← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070112.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070112.1 Rolnummer: C.05.0083.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige - Handelsrecht Invoerdatum: 2007-11-08 Raadplegingen: 1117 - laatst gezien 2026-07-04 04:13 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Eenieder die een fout heeft begaan, is aansprakelijk voor de veroorzaakte schade, ook al is de schade mede veroorzaakt door de fout van een derde

(1).
(1)Zie Cass., 20 dec. 1996, AR C.95.0006.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961220.10, nr 522. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Causaal verband - Algemeen Vrije woorden: Oorzakelijk verband - Schade mede veroorzaakt door een derde Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1382 en 1383 Fiches 2 - 3 Het oorzakelijk verband tussen een fout en de geleden schade kan slechts worden uitgesloten als de rechter oordeelt dat de schade zoals ze zich in concreto voordeed, op dezelfde wijze zou zijn ontstaan zonder die fout
(1); uit de enkele omstandigheid dat een fout nadien gevolgd wordt door de fout van een andere partij kan niet worden afgeleid dat er geen causaal verband bestaat tussen de eerste fout en de schade.
(1)Cass., 20 dec. 1996, AR C.95.0006.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961220.10, nr 522; zie Cass., 24 maart 1999, AR P.98.1479.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990324.6, nr 177. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout Vrije woorden: Oorzakelijk verband - Latere fout van een andere partij Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1382 en 1383 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - OORZAAK - Begrip. Beoordeling door de rechter Vrije woorden: Latere fout van een andere partij Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1382 en 1383 Fiches 4 - 5 Artikel 11 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst is van dwingend recht in het belang van de verzekerde zodat hij gerechtigd is de schending van deze bepaling voor het eerst voor het Hof aan te voeren
(1).
(1)Zie Cass., 22 mei 2000, AR S.99.0046.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000522.4, nr 311, met conclusie eerste advocaat-generaal J.F. LECLERCQ. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Nieuw middel Vrije woorden: Dwingende wet - Landverzekering - Overeenkomst - Vervalbeding - Aard - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Vrije woorden: Overeenkomst - Vervalbeding - Aard - Cassatiemiddel - Ontvankelijkheid Fiche 6 Krachtens de wet op de landverzekeringsovereenkomst is de lichte fout van de verzekeringsnemer steeds gedekt. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Vrije woorden: Overeenkomst - Fout - Aard - Dekking Wettelijke bepalingen: Wet - 25-06-1992 - Artt. 8, tweede lid, en 77 Fiche 7 De verzekeraar mag de miskenning van een algemeen geformuleerde zorgvuldigheidsverplichting niet bedingen als grond tot verval van het recht op verzekeringsprestatie
(1).
(1)Zie M. FONTAINE, Verzekeringsrecht, Larcier, 1999, 139-142, nrs 288-294; J.-L. FAGNART, La requalification des clauses du contrat d'assurance, in Lib. Am. Lucien SIMONT, Bruylant, Brussel, 2002, 667, nr 5; M. FONTAINE, Déchéance, exclusions, définition du risque et charge de la preuve en droit des assurances, noot onder Cass., 7 juni 2001 en 18 januari 2002, R.C.J.B., 1973, 20-73, inz. 53, nr 77 en 69, nr 111; P. HENRY & J. TINANT, Déchéance ou exclusion: de Charybde en Scylla, in La loi du 25 juin 1992 sur le contrat d'assurance terrestre. Dix années d'application, dir. B. DUBUISSON (UCL) & P. JADOUL (FUSL), Collection Droit des Assurances, Academia Bruylant, 79-81. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Vrije woorden: Overeenkomst - Verzekeraar - Vervalbeding Wettelijke bepalingen: Wet - 25-06-1992 - Art. 11 Annotaties Publicaties: N.J.W. - Geert JOCQUE; Vereiste van oorzakelijk verband tussen fout en schade... - 2007, 845-848 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0083.N ADINCO, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 1800 Vilvoorde, Woluwelaan 13-15, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. BELGACOM, naamloze vennootschap naar publiek recht, met zetel te 1030 Brussel, Koning Albert II-laan 27, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, 2. AGF BELGIUM INSURANCE, Allianz Group, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Lakensestraat 35, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 22 oktober 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Bestreden beslissingen Het bestreden arrest verwerpt op eerste verweersters hoger beroep, dat het gegrond verklaart, het verweer van de eiseres gesteund op de beweerde fout van de eerste verweerster, bestaande uit het overleggen van plans met een afwijking van 1m30 ten opzichte van de werkelijke ligging van de telefoonkabels, en, het bestreden vonnis wijzigend, verklaart de vordering van de eerste verweerster tegen de eiseres toelaatbaar en gegrond en veroordeelt de eiseres tot betaling aan de eerste verweerster van 36.222,57 euro, meer de compensatoire interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 21 mei 1997 tot op de dag van de integrale betaling, op volgende gronden: "1. Ten aanzien van de feiten. In opdracht van NV TUC RAIL was (de eiseres) in het kader van de procedure voor het opsporen van ondergrondse nutsleidingen onder meer belast met het maken van de voorputten, waarin diepsonderingen zouden worden uitgevoerd. Op 13 augustus 1996 heeft de opdrachtgever van (de eiseres) de plannen van de nutsleidingen van (de eerste verweerster) bij (de eerste verweerster) aangevraagd. Op 4 september 1996 heeft (de eerste verweerster) deze plannen meegedeeld aan de opdrachtgever van (de eiseres). De voorputten moesten gemaakt worden met mankracht tot 1,50 meter diepte ter plaatse van de onderzoekspunten met dieper voorprikken tot 2 meter. In de voorputten dienden diepsonderingen te worden uitgevoerd tot 2 à 3 meter diepte in de Boomse klei te weten ca. tot op 30 meter diepte. De punten waar de proefsonderingen moesten gebeuren mochten verplaatst worden bij aanwezigheid