id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070105.2 Rolnummer: C.05.0483.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2007-02-12 Raadplegingen: 707 - laatst gezien 2026-07-04 01:06 Versie(s): Vertaling FR Fiche De beslissing omtrent kosten die door de partijen niet zijn vermeld in hun omstandige opgave wordt geacht te zijn aangehouden; de rechter kan in het vonnis enkel de kosten vereffenen die door de partijen in die opgave zijn vermeld
(1)Zie J. LAENENS, K. BROECKX en D. SCHEERS, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2004, p. 435, nr 927; J. MEERTS, 'Vereffening van de kosten', in E. BREWAEYS (ed.), Bestendig handboek burgerlijk procesrecht, II, Mechelen, Kluwer, afl. 1 (juni 2000), p. IX.3-1, nr
- Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Procedure voor de feitenrechter UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Gerechtskosten Vrije woorden: Kosten niet vermeld in de opgave van partijen - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1021 Annotaties Publicaties: RAGB - Rudy VERBEKE; Procespartijen moeten hun gerechtskosten preciceren - 2007, 693-698 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0483.N V.M., vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen G.L., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 15 juni 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari
- Aangevochten beslissingen In het bestreden arrest verklaart het hof van beroep het hoger beroep van de verweerster tegen het tussenvonnis van 10 januari 2001 ontvankelijk. Het hof van beroep doet het tussenvonnis van 10 januari 2001 teniet in zijn beschikkingen en verklaart, opnieuw wijzend, de vordering van de verweerster ontvankelijk en grotendeels gegrond. Het hof van beroep veroordeelt de eiseres om de verweerster 66.993,23 euro te betalen, meer de gerechtelijâke interest vanaf 19 maart 1997 op 58.254,98 euro tot de dag van de algehele betaling. De eiseres wordt voorts tot de kosten van het geding veroordeeld. Het hof van beroep beslist dat onder meer op de volgende gronden: "
- (De eiseres) ontkent niet het bedrag van 2.350.000 BEF aan gelden en kasbons ontvangen te hebben, doch werpt op dat (de verweerster) niet bewijst dat er een teruggaveverplichting in haar hoofde bestaat. Ze stelt dat het bedrag haar werd terhandgesteld met het oog op een investering in 'illegale sigaretten' die faliekant afgelopen is en waarbij de geïnvesteerde gelden verloren gingen. Wie de terugbetaling van een geldsom vordert die hij beweert als lening te hebben overhandigd, moet bij toepassing van artikel 1315 B.W. - het bestaan van de leenovereenkomst bewijzen. Het bewijs van de lening dient verder te worden geleverd overeenkomstig artikel 1341 B.W. De overhandiging van de geldsom op zich bewijst nog niet het bestaan van derâgelijk contract (vgl.: Cass., 14 november 1985, Arr. Cass. 1985-86, 359). Het bestaan van een lening kan niet worden afgeleid uit louter feitelijke vermoeâdens wanneer de bezitter van de gelden het bestaan van de lening ontkent, de waarde van de vordering 15.000 BEF (volgens artikel 1341 B.W., van toepassing ten tijde van de overhandiging van de gelden) te boven gaat en het ten opzichte van de bezitter ook niet om een handelsverbintenis gaat en niet vastgesteld wordt dat degene die de teruggave vordert, zich in de onmogelijkheid bevond zich een bewijs door geschrift te verschaffen (vgl.: Cass., 26 april 1968, Arr. Cass. 1968, 1080, in verband met bruiklening). Nergens wordt beweerd dat het een handelsverbintenis in hoofde van (de eiseres) betreft. De regeling voorzien in artikel 1348 B.W. (onmogelijkheid om zich een bewijs te verschaffen) maakt een uitzondering uit op de algemene regel van artikel 1341 B.W. en moet dus met grote