← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070112.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070112.4 Rolnummer: C.06.0012.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-01-31 Raadplegingen: 519 - laatst gezien 2026-07-04 02:44 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070112.4 Fiches 1 - 2 Het cassatiemiddel van de partij die een rechter wraakt, afgeleid uit de nietigheid van de procedure van wraking, omdat de tegenpartij niet werd opgeroepen om tegenspraak te voeren betreffende de gevorderde wraking, is bij gebrek aan belang bij deze kritiek niet ontvankelijk

(1).
(1)Zie de conclusie O.M. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Oproepverplichting - Verzuim - Cassatiemiddel - Belang - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 838, tweede lid Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Belang Vrije woorden: Wraking - Oproepverplichting - Verzuim - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 838, tweede lid Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. DUBRULLE, Cass., 12 jan. 2007, AR C.06.0012.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Oproepverplichting - Verzuim - Cassatiemiddel - Belang - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Belang Vrije woorden: Wraking - Oproepverplichting - Verzuim - Ontvankelijkheid Tekst van de beslissing Nr. C.06.0012.N OUD HUIS DE PEELLAERT, met zetel te 8400 Oostende, Troonstraat 60, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen GLOBAL HOTELINTERIORS, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 8680 Koekelare, Warandestraat 25, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 6 oktober 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 780, eerste lid, 2°, en 838, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep verklaart in het aangevochten arrest de vordering tot wraking door de eiseres ingesteld ongegrond en veroordeelt haar in de kosten, zonder de tegenpartij in het bodemgeschil te laten oproepen om haar opmerkingen te aanhoren; het arrest werd derhalve enkel gewezen ten aanzien van de eiseres. Grieven
  1. Overeenkomstig artikel 838, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt over de wraking uitspraak gedaan binnen acht dagen en in laatste aanleg "door de rechtbank van eerste aanleg, door het hof van beroep, door het arbeidshof of door het Hof van Cassatie, naar gelang van het geval, op de conclusie van het openbaar ministerie, nadat de partijen behoorlijk zijn opgeroepen om hun opmerkingen te horen". Bijgevolg is de wrakingsprocedure een tegensprekelijke procedure tussen de partijen in het hoofdgeschil. Uit geen enkel stuk waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt echter dat de verweerster werd opgeroepen ter zitting van 29 september 2005 (dit in tegenstelling tot de eiseres die op 26 september 2005 door de betrokken griffier van het hof van beroep werd opgeroepen). Aldus is niet voldaan aan de substantiële vereiste, voorgeschreven door artikel 838, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek dat partijen behoorlijk dienen opgeroepen ter zitting teneinde hun opmerkingen te aanhoren.
  2. Bijgevolg is evenmin voldaan aan het voorschrift van artikel 780, eerste lid, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek dat het vonnis "de naam, de voornaam en de woonplaats die de partijen bij hun verschijning en hun conclusies hebben opgegeven;" vermeldt. Het aangevochten arrest bevat inderdaad geen opgave van "de naam, de voornaam en de woonplaats" van de verweerster. De opname van deze gegevens geldt naar luid van diezelfde wetsbepaling op straffe van nietigheid van het vonnis. Uit dit alles volgt dan ook dat het aangevochten arrest, wegens niet naleving van deze vormvoorschriften, nietig is (schending van de artikelen 780, eerste lid, 2°, en 838, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 297, 735, §3, 740 en 828, 9°, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel betreffende de autonomie van de procespartijen, ook beschikkingsbeginsel' genoemd, zoals dit o.m. wordt bevestigd in artikel 1138, 2° en 3°, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht van verdediging. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep verklaart de vordering tot wraking van de eiseres ongegrond en veroordeelt haar in de kosten, o.m. op volgende gronden: "