van nutsleidingen. Op 16 mei 1997 werden door GEO TECHNIEK aan (de eiseres) 29 planuittreksels overgemaakt. Deze planuittreksels worden niet overgelegd in huidige procedure. Op 21 mei 1997 om 9u30 werden in het trottoir ter hoogte van Pelikaanstraat 61 kabels van (de eerste verweerster) beschadigd. Dit gebeurde bij de uitvoering van voorputten te maken om ondergrondse nutsleidingen op te sporen. (De eerste verweerster) legde op 26 mei 1997 klacht neer en verweet daarin (de eiseres) ingevolge doorboring van het trottoir aan de Pelikaanstraat 61 te Antwerpen de kabels van (de eerste verweerster) te hebben beschadigd met overlegging van het doorboorde gat in het voetpad. De heer D., zaakvoerder van (de eiseres) verklaarde in het geseponeerd strafdossier op de hoogte te zijn van de feiten in kwestie. Volgens de heer D. zou zijn verzekeraar het nodige doen om de schade te vergoeden. Bij de uitvoering op 21 mei 1997 van de voorput ter hoogte van sonderingspunt 54 stootte (de eiseres) op beton. Dit beton was een betonen kanalisatie van de nutsleidingen van (de eerste verweerster). Op 21 mei 1997 werd deze betonnen kanalisatie door (de eiseres) doorboord en werden de nutsleidingen van (de eerste verweerster) die door deze betonnen kanalisatie beschermd werden beschadigd. 2. De eerste rechter verklaarde de vordering door (de eerste verweerster) tegen (de eiseres) gericht, gesteund op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, ongegrond bij gebreke van bewijs van een fout in hoofde van (de eiseres). De eerste rechter verklaarde de vordering door (de eiseres) gericht tegen (de tweede verweerster), haar aansprakelijkheidsverzekeraar-uitbating, zonder voorwerp. 3. Beoordeling van het bewijs van een fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek in hoofde van (de eiseres). Het is niet betwist dat de kabelbeschadiging gebeurde door de werknemers van (de eiseres). Het is niet betwist dat de beschadiging gebeurde tijdens de uitvoering door (de eiseres) van een aannemingsovereenkomst afgesloten met Tuc Rail, waarin (de eiseres) zich had verbonden voorputten te maken voor het opsporen van ondergrondse nutsleidingen. Het is niet betwist dat (de eiseres) bij de uitvoering van een voorput ter hoogte van het pand Pelikaanstraat 61 drie junctiekabels van (de eerste verweerster) beschadigde. Het is niet betwist dat (de eiseres) bij het maken van die voorput op beton is gestoten. Het is niet betwist dat (de eiseres) het beton waarop zij is gestoten bij het maken van de voorput heeft doorboord en dit deel uitmaakte van een betonnen kanalisatie van de nutsleidingen van (de eerste verweerster) en dat ingevolge die doorboring de nutsleidingen van (de eerste verweerster) werden beschadigd. Het (hof (van beroep) neemt voormelde onbetwiste concrete omstandigheden in aanmerking en neemt in aanmerking dat het maken van voorputten precies geschiedt met het oog op het opsporen van ondergrondse leidingen volgens de door (de eiseres) overgelegde procedure voor het opsporen van ondergrondse nutsleidingen en neemt in aanmerking dat het schade verwekkende feit zich voordeed in het trottoir aan de Pelikaanstraat 61 in het centrum van Antwerpen. De normaal zorgvuldige en omzichtige aannemer die in dezelfde concrete omstandigheden verkeert als (de eiseres) zou bij het maken van voorputten en bij stoten op beton deze beton niet doorboord hebben. Een normaal zorgvuldig en omzichtig aannemer in dezelfde concrete omstandigheden zou bij het graven van een voorput, die volgens de contractuele instructies met de opdrachtgever omwille van het risico van beschadiging van nutsleidingen met mankracht dient te worden gegraven, en die stoot op een stuk beton dit stuk beton met mankracht hebben verwijderd en een normaal zorgvuldig en omzichtig aannemer zou aldaar indien het beton niet met mankracht zou kunnen worden verwijderd de houders van nutsleidingen hebben geraadpleegd alvorens aan doorboringen van de betonnen kanalisatie te doen. Een normaal zorgvuldig en omzichtig aannemer in dezelfde concrete omstandigheden die aan een werk bezig is waarvan het doel is het opsporen van ondergrondse nutsleidingen zou indien hij op een ondergrondse betonnen kanalisatie stoot alvorens deze betonnen kanalisatie te doorboren zich er met zekerheid moeten van vergewissen dat de betonnen kanalisatie niet dient om een nutsleiding te beschermen. Een normaal zorgvuldig en omzichtig aannemer in dezelfde concrete omstandigheden zou de betonnen kanalisatie manueel hebben ontmanteld en zou deze niet hebben doorboord. Dit is een tekortkoming aan de aan eenieder opgelegde zorgvuldigheidsnorm. 4. Ten aanzien van het oorzakelijk verband tussen fout en schade. Indien de betonnen kanalisatie niet doorboord was geworden was de schade niet ontstaan, zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan. Het (hof van beroep) houdt dus het doorboren van de betonnen kanalisatie aan als een fout in hoofde van (de eiseres) en houdt tevens een oorzakelijk verband tussen deze fout en het ontstaan van schade aan de nutsleiding van (de eerste verweerster) aan. 5. Ten aanzien van het verweer, gesteund op overmacht. Het verweer gesteund op overmacht omdat de ligging van de kabel van (de eerste verweerster) 1,3 meter zou afwijken van de werkelijke ligging is ten deze ongegrond, nu (de eiseres) faalt in het bewijs dat de toepassingsvoorwaarden van overmacht vervuld zijn. Stotend op beton was het voor (de eiseres) voorzienbaar dat dit beton deel uitmaakte van een betonnen kanalisatie ter bescherming van een nutsleiding. De schade was vermijdbaar indien (de eiseres) had gehandeld als een normaal redelijk en voorzichtig aannemer in dezelfde concrete omstandigheden. 