← België

ECLI:BE:CASS:2006:CONC.20061212.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:CONC.20061212.4 Rolnummer: P.06.1154.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-03-09 Raadplegingen: 402 - laatst gezien 2026-07-04 05:39 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061212.4 Fiche 1 De rechter in strafzaken beoordeelt vrij de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) - Bewijslast - beoordelingsvrijheid Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Fiche 2 Het beginsel dat de rechter in strafzaken vrij de bewijswaarde beoordeelt van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, geldt eveneens voor het bewijs van het bestaan van een bouwvergunning, die niet de inzet vormt van een administratief rechterlijk geschil tussen de overheid en de bestuurde, maar die de beklaagde in zijn voordeel inroept als verweer tegen een strafvervolging wegens het bouwen of instandhouden zonder voorafgaande vergunning
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Bewijs van het bestaan van een bouwvergunning Verweer van de beklaagde tegen een strafvordering wegens bouwen of instandhouden zonder voorafgaande vergunning Fiches 3 - 4 Concl. proc.-gen. De Swaef, Cass., 12 dec. 2006, AR P.06.1154.N, A.C., 2006, nr ... Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Bewijs van het bestaan van een bouwvergunning Verweer van de beklaagde tegen een strafvordering wegens bouwen of instandhouden zonder voorafgaande vergunning Nota: P.06.1154.N Conclusie van Procureur-generaal De Swaef.
(1)Dit dossier beoogt de beoordelingsvrijheid van de strafrechter af te tasten bij het bewijs van het bestaan van een stedenbouwkundige vergunning. De appelrechters oordelen dat op 18 september 1964 een vergunning werd verleend, daarbij vaststellend dat deze weliswaar ondertekend is door de burgemeester en de secretaris maar een ondubbelzinnige verwijzing bevat naar "Ons College" en als zodanig kan worden beschouwd als uitgaande van het College van burgemeester en schepenen. Bijgevolg worden de beklaagden vrijgesproken van de telastlegging van instandhouding van een houten chalet zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning van het college van burgemeester en schepenen; gelet op die vrijspraak beslist het appelgerecht dat het niet bevoegd is om over de herstelvordering te oordelen.
(2)Het enig middel tot cassatie voert aan dat de brief van 18 september 1964 waarvan sprake het bestaan van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen tot toekenning van een bouwvergunning niet bewijst, omdat dit slechts kan worden bewezen door een authentieke akte, met name de notulen van de beraadslaging van het college van burgemeester en schepenen en niet op basis van feitelijke vermoedens. Het middel gaat er aldus van uit dat de beklaagden - ter verdediging van de telastlegging van instandhouding zonder stedenbouwkundige vergunning - het bewijs van het bestaan van de vergunning niet konden leveren dan door middel van een authentiek geschrift.
(3)In strafzaken geldt het beginsel van de vrijheid van bewijslevering
(1)of bewijsvoering
(2). Dit beginsel geldt niet enkel voor het hof van assisen waar het uitdrukkelijk is bepaald (artikel 342 Strafvordering), doch ook voor de andere strafrechtscolleges
(3). De strafrechter oordeelt volgens zijn eigen innerlijke overtuiging en is niet aan enig bewijsmiddel gebonden
(4); behalve in de gevallen waarin de wet op beperkende wijze een bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, mag het bewijs of het tegenbewijs i.v.m. een strafbaar feit via alle bewijsmiddelen worden geleverd
(5). Ook indien de wet in het kader van bepaalde misdrijven specifiek zekere bewijsmiddelen vooropstelt, sluit dit niet uit dat het bewijs van het misdrijf ook via andere elementen kan worden geleverd
(6). Het voorgaande brengt met zich mee dat in strafzaken in beginsel geen toepassing wordt gemaakt van de regels van de bewijsvoering in burgerlijke zaken
(7). Ook waar de strafrechter bepaalde rechtsvragen of verweermiddelen van andere rechtsdisciplines, zoals het burgerlijk of administratief recht, dient op te lossen, is hij - behoudens uitdrukkelijk in de wet bepaalde uitzonderingen - zelf bevoegd om daarover uitspraak te doen en zijn de bewijsregels in strafzaken in beginsel daarop toepasselijk
(8). Dit principe komt ook tot uitdrukking in artikel 15 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering dat bepaalt dat, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen, de strafrechter beslist over de geschillen van burgerlijk recht die incidenteel voor hem opgeworpen worden naar aanleiding van de misdrijven die bij hem aanhangig zijn. Op grond van die bepaling behoort het in de regel aan de strafrechter om te beslissen over een administratief geschil dat als verweer incidenteel voor hem wordt ingeroepen
(9).
