← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070116.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070116.1 Rolnummer: P.06.1398.N-P.06.1493.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-02-23 Raadplegingen: 496 - laatst gezien 2026-07-04 05:13 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De voorzitter van het hof van assisen die belast is met de leiding van het debat, is verplicht een op onregelmatige wijze afgelegde verklaring van een getuige te vernietigen en vervolgens te handelen zoals de wet voorschrijft

(1).
(1)Cass., 23 sept. 1986, AR 690, nr 43; zie Cass., 24 feb. 1981, A.C., 1980-1981, 720. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Vrije woorden: Debatten geleid door de voorzitter - Onregelmatige verklaring van een getuige - Opdracht van de voorzitter Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 317 en 322 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 2 Wanneer de nietigheid van een verklaring onder eed, afgelegd op de rechtszitting, wettig werd vastgesteld en de getuige op een latere rechtszitting zonder eedaflegging regelmatig werd verhoord zonder verzet vanwege één der partijen, is de rechtspleging door geen nietigheid aangetast
(1).
(1)Zie Cass., 6 sept. 1976, A.C., 1977, 14; Cass., 1 maart 1954, A.C., 1954, 442. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Vrije woorden: Nietigheid van een verklaring onder eed - Vaststelling - Nieuwe verklaring zonder eedaflegging - Geen verzet Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 317 en 322 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 3 De vormvereiste van artikel 316, Wetboek van Strafvordering is noch substantieel, noch op straffe van nietigheid voorgeschreven
(1).
(1)Zie Cass., 26 juni 2001, AR P.01.0561.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010626.10, nr 398; Cass., 23 sept. 2003, AR P.03.0627.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030923.7, nr
  1. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Vrije woorden: Behandeling ter zitting - Getuigen - Aanwezigheid in de zittingszaal - Verbod - Aard Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 316 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.06.1398.N - Nr. P.06.1493.N I-VIII-IX-X W. S. Y., beschuldigde, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Tom Bauwens, advocaat bij de balie te Brussel. II-III-IV-V-VI-VII B. A. E. E., beschuldigde, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Nathalie Gallant, advocaat bij de balie te Brussel, ter rechtszitting bijgestaan door mr. Didier De Quévy, advocaat bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I (aktenummer 98 van 17 oktober 2006) en IX (aktenummer 5953 van 13 november 2006) van de eiser Y. en de cassatieberoepen V (aktenummer 104 van 26 oktober 2006) en VI (aktenummer 5804 van 26 oktober 2006) van de eiser A. E. E. zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Assisen van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad van 11 oktober 2006, dat uitspraak doet over de tegen de eisers ingestelde strafvordering. Het cassatieberoep II (aktenummer 5805 van 26 oktober 2006) van de eiser A. E. E. en het cassatieberoep X (aktenummer 5954 van 13 november 2006) van de eiser Y. zijn gericht tegen de beschikking van de voorzitter van het Hof van Assisen van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad van 16 januari 2006, dat uitspraak doet over het verzoek van de eiser Y. tot taalwijziging. Het cassatieberoep III (aktenummer 5806 van 26 oktober 2006) van de eiser A. E. E. en het cassatieberoep VIII (aktenummer 5952 van 13 november 2006) van de eiser Y. zijn gericht tegen de beschikking van de voorzitter van het Hof van Assisen van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad van 17 mei 2006, die uitspraak doet over het verzoek van de eiser A. E. E. tot taalwijziging. Het cassatieberoep IV (aktenummer 5807 van 26 oktober 2006) van de eiser A. E. E. is gericht tegen de tussenarresten van het Hof van Assisen van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad van 29 mei
  2. Het cassatieberoep VII (aktenummer 246 van 26 oktober 2006) van de eiser A. E. E. is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 juli 2005, dat de eiser verwijst naar het Hof van Assisen van het administratief arrondissement Bruxelles-Capitale. De eiser Y. voert in identieke memories die aan dit arrest zijn gehecht, drie middelen aan. De eiser A. E. E. voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zestien middelen aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Voeging
  3. De cassatieberoepen P.06.1398.N en P.06.1493.N zijn gericht tegen dezelfde arresten, tussenarresten en beschikkingen. Zij dienen te worden gevoegd. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  4. Artikel 438 Wetboek van Strafvordering laat geen tweede cassatieberoep tegen dezelfde beslissing toe.
