id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070105.3 Rolnummer: C.06.0026.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-11-08 Raadplegingen: 541 - laatst gezien 2026-07-04 03:47 Versie(s): Vertaling FR Fiche Een partij mag niet voor het eerst in hoger beroep een vordering tot vrijwaring instellen tegen een andere partij wanneer tussen deze partijen in eerste aanleg geen vorderingen waren gesteld; dit geldt ook wanneer die vordering tot vrijwaring berust op een na het vonnis in eerste aanleg tussen deze partijen gesloten overeenkomst
(1).
(1)Zie Cass., 29 okt. 2004, AR C.02.0406.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041029.3, nr 517 en R.W. 2004-05, 1618, noot S. MOSSELMANS; S. MOSSELMANS, "Tussenvorderingen in het gerechtelijk privaatrecht", R.W. 2004-05,
(1601)1606-
- Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Eerste aanleg - Geen vordering - Hoger beroep - Tussenvordering tot veroordeling - Vrijwaring - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 13, 15, 812, tweede lid, en 813, tweede lid Tekst van de beslissing Nr. C.06.0026.N D.L., eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- C.M.,
- C.H. verweerders,
- I.A., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 5 september 2005 op verwijzing bij arrest van het Hof van 29 maart 2004 en in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 13, 15, 812, inzonderheid tweede lid, en 813, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen In het bestreden vonnis zegt de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde voor recht dat de eiser gehouden is tot vrijwaring voor elke betaling die zal worden gedaan door de derde verwerende partij in het kader van de uitvoering van het door de rechtbank van koophandel bevestigde vonnis van 16 oktober 1996 gewezen door de Vrederechter van het derde kanton Gent, en dat zowel wat betreft de hoofdsommen, de interest en de kosten van de gedingen. De rechtbank van koophandel beslist dat op de volgende gronden: "
- De vrijwaringsvordering Het is juist dat, en dit principe werd door het Hof van Cassatie in verschillende arresten bevestigd, een tussenvordering waarbij een nieuwe procesverhouding tussen de reeds in het geding zijnde partijen wordt gecreëerd niet kan voor het eerst in graad van beroep (...). De ratio legis moet worden gezocht in het principe dat dit zou indruisen tegen het, weliswaar geen algemeen, rechtsbeginsel van de dubbele aanleg. Eveneens moet daarbij worden gedacht aan het beginsel van het respect voor de rechten van verdediging. In deze liggen de zaken evenwel anders, men kan uiteraard niet ontkennen dat de vrijwaringsvordering van (de derde verwerende partij) tegen (de eiser) een nieuwe procesverhouding tot stand brengt, maar uit de overgelegde stukken, in het bijzonder de akte afstand-verdeling verleden voor Notaris W. op
- 11.2004 (...), akte die werd opgesteld na het vonnis van de eerste appelrechâter en na het arrest van het Hof van Cassatie is uitdrukkelijk voorzien in een vrijwaringsclausule in het voordeel van (de derde verwerende partij) en dit onder punt 8° van de lasten en voorwaarden. Het is dan ook duidelijk dat (de eiser) de vrijwaring die hij ten aanzien van (de derde verwerende partij) is aangegaan helemaal niet kan betwisten, en derhalve zijn rechten van verdediging niet worden geschonden bij gebrek aan een dubbele aanleg. Dat dan ook kan worden ingegaan op de vrijwaring die (de eiser) heeft ten aanzien van (de derde verwerende partij)". Grieven
- Luidens artikel 13 van het Gerechtelijk Wetboek is een tussenvordering iedere vordering die in de loop van het geding wordt ingesteld en ertoe strekt hetzij de oorspronkelijâke vordering te wijzigen of nieuwe vorderingen tussen de partijen in te stellen, hetzij personen die nog niet in het geding zijn, erin te betrekken. Krachtens artikel 15 van het Gerechtelijk Wetboek, is de tussenkomst een rechtspleging waarbij een derde persoon partij wordt in het geding en ertoe strekt, hetzij de belangen van de tussenkomende partij of van een der partijen in het geding te beschermen, hetzij een veroordeling te doen uitspreken of vrijwaring te doen bevelen. Tussen de partijen in het geding kan tussenkomst worden aangebracht bij gewone conclusies, aldus artikel 813, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Krachtens artikel 812, tweede lid, van hetzelfde wetboek, kan tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal plaatsvinden in hoger beroep.