(4)Ter rechtvaardiging van de vrijheid van bewijsvoering worden verschillende redenen aangehaald
(10). Zo maakt de aard van de feiten die in een strafproces dienen vastgesteld te worden, alleen een vrij bewijsstelsel haalbaar. Verder heeft de rechter de taak en de plicht uitspraak te doen over de schuld of onschuld en dient hij de waarheid te achterhalen; het past daarbij niet de rechter hierin te beperken. Tenslotte vormt de vrije bewijslevering een correctie aan de zeer zware bewijslastregel in strafzaken die als gevolg heeft dat de beklaagde niet verplicht is om op enigerlei wijze aan de bewijslevering mee te werken.
(5)In het verlengde van het principe van de vrijheid van bewijsvoering, geldt in strafzaken ook het beginsel van de vrije bewijswaardering. De vrijheid van de rechter in de waardering van de aangebrachte bewijzen, betekent dat de rechter geen enkele richtlijn te volgen heeft aangaande het geloof dat hij aan een bepaald bewijselement dient te hechten; hij beoordeelt volkomen vrij de waarde die aan een bewijselement kan worden gegeven
(11). Behoudens uitdrukkelijke afwijking in de wet, geldt dit beginsel voor alle elementen van het dossier; de vrije bewijswaardering door de rechter heeft niet alleen betrekking op de gegevens die met de schuld van de beklaagde te maken hebben, doch met alle gegevens van het dossier die aan de rechter voorgelegd worden
(12).
(6)In toepassing van deze beginselen zal het inroepen door de beklaagde van een bouwvergunning om zich te verweren tegen de telastlegging van instandhouden van werken zonder vergunning, beoordeeld worden aan de hand van het principe van de vrije bewijslevering (en -waardering) die in strafzaken geldt. Nu de beklaagden de kwestieuze brief van 18 september 1964 inroepen als verweer dat zij wel over een bouwvergunning beschikten, oordeelt de strafrechter in toepassing van het principe van de vrije bewijswaardering vrij of die brief als bewijs van een bouwvergunning kan worden beschouwd of niet, zonder dat hij daarbij door principes van bewijs uit het burgerlijk of administratief recht is gebonden.
(7)Op de regel dat de strafrechter zelf bevoegd is om bepaalde rechtsvragen of verweermiddelen van andere rechtsdisciplines, zoals het burgerlijk of administratief recht, op te lossen en dat de bewijsregels in strafzaken daarop van toepassing zijn, vormt artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering een uitzondering. Krachtens de eerste alinea van die bepaling gedraagt de strafrechter zich naar de regels van het burgerlijk recht bij zijn beslissing over het bestaan van een overeenkomst of over de uitvoering ervan, wanneer het misdrijf verband houdt met de uitvoering van een overeenkomst waarvan het bestaan ontkend of waarvan de uitlegging betwist wordt. Die bepaling kan hier echter evenmin toepassing vinden. Inderdaad, in een brede interpretatie die uit vroegere rechtspraak volgt
(13), zou deze bepaling weliswaar niet alleen van toepassing zijn op het bewijs van een overeenkomst of de uitvoering ervan, doch op het bewijs van vooraf bestaande burgerlijke juridische feiten of akten of de interpretatie ervan; ratio legis hierbij is net vermijden dat de burgerrechtelijke bewijsregels zouden worden omzeild door de zaak voor de strafrechter te brengen
(14). Niettegenstaande een eventuele ruime interpretatie van die bepaling, blijft de regel van artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering een waarborg voor de beklaagde: de regel geldt enkel wanneer het bestaan of de interpretatie van een overeenkomst - of van een juridisch feit bij toepassing van een extensieve interpretatie van die bepaling - wordt ingeroepen tegen een beklaagde, en dus met het oog op het bewijs van het misdrijf; de verplichting tot toepassing van het burgerlijk bewijsrecht speelt echter niet wanneer de beklaagde zelf tot zijn verdediging het bestaan of de interpretatie van een overeenkomst inroept
(15). In dat laatste geval is het aan de grondslag liggende gevaar dat die bepaling wou indijken, te weten de vrees dat het openbaar ministerie of de burgerlijke partij de civielrechtelijke bewijsregels zouden ontwijken door een beroep te doen op de strafrechter voor de beslechting van een burgerlijk geschil
(16), niet meer aanwezig. Nu ten dezen de beklaagden het bestaan van de bouwvergunning o.a. aan de hand van de kwestieuze brief van 18 september 1964 als verweer inroepen hebben de appelrechters, anders dan waarover het middel klaagt, op onaantastbare wijze in feite geoordeeld dat de constitutieve bestanddelen van het vervolgde misdrijf en mitsdien de schuld van beklaagden niet bewezen waren. Dit oordeel is cassatiebestendig.
