dat de verweersters ook met betrekking tot het onroerend goed, gelegen te Hasselt, Kapelstraat 15, nog steeds de hoedanigheid van deelgenoot bezaten en de NV Helsen geenszins die hoedanigheid had overgenomen. Derhalve kon het hof van beroep, naar aanleiding van de vordering tot vervanging van de eerder aangestelde notaris, niet wettig beslissen, zonder aldus uitspraak te doen over een punt, waarover de rechtbank eerder haar rechtsmacht had uitgeput, dat ingevolge de overeenkomst van 20 mei 1985, er niet langer meer tussen de eisers en de verweersters een onverdeeldheid bestond met betrekking tot voormeld onroerend goed. Bovendien besliste diezelfde rechtbank eerder bij vonnis van 15 januari 1996, rechtdoende op het verzoekschrift door de eisers neergelegd ter griffie op 24 november 1995 in dezelfde zaak, gekend ter griffie onder de rolnummers 85/1099/A en 86.0218.A, dat de vordering tot vervanging van notaris B. H.G. ontvankelijk en gegrond was, waarop zij notaris R.H.G. ter vervanging aanduidde. Aldus besliste zij andermaal bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing, impliciet doch zeker, dat er tussen partijen nog steeds een onverdeeldheid bestond. Besluit Waar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt eerder reeds bij een vonnis van 6 maart 1990, dat in hoger beroep werd bevestigd door het Hof van Beroep te Antwerpen bij arrest van 13 mei 1992, waartegen het cassatieberoep werd verworpen, d.i. op een ogenblik waarop de overdracht van de onverdeelde rechten door de verweersters aan de NV Helsen reeds een feit was, besliste dat de NV Helsen niet vermocht tussen te komen in de procedure strekkende tot het bekomen van de vereffening en verdeling en slechts later bij toepassing van artikel 882 van het Burgerlijk Wetboek kon tussenkomen bij de bewerkingen van de verdeling zelf, aldus verwijzend naar haar hoedanigheid van schuldeiser van één der erfgenamen, doet het hof van beroep, dat bij het bestreden arrest oordeelt dat de overeenkomst van 20 mei 1985 tot gevolg had dat er tussen partijen geen onverdeeldheid meer bestond met betrekking tot het onroerend goed, gelegen te Hasselt, Kapelstraat 15, maar dat de onverdeeldheid voortaan bestond ten aanzien van de NV Helsen, die zodoende volgens het hof van beroep niet de hoedanigheid van schuldeiser van een erfgenaam, doch deze van deelgenoot zou bezitten, uitspraak over een punt waarover de eerste rechter zijn rechtsmacht reeds had uitgeput bij een in kracht van gewijsde getreden vonnis (schending van de artikelen 19, eerste lid, en 28 van het Gerechtelijk Wetboek) en dat derhalve ook niet meer aanhangig kon worden gemaakt voor de appelrechter (schending van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek). Waar dezelfde rechtbank in diezelfde zaak bovendien bij vonnis van 15 januari 1996 reeds besliste dat de vordering tot vervanging van de eerder aangestelde notaris, gericht tegen dezelfde partijen, ontvankelijk en gegrond was, beslissing die veronderstelde dat er nog steeds een onverdeeldheid tussen de oorspronkelijke partijen bestond, en dat in afwezigheid van aanwending van enig rechtsmiddel vanwege de verweersters eveneens in kracht van gewijsde trad, kon het hof van beroep niet meer wettig beslissen dat de vordering tot vervanging van de eerder aangestelde notaris ten aanzien van de verweersters zonder voorwerp was geworden, zonder aldus uitspraak te doen over een punt waarover de eerste rechter reeds zijn rechtsmacht had uitgeput (schending van artikelen 19, eerste lid, en 28 van het Gerechtelijk Wetboek), aldus tevens de devolutieve kracht van het hoger beroep miskennende (schending van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek), evenals het gezag van gewijsde, verbonden aan deze beslissing (schending van de artikelen 23, 24, 25, 26 en 28 van het Gerechtelijk Wetboek). Vierde onderdeel Artikel 841 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat ieder die, ook al is hij bloedverwant van de overledene, niet zijn erfgerechtigde is, en aan wie een mede-erfgenaam zijn recht op de nalatenschap heeft overgedragen, uit de verdeling kan worden geweerd, hetzij door alle mede-eigenaars, hetzij door een enkele, mits de prijs van de overdracht hem wordt terugbetaald. De ratio legis van deze bepaling bestaat erin niet-erfgenamen uit de verdeling te weren door de rechten, die zij van een mede-erfgenaam hebben verworven, over te kopen. Deze bepaling geldt dan ook enkel ten aanzien van de overdracht van erfrechten of van een aandeel in die erfrechten, die aan de derde de hoedanigheid verlenen om als deelgenoot op te treden. A contrario volgt uit diezelfde bepaling dat de overdracht van rechten in een bepaalde goed aan een derde deze derde niet de hoedanigheid van deelgenoot verleent. De derde, aan wie rechten in een bepaald goed, afhangende aan de nalatenschap, worden overgedragen, verwerft immers slechts een voorwaardelijk recht op dat goed in de zin van de artikelen 1168, 1181 en 1584 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat zijn recht slechts onvoorwaardelijk wordt wanneer bij de verdeling het goed in de kavel van de erfgenaam-overdrager is begrepen dan wel aan de erfgenaam-overdrager bij veiling wordt toegewezen. Hangende de verdeling beschikt hij slechts over de hoedanigheid van schuldeiser van de erfgenaam-overdrager, aan wie overeenkomstig artikel 882 van het Burgerlijk Wetboek het recht wordt verleend om tussen te komen bij de verdeling. In onderhavige zaak werd trouwens door de rechtbank van eerste aanleg bij vonnis van 6 maart 1990 uitdrukkelijk vastgesteld dat de NV Helsen inderdaad zou kunnen tussenkomen bij de bewerkingen van vereffening en verdeling, hetgeen impliceert dat de rechtbank de koper niet als een deelgenoot aanzag. De vordering tot verdeling zal dan ook tegen de mede-erfgenaam, met uitsluiting van de derde, moeten worden vervolgd. Besluit In zoverre het hof van beroep uit de ongegrondverklaring van de vordering tot naasting het besluit afleidt dat de verkoop door de verweersters van hun onverdeelde rechten in het onroerend goed, gelegen te Hasselt, Kapelstraat 15, een einde maakte aan de onverdeeldheid, die tussen de vier mede-erfgenamen had bestaan, aldus kennelijk aanvaardend dat, behoudens de hypothese geviseerd door artikel 841 van het Burgerlijk Wetboek, iedere verkoop ten bezwarende titel een einde maakt aan de tussen mede-erfgenamen bestaande onverdeeldheid, verleent het hof van beroep aan artikel 841 van het Burgerlijk Wetboek een draagwijdte die deze bepaling niet bezit (schending van artikel 841 van het Burgerlijk Wetboek) en doet het aldus uitspraak in miskenning van het voorwaardelijk karakter van het recht dat de derde, aan wie een mede-erfgenaam zijn onverdeelde rechten in een bepaald goed heeft vervreemd, hangende de nalatenschap, aldus verwerft (schending van de artikelen 883, 1168, 1181, 1582 en 1584 van het Burgerlijk Wetboek), evenals van zijn hoedanigheid van schuldeiser van de erfgenaam (schending van artikel 882 van het Burgerlijk Wetboek). Vijfde onderdeel De eisers lieten in hun syntheseberoepsbesluiten op pagina 5 gelden dat de argumentatie van de eerste verweerster bij het in kracht van gewijsde getreden vonnis van 18 december 2000 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt, zetelend in hoger beroep, uitdrukkelijk werd verworpen in navolgende bewoordingen: "(De eerste verweerster) vordert dat zij buiten zake gesteld zou worden omdat er tussen (de eisers), (de tweede verweerster) en haarzelf geen onverdeeldheid bestaat met betrekking tot het pand Kapelstraat 15 om reden dat (de eerste verweerster), samen met (de tweede verweerster), haar onverdeeld aandeel in betreffend pand heeft overgedragen aan (de NV Helsen), overdracht die volgens haar definitief geworden is door het arrest van het Hof