- De derde verwerende partij stelde, zoals vastgesteld door de rechtbank van koophandel (blz. 6, folio 593, bovenaan, van het vonnis), eerst in hoger beroep een vordering tot vrijwaring tegen de eiser. Dat gebeurde in een conclusie neergelegd ter griffie van de rechtbank van koophandel op 12 april 2005 (blz. 5, tweede helft, van de "Besluiten" gedagâtekend 11 april 2005). De eiser voerde daartegen aan dat de vordering tot vrijwaring een nieuwe vorâdering, minstens een tussenvordering betreft, die niet voor het eerst in graad van hoger beroep kan worden gesteld en dat die eis niet toelaatbaar was (blz. 3, vijfde en zesde alinea, van de conclusie neergelegd ter griffie op 13 april 2005 en blz. 3, voorlaatste alinea, van de "Repliekconclusie" gedagtekend 9 juni 2005). Aangezien uit de samenhang van de hierboven aangehaalde bepalingen uit het Gerechtelijk Wetboek volgt dat, wanneer een partij in eerste aanleg geen vordering heeft ingeâsteld tegen een bepaalde partij, artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek uitsluit dat in hoger beroep tussen die partijen een tussenvordering tot veroordeling wordt ingesteld, oordeelt de rechtbank van koophandel niet wettig dat kan worden ingegaan op de vrijwaring die de eiser ten aanzien van de derde verwerende partij heeft gesteld (schending van de artikelen 13, 15, 812, tweede lid, en 813, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Het feit dat, volgens de vaststellingen van de rechtbank van koophandel, uit de overgelegde stukken blijkt dat de akte afstand-verdeling uitdrukkelijk voorziet in een vrijwaâringsclausule in het voordeel van de derde verwerende partij en de eiser de vrijwaring die hij ten aanzien van de derde verwerende partij is aangegaan, niet kan betwisten en zijn rechten van verdediging derhalve niet worden geschonden bij gebreke van een dubbele aanleg, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Conclusie Het arbeidshof (lees: de appelrechters) beslis(sen) niet wettig dat kan worden ingegaan op de vordering tot vrijwaring die de derde verwerende partij lastens de eiser heeft gesteld en zeg(gen) niet wettig voor recht dat de eiser gehouden is tot vrijwaring voor elke betaling die zal worden gedaan door de derde verwerende partij in het kader van de uitvoering van het door de rechtbank van koophandel bevestigde vonnis van 16 oktober 1996 gewezen door de Vrederechter van het derde kanton Gent, en dat zowel wat betreft de hoofdsommen, de interest en de kosten van de gedingen (schending van alle in de aanhef van het middel aangehaalde wettelijke bepalingen). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 12, 16, I, 1e, 25, eerste lid, 3°, en 26 van afdeling IIbis van hoofdstuk II van titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek, "regels betreffende de handelshuur in het bijzonder", hierna genoemd "Handelshuurwet". Aangevochten beslissingen In het bestreden vonnis verklaart de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde het hoger beroep van de eiser en de derde verwerende partij tegen het vonnis van de Vrederechter van het derde kanton Gent van 16 oktober 1996 niet gegrond en bevestigt voor zoveel als nodig het vonnis van de vrederechter. De rechtbank van koophandel veroorâdeelt de eiser en de derde verwerende partij voorts tot de kosten van alle gedingen. De rechtbank van koophandel beslist in het bijzonder dat de eiser en de derde verwerende partij de vergoeding verschuldigd zijn bepaald bij artikel 25, eerste lid, 3°, van de Handelshuurwet. De rechtbank van koophandel beslist dat onder meer op de volgende gronden: "
- Gegrondheid in het licht van het niet voldoen door de (eiser en de derde verwerende partij) van de voorwaarden, eventuele gewichtige omstandigheden. Het staat vast, en werd destijds door de (eiser en de derde verwerende partij) niet ontkend ( zie het vonnis van het Vredegerecht van