  3. De redenen tot wraking worden in de artikelen 828-829 van het Gerechtelijk Wetboek beperkend opgesomd. In het verzoekschrift wordt artikel 828, 9°, van het Gerechtelijk Wetboek als grond tot wraking aangevoerd volgens hetwelk de rechter kan worden gewraakt indien hij raad heeft gegeven. Het vermelden door rechter M. B. aan partij Van Reck Hotelinteriors BVBA van de procedurele mogelijkheid te vragen de besluiten uit de debatten te weren, wordt door verzoekster ten onrechte gezien als het geven van raad, het geven van actieve bijstand aan partij Van Reck Hotelinteriors BVBA. Rechter M. B. heeft louter aanwijzingen gegeven hoe de procedure verder kon verlopen (zie zittingsbladen). Met zijn tussenkomst heeft hij geenszins partij gekozen, noch enig standpunt ingenomen m.b.t. de grond van de zaak. Verzoekster toont niet aan dat er omstandigheden zijn, die gerechtvaardigde twijfel doen ontstaan over de onpartijdigheid of de onafhankelijkheid van Voorzitter M. B.. De vraag tot wraking t.a.v. hem is dan ook ongegrond". Grieven
  4. Volgens artikel 297 van het Gerechtelijk Wetboek mogen de leden van de hoven en rechtbanken mondeling, noch schriftelijk de verdediging van de partijen voeren en mogen zij hun geen consult geven. Volgens artikel 828, 9°, van hetzelfde wetboek, dat nauw verband houdt met voormeld artikel 297, kan iedere rechter worden gewraakt o.m. wanneer hij "raad gegeven heeft over het geschil". Deze wrakingsgrond berust op een vermoeden van partijdigheid van een rechter die, door de raad die hij aan één van de partijen geeft, ten aanzien van de andere partij de indruk of de schijn wekt dat hij niet meer volledig objectief, met de nodige onafhankelijkheid en onpartijdigheid, over de zaak zal oordelen. Te dezen stelt het hof van beroep in het aangevochten arrest vast dat de betrokken rechter aan de verweerster "de procedurele mogelijkheid te vragen de besluiten (van de eiseres die zij op 31 augustus 2005 ter griffie had neergelegd) uit de debatten te weren" heeft meegedeeld. In zijn schriftelijke verklaring erkent rechter B.: "Denkelijk heb ik Mter. G.
(2)dan gewezen op de procedurele mogelijkheid om de wering van de besluiten uit de debatten te vragen, indien zij de zaak alsnog voor de Eerste Kamer wenste behandeld te zien". 2. De rechter hoeft geen acht te slaan en niet te antwoorden op een uit het debat geweerde conclusie van een partij. Het spreekt dan ook vanzelf dat die maatregel bedoelde partij benadeelt en de tegenpartij bevoordeelt. In voorkomend geval zal de rechter het geschil ten gronde immers kunnen beslechten zonder acht te moeten slaan op de daarin aangevoerde middelen of verweermiddelen ten gronde, noch op de bijgevoegde stukken van eerstgenoemde partij. 3. Uit artikel 735, §3, van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat, wanneer een zaak ‘in korte debatten' werd ingeleid - zoals te dezen het geval was - en wanneer de partijen conclusies nemen, zij die slechts moeten ‘overhandigen aan de rechter, die ze voor gezien tekent'. De wet schrijft verder geen enkele termijn voor waarbinnen die conclusies dienen te worden neergelegd en meegedeeld en voorziet niet in de mogelijkheid van het ambtshalve weren van een conclusie uit het debat, behalve indien zij niet vóór de sluiting van het debat is overgelegd (zie art. 740 Ger. W.). In de regel kan een conclusie die - zoals te dezen het geval was - in dergelijke rechtspleging reeds vóór de terechtzitting ter griffie was neergelegd samen met een inventaris, door de rechter dus niet zonder meer uit het debat worden geweerd, tenzij een partij hierom uitdrukkelijk verzoekt. 4. Bij toepassing van het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen of het ‘beschikkingsbeginsel' en van het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht van verdediging, komt het dus, in een rechtspleging die geregeld wordt door artikel 735, §1 tot 3, van het Gerechtelijk Wetboek, niet de rechter toe aan een partij te suggereren dat zij hem zou vragen dat een conclusie uit het debat zou worden geweerd teneinde de zaak alsnog te kunnen behandelen op de vastgestelde terechtzitting. Het behoort uitsluitend één van de gedingvoerende partijen eventueel te vragen dat een conclusie van de tegenpartij uit het debat zou worden geweerd, in welk geval deze laatste het recht heeft hierover haar standpunt te laten kennen aan de rechter. 