6. Ten aanzien van het verweer, gesteund op de beweerde fout van (de eerste verweerster) bestaande uit het overleggen van plans met een afwijking van 1m30 ten opzichte van de werkelijke ligging van de telefoonkabels met als rechtsgevolg dat (de eerste verweerster) geen aanspraak zou kunnen maken op integrale schadevergoeding. Volgens de door (de eerste verweerster) aan TUC RAIL meegedeelde richtlijnen ter voorkoming van beschadiging van ondergrondse telecommunicatieuitrustingen van (de eerste verweerster) wordt er op gewezen dat de kabels in de nabijheid van lassen en andere uitrustingen meestal afbuigingen maken buiten het getekende tracé. Het causaal verband tussen de aan (de eerste verweerster) verweten fout met betrekking tot de afwijkingen op de op 4 september 1996 aan TUC RAIL meegedeelde plans inzake ligging van de nutsleidingen van (de eerste verweerster) en de schade is ten deze doorbroken door de chronologisch laatste fout, te weten deze van 21 mei 1997 door (de eiseres), die bij het graven van een voorput voor het opsporen van nutsleidingen op een betonnen kanalisatie stoot en deze in afwijking van het gedrag van een zorgvuldig aannemer in dezelfde concrete omstandigheden doorboort. Er is bij gebreke van causaal verband tussen de aan (de eerste verweerster) verweten fout en de schade, zoals ze zich in concreto voordeed geen rechtsgrond om te oordelen dat (de eerste verweerster) geen aanspraak kan maken op integrale schadevergoeding" (arrest pp. 4-7). Eerste onderdeel Eiseres benadrukte in conclusie inzake de lastens eerste verweerster aangevoerde afwijking van de plans ten opzichte van de werkelijke ligging van de telefoonkabels: "(Dat de eiseres) (erop) mocht vertrouwen dat de planmatige ligging van de kabels van (de eerste verweerster) overeenstemde met de werkelijke ligging, (dat) de plannen van (de eerste verweerster) minstens geen afwijkingen zouden kennen groter dan 0,5 meter (dit is de maximale breedte van de machinaal gegraven sleuf)" (beroepsbesluiten p. 12, derde alinea); "(Dat) conform artikel 2.3 van de richtlijnen van (de eerste verweerster) de persoon die in de nabijheid van telefoonkabels grondwerken uitvoert slechts rekening (dient) te houden met afwijkingen van maximaal 50 cm: 2.3. Het spreekt vanzelf dat kabels nooit volkomen rechtlijnig liggen, maar onvermijdelijk kronkelingen vertonen die uiteraard de hele breedte van de kabelsleuf beslaan (doorgaans 30 à 50 cm)' (farde II, stuk 8)" (ibid. p. 13, derde alinea en p. 17, onderaan en p. 18, bovenaan); "(Dat de eiseres) werd geconfronteerd met telefoonkabels waarvan de werkelijke ligging beduidend afweek van de ligging op plan (afwijking van minimaal 1,3 meter). (...) Afwijkingen groter dan 0,5 m (dit is de maximale breedte van de machinaal gegraven sleuf) vallen buiten de toegelaten tolerantie" (ibid. p. 14, laatste alinea en p. 15, tweede alinea). Het bestreden arrest beslist dat er geen oorzakelijk verband is tussen de lastens de eerste verweerster aangevoerde fout en de schade, en neemt bij zijn beoordeling van dit oorzakelijk verband mede in aanmerking dat er in de door de eerste verweerster aan de opdrachtgever van de eiseres medegedeelde richtlijnen op wordt gewezen "dat de kabels in de nabijheid van lassen en andere uitrustingen meestal afbuigingen maken buiten het getekende tracé". Het bestreden arrest stelt evenwel niet vast dat te dezen de kabels ook daadwerkelijk "in de nabijheid van lassen en andere uitrustingen" waren gelegen. Om het bestaan te beoordelen van een oorzakelijk verband tussen een fout en de schade moet de rechter nochtans rekening houden met de concrete situatie, zoals die zich voordoet. De overweging in het bestreden arrest aangaande de richtlijnen van de eerste verweerster wat betreft "kabels in de nabijheid van lassen en andere uitrustingen" is, bij afwezigheid van vaststelling dat de litigieuze beschadigde kabels daadwerkelijk "in de nabijheid van lassen en andere uitrustingen" waren gelegen, dan ook zonder verband met het schadegeval zoals het zich heeft voorgedaan. Het bestreden arrest kon dan ook niet wettig het oorzakelijk verband tussen de lastens de eerste verweerster aangevoerde fout en de schade beoordelen op grond van de richtlijnen die het vaststelt (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). De beslissing is alleszins niet regelmatig met redenen omkleed, nu het bestreden arrest, op grond van de vermelding van een richtlijn van de eerste verweerster betreffende een feitelijke situatie waarvan het arrest niet vaststelt dat ze zich te dezen ook daadwerkelijk voordeed, niet te kennen geeft waarom andere of daarmee strijdige gegevens uit de voornoemde conclusie van eiseres niet kunnen worden aangenomen (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Tweede onderdeel Voor zover het Hof zou oordelen dat de redengeving van het bestreden arrest wel toelaat aan te nemen dat de appelrechters, impliciet maar zeker, aannemen dat de litigieuze beschadigde kabels ook daadwerkelijk "in de nabijheid van lassen en andere uitrustingen" gelegen waren, quod non, is de beslissing evenmin regelmatig met redenen omkleed. Wanneer de rechter zijn beslissing grondt op een feit dat hem uit eigen wetenschap of buiten de zitting bekend is en dat niet aan de tegenspraak van de partijen is onderworpen, schendt hij de artikelen 1315, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek. Bovendien verbiedt het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging de rechter zijn beslissing te steunen op feitelijke gegevens waarover partijen geen tegenspraak hebben kunnen voeren. Te dezen heeft geen enkele partij voor het hof van beroep aangevoerd dat de litigieuze beschadigde kabels "in de nabijheid van lassen en andere uitrustingen" waren gelegen. De eerste verweerster merkte inzonderheid inzake de afwijkingen van de plans in vergelijking met de werkelijke ligging van de kabels in conclusie enkel op: "(De eerste verweerster) wijst er immers op dat kabels, horizontaal, een afwijking kunnen hebben t.o.v. het plan, omdat kabels van de dikte als deze die beschadigd werden, nu eenmaal niet rechtlijnig te leggen zijn. Een afwijking is derhalve mogelijk" (appelverzoekschrift p. 3, sub II, vijfde en zesde alinea), terwijl de eiseres, in haar beroepsconclusie, inzake de vastgestelde afwijking van de plans, het verweer voerde zoals weergegeven in het eerste onderdeel en hier uitdrukkelijk hernomen. Het feit van de nabijheid van de litigieuze beschadigde kabels in het voetpad aan de Pelikaanstraat 61 te Antwerpen, bij "lassen en andere uitrustingen" is evenmin een algemeen bekend feit noch een ervaringsregel. Het bestreden arrest vermeldt niet op welke regelmatig aangevoerde gegevens het