- 1996 op pag. 3 onderaan en het vonnis van de eerste appelrechter van 03.06.2002 op pag. 3 onderâdaan) dat (de eiser en de derde verwerende partij) binnen een termijn van zes maanden na 15.04.1994, dus uiterlijk tegen 15.10.1994, het voornemen om het kwestieuze onroerend goed zelf te bewonen en er een handel in uit te baten niet hadden gerealiseerd. Aannemend met de 1e appelrechter dat de niet bewoning binnen de termijn van zes maanden nadat aan de huur definitief een einde is gekomen niet te wijten is aan (de eiser en de derde verwerende partij) zelf maar wel aan externe factoren, zoals de administratieve beslommeringen bij het bekomen van een verbouwvergunâning, en dat men kan oordelen of aannemen dat het indienen van een tweede verbouwingsaanvraag 8 maanden na de weigering van een eerste aanvraag geâwettigd is, is het zo dat (de eiser en de derde verwerende partij) blijkbaar beschikken over een voorwaardelijke verbouwtoelating afgeleverd door een ministeriële beâslissing van 03.10.1996, en dat het pand nog steeds niet door hen is bewoond of in gebruik genomen. De rechtbank (van koophandel) stelt vast dat (de eiser) blijkbaar niet ontkent wat (de eerste twee verwerende partijen) in hun op 12.05.2005 neergelegde enige appelconclusie hebben geschreven op pag. 13 met name: 'In werkelijkheid hebben (de eiser en de derde verwerende partij) het goed vanzelfsprekend helemaal niet geheel en daadwerkelijk beâwoond als burgerhuis of gebruikt als winkelhuis. Trouwens staat op de dag van vandaag het goed nog altijd leeg'. (De eiser en de derde verwerende partij) hebben dan ook niet voldaan aan hun verplichting om het goed effectief in gebruik te nemen, te bewonen of er een handel in te voeren, wat hun bedoeling was en hun motief om een einde te stellen aan de huurovereenkomst, minstens leggen zij daar geen enkel bewijs van voor, zodat zij de bij de wet voorziene vergoeding verschuldigd zijn" (blz. 11, tweede alinea, - 12, eerste alinea, van het bestreden vonnis). Grieven
- Artikel 12 van de Handelshuurwet bepaalt dat zelfs wanneer het huurcontract het recht voorbehoudt om de huurder uit het goed te zetten in geval van vervreemding, hij die het verhuurde goed om niet of onder bezwarende titel verkrijgt, de huurder slechts eruit mag zetten in de gevallen vermeld onder 1°, 2°, 3° en 4° van artikel 16, mits hij de huur opzegt, één jaar vooraf, en binnen drie maanden na de verkrijging, met duidelijâke opgave van de reden waarop de opzegging gegrond is, dat alles op straffe van verval. Hetzelfde geldt wanneer de huur geen vaste dagtekening heeft verkregen vóór de verâvreemding, ingeval de huurder het verhuurde goed sinds ten minste zes maanden in gebruik heeft. De verhuurder (de verkrijger) kan de huurder krachtens artikel 16, I, 1°, van de Handelshuurwet uit het goed zetten, om reden van zijn wil het verhuurde goed persoonlijk en werkelijk in gebruik te nemen. Artikel 26 van de Handelshuurwet bepaalt onder meer dat de verkrijger die, in overeenstemming met de in artikel 12 bepaalde voorwaarden, de huurder uit het goed zet, evenâtueel een vergoeding wegens uitzetting verschuldigd is, in de gevallen en volgens de modaliteiten van de artikelen 25 en 27 van de Handelshuurwet. Krachtens artikel 25, eerste lid, 3°, van de Handelshuurwet heeft de huurder recht op een vergoeding van drie jaar huur, eventueel vermeerderd met een bedrag toereikend om de veroorzaakte schade geheel te vergoeden, indien de verhuurder (de verkrijger), zonder van een gewichtige reden te doen blijken, het voornemen op grond waarvan hij de huurder uit het goed heeft kunnen zetten, niet ten uitvoer brengt binnen zes maanden en gedurende ten minste twee jaren. De verhuurder (de verkrijger) heeft aldus zes maanden om het voornemen ten uitvoer te brengen en die uitvoering moet verwezenlijkt blijven gedurende ten minste twee jaren. Indien de verhuurder van een gewichtige reden doet blijken, vanzelfsprekend ook in geval van overmacht en toeval, die hem belet het voornemen te verwezenlijken, is hij de vergoeding van drie jaar huur niet verschuldigd.