omzichtigheid gehanteerd worden en op een beperâkende wijze opgevat worden (vgl.: De Smedt, P., Lening of schenking: een bewijs van een niet geringe vriendschap..., in noot onder: Gent, 2 december 1994, A.J.T., 1994-95, 408). (De verweerster) bevond zich als werkneemster van (de eiseres) in de gegeven omstandigheden niet in de onmogelijkheid om zich van de leningsoverâeenkomst een bewijs door geschrift te verschaffen. Uit de 'overeenkomst-dading' blijkt immers dat de schuldbekentenis dd. 11 februari 1994 van (de eiseres) aangaande de ontvangst van het bedrag van 2.500.000 BEF van (de verweerster), wel degelijk terugbetalingsmodaliteiten bevatte en in duidelijke bewoordingen stelde dat het een lening betrof. Bovendien leverde (de eiseres) ook met betrekking tot onderhavige schuldvordering een geschreven document af dat de ontvangst van de gelden en stukken bevestigt, eraan toevoegend dat deze een minimumwaarde zullen opbrengen van 15 à 20 pct. Daar waar (de verweerster) niet betwist dat de verklaring van de ontvangst van de gelden en titels (haar bewijsstuk nr. 1) niet de bewijskracht heeft van een onderhandse akte, roept zij in dat dit stuk een begin van bewijs door geschrift uitmaakt dat kan worden aangevuld door vermoedens. Men noemt begin van bewijs door geschrift elke geschreven akte die uitgegaan is van degene tegen wie de vordeâring wordt ingesteld, of van de persoon door hem vertegenwoordigd, en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt (art. 1347 B.W.). ln dit beâwijsstuk nr. 1 bevestigt (de eiseres) eigenhandig niet enkel dat ze de gelden en titels ontvangen heeft, doch ze voegt eraan toe dat deze een minimumwaarde opbrengen van 15 à 20 pct. Dit laatste wijst op een teruggaveverplichting, zoniet is de bepaling van een minimumopbrengst zonder zin. Het bestaan van een lening wordt door dit document dienvolgens wel degelijk waarschijnlijk gemaakt. Het begin van bewijs door geschrift levert geen volledig bewijs op, maar moet worden aangevuld door getuigenissen, andere geschriften, vermoedens, ... om de rechter tot de zekerheid van het bewijs van de ingeroepen rechtsfeiten te brenâgen.
- Het (hof van beroep) is van oordeel dat er in casu afdoende, gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens voorhanden zijn, die het begin van bewijs met geschrift aanvullen en het bewijs leveren van het bestaan van een leningsovereenkomst. Deze vermoedens worden hierna besproken. (...) (De eiseres) heeft (de verweerster) - dan wel op de dag van de ontvangst van de gelden, dan wel een vijftal weken later - een cheque overhandigd voor hetzelfde bedrag, uitgegeven door één van haar vennootschappen (de BVBA Chopin). De bewering van (de eiseres) (afgelegd ten aanzien van de eerste rechter tijdens de perâsoonlijke verschijning van partijen) alsdat deze cheque enkel bestemd was om de kinderen van (de verweerster) te sussen en geenszins in verband stond met de teâruggaveverplichting van de gelden, komt niet geloofwaardig voor. Toen de BVBA Chopin aangemaand werd door de raadsman van (de verweerster) in betaling van het bedrag van 2.350.000 BEF als borg, heeft deze daarop niet gereageerd, wat niet verzoenbaar is met de stelling van (de eiseres). (...) Naast onderhavig bedrag werden er nog gelden door (de verweerster) aan (de eiseres) geleend, zoals blijkt uit de termen van 'de overeenkomst-dading'. Daar waar de schuldbekentenis van 8 juli 1994 enkel gewag maakt van de ontvangst van de som van 1.500.000 BEF door (de eiseres) van (de verweerster), blijkt uit de 'overeenkomst-dading' dat ook dit een lening betrof. Hieruit blijkt dat in nog een ander geval (de eiseres) een lening aanging op grond van een loutere ontvangstverklaring van gelden, zonder omschrijving van de teruggaveverplichting. (...) In