ter zake steunt om aan te nemen dat de litigieuze beschadigde kabels in de nabijheid van "lassen en andere uitrustingen" waren gelegen. Voor zover de redengeving van het arrest kan doen besluiten dat het hof van beroep impliciet doch zeker aanneemt dat de litigieuze beschadigde kabels in de nabijheid van "lassen en andere uitrustingen" gelegen waren, stelt zij het Hof derhalve in de onmogelijkheid na te gaan of de rechters hun buiten de algemene bekendheid vallende (impliciete) vaststelling laten steunen op regelmatig voor hen aangevoerde gegevens, dan wel op hun persoonlijke kennis van de plaatsgesteldheid, zodat het Hof zijn wettigheidscontrole onmogelijk kan uitoefenen en de beslissing om die reden niet regelmatig met redenen is omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Derde onderdeel In geval van verschillende fouten, staat het aan de rechter na te gaan of er een noodzakelijk verband bestaat tussen elke fout en de schade en, bijgevolg, voor elke vastgestelde fout na te gaan of die fout, los van de andere, de schade noodzakelijkerwijs heeft veroorzaakt, d.w.z. dat hij voor elke fout moet nagaan of de schade, zoals ze zich in concreto voordoet, ook zonder die fout zou zijn ontstaan. Uit de enkele omstandigheid dat de aangesprokene een fout in oorzakelijk verband met het ongeval heeft begaan, volgt niet dat er geen enkel oorzakelijk verband bestaat tussen de fout van het slachtoffer en datzelfde ongeval. Voor zover derhalve de motivering van een beslissing waarbij wordt aangenomen dat geen oorzakelijk verband bestaat tussen de fout van het slachtoffer en het ongeval uitsluitend betrekking heeft op de lastens de aangesprokene bewezen verklaarde fout, is de beslissing niet naar recht verantwoord, nu dit niet impliceert dat de schade zich zonder de aan de zijde van het slachtoffer vastgestelde fout toch zou hebben voorgedaan, zoals ze is ontstaan. Te dezen onderzoekt het bestreden arrest de door de eiseres lastens de eerste verweerster aangevoerde fout bestaande "uit het overleggen van plans met een afwijking van 1m30 ten opzichte van de werkelijke ligging van de telefoonkabels", en komt tot het besluit dat er geen oorzakelijk verband is "tussen de aan (de eerste verweerster) verweten fout en de schade, zoals ze zich in concreto voordeed". Het steunt deze beslissing op de overweging "(dat) het causaal verband tussen de aan (de eerste verweerster) verweten fout met betrekking tot de afwijking op de op 4 september 1996 aan TUC RAIL meegedeelde plans inzake ligging van de nutsleidingen van (de eerste verweerster) en de schade te dezen doorbroken (
  1. is)door de chronologisch laatste fout, te weten deze van 21 mei 1997 door (de eiseres), die bij het graven van een voorput voor het opsporen van nutsleidingen op een betonnen kanalisatie stoot en deze in afwijking van het gedrag van een zorgvuldige aannemer in dezelfde concrete omstandigheden doorboort". Deze redengeving heeft uitsluitend betrekking op de lastens de eiseres bewezen verklaarde fout, en impliceert niet dat de schade ook zonder de aan de eerste verweerster verweten fout zou ontstaan zijn, zoals ze zich heeft voorgedaan. De enkele omstandigheid dat de lastens de eiseres bewezen verklaarde fout chronologisch na de lastens de eerste verweerster aangevoerde fout is gesitueerd, volstaat niet om het oorzakelijk verband te verwerpen, nu elke fout, zonder dewelke de schade niet zou zijn ontstaan zoals ze zich heeft voorgedaan, oorzakelijk is, ongeacht de chronologie der fouten. Het bestreden arrest kon derhalve, uit de vaststellingen die het bevat, niet wettig afleiden dat de lastens de eerste verweerster aangevoerde fout niet mede een oorzaak van de schade is geweest en dat de eerste verweerster dienvolgens geen eigen aansprakelijkheid draagt voor de schade (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 6, 1108, 1126, 1134, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 3, 8, 11, 77, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst. - het algemeen rechtsbeginsel dat verbiedt uitspraak te doen over niet gevorderde zaken, dat onder meer vervat is in artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, dat onder meer vervat is in artikelen 807 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, ook beschikkingsbeginsel genaamd; - het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft; - het algemeen rechtsbeginsel "fraus omnia corrumpit". Bestreden beslissingen Het bestreden arrest verklaart het door de eiseres conservatoir hoger beroep ingesteld tegen de tweede verweerster toelaatbaar, doch ongegrond en het bestreden vonnis wijzigend, verklaart eiseres' vordering in vrijwaring tegen de tweede verweerster toelaatbaar, doch ongegrond, op de gronden weergegeven in het eerste middel en hier uitdrukkelijk als hernomen aangezien , alsook op volgende gronden: "8. Ten aanzien van het conservatoir beroep door (de eiseres) gericht tegen (de tweede verweerster). De vordering van (de eiseres) tegen (de tweede verweerster) gericht werd door de eerste rechter zonder voorwerp verklaard. De vordering strekte tot vrijwaring op grond van de verzekeringsovereenkomst afgesloten tussen (de eiseres) en (de tweede verweerster). (De tweede verweerster) voert als exceptie om bevrijd te zijn van de verbintenis om dekking te verlenen aan dat in de polis is voorzien dat (de eiseres) op straffe van verval alle nodige schikkingen dient te treffen om schade aan de leidingen te voorkomen. (De tweede verweerster) bewijst ten deze dat (de eiseres) niet alle nodige schikkingen heeft getroffen om schade aan leidingen te voorkomen. Wanneer ten deze (de eiseres) op 21 mei 1997 bij het maken van een voorput met het oog op het opsporen van nutsleidingen op beton stoot had zij als schikking moeten treffen deze betonnen kanalisatie voorzichtig te ontmantelen of minstens de houders van nutsleidingen had dienen te contacteren om de nutsleiding ter bescherming waarvan de betonnen kanalisatie was aangelegd niet te beschadigen. Nu (de tweede verweerster) bewijst dat de toepassingsvoorwaarden van deze contractuele bevrijdingsgrond van vrijwaring vervuld zijn is de vordering door (de eiseres) tegen (de tweede verweerster) gericht ongegrond" (arrest