- De rechtbank van koophandel stelt vast dat de eerste twee verwerende partijen het pand verlieten op 15 april 1994 (blz. 2, voorlaatste alinea, van het bestreden vonnis) en neemt aan dat het moment dat aan de handelshuur definitief een einde werd gesteld, 14 april 1994 is (blz. 10, midden, van het bestreden vonnis). De rechtbank van koophandel beslist aldus dat de termijn van zes maanden bedoeld in artikel 25, eerste lid, 3°, van de Handelshuurwet, verstrijkt op 15 oktober 1994 (zes maanden na 15 april 1994; blz. 11 , tweede alinea, van het bestreden vonnis). De rechtbank van koophandel stelt voorts vast dat de beslissing van de Vlaamse Minisâter van Openbare Werken waarbij eiser en de derde verwerende partij een voorwaardelijâke verbouwtoelating werd verleend, dateert van 3 oktober 1996 (blz. 11, derde alinea, van het bestreden vonnis) en dat zij aanvoerden dat die beslissing hen op 16 oktober 1996 werd betekend (blz. 4, eerste alinea, en 7, voorlaatste alinea, van het bestreden vonnis). Dat laatste werd blijkens de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, door de eerste twee verwerende partijen niet betwist. Opdat de huurder geen recht heeft op de vergoeding bepaald in artikel 25, eerste lid, 3° van de Handelshuurwet, volstaat het dat de verhuurder binnen de bepaalde termijnen zijn voorgenomen reden tot uitzetting van de huurder uitvoert. Artikel 25, eerste lid, 3°, van de Handelshuurwet vereist niet dat na de erin omschreven termijnen van het voornemen daadwerkelijk gerealiseerd wordt. Het volstaat dat binnen die termijnen het voornemen wordt uitgevoerd. De aanvraag tot het verkrijgen van de wettelijke vergunning voor werken kan naar de omstandigheden deel uitmaken van de voorgenomen reden. In de zin van artikel 16, I, 1°, van de Handelshuurwet behoeft de persoonlijke en werkelijâke ingebruikneming van het verhuurde goed bovendien niet noodzakelijk een materiële ingebruikneming te zijn. Uit de vaststellingen van de rechtbank van koophandel volgt dat de eiser en de derde verwerende partij binnen de in artikel 25, eerste lid, 3°, van de Handelshuurwet bepaalde termijnen hun voornemen hebben uitgevoerd. Zo blijkt uit die vaststellingen dat de kennisgeving van de ministeriële beslissing van 3 oktober 1996 waarbij de eiser en de derde verwerende partij een (slechts) voorwaardelijke verbouwtoelating werd afgeleverd, is gebeurd 16 oktober 1996, dat is meer dan zes maanden en twee jaren na het definitieve einde van de handelshuurovereenkomst, door de rechtbank van koophandel vastgesteld op 14 april
- Bovendien overweegt de rechtbank van koophandel dat de niet bewoning binnen de termijn van zes maanden nadat aan de huur definitief een einde is gekoâmen, niet te wijten is aan de eiser en de derde verwerende partij zelf maar wel aan externe factoren, zoals de administratieve beslommeringen bij het bekomen van een verbouâwingsvergunning en het indienen van een tweede bouwvergunning acht maanden na de weigering van een eerste aanvraag gewettigd is. Door te eisen dat, opdat de in artikel 25, eerste lid, 3°, van de Handelshuurwet bepaalde vergoeding niet verschuldigd zou zijn, het pand na het verstrijken van de in dat artikel bepaalde termijnen dient bewoond te zijn of in gebruik dient genomen te worden, voegt de rechtbank van koophandel aan die bepaling voorwaarden toe (schending van de artikelen 25, eerste lid, 3°, en 26, van de Handelshuurwet). Bovendien miskent de rechtbank van koophandel de artikelen 16, I, 1°, en 25, eerste lid, 3°, van de Handelshuurwet, overwegende enerzijds dat de niet bewoning binnen de termijn van zes maanden nadat aan de huur definitief een einde is gekomen, niet te wijten is aan de eiser en de derde verwerende partij zelf maar wel aan externe factoren, zoals de administratieve beslommeringen bij het bekomen van een verbouwvergunning en het indienen van een tweede bouwvergunning acht maanden na de weigering van een eerste aanvraag gewettigd is, anderzijds dat het pand nog steeds niet door de eiser en de derde verwerende partij is bewoond of in gebruik genomen, door impliciet, maar zeker, te beslissen dat het gebruik van het pand door de eiser en de derde verwerende partij geen persoonlijke en werkelijke ingebruikneming was. Conclusie De rechtbank van koophandel beslist niet wettig dat de eiser (en de derde verwerende partij) een uitzettingsvergoeding verschuldigd zijn (schending van de artikelen 12, 16, I, 1°, 25, eerste lid, 3°, en 26 van afdeling IIbis van hoofdstuk II van titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek, "regels betreffende de handelshuur in het bijzonder"). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel
- Het bestreden vonnis steunt mede op de reden dat de eiser en de derde verweerster blijkbaar beschikken over een voorwaardelijke verbouwtoelating afgeleverd door een ministeriële beslissing van 3 oktober 1996 en het pand nog steeds door hen niet is bewoond of in gebruik genomen.