(8)Uit dit alles volgt dat het middel niet kan aangenomen worden. Conclusie: verwerping. _________________
(1)R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2005, nr. 1779.
(2)P. TRAEST, Het bewijs in strafzaken, Gent, Mys & Breesch, 1992, nr. 469.
(3)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2003, nr. 1476.
(4)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, nr. 1476.
(5)R. VERSTRAETEN, o.c., nr. 1779.
(6)R. VERSTRAETEN, o.c., nr. 1779 en de verwijzingen aldaar.
(7)D. HOLSTERS, "Bewijsvoering in strafzaken", in Strafrecht en strafvordering. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl., 1995, 3.
(8)D. HOLSTERS, l.c., 7.
(9)Cass. 11 december 2001, AR P.00.0627.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011211.4, nr. 690.
(10)Zie daarover: P. TRAEST, o.c., nr. 475.
(11)P. TRAEST, o.c., nr. 788.
(12)P. TRAEST, o.c., nr. 788.
(13)P. TRAEST, o.c., nr. 764, met verwijzing naar o.m. Cass. 12 februari 1940, A.C. 1940, 16.
(14)D. HOLSTERS, o.c., 7; R. VERSTRAETEN, o.c., nr. 123.
(15)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, nr. 1483; D. HOLSTERS, l.c., 8; P. TRAEST, o.c., nr. 765; R. VERSTRAETEN, o.c., nr. 124.
(16)Cfr.R. DECLERCQ, La preuve en matière pénale, Brussel, Swinnen, 1988, 47-48; P. TRAEST, o.c., nr. 765. Annotaties Publicaties: R.W. - Marc DE SWAEF; Conclusie van het openbaar ministerie - 2006-2007 Tekst van de conclusie P.06.1154.N Conclusie van Procureur-generaal De Swaef.
(1)Dit dossier beoogt de beoordelingsvrijheid van de strafrechter af te tasten bij het bewijs van het bestaan van een stedenbouwkundige vergunning. De appelrechters oordelen dat op 18 september 1964 een vergunning werd verleend, daarbij vaststellend dat deze weliswaar ondertekend is door de burgemeester en de secretaris maar een ondubbelzinnige verwijzing bevat naar "Ons College" en als zodanig kan worden beschouwd als uitgaande van het College van burgemeester en schepenen. Bijgevolg worden de beklaagden vrijgesproken van de telastlegging van instandhouding van een houten chalet zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning van het college van burgemeester en schepenen; gelet op die vrijspraak beslist het appelgerecht dat het niet bevoegd is om over de herstelvordering te oordelen.
(2)Het enig middel tot cassatie voert aan dat de brief van 18 september 1964 waarvan sprake het bestaan van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen tot toekenning van een bouwvergunning niet bewijst, omdat dit slechts kan worden bewezen door een authentieke akte, met name de notulen van de beraadslaging van het college van burgemeester en schepenen en niet op basis van feitelijke vermoedens. Het middel gaat er aldus van uit dat de beklaagden - ter verdediging van de telastlegging van instandhouding zonder stedenbouwkundige vergunning - het bewijs van het bestaan van de vergunning niet konden leveren dan door middel van een authentiek geschrift.