de 'overeenkomst-dading' is een clausule opgenomen die stelt dat de dading uitdrukkelijk wordt beperkt tot de uitvoering van 'genoemde en omschreven overeenkomsten en procedures'; wat erop wijst dat er nog andere verbintenissen onder partijen golden. (De eiseres) maakt geen melding van het bestaan van andere verbintenissen dan deze vervat in onderhavig geschil, zodat kan worden aangenomen dat partijen bij het opstellen van de 'overeenkomst-dading' onderhavige terugbetalingsverplichting van (de eiseres) hebben bedoeld. (...) Noch (de eiseres), noch de BVBA Chopin hebben gereageerd op de schriftelijke ingebrekestelling uitgaand van de raadsman van (de verweerster). (De verweerster) levert dan ook het bewijs dat er een teruggaveverplichting bestaat in hoofde van (de eiseres) wat betreft de hoofdsom van 2.350.000 BEF (58.254,98 euro), zoals gevorderd" (blz. 6, tweede alinea, - 8, voorlaatste alinea, van het bestreden arrest). Grieven De eiseres hernam in een regelmatig voor het hof van beroep neergelegde conclusie uitdrukkelijk haar in eerste aanleg neergelegde conclusies (blz. 1, laatste alinea, van de op 14 september 2001 op de griffie van het hof van beroep neergelegde conclusie, met het opschrift "besluiten"). De eiseres voerde in regelmatig voor de rechtbank van eerste aanleg neergelegde conclusie aan: "
- Ten onrechte blijft (de verweerster) voorhouden als zou zij een bedrag van 2.350.000 BEF hebben uitgeleend aan (de eiseres). Zoals reeds van meetaf aan gesteld, heeft (de eiseres) vanwege (de verweerster) wel een bedrag van 2.350.000 BEF ontvangen doch (de eiseres) heeft nooit of te nimmer de verbintenis opgenomen om dit bedrag aan (de verweerster) terug te betalen.
- Voormeld bedrag maakte immers geenszins het voorwerp uit van een lening doch omvatte het aandeel van (de verweerster) in een gezamenlijke investering. Uit de persoonlijke verschijning van partijen is gebleken dat (de verweerster) samen met (de eiseres) en nog enkele andere personen een container sigaretten zouden aankopen voor een bedrag van ongeveer 10.000.000 BEF met de bedoeling deze later met winst te verkopen. De aankoop is gebeurd doch er is naderhand één en ander misgelopen zodat alle betrokkenen hun geld hebben verloren. Gezien de illegaliteit van de handel werd geen strafklacht neergelegd. Thans poogt (de verweerster) haar aandeel in het verlies te verhalen op (de eiseres). Dergelijke zaken gaan niet op.
- (De verweerster), dewelke ten onrechte zichzelf in besluiten afschildert als een 'simpele kuisvrouw', is van geen kleintje vervaard. Ook huidige vordering getuigt ervan dat (de verweerster) werkelijk te kwader trouw is. Zoals (de verweerster) immers terecht in haar laatste besluiten aanhaalt, werd er op 29 januari 1997 tussen partijen een dadingsovereenkomst afgesloten betreffende de diverse geschillen dewelke tussen partijen bestonden (stuk 6 van (de verweerster)). Dat er omtrent huidige vordering t.b.v. 2.350.000 BEF helemaal geen geschil bestond, blijkt uit het feit dat deze niet eens in voormelde dadingsovereenkomst werd opgenomen of vermeld. Aangezien huidig bedrag van 2.350.000 BEF door partijen nooit of te nimmer werd beschouwd als een lening, diende dit bedrag vanzelfsprekend ook niet te worden terugbetaald en maakte het dan ook geen voorwerp uit van een geschil. (De verweerster) was er zich reeds lang van bewust dat zij voormeld bedrag was verâloren bij voormelde mislukte investering net zoals de andere betrokkenen hun aandeel waren verloren. De kwijting waarop (de verweerster) zich thans beroept dateerde immers van 3 deâcember 1993 en (de verweerster) had nooit of te nimmer (de eiseres) gevraagd tot teruggave. Dit geeft aan dat het nooit de bedoeling was dat het bedrag zou worden teruggegeven.
