id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070109.8 Rolnummer: P.07.0025.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2007-01-22 Raadplegingen: 450 - laatst gezien 2026-07-03 10:20 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Het rechtscollege waarbij een verzoek tot invrijheidstelling aanhangig is, kan de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 5.3 E.V.R.M. alleen toetsen aan de hechtenis die ondergaan is sedert de aflevering van de titel waarop zij is gestoeld; in het geval dat de onmiddellijke aanhouding van een veroordeelde is bevolen en deze zijn voorlopige invrijheidstelling vraagt, dient het gerecht dat daarover uitspraak doet, bij de beoordeling van de redelijke termijn, aldus alleen acht te slaan op de rechtspleging met betrekking tot de hechtenis van betrokkene vanaf zijn aanhouding na veroordeling tot op het ogenblik van de uitspraak over het laatste verzoek tot invrijheidstelling
(1).
(1)Zie cass., 3 mei 2006, AR P.06.0607.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060503.16, nr ... Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Vrije woorden: Onmiddellijke aanhouding - Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling - Redelijke termijn - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 5.3 Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Vrije woorden: Onmiddellijke aanhouding - Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling - Redelijke termijn - Artikel 5.3 E.V.R.M. - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 5.3 Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - ONMIDDELLIJKE AANHOUDING Vrije woorden: Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling - Redelijke termijn - Artikel 5.3 E.V.R.M. - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 5.3 Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 Tekst van de beslissing Nr. P.07.0025.N A K, beklaagde, gedetineerd, eiseres, met als raadsman mr. Jonas De Boeck, advocaat bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest op 27 december 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Jean-Pierre Frère heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres het in de eerste drie grieven vermelde verweer betreffende de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de kamer van inbeschuldigingstelling heeft gevoerd. De eerste drie grieven zijn nieuw en derhalve niet ontvankelijk.
- Noch uit de omstandigheid dat andere beslissingen van het hof van beroep in dezelfde zaak vernietigd zijn, noch uit de omstandigheid dat dezelfde magistraten van een onderzoeksgerecht naar aanleiding van eenzelfde zaak bij herhaling dienen te beslissen over de voorlopige hechtenis van eenzelfde beklaagde, noch uit de omstandigheid dat dergelijke opeenvolgende beslissingen omwille van gewijzigde omstandigheden, verschillend kunnen zijn, kan zonder meer worden afgeleid dat het recht van die beklaagde op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie is miskend. De vierde, de vijfde en de zesde grief kunnen niet worden aangenomen.
- Geen wettelijke bepaling staat eraan in de weg dat de rechter opeenvolgende verzoeken tot voorlopige invrijheidstelling in een zelfde zaak, afwijst op grond van dezelfde redenen indien, naar het onaantastbare oordeel van die rechter, de feitelijke omstandigheden eigen aan de zaak en de persoonlijkheid van de betrokkene, inmiddels niet zijn gewijzigd. In zoverre de zevende grief uit een dergelijke identieke motivering een schijn van partijdigheid in hoofde van de rechters wil afleiden, kan die grief niet worden aangenomen.
- Voor het overige vermogen de rechters op grond van de feitelijke redenen die het arrest vermeldt, wettig te oordelen dat het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling niet gegrond is. In zoverre kan de zevende grief evenmin worden aangenomen.
- De achtste grief vergt een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. Die grief is niet ontvankelijk Tweede onderdeel
- De veroordeelde wiens onmiddellijke aanhouding is bevolen en die zijn voorlopige invrijheidstelling vraagt, kan uit de enige omstandigheid dat het onderzoeksgerecht dat het verzoek beoordeelt, anders beslist dan de veroordeelde in zijn verweer heeft aangevoerd, geen gewettigde twijfel betreffende de onafhankelijkheid of de onpartijdigheid van die rechters afleiden. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
- Voor het overige oordelen de appelrechters onaantastbaar dat "een voorlopige invrijheidstelling mits het naleven van voorwaarden en/of het betalen van een borgsom geen enkele waarborg biedt voor de openbare veiligheid en inzonderheid voor het patent vluchtgevaar, rekening houdend met de schaarse banden van (de eiseres) (van Litouwse nationaliteit) met België en met de omvang van de uitgesproken straf". Met deze redenen verwerpt het arrest concreet het verweer van de eiseres en beantwoordt het zodoende de desbetreffende conclusie. De omstandigheid dat het verweer is afgewezen op grond van dezelfde redenen die eerder tot eenzelfde beslissing hebben geleid, doet daaraan niet af. Bovendien dienden de rechters daarbij niet te antwoorden op de argumenten die tot staving van dat verweer zijn aangevoerd, maar die geen zelfstandig verweer inhouden. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM in zoverre dat het recht van de gedetineerde waarborgt binnen een redelijke termijn te worden berecht of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld.
- Het rechtscollege waarbij een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling aanhangig is, kan de redelijke termijn zoals bedoeld in het bovenvermelde artikel alleen toetsen aan de hechtenis die ondergaan is sedert de aflevering van de titel waarop zij is gestoeld.
- In het geval dat de onmiddellijke aanhouding van een veroordeelde is bevolen en deze zijn voorlopige invrijheidstelling vraagt, dient het gerecht dat daarover uitspraak doet, bij de beoordeling van de redelijke termijn zoals hier ter sprake, aldus alleen acht te slaan op de rechtspleging met betrekking tot de hechtenis van de betrokkene vanaf zijn aanhouding na veroordeling tot op het ogenblik van de uitspraak over het laatste verzoek tot invrijheidstelling.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat de eiseres in haar conclusie verweer heeft geput uit de duur van de eerder ondergane voorlopige hechtenis, dienden de rechters dat verweer niet te beantwoorden. Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.
- Voor het overige stellen de rechters vast dat, eensdeels, de onmiddellijke aanhouding van de eiseres is bevolen bij het veroordelend arrest van 21 november 2006, anderdeels, "de handhaving van de voorlopige hechtenis nog steeds (27 december 2006 ) volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid", op grond van het geheel van de redenen die het arrest vermeldt. De rechters toetsen aldus de noodzaak van de handhaving van de hechtenis op het ogenblik van de uitspraak aan het tijdsverloop sedert de aanvang van de vrijheidsberoving waarvan de eiseres de opheffing vraagt. De rechters onderzoeken hiermee het verweer van de eiseres over het overschrijden van de redelijke termijn en beantwoorden zodoende de desbetreffende conclusie. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vierde onderdeel
- In zoverre de rechters verwijzen naar de opgelegde bestraffing als motief voor het, naar hun oordeel, bestaan van vluchtgevaar, blijkt uit de bewoordingen van het arrest geenszins dat de voorlopige hechtenis wordt gehandhaafd met het oog op onmiddellijke bestraffing. Het onderdeel dat uitgaat van een onnauwkeurige lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel dat uitsluitend de artikelen 27 en 30 Wet Voorlopige Hechtenis bekritiseert, is niet tegen het bestreden arrest gericht. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Het Hof moet derhalve geen prejudiciële vraag stellen. Tweede onderdeel
- Uit het antwoord op het eerste middel, eerste onderdeel, eerste grief, volgt dat het daarin door de eiseres ontwikkelde verweer betreffende de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de kamer van inbeschuldigingstelling, niet ontvankelijk is. Het Hof moet derhalve de prejudiciële vraag die geheel op dat niet-ontvankelijk verweer is gestoeld, niet stellen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum, Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. Begroot de kosten op 57,12 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 9 januari 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070109.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060503.16 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171017.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div