van Cassatie van 9 september 1994, waarbij de voorziening van de eisers werd verworpen en alzo zou komen vast te staan zijn dat de vordering tot indeplaatsstelling en tot rechtstreekse naasting uitgaande van (de eisers) ongegrond was. De rechtbank kan zich niet aansluiten bij de versie van (de eerste verweerster). De verkoop van haar onverdeeld aandeel in het kwestieuze goed blijft een "voorwaardelijke" verkoop totdat vaststaat of het betreffende onroerend goed ten gevolge van de vereffening en verdeling van de nalatenschap al of niet in haar kavel of mede in haar kavel valt (artikel 883 B.W.) (vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg Hasselt van 6 maart 1990, zie hoger). Daarenboven heeft de rechtbank van eerste aanleg, in haar voormeld vonnis van 9 mei 1994 (zie hoger) vastgesteld dat er, hangende de procedure desbetreffende, nog geen zekerheid was over het eigendomsrecht. De voorziening in cassatie tegen dat vonnis werd verworpen (zie hoger). Alvorens uit te maken of (de eerste verweerster) buiten zake moet gesteld worden, moeten dus eerst de procedures in verband met de vereffening en verdeling tot het eigendomsrecht worden beslecht. (De eerste verweerster) geeft alleen een interpretatie aan artikel 883 B.W. in de relatie tussen haarzelf en de koopster van haar aandeel, zijnde (de NV Helsen), in het betreffende onroerend goed (...). Dit moet echter ruimer bekeken worden, met name ook in de relatie tussen alle oorspronkelijke mede-eigenaars, zijnde de vier erfgenamen, vermits nog niet, hangende de procedure van vereffening en verdeling, vaststaat of het pand Kapelstraat 15 in of mede in de kavel van (de eerste verweerster) zal vallen en de overdracht van haar aandeel in de kavel intussen voorwaardelijk blijft". De eisers besloten dat deze motivering van het in kracht van gewijsde getreden vonnis van 18 december 2000 beantwoordde en uitdrukkelijk weerlegde dat wat (de eerste verweerster) op de pagina's 5 tot en met 13 van haar syntheseberoepsbesluiten poogt te argumenteren en dat de kracht van gewijsde van het vonnis van 18 december 2000 zich ertegen verzette dat voormelde discussie opnieuw zou gevoerd worden. De eisers lieten m.a.w. gelden dat de rechtbank van eerste aanleg reeds bij een in kracht van gewijsde getreden vonnis had beslist dat de verkoop van het onverdeeld aandeel in het onroerend goed een voorwaardelijke verkoop was totdat ingevolge de bewerkingen van vereffening en verdeling vaststaat of het goed al dan niet in de kavel van de overdrager valt, zodat hierover niet opnieuw discussie kon worden gevoerd. Besluit Het hof van beroep dat voornoemd verweer onbeantwoord laat omkleedt zijn beslissing niet regelmatig met redenen (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). Zesde onderdeel Luidens artikel 2049 van het Burgerlijk Wetboek regelen dadingen slechts de geschillen die daarin zijn begrepen, hetzij partijen hun bedoeling in bijzondere of in algemene bewoordingen hebben uitgedrukt, hetzij die bedoeling als een noodzakelijk gevolg wordt afgeleid van hetgeen is uitgedrukt. Uit de overeenkomst van 13 januari 1993, verleden voor notaris D.B. d.S., uitdrukkelijk aangehaald door het hof van beroep, blijkt dat deze overeenkomst betrekking heeft op drie onroerende goederen. In voornoemd document werd meer bepaald gepreciseerd dat voor de notaris de vier erfgenamen Molenaers verschenen, welke verklaarden de onroerende goederen, gelegen respectievelijk te Hasselt, Kolonel Dusartplein, te Heusden-Zolder, Galgeneinde en De Elzerik, en te Tongeren, Maastrichterstraat 43, in onverdeeldheid te bezitten en uitdrukkelijk verklaarden uit onverdeeldheid te willen treden betreffende de voormelde goederen, waaromtrent zij kavels hebben gevormd en zelf de goederen onder elkaar in der minne hebben toebedeeld. Blijkens de aangehechte volmacht bekwam de echtgenoot van de eerste verweerster, die namens haar