p. 8, sub 8). Grieven Eerste onderdeel Zoals blijkt uit de tweede verweersters' appelconclusie weigerde zij dekking van het schadegeval omdat de eiseres de bijzondere polisvoorwaarden niet zou hebben nageleefd. De tweede verweerster voerde inzonderheid in conclusie aan: "III. TEN GRONDE (De tweede verweerster) is van oordeel dat zij in onderhavig schadegeval om contractuele redenen niet kan gehouden zijn tot het verlenen van dekking. (De eiseres) betwist dit en houdt voor dat zij de polisvoorwaarden volledig heeft nageleefd: zij zou op het ogenblik van de sonderingen bijgestaan zijn door een aangestelde van de bouwheer, de NV TUC-rail. Deze laatste zou in het bezit geweest zijn van de liggingplans van de ondergrondse nutsleidingen en zou eveneens de plaatsen hebben aangeduid waar er moest gesondeerd worden. Tenslotte zou (de eiseres), voorafgaandelijk aan iedere sondering, een verkenningsput hebben gemaakt teneinde zich ervan te vergewissen dat er geen ondergrondse leidingen of kabels aanwezig waren. (De eiseres) is dan ook van oordeel dat de redenen die (de tweede verweerster) inroept om dekking te weigeren niet gegrond zouden zijn. Voornoemde argumentatie van (de eiseres) is niet correct. Zoals uit navolgende uiteenzetting zal blijken, heeft zij geenszins de bijzondere polisvoorwaarden nageleefd en kan (de tweede verweerster) dan ook in geen enkel opzicht tot dekking gehouden zijn. 1. Op pagina 4 van de bijzondere polisvoorwaarden worden ondubbelzinnig de voorwaarden bepaald waaraan door de verzekerde - onderschrijver (in casu (de eiseres)) moet worden voldaan opdat (de tweede verweerster) tussenkomst zou moeten verlenen in de vergoeding van toegebrachte schade aan ondergrondse kabels, leidingen en installaties (zie stuk 8 van de bundel van (de tweede verweerster)): 'De verzekerde - onderschrijver dient op straffe van verval: 1. in het bezit te zijn van de nodige inlichtingen en plannen voor de installaties welke hij schriftelijk dient aan te vragen zowel aan de maatschappijen of organismen van publiek belang (R.T.T. - gasmaatschappij - waterwerken elektriciteitsmaatschappij enz...) als aan de bouwheer. Deze inlichtingen en plannen moeten zich bevinden op de werf en de uitvoerders van het werk dienen er rekening mee te houden. 2. wanneer deze inlichtingen niet kunnen bekomen worden, tijdig per aangetekend schrijven de verscheidene belangenhebbende partijen en organismen, evenals de bouwheer op de hoogte te brengen van de begindatum der werken en elke aansprakelijkheid voor ongevallen, zowel voor schaden veroorzaakt aan de installaties als voor rechtstreekse of onrechtstreekse schaden die daaruit voortvloeien, afwijzen. 3. alle nodige schikkingen en voorzorgen te treffen om de schade aan leidingen te voorkomen. 4. bij ongeval, onmiddellijk, hetzij telefonisch, hetzij per telex of telegram de betrokken maatschappijen of organismen alsook de maatschappij De Schelde te verwittigen en het zo spoedig mogelijk te bevestigen' (onderstreping door (de tweede verweerster)). Voornoemde voorwaarden zijn duidelijk en ondubbelzinnig: de verzekerde dient zelf in het bezit te zijn van de nodige inlichtingen en plannen betreffende de eventuele aanwezige installaties en hij dient deze schriftelijk aan te vragen zowel aan de betrokken maatschappijen of organismen van publiek belang als aan de bouwheer. Bijkomend moeten de plannen zich bevinden op de werf en er dient uiteraard ook rekening mee te worden gehouden. Bij gebreke aan het bekomen van voornoemde inlichtingen, dienen per aangetekend schrijven de betrokken maatschappijen of organismen van publiek belang en de bouwheer hiervan op de hoogte te worden gebracht en dient elke aansprakelijkheid voor ongevallen schriftelijk te worden afgewezen. 2. Na kennisname van alle elementen van het dossier en in het bijzonder het deskundig verslag van expert O.A.diende (de tweede verweerster) vast te stellen dat door haar verzekerde niet werd voldaan aan voornoemde bijzondere voorwaarden. (De eiseres), evenals haar makelaar en (de eerste verweerster) werden hiervan door (de tweede verweerster) onmiddellijk op de hoogte gebracht bij brieven van 23 november 1999, waarin nauwkeurig de weigering tot dekking werd omschreven (zie stukken 7 a, b, en c van de bundel van (de tweede verweerster)): 'Nader onderzoek heeft uitgewezen dat U bij een sonderingsproef in verschillende functiekabels van Belgacom geboord heeft. Dit gebeurde zonder voorafgaande kennis van de ondergrond, zonder schriftelijke overeenkomst met een derde die de verantwoordelijkheid op zich neemt, en zonder enige planaanvraag aan enige bevoegde instanties. Dienaangaande verwijzen wij dan ook naar pagina 4 van het onderschreven contract dewelke U verplichtte in het bezit te zijn van de nodige inlichtingen en plannen voor de ondergrondse installaties en U alle nodige schikkingen en voorzorgen moest treffen om schade aan leidingen te voorkomen. Gezien voorgaande blijft de schade uitgesloten van verzekeringsdekking (...)' Er kon derhalve in hoofde van (de eiseres) niet de minste twijfel bestaan omtrent de inhoud van de 'contractuele redenen' op grond waarvan dekking werd geweigerd. 3. Uit het verloop van de onderzoeksverrichtingen van deskundige O.A.blijkt dat (de eiseres), in weerwil van haar beweringen terzake, geenszins aan haar verplichtingen had voldaan teneinde iedere schade aan ondergrondse leidingen te voorkomen: zoals hoger uiteengezet, diende zij zelf schriftelijk de nodige plannen en inlichtingen in te winnen bij de betrokken maatschappijen of organismen van publiek belang. (De eiseres) houdt voor dat de bewuste plannen werden aangevraagd door haar bouwheer, NV TUC-rail, en dat deze laatste zorgde voor de aanwezigheid ervan op de werf. Nochtans werd door deskundige O.A.diverse malen aangedrongen op mededeling van de nodige bewijsstukken ter staving van voornoemde beweringen (zie brieven van 20 november 1997 en 1 december 1997 - stukken 5 a en b van het dossier van (de tweede verweerster)), doch alle verzoeken hiertoe bleven zonder gevolg: '... Volgens Ir. D. van (de eiseres) was er op voorhand overeengekomen dat de NV TUC-rail, voor wiens behoefte de grondsondering werd gemaakt, de