id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061222.5 Rolnummer: C.06.0102.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-01-19 Raadplegingen: 577 - laatst gezien 2026-07-03 19:18 Versie(s): Vertaling FR Fiche De devolutieve kracht van het hoger beroep laat de appelrechter toe een vordering, door de eerste rechter aangehouden tot na de afhandeling van een door een vorig vonnis betreffende een andere vordering bevolen onderzoeksmaatregel, aan diens rechtsmacht te onttrekken en het geschil in zijn geheel te beoordelen, zonder te wachten op die afhandeling
(1).
(1)Zie Cass., 30 april 2001, AR S.99.0084.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010430.8, nr
- Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Devolutieve kracht - Onderzoeksmaatregel - Vorig vonnis - Andere vordering Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1068 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0102.N
- D.M.,
- V.D., eisers, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- V.W.,
- V.G. verweerders,
- MAATSCHAPPIJ TOT EXPLOITATIE VAN IMMOBILIËN, afgekort MATEXI, naamloze vennootschap, met zetel te 8790 Waregem, Franklin Rooseveltlaan 180, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
- V.G.
- D.T.,
- FEDERALE VERZEKERINGEN, coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 1000 Brussel, Stoofstraat 12,
- V.F., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 14 oktober 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig maakt bij de rechter in hoger beroep en dat deze de zaak alleen dan naar de eerste rechter verwijst, indien hij, zelfs gedeeltelijk, een in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt.
- In het beroepen vonnis van 7 oktober 2002 heeft de eerste rechter geoordeeld dat de beslissingen over de andere vorderingen, namelijk de vordering van de eisers lastens de vierde verweerder, de vordering van de vierde verweerder lastens de zesde verweerster, de vordering van de eisers lastens de zesde verweerster en de vordering van de zesde verweerster met betrekking tot de kosten, worden aangehouden om te worden beoordeeld na afhandeling van het deskundigenonderzoek van expert C., die in een vonnis van 28 juni 1999 was aangesteld.
- De appelrechters oordelen dat zij in staat zijn het geschil in zijn geheel te beoordelen, met inbegrip van de vorderingen waaromtrent de eerste rechter zijn beslissing had aangehouden, zonder te wachten op het verslag van deskundige C.
- In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek, gaat het er van uit dat de devolutieve kracht van het hoger beroep tegen het vonnis van 7 oktober 2002 niet tot gevolg kan hebben de vrijwaringsvorderingen tegen de vierde en de zesde verweerder aan de rechtsmacht van de eerste rechter te onttrekken nu de onderzoeksmaatregel die in het vonnis van 28 juni 1999 was bevolen, gehandhaafd bleef, zodat de appelrechters deze vorderingen naar de eerste rechter hadden moeten verwijzen.
- Door hun hoger beroep tegen het vonnis van 7 oktober 2002 hebben de eisers het geschil zelf aanhangig gemaakt bij de appelrechters, zowel in de mate dat dit vonnis een aantal eindbeslissingen inhoudt als in de mate dat de eerste rechter de beslissing omtrent de door hem opgesomde vorderingen aanhoudt. Het beroepen vonnis beval geen onderzoeksmaatregel, zodat de hypothese van artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek die de appelrechters zou hebben genoopt de zaak naar de eerste rechter te verwijzen, niet voorhanden is.
- Het middel gaat uit van een verkeerde opvatting omtrent de draagwijdte van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek, zodat het in die mate faalt naar recht.
- In zover het schending aanvoert van artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek, is het middel volledig afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek, zodat het in die mate niet ontvankelijk is. Tweede middel Eerste onderdeel
- Met de overwegingen vermeld op het twaalfde tot en met het vijftiende blad van het bestreden arrest, antwoorden de appelrechters op het in het onderdeel bedoelde verweer, zodat het onderdeel feitelijke grondslag mist.
- Voor het overige voert het onderdeel aan dat deskundige V.L.de partijen op een ongelijke wijze heeft behandeld en hierdoor het recht van verdediging van de eisers heeft miskend. Die grief die niet gericht is tegen het bestreden arrest, kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Met de overwegingen vermeld op het vijftiende blad van het bestreden arrest onder randnummer 16.5., antwoorden de appelrechters op het in het onderdeel bedoelde verweer, zodat het onderdeel feitelijke grondslag mist. Derde onderdeel
- Met de overwegingen vermeld op het negentiende blad en op het drieëntwintigste blad, in fine, van het bestreden arrest, antwoorden de appèlrechters op het in het onderdeel bedoelde verweer, zodat het onderdeel in zover het schending van artikel 149 van de Grondwet aanvoert, feitelijke grondslag mist.
- In zoverre het onderdeel de schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek aanvoert, is het volledig afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet, zodat het in die mate niet ontvankelijk is. Vierde en vijfde onderdeel
- Het beroepen vonnis veroordeelt de eisers voor herstel van de schade aan de woning van de eerste en de tweede verweerder tot een vergoeding van 101.814,68 euro, onverminderd de interest. Tevens worden de eisers veroordeeld tot de vergoeding van de genotsderving ten bedrage van 9.144,79 euro. In totaal wordt een veroordeling uitgesproken voor het bedrag van 110.959,47 euro in hoofdsom. Op het zesentwintigste blad van het bestreden arrest oordelen de appèlrechters dat de vergoeding van de schade aan de woning van de eerste en de tweede verweerder, die terzake geen incidenteel beroep hebben ingesteld, wordt begroot op 101.814,68 euro, terwijl op het zevenentwintigste blad de vergoeding voor genotsderving wordt verminderd tot 7.500 euro. In het dictum op het achtentwintigste blad van het bestreden arrest oordelen de appelrechters dat het bestreden vonnis dient bevestigd te worden in zoverre het de eisers veroordeelt tot een vergoeding van de schade aan de woning van de eerste en de tweede verweerder, maar spreken ze een veroordeling uit voor een bedrag van 110.959,47 euro. Verder verminderen zij de veroordeling voor genotsderving tot 7.500 euro.
- Uit de lezing van het gehele arrest blijkt onmiskenbaar dat de veroordeling van de eisers tot betaling van 110.959,47 euro voor vergoeding van de materiele schade aan de woning van de eerste en de tweede verweerder op een materiele vergissing berust, die door het Hof kan worden rechtgezet. Het Hof stelt vast dat in het dictum van het bestreden arrest op het achtentwintigste blad onder randnummer 3, tweede alinea, moet worden gelezen 101.814,68 euro in plaats van 110.959,47 euro.
- Het vierde en het vijfde onderdeel die ervan uitgaan dat de bestreden beslissing van de appelrechters niet het gevolg is van een materiële vergissing, maar van een schending van de in de onderdelen aangewezen wettelijke bepalingen, kunnen niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 1059,44 euro jegens de eisende partijen en op de som van 205,44 euro jegens de verwerende partijen sub 1, 2 en
- Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 22 december 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061222.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150529.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010430.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div