- Zoals reeds hoger is gesteld, was (de verweerster) werkelijk te kwader trouw. Blijkbaar had (de verweerster) reeds één en ander in gedachten bij het afsluiten van de dadingsovereenkomst dd. 29 januari
- Het valt inderdaad overduidelijk op dat (de verweerster) plots en voor het eerst (de eiseres) aanmaant tot betaling van een bedrag van 2.350.000 BEF op 5 februari 1997, hetzij amper één week na het ondertekenen van voormelde dadingsovereenkomst dd. 29 januari 1997... Gedurende meer dan drie jaar heeft (de verweerster) met geen woord gerept over teârugbetalen tot op het moment dat zij (de eiseres) ertoe had overgehaald over te gaan tot ondertekening van een voor haar voordelige dading. Amper een week later komt (de verweerster) plots aandraven met een zgz. vordering op basis van een kwijting van 3 december 1993 waarvan zij zelf heel goed weet dat het geenszins een lening betrof. Dergelijke zaken kunnen niet anders worden omschreven als bedrog. (De eiseres) maakt bij deze dan ook uitdrukkelijk voorbehoud om de dadingsovereenkomst dd. 29 januari 1997 te laten nietig verklaren op grond van bedrog minstens dwaling" (blz. 2, bovenaan, - 3, midden, van de op 28 mei 1999 op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg neergelegde conclusie, met het opschrift "conclusie"). De eiseres voerde (aan) dat het bedrag van 2.350.000 BEF haar door de verweerster werd overhandigd met het oog op een investering, die evenwel verkeerd is afgelopen en waarbij de geïnvesteerde gelden verloren gingen. Het betrof dan ook geen lening en de verweerster tracht, aldus de eiseres, haar aandeel in de misgelopen transactie te verhalen op de eiseres. Het hof van beroep vermeldt de stelling van de verweerster (o.m. blz. 6, tweede alinea, van het bestreden arrest). De eiseres voerde evenwel ook uitdrukkelijk en in het bijzonder aan dat de verweerster te kwader trouw is. De verweerster heeft de eiseres immers plots en voor het eerst aangemaand tot betaling van een bedrag van 2.350.000 BEF op 5 februari 1997, of amper één week na het ondertekenen van de voor de verweerster gunstige dading van 29 januari
- De verweerster heeft gedurende meer dan drie jaar geen vraag tot teruggave geformuleerd, wat erop wijst dat het nooit de bedoeling was het bedrag terug te geven en dat verweerster zelf heel goed weet dat het geen lening betreft. Op dat uitdrukkelijk en specifiek verweer van eiseres antwoordt het hof van beroep niet. Het bestreden arrest is aldus niet regelmatig gemotiveerd (miskenning artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Conclusie De beslissingen het beroepen tussenvonnis van 10 januari 2001 teniet te doen in zijn beschikkingen en opnieuw wijzend, de vordering van de verweerster grotendeels gegrond te verklaren en aldus de eiseres te veroordelen om de verweerster 66.993,23 euro te betalen, meer de gerechtelijke interest vanaf 19 maart 1997 op 58.254,98 euro tot de dag van de algehele betaling, zijn niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1017, eerste lid, 1018, eerste lid, in het bijzonder 6°, 1021, 1042 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen om de grenzen van het geschil te bepalen (het beschikkingsbeginsel); - het algemeen rechtsbeginsel krachtens hetwelk de rechter geen uitspraak mag doen over niet gevorderde zaken. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep veroordeelt de eiseres tot de kosten van het geding van de beide instanties en begroot die aan de zijde van de verweerster op 265,20 euro voor dagvaarding en rolstelling (eerste aanleg), 319,78 euro als rechtsplegingvergoeding, 53,30 euro als aanvullende rechtsplegingvergoeding (persoonlijke verschijning), 185,92 euro voor rolrecht (hoger beroep), 475,96 euro als rechtsplegingvergoeding en 59,49 euro als uitgavenvergoeding (blz. 11, onderaan, van het bestreden arrest). Grieven Artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst, onverminderd de overeenkomst tussen de partijen, die het evenâtueel bekrachtigt. Artikel 1021, eerste lid, van hetzelfde wetboek bepaalt dat de partijen een omstandige opgave kunnen indienen van hun onderscheiden kosten, met inbegrip van de vergoedingen voor uitgaven en rechtspleging bepaald in artikel
