← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070102.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070102.1 Rolnummer: P.06.1622.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-09-06 Raadplegingen: 495 - laatst gezien 2026-07-04 00:48 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De omstandigheid dat artikel 25 Wet Bescherming Maatschappij de veroordeelde die ter beschikking van de regering is gesteld, onder het toezicht van de minister van Justitie plaatst, die hem in vrijheid kan laten onder de door hem bepaalde voorwaarden, of zijn internering kan gelasten, en dat artikel 25bis van dezelfde wet de voorwaarden bepaalt voor de internering van deze veroordeelde, doet eraan geen afbreuk dat de beslissing van de minister van Justitie de uitvoering is van de door de strafrechter opgelegde maatregel

(1).
(1)Het Hof heeft in het verleden meermaals geoordeeld dat de terbeschikkingstelling van de regering een straf is, hetzij expliciet (Cass., 22 juli 1955, A.C., 1955, 959; Cass., 17 juni 1975, A.C., 1975, 1103; Cass., 17 feb. 1976, A.C., 1976, 707; Cass., 4 april 1978, A.C., 1978, 884) hetzij impliciet (Cass., 27 maart 1939, A.C., 1939, 116). Deze rechtspraak vond een aanzet in een eerder arrest (Cass., 11 dec. 1933, Pas., 1934, I, 96 met noot L.C.) waar de terbeschikkingstelling van de regering, althans wat recidivisten en gewoontemisdadigers betreft, werd omschreven als "une mesure de sûreté de défense sociale qui participe de la nature des peines, c'est à dire des sanctions ordinaires du droit pénal". Het Hof oordeelde toen, en ook later (Cass., 21 dec. 1976, A.C., 1977, 455), dat wanneer de eerste rechter slechts een hoofdgevangenisstraf uitsprak, de appelrechter bijkomend de terbeschikkingstelling van de regering slechts kon uitspreken met eenparigheid van stemmen. Impliciet werd aangenomen dat de terbeschikkingstelling van de regering geen bijkomende straf was maar slechts een deel van de vrijheidsberoving uitmaakte en één geheel vormde met de hoofdgevangenisstraf. De cassatie van de beslissing omtrent de terbeschikkingstelling van de regering strekte zich dan ook uit tot de gehele straf (Cass., 26 nov. 1974, A.C., 1975, 363; Cass., 21 maart 1989, AR 2894, nr 416). Een vroeger arrest, daterend van na het arrest dat de terbeschikkingstelling van de regering een straf noemde, breidde de cassatie omwille van de onwettigheid van de uitgesproken terbeschikkingstelling van de regering die "met de uitgesproken straf een onsplitsbaar geheel uitmaakt" uit tot de ganse veroordeling ofschoon "aanlegger gewis zijn voorziening beperkt heeft tot de bepaling van het arrest waarbij die maatregel gelast wordt" (Cass., 5 dec. 1955, A.C., 1956, 261). De in het voorliggende arrest gehanteerde terminologie hoeft dus niet per se een illustratie te zijn van een gewijzigde opvatting omtrent de juridische natuur van de terbeschikkingstelling van de regering. Het openbaar ministerie, dat concludeerde tot verwerping van de voorziening en dus in de zin zoals het Hof thans heeft beslist, had trouwens een onderscheid gemaakt tussen de rechterlijke beslissing waarbij de terbeschikkingstelling van de regering wordt uitgesproken, en de latere ministeriële beslissing van internering die de (verdere) uitvoering van die rechterlijke beslissing betreft. De minister voert een rechterlijke beslissing uit, voor de periode dat zij werd uitgesproken en op een wijze door de wet bepaald. De beperkte keuze die de minister hierbij heeft is slechts een opportuniteitsbeslissing in functie van de beoogde finaliteit; het na te streven doel, de bescherming van de maatschappij, kan worden verwezenlijkt hetzij door afzondering van de veroordeelde uit de maatschappij (internering) hetzij door diens gecontroleerde integratie (vrijheid onder voorwaarden). De hoger bedoelde rechterlijke beslissing behoort tot het bepalen van de straf waarop alle regels met betrekking tot het strafrechtspreken van toepassing zijn. De ministeriële beslissing is van een andere orde. (MT). Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - TERBESCHIKKINGSTELLING VAN DE REGERING Vrije woorden: Plaatsing van de veroordeelde onder toezicht van de minister van Justitie - Vrijheid onder voorwaarden - Internering van de veroordeelde - Beslissing van de minister van Justitie - Aard Wettelijke bepalingen: Wet op het sociaal verweer - 01-07-1964 - Artt. 25 en 25bis Fiche 2 De minister van Justitie die op grond van artikel 25bis Wet Bescherming Maatschappij de internering gelast van een veroordeelde die ter beschikking van de regering is gesteld, neemt geen beslissing over een strafvervolging, maar beslist over de uitvoering van een door de rechter opgelegde maatregel
(1).