5. Indien de rechter niettemin, in strijd met deze regels, aan een partij suggereert dat zij hem zou vragen om een conclusie van de tegenpartij uit het debat te weren, stelt hij zich niet langer onpartijdig op, nu hij zich door het geven van een "raad" aan één van de gedingvoerende partijen mengt in een debat tussen partijen dat wel degelijk m.b.t. de beslechting van het geschil ten gronde voor de ene partij een nadeel en voor de andere partij een voordeel oplevert. Minstens verwekt hij hierdoor de indruk dat hij niet geschikt is om met de nodige onafhankelijkheid en onpartijdigheid te oordelen. Besluit Uit dit alles volgt derhalve: (
  1. a)dat de suggestie van een rechter ten aanzien van een partij in verband met de procedurele mogelijkheid te vragen dat een conclusie van de tegenpartij uit het debat zou worden geweerd, in strijd met de aangevochten beslissing, wel degelijk valt onder het "geven van raad over het geschil" in de zin van artikel 828, 9°, van het Gerechtelijk Wetboek (schending van deze wetsbepaling alsmede van artikel 297 van het Gerechtelijk Wetboek); (
  2. b)dat de rechter, die dergelijke "aanwijzing" geeft over het "verder verloop van de procedure" in een rechtspleging die geregeld wordt door artikel 735, §1 tot 3 en 740 van het Gerechtelijk Wetboek, anders dan het aangevochten arrest beslist, "partij kiest" en een standpunt inneemt dat een rechtstreekse invloed kan hebben op de beslechting van de grond van het geschil (schending van de artikelen 297, 735, §3, 740 en 828, 9°, van het Gerechtelijk Wetboek), en (
  3. c)dat, nu uit de artikelen 735, §3, en 740 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat het uitsluitend één van de gedingvoerende partijen behoort eventueel te vragen dat een conclusie van de tegenpartij uit het debat zou worden geweerd, die rechter bovendien door die eenzijdige raadgeving, in strijd met de aangevochten beslissing, minstens de schijn verwekt niet langer volledig onafhankelijk en onpartijdig te kunnen oordelen over het geschil dat partijen bij hem aanhangig hebben gemaakt (schending van de artikelen 297 en 828, 9°, van het Gerechtelijk Wetboek, van het beschikkingsbeginsel en van het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht van verdediging). Om elk van deze redenen is het aangevochten arrest dus niet naar recht verantwoord. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel werpt in eerste orde de nietigheid op van de procedure van wraking omdat de verweerster met schending van artikel 838, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet is opgeroepen voor de bevoegde rechtsinstantie. 2. De eiseres heeft geen belang bij de kritiek dat de tegenpartij niet werd opgeroepen om tegenspraak te voeren betreffende de gevorderde wraking. 3. Het middel werpt als tweede grief op dat het bestreden arrest artikel 780 van het Gerechtelijk Wetboek schendt doordat de naam, de voornaam en de woonplaats van de verweerster niet wordt vermeld. Die grief wordt voorafgegaan door de uitdrukking "bijgevolg" en is afgeleid uit de stelling dat de wederpartij moest worden opgeroepen. Aangezien de grief dat de wederpartij moest worden opgeroepen, niet ontvankelijk is, is deze grief eveneens niet ontvankelijk. 4. Het middel is niet ontvankelijk. Tweede middel 5. Het middel gaat ervan uit dat de rechter wiens wraking wordt voorgedragen aan de verweerster gesuggereerd heeft hem te vragen eiseres' conclusie uit het debat te weren. 6. Het arrest oordeelt evenwel, dat die rechter "louter aanwijzingen (heeft) gegeven hoe de procedure verder kon verlopen (zie zittingsbladen)". Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 460,31 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 12 januari 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070112.4 Gerelateerde publicatie(
  4. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070112.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080131.6 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20111006.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.