- In dat geval worden de kosten in het vonnis vereffend. Krachtens artikel 1018, eerste lid, 6°, van het Gerechtelijk Wetboek omvatten de kosten de sommen die bepaald zijn in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. Ingevolge artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek zijn die bepalingen tevens van toepassing in hoger beroep. Krachtens artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek vermag geen uitspraak gedaan worden over niet gevorderde zaken of mag er niet meer toegekend worden dan er geâvraagd was. In die wetsbepaling is het beginsel van de autonomie van de procespartijen, ook het beschikkingsbeginsel genaamd, neergelegd. In deze zaak vorderde de verweerster in haar conclusie voor het hof van beroep, gedagtekend 20 februari 2003 (laatste blz.), 265,20 euro dagvaarding, 334,66 euro rechtsplegingverâgoeding eerste aanleg, 188,00 euro rolrecht hoger beroep en 466,21 euro rechtsplegingverâgoeding hoger beroep. De verweerster vorderde aldus geen aanvullende rechtsplegingvergoeding van 53,30 euro ingevolge de persoonlijke verschijning en geen uitgavenvergoeding van 59,49 euro. Door in deze zaak een aanvullende rechtsplegingvergoeding en een uitgavenvergoeding toe te kennen, kent het hof van beroep de verweerster dan ook meer toe dan zij gevorderd had en miskent het hof van beroep artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en de erin begrepen algemene rechtsbeginselen. Conclusie De begroting en de vereffening van de kosten is niet wettig (schending van de artikelen 1017, eerste lid, 1018, eerste lid, in het bijzonder 6°, 1021, 1042 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, van het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen om de grenzen van het geschil te bepalen, beschikkingsbeginsel geânaamd, en van het algemeen rechtsbeginsel krachtens hetwelk de rechter geen uitspraak mag doen over niet gevorderde zaken). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- De appelrechters oordelen dat de verweerster, op grond van een begin van bewijs door geschriften aangevuld met vermoedens, het bewijs heeft geleverd dat in hoofde van de eiseres een terugbetalingsverplichting bestaat wat betreft de hoofdsom van 58.254,98 euro.
- Door aldus te oordelen, verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het middel bedoelde verweer.
- Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Artikel 1021, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de partijen een omstandige opgave kunnen indienen van hun onderscheiden kosten, met inbegrip van de vergoedingen voor uitgaven en rechtspleging bepaald in artikel 1022 van hetzelfde wetboek en dat in dat geval de kosten in het vonnis worden vereffend. Werden de kosten in het vonnis niet of slechts gedeeltelijk vereffend, dan wordt, krachtens het tweede lid van voormelde wetsbepaling, de beslissing over de kosten waarover niet werd gestatueerd, geacht te zijn aangehouden.
- Uit de voormelde wetsbepaling volgt dat de beslissing omtrent kosten die door de partijen niet zijn vermeld in hun omstandige opgave geacht wordt te zijn aangehouden en dat de rechter in het vonnis enkel de kosten kan vereffenen die door de partijen vermeld zijn in hun omstandige opgave.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de verweerster in haar "antwoordbesluiten in hoger beroep" bepaalde kosten heeft opgegeven, namelijk de kosten van dagvaarding, de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, het rolrecht in hoger beroep en de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.
- De appelrechters veroordelen de eiseres tot de gerechtskosten en vereffenen die in hoofde van de verweerster op, onder meer, "53,30 euro als aanvullende rechtsplegingsvergoeding (persoonlijke verschijning)" en "59,49 euro als uitgavenvergoeding". Door aldus te oordelen, schenden de appelrechters artikel 1021 van het Gerechtelijk Wetboek.
- Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het in hoofde van de verweerster een aanvullende rechtsplegingsvergoeding en een bijdragevergoeding vereffent. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiseres in de helft van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. De kosten zijn begroot op de som van 592,24 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 5 januari 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070105.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230116.3F.1 ECLI:BE:CTLIE:2023:ARR.20230425.1 ECLI:BE:CTLIE:2023:ARR.20231010.1 ECLI:BE:CTLIE:2023:ARR.20231114.1 ECLI:BE:CTLIE:2024:ARR.20240423.1 ECLI:BE:CTLIE:2024:ARR.20240423.2 ECLI:BE:CTLIE:2024:ARR.20240514.1 ECLI:BE:CTLIE:2024:ARR.20240916.2 ECLI:BE:CTLIE:2024:ARR.20241213.1 ECLI:BE:CTLIE:2026:ARR.20260130.1 ECLI:BE:CTLIE:2026:ARR.20260306.1 ECLI:BE:CTLIE:2026:ARR.20260311.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070615.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div