(1)Het Hof heeft in het verleden meermaals geoordeeld dat de terbeschikkingstelling van de regering een straf is, hetzij expliciet (Cass., 22 juli 1955, A.C., 1955, 959; Cass., 17 juni 1975, A.C., 1975, 1103; Cass., 17 feb. 1976, A.C., 1976, 707; Cass., 4 april 1978, A.C., 1978, 884) hetzij impliciet (Cass., 27 maart 1939, A.C., 1939, 116). Deze rechtspraak vond een aanzet in een eerder arrest (Cass., 11 dec. 1933, Pas., 1934, I, 96 met noot L.C.) waar de terbeschikkingstelling van de regering, althans wat recidivisten en gewoontemisdadigers betreft, werd omschreven als "une mesure de sûreté de défense sociale qui participe de la nature des peines, c'est à dire des sanctions ordinaires du droit pénal". Het Hof oordeelde toen, en ook later (Cass., 21 dec. 1976, A.C., 1977, 455), dat wanneer de eerste rechter slechts een hoofdgevangenisstraf uitsprak, de appelrechter bijkomend de terbeschikkingstelling van de regering slechts kon uitspreken met eenparigheid van stemmen. Impliciet werd aangenomen dat de terbeschikkingstelling van de regering geen bijkomende straf was maar slechts een deel van de vrijheidsberoving uitmaakte en één geheel vormde met de hoofdgevangenisstraf. De cassatie van de beslissing omtrent de terbeschikkingstelling van de regering strekte zich dan ook uit tot de gehele straf (Cass., 26 nov. 1974, A.C., 1975, 363; Cass., 21 maart 1989, AR 2894, nr 416). Een vroeger arrest, daterend van na het arrest dat de terbeschikkingstelling van de regering een straf noemde, breidde de cassatie omwille van de onwettigheid van de uitgesproken terbeschikkingstelling van de regering die "met de uitgesproken straf een onsplitsbaar geheel uitmaakt" uit tot de ganse veroordeling ofschoon 'aanlegger gewis zijn voorziening beperkt heeft tot de bepaling van het arrest waarbij die maatregel gelast wordt" (Cass., 5 dec. 1955, A.C., 1956, 261). De in het voorliggende arrest gehanteerde terminologie hoeft dus niet per se een illustratie te zijn van een gewijzigde opvatting omtrent de juridische natuur van de terbeschikkingstelling van de regering. Het openbaar ministerie, dat concludeerde tot verwerping van de voorziening en dus in de zin zoals het Hof thans heeft beslist, had trouwens een onderscheid gemaakt tussen de rechterlijke beslissing waarbij de terbeschikkingstelling van de regering wordt uitgesproken, en de latere ministeriële beslissing van internering die de (verdere) uitvoering van die rechterlijke beslissing betreft. De minister voert een rechterlijke beslissing uit, voor de periode dat zij werd uitgesproken en op een wijze door de wet bepaald. De beperkte keuze die de minister hierbij heeft is slechts een opportuniteitsbeslissing in functie van de beoogde finaliteit; het na te streven doel, de bescherming van de maatschappij, kan worden verwezenlijkt hetzij door afzondering van de veroordeelde uit de maatschappij (internering) hetzij door diens gecontroleerde integratie (vrijheid zonder voorwaarden). De hoger bedoelde rechterlijke beslissing behoort tot het bepalen van de straf waarop alle regels met betrekking tot het strafrechtspreken van toepassing is. De ministeriële beslissing is van een andere orde. (MT). Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - TERBESCHIKKINGSTELLING VAN DE REGERING Vrije woorden: Internering van de veroordeelde - Beslissing van de minister van Justitie - Aard Wettelijke bepalingen: Wet op het sociaal verweer - 01-07-1964 - Artt. 25 en 25bis Fiche 3 De beslissing tot internering op grond van artikel 25 en 25bis, Wet Bescherming Maatschappij is geen uitspraak over een strafvervolging in de zin van artikel 6 E.V.R.M. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - TERBESCHIKKINGSTELLING VAN DE REGERING Vrije woorden: Beslissing tot internering - Aard Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6 Wet op het sociaal verweer - 01-07-1964 - Artt. 25 en 25bis Fiche 4 De internering van een veroordeelde na afloop van zijn gevangenisstraf is naar zijn aard een dringende maatregel die daarom onmiddellijk uitvoerbaar is, zonder dat de veroordeelde, die over het recht beschikt om tegen zijn internering op te komen bij de rechter, vooraf moet gehoord worden. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - TERBESCHIKKINGSTELLING VAN DE REGERING Vrije woorden: Internering van de veroordeelde - Aard - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet op het sociaal verweer - 01-07-1964 - Artt. 25, 25bis en 25ter Tekst van de beslissing Nr. P.06.1622.N G D S, veroordeelde, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Dries Pattyn, advocaat bij de balie te Brugge. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 18 december