- Het bestreden vonnis oordeelt aldus dat het voornemen het motief uit te voeren waarvoor opzegging werd gegeven, anders dan het middel aanvoert, niet werd uitgevoerd om een reden die aan de eiser en de derde verweerster te wijten is.
- Met die reden oordeelt het bestreden vonnis dat de eiser en de derde verweerster hun voornemen het motief uit de voeren waarvoor werd opgezegd, niet hebben uitgevoerd en niet, zoals het middel aanvoert, dat het gebruik van het pand door de eiser en de derde verweerster geen persoonlijke of werkelijke ingebruikneming is.
- Het middel mist aldus feitelijke grondslag. Eerste middel
- Luidens artikel 13 van het Gerechtelijk Wetboek is een tussenvordering iedere vordering die in de loop van het rechtsgeding wordt ingesteld en ertoe strekt, hetzij de oorspronkelijke vordering te wijzigen of nieuwe vorderingen tussen de partijen in te stellen, hetzij personen die nog niet in het geding zijn geroepen, erin te betrekken. Krachtens artikel 15 van hetzelfde wetboek is de tussenkomst een rechtspleging waarbij een derde persoon partij wordt in het geding en ertoe strekt, hetzij de belangen van de tussenkomende partij of van een der partijen in het geding te beschermen, hetzij een veroordeling te doen uitspreken of vrijwaring te doen bevelen. Krachtens artikel 813, tweede lid, van hetzelfde wetboek kan, tussen de partijen in het geding, gedwongen tussenkomst worden aangebracht bij gewone conclusies. Krachtens artikel 812, tweede lid, van hetzelfde wetboek, kan tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal plaatsvinden in hoger beroep.
- Uit het onderling verband tussen de voormelde bepalingen volgt dat, wanneer een partij in eerste aanleg geen vordering heeft ingesteld tegen een bepaalde partij, artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek uitsluit dat in hoger beroep tussen die partijen een tussenvordering tot veroordeling wordt ingesteld.
- Deze bepaling sluit aldus uit dat een partij voor het eerst in hoger beroep een vordering tot vrijwaring instelt tegen een andere partij wanneer tussen deze partijen in eerste aanleg geen vorderingen waren gesteld. Dit geldt ook wanneer die vordering tot vrijwaring berust op een na het vonnis in eerste aanleg tussen deze partijen gesloten overeenkomst.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - tussen de eiser en de derde verweerster in eerste aanleg geen vorderingen waren gesteld; - de derde verweerster voor het eerst bij appelconclusie een vordering tot vrijwaring instelt tegen de eiser.
- De appelrechters oordelen, eensdeels, dat de derde verweerster aldus voor het eerst in hoger beroep een nieuwe procesverhouding creëert, wat in beginsel niet is toegelaten gelet op het vereiste van een dubbele aanleg en de eerbiediging van het recht van verdediging. De appelrechters oordelen evenwel, anderdeels, dat zulks te dezen anders ligt aangezien de vordering tot vrijwaring berust op een na het vonnis van de eerste appelrechters en na het verwijzingsarrest van het Hof tussen de eiser en de derde verweerster gesloten overeenkomst.
- Aldus schenden de appelrechters artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
- Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het zegt voor recht dat de eiser gehouden is tot vrijwaring voor elke betaling die zal worden gedaan door de derde verweerster in het kader van de uitvoering van het bevestigde vonnis van de vrederechter en dit zowel in hoofdsommen, interest en de kosten van het geding en uitspraak doet over de gedingkosten van de eiser en de derde verweerster. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Veroordeelt de eiser in de kosten van zijn cassatieberoep tegen de eerste en de tweede verweerders, alsmede tot de helft van overige kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Koophandel te Oudenaarde, zitting houdende in hoger beroep. De kosten zijn begroot op de som van 606,01 euro jegens de eisende partij en op de som van 240,21 euro jegens de verwerende partij sub
- Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 5 januari 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070105.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140306.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041029.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070316.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120913.4 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131107.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div