verscheen, trouwens enkel de macht om met betrekking tot de bovenvernoemde onroerende goederen, met uitsluiting van enig ander onroerend goed, tot verdeling over te gaan. Er werd voorts gepreciseerd dat "Partijen verklaren dat de procedures die hangende zijn tussen enkel de vier verschijners, bij wijze van dading afgesloten worden zonder dat afbreuk wordt gedaan van procedures verwant aan de uit de nalatenschap voortspruitende onverdeeldheid, hangende met andere partijen. Meer in het bijzonder zien mevrouw M.M. en de heer M.Y. niet af van hun vordering tot naasting en indeplaatsstelling ten aanzien van de naamloze vennootschap Helsen". Uit deze bepaling volgt dat partijen uitsluitend overeenkwamen een einde te stellen aan de procedures die enkel hangende waren tussen de vier erfgenamen, hetgeen iedere procedure waarbij ook een derde betrokken was uitsloot. Deze bepaling, die een afstand van rechten impliceerde en derhalve van strikte interpretatie is, nu verzaking van recht niet wordt vermoed, moet bovendien gelezen worden in het licht van de aanhef van de overeenkomst, alwaar, zoals hierboven reeds aangehaald, uitdrukkelijk werd gepreciseerd dat de partijen enkel verklaarden over te gaan tot de verdeling in der minne van de aldaar opgesomde onroerende goederen. Artikel 1161 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt immers uitdrukkelijk dat alle bedingen van een overeenkomst moeten worden uitgelegd het ene door het andere, zodat elk beding wordt opgevat in de zin die uit de gehele akte voortvloeit. Bovendien werd blijkens de eigen vaststellingen van het hof van beroep het lot van het handelshuis, gelegen te Hasselt, Kapelstraat 15, buiten beschouwing gelaten. Uit een en ander blijkt dat partijen geenszins verklaarden ook de procedure in vereffening en verdeling van het onroerend goed, gelegen te Hasselt, Kapelstraat 15, dat niet in de overeenkomst was betrokken, stop te zetten. Besluit Waar het hof van beroep stelt dat partijen waren overeengekomen iedere procedure, met inbegrip van deze strekkende tot de vereffening en verdeling van het handelshuis, gelegen te Hasselt, Kapelstraat 15, dat evenwel niet in die akte van 13 januari 1993 werd opgenomen, stop te zetten, miskent het de bewijskracht van de bedoelde overeenkomst door hieraan een uitlegging te geven die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is, nu in deze akte uitdrukkelijk wordt verklaard dat zij drie welbepaalde onroerende goederen betrof die onder de erfgenamen in der minne werden verdeeld, hierbij geen sprake is van bovenvermeld handelshuis en alleen de procedures die enkel tussen de vier erfgenamen hangende waren werden stopgezet (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Waar het hof van beroep de in het onderdeel aangehaalde bepaling heeft uitgelegd, zonder acht te slaan op de overige bedingen van de overeenkomst, inzonderheid de vermelding in de aanhef van de akte dat de verschijners verklaarden drie welbepaalde onroerende goederen in onverdeeldheid te bezitten, waaromtrent zij uit onverdeeldheid wilden treden, aldus de overeenkomst duidelijk afbakenend, heeft het de overeenkomst van 13 januari 1993 uitgelegd in miskenning van artikel 1161 van het Burgerlijk Wetboek. Tevens miskent het de verbindende kracht van deze overeenkomst, waar het eerst zelf uitdrukkelijk vaststelt dat het lot van het handelshuis buiten beschouwing werd gelaten, en derhalve ook de vorderingen met betrekking tot dat goed, en vervolgens oordeelt dat de eisers afstand zouden hebben gedaan van hun vordering in vereffening en verdeling van het kwestieuze handelshuis ten aanzien van de verweersters (schending van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek). Bovendien kon het niet wettig tot dat besluit komen zonder schending van het algemeen rechtsbeginsel, volgens hetwelk afstand van recht niet wordt vermoed, doch enkel kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn, evenals