(3)In strafzaken geldt het beginsel van de vrijheid van bewijslevering
(1)of bewijsvoering
(2). Dit beginsel geldt niet enkel voor het hof van assisen waar het uitdrukkelijk is bepaald (artikel 342 Strafvordering), doch ook voor de andere strafrechtscolleges
(3). De strafrechter oordeelt volgens zijn eigen innerlijke overtuiging en is niet aan enig bewijsmiddel gebonden
(4); behalve in de gevallen waarin de wet op beperkende wijze een bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, mag het bewijs of het tegenbewijs i.v.m. een strafbaar feit via alle bewijsmiddelen worden geleverd
(5). Ook indien de wet in het kader van bepaalde misdrijven specifiek zekere bewijsmiddelen vooropstelt, sluit dit niet uit dat het bewijs van het misdrijf ook via andere elementen kan worden geleverd
(6). Het voorgaande brengt met zich mee dat in strafzaken in beginsel geen toepassing wordt gemaakt van de regels van de bewijsvoering in burgerlijke zaken
(7). Ook waar de strafrechter bepaalde rechtsvragen of verweermiddelen van andere rechtsdisciplines, zoals het burgerlijk of administratief recht, dient op te lossen, is hij - behoudens uitdrukkelijk in de wet bepaalde uitzonderingen - zelf bevoegd om daarover uitspraak te doen en zijn de bewijsregels in strafzaken in beginsel daarop toepasselijk
(8). Dit principe komt ook tot uitdrukking in artikel 15 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering dat bepaalt dat, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen, de strafrechter beslist over de geschillen van burgerlijk recht die incidenteel voor hem opgeworpen worden naar aanleiding van de misdrijven die bij hem aanhangig zijn. Op grond van die bepaling behoort het in de regel aan de strafrechter om te beslissen over een administratief geschil dat als verweer incidenteel voor hem wordt ingeroepen
(9).
(4)Ter rechtvaardiging van de vrijheid van bewijsvoering worden verschillende redenen aangehaald
(10). Zo maakt de aard van de feiten die in een strafproces dienen vastgesteld te worden, alleen een vrij bewijsstelsel haalbaar. Verder heeft de rechter de taak en de plicht uitspraak te doen over de schuld of onschuld en dient hij de waarheid te achterhalen; het past daarbij niet de rechter hierin te beperken. Tenslotte vormt de vrije bewijslevering een correctie aan de zeer zware bewijslastregel in strafzaken die als gevolg heeft dat de beklaagde niet verplicht is om op enigerlei wijze aan de bewijslevering mee te werken.
(5)In het verlengde van het principe van de vrijheid van bewijsvoering, geldt in strafzaken ook het beginsel van de vrije bewijswaardering. De vrijheid van de rechter in de waardering van de aangebrachte bewijzen, betekent dat de rechter geen enkele richtlijn te volgen heeft aangaande het geloof dat hij aan een bepaald bewijselement dient te hechten; hij beoordeelt volkomen vrij de waarde die aan een bewijselement kan worden gegeven
(11). Behoudens uitdrukkelijke afwijking in de wet, geldt dit beginsel voor alle elementen van het dossier; de vrije bewijswaardering door de rechter heeft niet alleen betrekking op de gegevens die met de schuld van de beklaagde te maken hebben, doch met alle gegevens van het dossier die aan de rechter voorgelegd worden
(12).
(6)In toepassing van deze beginselen zal het inroepen door de beklaagde van een bouwvergunning om zich te verweren tegen de telastlegging van instandhouden van werken zonder vergunning, beoordeeld worden aan de hand van het principe van de vrije bewijslevering (en -waardering) die in strafzaken geldt. Nu de beklaagden de kwestieuze brief van 18 september 1964 inroepen als verweer dat zij wel over een bouwvergunning beschikten, oordeelt de strafrechter in toepassing van het principe van de vrije bewijswaardering vrij of die brief als bewijs van een bouwvergunning kan worden beschouwd of niet, zonder dat hij daarbij door principes van bewijs uit het burgerlijk of administratief recht is gebonden.