uitvoeringsplaats van de sondering zou aanduiden, en dat (de eiseres) geen verantwoordelijkheid zou dragen voor eventuele schade aan ondergrondse leidingen. (De eiseres) heeft na het schadegeval de brief in bijlage 8 aan de dienst Geotechniek verstuurd. Wij bezitten geen schriftelijke overeenkomsten die dateren van voor het schadegeval. Er zijn door (de eiseres) geen liggingsplan aangevraagd (...). Het lijkt erop dat niemand op voorhand de ondergrond bestudeerd heeft en de liggingsplans betreffende de leidingen en kabels in de ondergrond evenmin". (...) - anderzijds stipuleren de bijzondere polisvoorwaarden duidelijk dat bij gebreke aan het bekomen van de gevraagde inlichtingen, iedere aansprakelijkheid voor gebeurlijke schade schriftelijk bij aangetekende zending moet worden afgewezen opzichtens de betrokken maatschappijen of organismen van publiek belang en opzichtens de bouwheer. Ook hier dient vastgesteld dat (de eiseres) deze voorwaarden niet heeft nageleefd: zij heeft weliswaar na het schadegeval een schrijven gericht aan de dienst geotechniek ter bevestiging van de beweerde, voorafgemaakte afspraken, doch uiteraard vormt zulks geen bewijs gelet op het totaal éénzijdig karakter ervan en de afwezigheid van enige bevestiging vanwege de bouwheer. Gelet op het voorgaande, staat vast dat (de eiseres) de bijzondere polisvoorwaarden niet heeft nageleefd en dat (de tweede verweerster) in het kader van het afgesloten verzekeringscontract wegens verval van dekking geenszins kan aangesproken worden om haar verzekerde, bij een gebeurlijke veroordeling, te vrijwaren". (appelconclusie tweede verweerster pp. 4-7). Uit de appelconclusie van de tweede verweerster blijkt dan ook dat zij dekking weigerde omdat de eiseres zou nagelaten hebben, voorafgaand aan de uitvoering der werken, schriftelijk de nodige plannen en inlichtingen in te winnen bij de eerste verweerster, en de eiseres, bij gebreke aan inlichtingen, ook zou nagelaten hebben iedere aansprakelijkheid voor gebeurlijke schade af te wijzen bij schriftelijke aangetekende zending aan de eerste verweerster. Het bestreden arrest weerhoudt, noch op de hoofdvordering van de eerste verweerster, noch in het kader van de vordering in vrijwaring van de eiseres tegen de tweede verweerster, dat de eiseres de werken zou hebben uitgevoerd zonder in het bezit te zijn van de plannen en inlichtingen van de eerste verweerster. Het stelt overigens uitdrukkelijk vast dat de opdrachtgever van de eiseres de plannen van de nutsleidingen van de eerste verweerster bij de eerste verweerster, op 13 augustus 1996, heeft aangevraagd, dat de eerste verweerster op 4 september 1996 deze plannen heeft medegedeeld aan de opdrachtgever van de eiseres, en dat op 16 mei 1997 door de opdrachtgever van de eiseres 29 planuittreksels werden overgemaakt aan de eiseres. Het onderzoekt bovendien of de eiseres zich in een toestand van overmacht bevond omdat de werkelijke ligging van de kabel van de eerste verweerster 1,3 meter zou afgeweken hebben van de ligging op de overgelegde plans, en of de eerste verweerster een fout in oorzakelijk verband kan verweten worden door het overleggen van plans, op 4 september 1996, met een afwijking van 1,3 meter ten opzichte van de werkelijke ligging. Het bestreden arrest weerhoudt op de hoofdvordering van de eerste verweerster dat de eiseres, toen zij bij het maken van de voorputten gestoten is op beton, deze betonnen kanalisatie heeft doorboord. De eiseres zou aldus niet gehandeld hebben zoals van "een normaal zorgvuldig en omzichtig aannemer in dezelfde concrete omstandigheden" mag verwacht worden. Wat betreft eiseres' vordering in vrijwaring tegen haar verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid-uitbating, neemt het bestreden arrest aan dat de tweede verweerster als exceptie aanvoert om bevrijd te zijn van de verbintenis tot dekking, "dat in de polis is voorzien dat (de eiseres) op straffe van verval alle nodige schikkingen dient te treffen om schade aan de leidingen te voorkomen". De tweede verweerster bewijst, volgens het bestreden arrest, "dat (de eiseres) niet alle nodige schikkingen heeft getroffen om schade aan leidingen te voorkomen", en neemt hierbij in aanmerking, niet dat de eiseres, voorafgaand de werken, geen plannen en inlichtingen zou hebben opgevraagd bij de eerste verweerster of zou nagelaten hebben zich van elke aansprakelijkheid voor schade te laten bevrijden, maar wel dat de eiseres, toen zij, op 21 mei 1997, bij het maken van een voorput met het oog op het opsporen van nutsleidingen op beton gestoten is, niet alle schikkingen heeft getroffen om deze betonnen kanalisatie voorzichtig te ontmantelen of minstens dat de eiseres, om de nutsleidingen ter bescherming waarvan de betonnen kanalisatie was aangelegd niet te beschadigen, heeft nagelaten de houders van nutsleidingen te contacteren. Het bestreden arrest acht aldus een niet door de tweede verweerster ingeroepen contractuele bevrijdingsgrond bewezen, of minstens de contractuele bevrijdingsgrond bewezen op grond van feiten die niet door de tweede verweerster ter staving van haar exceptie werden aangevoerd. Voor zover het bestreden arrest aldus, impliciet doch zeker, aanneemt dat de tweede verweerster aanvoerde niet tot dekking te zijn gehouden omdat de eiseres niet alle nodige schikkingen had getroffen om schade aan de leidingen te voorkomen, zoals op straffe van verval opgelegd in de bijzondere polisvoorwaarden, omdat zij op het ogenblik dat zij bij het maken van de voorput op beton is gestoten, het beton niet voorzichtig heeft ontmanteld of de houders van nutsleidingen niet heeft gecontacteerd, miskent het de bewijskracht van de tweede verweersters beroepsconclusie door hieraan een uitlegging te geven die niet verenigbaar is met de inhoud en draagwijdte ervan (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Door de afwijzing van eiseres' vordering in vrijwaring te gronden op een exceptie van bevrijding dekking te verlenen, die niet door de tweede verweerster is aangevoerd, of minstens op grond van feiten die niet door de tweede verweerster ter staving van haar exceptie van bevrijding dekking te verlenen, werden aangevoerd, - doet het bestreden arrest uitspraak over