van artikel 2049 van het Burgerlijk Wetboek. Zevende onderdeel Overeenkomstig artikel 815 van het Burgerlijk Wetboek kan niemand worden genoodzaakt in onverdeeldheid te blijven; de verdeling kan te allen tijde worden gevorderd, niettegenstaande enige hiermee strijdige verbodsbepaling of overeenkomst. Het recht om uit de onverdeeldheid te treden is zodoende van openbare orde. Omtrent een dergelijk recht kunnen dan ook geen dadingen worden gesloten. Blijkens artikel 823 van het Gerechtelijk Wetboek kan van de rechtsvordering die ertoe strekt uit de onverdeeldheid te treden evenmin afstand worden gedaan, nu afstand van rechtsvordering slechts mogelijk is met betrekking tot een recht dat mag worden prijsgegeven en waarover iedere partij kan beschikken. Staat gelijk met een dergelijke verboden overeenkomst de overeenkomst die zou bepalen dat alle procedures, met inbegrip van deze verband houdende met nog niet verdeelde goederen, worden stopgezet en/of niet meer zullen kunnen worden ingesteld tegen één van de mede-erfgenamen. Besluit In zoverre zou moeten worden aangenomen dat partijen bij de overeenkomst van 13 januari 1993 overeenkwamen ook de procedure in vereffening en verdeling ten aanzien van de verweersters met betrekking tot het handelshuis, gelegen te Hasselt, Kapelstraat 15, stop te zetten, - quod non - , aldus verhinderend dat partijen met betrekking tot dit huis in rechte uit de onverdeeldheid traden, verleent het hof van beroep gevolgen aan een overeenkomst die werd gesloten in strijd met een bepaling van openbare orde (schending van de artikelen 6, 815, 1131, 1133, 2044 en 2045 van het Burgerlijk Wetboek). Bovendien verleent het aldus tevens in strijd met het verbod van artikel 823 van het Gerechtelijk Wetboek uitwerking aan een exceptie van dading, waarbij afstand wordt gedaan van een rechtsvordering, slaande op een recht dat niet mag worden prijsgegeven (schending van de artikelen 821 en 823 van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Derde onderdeel
  7. Het onderdeel gaat volledig er van uit dat het vonnis van 6 maart 1990 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt zich ertegen verzet dat in het bestreden arrest opnieuw wordt beslist over de vraag of er nog een onverdeeldheid tussen de partijen bestaat.
  8. Het onderdeel geeft echter ook aan dat hoger beroep werd ingesteld tegen het vonnis van 6 maart 1990 dat geleid heeft tot een bevestiging in hoger beroep.
  9. De beslissing in hoger beroep komt in de plaats van het beroepen vonnis.
  10. Verder steunt het onderdeel op de beschikking van de voormelde rechtbank van 15 januari 1996 waarbij tot vervanging van de boedelnotaris werd beslist.
  11. Anders dan het onderdeel aanvoert, volgt uit de enkele beslissing van vervanging van de boedelnotaris niet dat uitspraak is gedaan over het geschilpunt of er tussen de partijen nog een onverdeeldheid bestaat.
  12. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel Grond van niet-ontvankelijkheid
  13. De verweersters voeren aan dat het onderdeel niet tot cassatie kan leiden en derhalve, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk is. De in het onderdeel bekritiseerde redenen aangaande de verkoop van 20 mei 1985 zouden de bestreden beslissing niet beïnvloeden, aangezien zij wordt gedragen door andere in het zesde en het zevende onderdeel vergeefs bekritiseerde redenen aangaande de dadingovereenkomst van 13 januari
  14. Anders dan de verweersters voorhouden, wordt de bestreden beslissing onlosmakelijk gedragen door zowel de redenen aangaande de verkoop van 20 mei 1985 als de redenen aangaande de dadingovereenkomst van 13 januari
  15. De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen. Het onderdeel zelf
  16. Krachtens artikel 577-2, ,§4, van het Burgerlijk Wetboek kan de mede-eigenaar over zijn aandeel beschikken en het met zakelijke rechten bezwaren.