(7)Op de regel dat de strafrechter zelf bevoegd is om bepaalde rechtsvragen of verweermiddelen van andere rechtsdisciplines, zoals het burgerlijk of administratief recht, op te lossen en dat de bewijsregels in strafzaken daarop van toepassing zijn, vormt artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering een uitzondering. Krachtens de eerste alinea van die bepaling gedraagt de strafrechter zich naar de regels van het burgerlijk recht bij zijn beslissing over het bestaan van een overeenkomst of over de uitvoering ervan, wanneer het misdrijf verband houdt met de uitvoering van een overeenkomst waarvan het bestaan ontkend of waarvan de uitlegging betwist wordt. Die bepaling kan hier echter evenmin toepassing vinden. Inderdaad, in een brede interpretatie die uit vroegere rechtspraak volgt
(13), zou deze bepaling weliswaar niet alleen van toepassing zijn op het bewijs van een overeenkomst of de uitvoering ervan, doch op het bewijs van vooraf bestaande burgerlijke juridische feiten of akten of de interpretatie ervan; ratio legis hierbij is net vermijden dat de burgerrechtelijke bewijsregels zouden worden omzeild door de zaak voor de strafrechter te brengen
(14). Niettegenstaande een eventuele ruime interpretatie van die bepaling, blijft de regel van artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering een waarborg voor de beklaagde: de regel geldt enkel wanneer het bestaan of de interpretatie van een overeenkomst - of van een juridisch feit bij toepassing van een extensieve interpretatie van die bepaling - wordt ingeroepen tegen een beklaagde, en dus met het oog op het bewijs van het misdrijf; de verplichting tot toepassing van het burgerlijk bewijsrecht speelt echter niet wanneer de beklaagde zelf tot zijn verdediging het bestaan of de interpretatie van een overeenkomst inroept
(15). In dat laatste geval is het aan de grondslag liggende gevaar dat die bepaling wou indijken, te weten de vrees dat het openbaar ministerie of de burgerlijke partij de civielrechtelijke bewijsregels zouden ontwijken door een beroep te doen op de strafrechter voor de beslechting van een burgerlijk geschil
(16), niet meer aanwezig. Nu ten dezen de beklaagden het bestaan van de bouwvergunning o.a. aan de hand van de kwestieuze brief van 18 september 1964 als verweer inroepen hebben de appelrechters, anders dan waarover het middel klaagt, op onaantastbare wijze in feite geoordeeld dat de constitutieve bestanddelen van het vervolgde misdrijf en mitsdien de schuld van beklaagden niet bewezen waren. Dit oordeel is cassatiebestendig.
(8)Uit dit alles volgt dat het middel niet kan aangenomen worden. Conclusie: verwerping. _________________
(1)R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2005, nr. 1779.
(2)P. TRAEST, Het bewijs in strafzaken, Gent, Mys & Breesch, 1992, nr. 469.
(3)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2003, nr. 1476.
(4)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, nr. 1476.
(5)R. VERSTRAETEN, o.c., nr. 1779.
(6)R. VERSTRAETEN, o.c., nr. 1779 en de verwijzingen aldaar.
(7)D. HOLSTERS, "Bewijsvoering in strafzaken", in Strafrecht en strafvordering. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl., 1995, 3.
(8)D. HOLSTERS, l.c., 7.
(9)Cass. 11 december 2001, AR P.00.0627.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011211.4, nr. 690.
(10)Zie daarover: P. TRAEST, o.c., nr. 475.
(11)P. TRAEST, o.c., nr. 788.
(12)P. TRAEST, o.c., nr. 788.
(13)P. TRAEST, o.c., nr. 764, met verwijzing naar o.m. Cass. 12 februari 1940, A.C. 1940, 16.
(14)D. HOLSTERS, o.c., 7; R. VERSTRAETEN, o.c., nr. 123.
(15)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, nr. 1483; D. HOLSTERS, l.c., 8; P. TRAEST, o.c., nr. 765; R. VERSTRAETEN, o.c., nr. 124.
(16)Cfr.R. DECLERCQ, La preuve en matière pénale, Brussel, Swinnen, 1988, 47-48; P. TRAEST, o.c., nr. 765. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061212.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011211.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.