niet gevorderde zaken (schending van artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel dat verbiedt uitspraak te doen over niet gevorderde zaken, dat onder meer vervat is in artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek); - werpt het ambtshalve een geschil op, uitgesloten door de conclusies van partijen, en miskent het het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, dat onder meer vervat is in de artikelen 807 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, ook beschikkingsbeginsel genaamd, alsook de eiseres' recht van verdediging door haar niet in de gelegenheid te stellen terzake verweer te voeren (schending van het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft). Tweede onderdeel Luidens artikel 77 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, beoogt de aansprakelijkheidsverzekering de verzekerde dekking te geven tegen alle vorderingen tot vergoeding wegens het voorvallen van de schade die in de overeenkomst is beschreven, en zijn vermogen te vrijwaren, binnen de grenzen van de dekking, tegen alle schulden uit een vaststaande aansprakelijkheid. Krachtens artikel 11 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst mag in de verzekeringsovereenkomst geen geheel of gedeeltelijk verval van het recht op verzekeringsprestatie bedongen worden dan wegens niet-nakoming van "een bepaalde", in de overeenkomst opgelegde verplichting, en mits er een oorzakelijk verband bestaat tussen de tekortkoming en het schadegeval. Dit voorschrift is van dwingend recht (artikel 3 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst). De op straffe van verval opgelegde verplichting is slechts "bepaald" in de zin van voornoemd artikel 11, wanneer ze voldoende nauwkeurig omschreven is. Een in algemene bewoordingen op straffe van verval gestelde verplichting tot het treffen van alle nodige schikkingen om schade te voorkomen, voldoet niet aan deze vereiste. Bovendien is de verzekeraar, in toepassing van artikel 8, tweede lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, gehouden tot dekking wanneer de schade veroorzaakt is door de schuld, zelfs de grove schuld, van de verzekerde. Zoals blijkt uit de voorbereidende werken van de wet op de landverzekeringsovereenkomst heeft de wetgever, wat betreft de aansprakelijkheids-verzekering, die precies tot doel heeft de schuld van de verzekerde te dekken, met het voorschrift van artikel 8, tweede lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, willen vermijden dat de verzekering de onzorgvuldigheid, zelfs de grove onzorgvuldigheid, niet dekt. Wat betreft de "grove schuld" wordt deze doelstelling gerealiseerd door het uitdrukkelijk voorschrift van artikel 8, tweede lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, ten gevolge waarvan de verzekeraar zich slechts van zijn verplichtingen kan bevrijden "voor de gevallen van grove schuld die op uitdrukkelijke en beperkende wijze in de overeenkomst zijn bepaald". Ten aanzien van de "lichte" schuld wordt deze doelstelling, in het kader van clausules van verval van het recht op dekking, gerealiseerd door de voornoemde vereiste dat het verval slechts kan bedongen worden "wegens niet-nakoming van een bepaalde, in de overeenkomst opgelegde verplichting". Tenslotte mag de rechter, in toepassing van de artikelen 6, 1108, 1126 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel "fraus omnia corrumpit", ook geen uitwerking verlenen aan een beding in de overeenkomst dat het voorwerp van de overeenkomst teniet doet. In een verzekeringsovereenkomst waarbij de schade veroorzaakt door de fout van de verzekerde wordt gedekt, doet het beding dat in algemene bewoordingen het verval van dekking voorziet wanneer de verzekerde "niet alle nodige schikkingen treft om schade te voorkomen", het voorwerp zelf van de overeenkomst teniet, en kan hieraan derhalve geen uitwerking worden verleend. Te dezen impliceren de vaststellingen en overwegingen van het bestreden arrest dat het litigieuze schadegeval, waarbij de eiseres bij de uitvoering van een aannemingsopdracht schade veroorzaakte aan de ondergrondse kabels van de eerste verweerster, in principe gedekt is door de verzekeringspolis "burgerlijke aansprakelijkheid uitbating" door de eiseres aangegaan met de tweede verweerster. Het bestreden arrest verwerpt de eiseres' vordering in vrijwaring tegen de tweede verweerster, op grond van een clausule in de bijzondere polisvoorwaarden die de eiseres, "op straffe van verval", verplicht "alle nodige schikkingen te treffen om schade aan de leidingen te voorkomen". Het kent een algemene en onbepaalde draagwijdte toe aan deze grond van verval door, voor de toepassing ervan, te onderzoeken welke schikkingen de eiseres, in de gegeven omstandigheden van het ongeval, had moeten treffen om schade te voorkomen, en de omstandigheden te weerhouden dat de eiseres de betonnen kanalisatie waarop zij gestoten is bij het maken van een voorput op 21 mei 1997, "niet voorzichtig" heeft ontmanteld, en dat de eiseres minstens heeft nagelaten de houders van de nutsleidingen, op het ogenblik dat zij op beton is gestoten, te contacteren. Het bestreden arrest kwalificeert diezelfde omstandigheden als een inbreuk op de algemene zorgvuldigheidsnorm, op grond waarvan het de burgerlijke aansprakelijkheid van de eiseres opzichtens de eerste verweerster weerhoudt (artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek), en op grond waarvan het, impliciet doch zeker, de principiële gehoudenheid van de tweede verweerster, op grond van de polis burgerlijke aansprakelijkheid uitbating, weerhoudt. Uit het bestreden arrest blijkt derhalve dat de toegepaste vervalclausule geen "bepaalde", in de overeenkomst opgelegde verplichting, sanctioneert, maar de miskenning van een onbepaalde verplichting "alle nodige schikkingen te treffen om schade aan de leidingen te voorkomen", en dat de appelrechters de tweede verweerster, als verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid, bevrijd verklaren van haar verplichtingen dekking te verlenen, wegens een lichte schuld van haar verzekerde. Door, op grond van de vaststellingen die het bevat, uitwerking te verlenen aan- en toepassing te maken van de vervalclausule, en eiseres' vordering in vrijwaring tegen de tweede verweerster te verwerpen, - schendt het bestreden arrest de artikelen 3 en 11 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst die, op dwingende wijze, slechts verval van het recht op verzekeringsprestatie toelaten van een in de verzekeringsovereenkomst "bepaalde" verplichting; - schendt het de artikelen 3, 8, tweede lid, 11 en 77 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, die de verzekeraar op dwingende wijze tot vergoeding verplichten van de door "de schuld" van de verzekerde veroorzaakte schade; - miskent het bestreden arrest de artikelen 6, 1108, 1126 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel "fraus omnia corrumpit", op grond waarvan het de rechter verboden is uitwerking te verlenen aan een beding in de verzekeringsovereenkomst dat het voorwerp van de overeenkomst teniet doet. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Derde onderdeel 1. Eenieder die een fout heeft begaan is aansprakelijk voor de veroorzaakte schade, ook al is de schade mede veroorzaakt door de fout van een derde. Het oorzakelijk verband tussen een fout en de geleden schade kan slechts worden uitgesloten als de rechter vaststelt dat de schade zoals ze zich in concreto voordeed, op dezelfde wijze zou zijn ontstaan zonder die fout. Uit de enkele omstandigheid dat een fout nadien gevolgd wordt door de fout van een andere partij, kan niet worden afgeleid dat er geen causaal verband bestaat tussen de eerste fout en de schade. 2. Het arrest sluit niet uit dat de eerste verweerster een fout heeft begaan, maar oordeelt dat "het causaal verband tussen de aan (de eerste verweerster) verweten fout met betrekking tot de afwijkingen op de op 4 september 1996 aan TUC RAIL meegedeelde plans inzake ligging van de nutsleidingen van (de eerste verweerster) en de schade (...) ten deze (
  2. is)doorbroken door de chronologische laatste fout, te weten deze van 21 mei 1997 door (de eiseres)". Het arrest schendt aldus de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Het onderdeel is gegrond. Tweede middel Tweede onderdeel Ontvankelijkheid van het onderdeel 3. De tweede verweerster werpt op dat het onderdeel niet ontvankelijk is omdat het nieuw is en een onderzoek van feiten vraagt. 4. Artikel 11 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst is van dwingend recht in het belang van de verzekerde, zodat de eiseres gerechtigd is de schending van deze bepaling voor het eerst voor het Hof aan te voeren. Voor het overige vraagt het onderdeel geen beoordeling van feiten. De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen. Het onderdeel zelf 5. Krachtens artikel 77 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst is een aansprakelijkheidsverzekering een verzekeringsovereenkomst die ertoe strekt de verzekerde dekking te geven tegen alle vorderingen tot vergoeding wegens het voorvallen van de schade die in de overeenkomst is beschreven, en zijn vermogen binnen de grenzen van de dekking te vrijwaren tegen alle schulden uit een vaststaande aansprakelijkheid. Krachtens artikel 8, tweede lid, van voornoemde wet dekt de verzekeraar de schade veroorzaakt door de schuld, zelfs de grove schuld, van de verzekeringnemer, van de verzekerde of van de begunstigde. Volgens diezelfde bepaling kan de verzekeraar zich enkel van zijn verplichtingen bevrijden voor de gevallen van grove schuld die op uitdrukkelijke en beperkende wijze in de overeenkomst zijn bepaald. Hieruit volgt dat de lichte fout steeds gedekt is. 6. Krachtens artikel 11 van voornoemde wet mag in de verzekeringsovereenkomst geen geheel of gedeeltelijk verval van het recht op verzekeringsprestatie bedongen worden dan wegens niet-nakoming van een bepaalde, in de overeenkomst opgelegde verplichting, en mits er een oorzakelijk verband bestaat tussen de tekortkoming en het schadegeval. 7. Uit het onderling verband tussen deze bepalingen van dwingend recht volgt dat de verzekeraar de miskenning van een algemeen geformuleerde zorgvuldigheidsverplichting niet mag bedingen als grond tot verval van het recht op verzekeringsprestatie. 8. Enerzijds beslissen de appelrechters dat de eiseres aansprakelijk is voor de door de eerste verweerster geleden schade omdat "een normaal zorgvuldig en omzichtig aannemer in dezelfde concrete omstandigheden bij het graven van een voorput, die volgens de contractuele instructies met de opdrachtgever omwille van het risico van beschadiging van nutsleidingen met mankracht dient te worden gegraven, en die stoot op een stuk beton, dit stuk beton met mankracht (zou) hebben verwijderd en een normaal zorgvuldig en omzichtig aannemer aldaar indien het beton niet met mankracht zou kunnen worden verwijderd de houders van nutsleidingen (zou) hebben geraadpleegd alvorens aan doorboringen van de betonnen kanalisatie te doen". Anderzijds beslissen zij op grond van dezelfde overwegingen dat de tweede verweerster bevrijd is van de verbintenis om dekking te verlenen op grond van een clausule in de verzekeringsovereenkomst die de eiseres verplicht om alle nodige schikkingen te treffen om schade aan leidingen te voorkomen. 9. Het arrest dat uitwerking verleent aan de vervalclausule die de miskenning van een algemeen geformuleerde zorgvuldigheidsverplichting sanctioneert, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven 10. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep niet ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 12 januari 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070112.1 Gerelateerde publicatie(
  3. s)geciteerd door: ECLI:BE:CAMON:2016:ARR.20160908.1 ECLI:BE:CAMON:2016:ARR.20161025.13 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110216.7 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201110.2N.9 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250310.3F.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961220.10 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990324.6 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000522.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070619.1 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090329.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.