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING De eiser werd bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te Antwerpen van 2 januari 2001 wegens verkrachting en aanranding van de eerbaarheid op kinderen veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar en gedurende 10 jaar na afloop van zijn straf ter beschikking van de regering gesteld. De minister van Justitie nam op 9 oktober 2006 op grond van de artikelen 25bis en 25quater Wet Bescherming Maatschappij de beslissing de eiser, na afloop van de hem opgelegde vrijheidstraf, te interneren. De eiser diende op 24 oktober 2006 bij de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen een verzoekschrift in strekkende tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister. Bij beschikking van 24 november 2006 handhaafde de raadkamer eisers internering. Zowel eisers raadsman als hijzelf kwamen afzonderlijk van deze beschikking in hoger beroep. Bij het thans bestreden arrest van 18 december 2006 verklaart het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, het eerste hoger beroep ontvankelijk, verklaart het het tweede hoger beroep zonder voorwerp en stelt het vast dat de beslissing van de minister van Justitie van 9 oktober 2006 in overeenstemming is met de voorschriften van artikel 25bis van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten . III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. De omstandigheid dat artikel 25 Wet Bescherming Maatschappij de veroordeelde die ter beschikking van de regering is gesteld, onder het toezicht van de minister van Justitie plaatst, die hem in vrijheid kan laten onder de door hem bepaalde voorwaarden, of zijn internering kan gelasten, en dat artikel 25bis van dezelfde wet de voorwaarden bepaalt voor de internering van deze veroordeelde, doet eraan geen afbreuk dat de beslissing van de minister van Justitie de uitvoering is van de door de strafrechter opgelegde maatregel. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
  3. De in het onderdeel aangehaalde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is ter zake niet toepasselijk. Het arrest Hof Mensenrechten 15 juli 1982 (Eckle/Duitse Bondsrepubliek) nr. 8130/78 betreft een beoordeling van de duur van een strafproces tot aan het vonnis dat de straf bepaalde. Het arrest Hof Mensenrechten (Grote Kamer) nr. 24724/94, 16 december 1999 (T./Verenigd Koninkrijk) betreft een rechtspleging waarbij de rechter een dader veroordeelt tot opsluiting voor de duur die de Kroon zal bepalen en de secretaris van Binnenlandse Aangelegenheden die duur bepaalt. De Belgische minister van Justitie die op grond van artikel 25bis Wet Bescherming Maatschappij de internering gelast van een veroordeelde die ter beschikking van de regering is gesteld, neemt evenwel geen beslissing over een strafvervolging, maar beslist over de uitvoering van een door een rechter opgelegde maatregel. Het onderdeel faalt naar recht.
  4. Daar het onderdeel berust op een onjuiste rechtsopvatting betreffende de aard van de beslissing tot internering van de veroordeelde die ter beschikking van de regering is gesteld, stelt het Hof het Arbitragehof de ter zake opgeworpen vraag niet. Derde onderdeel
  5. De beslissing tot internering op grond van artikel 25 en 25bis Wet Bescherming Maatschappij is geen uitspraak over een strafvervolging in de zin van artikel 6 EVRM. Het onderdeel faalt naar recht.
  6. Daar het onderdeel berust op een onjuiste rechtsopvatting betreffende de aard van de beslissing tot internering van de veroordeelde die ter beschikking van de regering is gesteld, stelt het Hof het Arbitragehof de ter zake opgeworpen vraag niet. Tweede middel
  7. De wet vermag de uitoefening van het recht van verdediging naar de vereisten van de eigenheid van de rechtspleging te regelen. De internering van een veroordeelde na afloop van zijn gevangenisstraf bepaald in artikel 25bis Wet Bescherming Maatschappij, is naar zijn aard een dringende maatregel die daarom onmiddellijk uitvoerbaar is. Artikel 25ter van de wet waarborgt het recht van de veroordeelde om tegen zijn internering op te komen bij de rechter en dus om gehoord te worden. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de veroordeelde vooraf gehoord moet worden, faalt naar recht. Derde middel Eerste onderdeel
  8. Met de redenen die het bestreden arrest bevat, beantwoordt het eisers verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  9. Het bestreden arrest geeft van de beslissing van de minister van Justitie van 9 oktober 2006 geen uitlegging en kan mitsdien de bewijskracht daarvan niet miskennen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek van de beslissing
  10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 85,34 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 2 januari 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070102.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121023.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071016.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.