  17. Wanneer een mede-eigenaar zijn onverdeelde aandeel in een bepaald goed verkoopt aan een derde, neemt deze koper de hoedanigheid van mede-eigenaar over.
  18. Krachtens artikel 883 van het Burgerlijk Wetboek wordt iedere mede-erfgenaam geacht alleen en onmiddellijk te zijn opgevolgd in alle goederen die in zijn kavel zijn begrepen of die hem bij veiling ten deel zijn gevallen, en nooit de eigendom van de andere goederen van de nalatenschap te hebben gehad. Uit deze bepaling volgt dat, wanneer een mede-erfgenaam zijn onverdeelde aandeel in een goed uit een ruimere nalatenschap verkoopt aan een derde, deze verkoop steeds een voorwaardelijk karakter heeft en afhankelijk is van de uiteindelijke vereffening-verdeling van de nalatenschap. De vereffening-verdeling moet in haar geheel kunnen doorgaan, met eerbiediging van het recht van alle mede-erfgenamen om hun kavels te laten samenstellen louter uit nalatenschapsgoederen, en zoveel mogelijk uit gelijke goederen van een zelfde aard en hoeveelheid. Om die reden kan een mede-erfgenaam de goederen die uiteindelijk in de kavel van een andere mede-erfgenaam worden geplaatst, niet aantasten. Enkel de rechten die een mede-erfgenaam tijdens de onverdeeldheid heeft toegestaan op de goederen die uiteindelijk in zijn kavel vallen, blijven gelden. De rechten die een mede-erfgenaam heeft toegestaan op de andere onverdeelde goederen, worden ontbonden.
  19. In afwachting van de vereffening-verdeling, die enkel kan doorgaan tussen de mede-erfgenamen, kan de koper van een onverdeeld aandeel bij de vereffening en verdeling geen rechten als deelgenoot laten gelden op het verkochte goed. De koper kan wel, als schuldeiser van de verkoper, toezien op de verdeling, bij toepassing van artikel 882 van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge de voorwaardelijke verkoop, verwerft de koper de hoedanigheid van schuldeiser van de erfgenaam-verkoper, zonder als nieuwe mede-eigenaar in zijn plaats te treden als deelgenoot.
  20. De appelrechter stelt vast dat: - de vordering van de eisers strekt tot vervanging van de boedelnotarissen, aangesteld in het raam van de gerechtelijke vereffening-verdeling van de nalatenschappen van de ouders van de partijen; - de verweersters bij notariële akte van 20 mei 1985 hun onverdeelde rechten met betrekking tot het handelshuis te Hasselt hebben verkocht aan de NV Helsen; - de partijen bij dadingovereenkomst van 13 januari 1993 tot vereffening-verdeling van de nalatenschappen van hun ouders zijn overgegaan en afstand hebben gedaan van al hun vorderingen inzake deze vereffening-verdeling met uitzondering van de vordering met betrekking tot de op dat ogenblik nog hangende betwisting omtrent de voormelde verkoop van onverdeelde rechten. De appelrechter oordeelt dat, ingevolge de verkoop van 20 mei 1985, de niet in de dading begrepen onverdeeldheid tussen de eisers en de verweersters met betrekking tot het handelshuis te Hasselt is vervangen door een onverdeeldheid tussen de eisers en de NV Helsen.
  21. Door aldus te oordelen, neemt de appelrechter aan dat de NV Helsen als koper van de onverdeelde rechten van de verweersters in het handelshuis te Hasselt, hun hoedanigheid van mede-eigenaar heeft overgenomen en zodoende als nieuwe mede-eigenaar in hun plaats is getreden. Door vervolgens te beslissen dat de vordering van de eisers niet ontvankelijk is, aangezien zij niet langer in onverdeeldheid met de verweersters zijn met betrekking tot het handelshuis te Hasselt, schendt de appelrechter de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen.
  22. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  23. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 22 december 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061222.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.