id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070109.4 Rolnummer: P.06.1250.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-01-22 Raadplegingen: 627 - laatst gezien 2026-07-04 01:40 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit artikel 187, tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat wanneer een verstekvonnis is betekend, maar niet aan de persoon, bij het verstrijken van de gewone verzettermijn de verjaringstermijn van de strafvordering wordt geschorst en vervangen door de verjaringstermijn van de straf
(1).
(1)Cass., 22 feb. 1994, AR P.93.0349.N ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940222.9, nr 88; Cass., 26 maart 2002, AR P.00.1495.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020326.18, nr 201. Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Strafzaken - Verstekvonnis niet aan de persoon betekend - Buitengewone termijn van verzet - Verjaring van de straf - Artikel 187, tweede lid, Sv. Fiche 2 Artikel 187, tweede lid, Wetboek van Strafvordering krachtens hetwelk de beklaagde tegen de burgerrechtelijke beschikkingen van het tegen hem uitgesproken vonnis in verzet kan komen tot de tenuitvoerlegging van dat vonnis, strekt ertoe te voorkomen dat de belangen van de burgerlijke partij in het ongewisse blijven tot het verstrijken van ofwel de buitengewone termijn waarover de beklaagde beschikt om in verzet te komen tegen een verstekvonnis dat aan hem niet in persoon is betekend, ofwel van de termijn van verjaring van de straf; op grond van die bepaling is verzet tegen de burgerrechtelijke veroordeling niet meer mogelijk na de termijn die de wet bepaalt voor verzet tegen de strafrechtelijke veroordeling
(1).
(1)Cass., 7 okt. 1992, AR 9938, nr 652, J.L.M.B., 1993, p. 651 met noot KLEES, O., "Le délai d'opposition contre les dispositions civiles d'un jugement par défaut", R.W., 1993-94, p. 222 met noot VANDEPLAS, A.; MICHIELS, O., L'opposition en procédure pénale, p. 49, nr
- Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Strafzaken - Verstekvonnis niet aan de persoon betekend - Burgerrechtelijke veroordeling - Termijn van verzet t.a.v. de burgerlijke partij Tekst van de beslissing Nr. P.06.1250.N I W, beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
- E R, burgerlijke partij,
- TRANS LIMES GmbH, met zetel te 99334 Ichterhausen (Duitsland), Karl Liebknechtstrasse 7b, burgerlijke partij,
- G R, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep, van de Correctionele Rechtbank te Turnhout, van 29 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel heeft in zijn beide onderdelen uitsluitend betrekking op de ontvankelijkheid van het verzet op burgerlijk gebied.
- De appelrechters die oordelen dat niet is bewezen dat de eiser kennis kreeg van de betekening van het verstekvonnis, verklaren zijn verzet onontvankelijk: - op strafgebied omdat de verjaring van de straf was ingetreden vooraleer de eiser verzet heeft aangetekend; - op burgerlijk gebied omdat de deskundige door de burgerlijke partijen in werking werd gesteld en hij zijn verslag heeft neergelegd, waaruit blijkt dat het vonnis ten uitvoer werd gelegd. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 187, tweede lid, Wetboek van Strafvordering omdat de appelrechters oordelen dat het verzet op burgerlijk gebied niet ontvankelijk is op de enkele grond dat de aangestelde deskundige in werking werd gesteld en zijn verslag heeft neergelegd.
- Artikel 187, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat wanneer de betekening van het vonnis niet aan de beklaagde die bij verstek is veroordeeld, in persoon is gedaan, deze, wat de veroordelingen tot straf betreft, in verzet kan komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen en, indien het niet blijkt dat hij daarvan kennis heeft gekregen, totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn. Uit deze bepaling volgt dat wanneer een verstekvonnis is betekend maar niet aan de persoon, bij het verstrijken van de gewone verzettermijn de verjaringstermijn van de strafvordering wordt geschorst en vervangen door de verjaringstermijn van de straf.
- Krachtens artikel 93 Strafwetboek verjaren politiestraffen door verloop van één jaar.
- Artikel 187, tweede lid, in fine, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, wat de burgerrechtelijke veroordelingen betreft, die beklaagde in verzet kan komen tot de tenuitvoerlegging van het vonnis. Die bepaling strekt ertoe te voorkomen dat de belangen van de burgerlijke partij in het ongewisse blijven ofwel tot het verstrijken van de buitengewone termijn waarover de beklaagde beschikt om in verzet te komen tegen een verstekvonnis dat aan hem niet in persoon is betekend, ofwel tot het verstrijken van de termijn van verjaring van de straf. Op grond van die bepaling is verzet tegen de burgerrechtelijke veroordeling niet meer mogelijk na de termijn die de wet bepaalt voor verzet tegen de strafrechtelijke veroordeling.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiser bij vonnis van de Politierechtbank te Westerlo van 25 mei 1994, bij verstek lastens hem gewezen, op strafgebied veroordeeld werd (wegens inbreuk op de artikelen 418 en 420 Strafwetboek) tot een geldboete van 25 frank. Op burgerlijk gebied werd hij veroordeeld om aan de verweerders een voorlopige schadevergoeding te betalen en werd, vooraleer verder recht te doen, een geneesheer-deskundige aangesteld met als opdracht E. R. te onderzoeken; - dit verstekvonnis op 28 maart 1995 werd betekend maar niet aan de eiser persoonlijk; - de eiser bij akte van 4 december 2002 verzet heeft aangetekend tegen alle beschikkingen van dit verstekvonnis.
- De appelrechters oordelen onaantastbaar dat het bewijs niet geleverd wordt dat de eiser kennis kreeg van de betekening van het verstekvonnis.
- Na het verstrijken van de gewone termijn van verzet op 12 april 1995, werd de verjaringstermijn van de strafvordering geschorst en vervangen door de verjaringstermijn van de straf die, behoudens stuiting of schorsing wat in dit geval niet van toepassing is, afliep op 11 april 1996 waarna de strafvordering door verjaring van de straf verviel. Krachtens artikel 187, tweede lid, in fine, Wetboek van Strafvordering kon op die datum de eiser ook niet meer in verzet komen tegen de burgerrechtelijke veroordelingen van het verstekvonnis. Het onderdeel dat niet tot cassatie kan leiden is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek en miskenning van het recht van verdediging en van het beschikkingsbeginsel omdat de appelrechters het verzet van de eiser op burgerlijk gebied onontvankelijk verklaren op grond van de beweerde uitvoering van het vonnis op burgerlijk gebied zonder dat de eiser in de gelegenheid werd gesteld verweer te voeren over de vraag of de indiening door de gerechtsdeskundige van zijn verslag als dusdanig als een tenuitvoerlegging van het vonnis op burgerlijk gebied dient te worden beschouwd.
- Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat het onderdeel niet tot cassatie kan leiden. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 57,12 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 9 januari 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070109.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220309.2F.4 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260310.2N.8 ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.087 ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.013 precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940222.9 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020326.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div