  5. De eiser A. E. E. heeft reeds eerder cassatieberoep ingesteld tegen het tussenarrest van 16 januari 2006 en tegen de beschikking van 17 mei
  6. Het Hof heeft die cassatieberoepen niet ontvankelijk verklaard bij arresten van 31 mei 2006 en 30 mei
  7. De huidige cassatieberoepen tegen diezelfde beslissingen zijn dus niet ontvankelijk.
  8. De eiser A. E. E. heeft op 26 oktober 2006 tweemaal cassatieberoep aangetekend tegen het arrest van 11 oktober
  9. Het tweede cassatieberoep (aktenummer 5804) is niet ontvankelijk.
  10. De cassatieberoepen VIII, IX en X van de eiser Y. van 13 november 2006 zijn ingesteld buiten de termijn van artikel 373 Wetboek van Strafvordering. Die cassatieberoepen zijn niet ontvankelijk. Middelen van W. Y. Eerste middel
  11. Op de rechtszitting van 6 oktober 2006 wordt R. M., stiefmoeder van een medebeschuldigde, verhoord onder eed als getuige, niettegenstaande het verzet hiertegen vanwege de raadsman van W. Y.. Bij arrest van 10 oktober 2006 stelt het Hof van Assisen vast dat R. M. een aanverwante van de medebeschuldigde B. S. is in de zin van artikel 322, ,§ 1, 4°, Wetboek van Strafvordering en verklaart het de door R. M. ter rechtszitting van 6 oktober 2006 als getuige onder eed afgelegde verklaring, nietig. Zonder verzet van de partijen gaat de voorzitter vervolgens over tot verhoor van R. M. zonder eedaflegging en verklaart hij "dat haar verklaringen zullen worden beschouwd als gewone inlichtingen". Hiertegen wordt evenmin enige opmerking gemaakt. Eerste onderdeel
  12. Het onderdeel voert aan dat, eens een getuige ter zitting de eed heeft afgelegd, hij onder eed blijft, ook al wordt hij bij herhaling of op meerdere rechtszittingen verhoord. Hieruit leidt de eiser af dat R. M. die op 6 oktober 2006 als getuige onder eed was gehoord, nog steeds onder eed stond wanneer zij op 10 oktober 2006 opnieuw werd gehoord, zodat haar verklaringen nietig zijn ingevolge artikel 322, ,§ 1, 4°, en ,§ 2, Wetboek van Strafvordering, en bij uitbreiding de hele rechtspleging.
  13. De voorzitter van het hof van assisen die belast is met de leiding van het debat, is verplicht een op onregelmatige wijze afgelegde verklaring van een getuige te vernietigen en vervolgens te handelen zoals de wet voorschrijft.
  14. Bij arrest van 10 oktober 2006 stelt het Hof van Assisen vast dat R. M. een aanverwante van een medebeschuldigde is in de zin van artikel 322, ,§ 1, 4°, Wetboek van Strafvordering en niet onder eed mocht worden verhoord gelet op het verzet van de eiser. Het verklaart vervolgens de door R. M. ter rechtszitting van 6 oktober 2006 als getuige onder eed afgelegde verklaring nietig. Hieruit blijkt dat de door R. M. op 6 oktober 2006 afgelegde eed als ongedaan werd beschouwd, dat vastgesteld werd dat haar alsdan onder eed afgelegde verklaring nietig is en dat die getuige, de partijen en de jury daarvan verwittigd werden. Zonder verzet van de partijen gaat de voorzitter vervolgens over tot verhoor van R. M. zonder eedaflegging en verklaart hij "dat haar verklaringen zullen worden beschouwd als gewone inlichtingen". Hiertegen wordt evenmin enige opmerking gemaakt.
  15. De nietigheid van de verklaring onder eed, afgelegd op de rechtszitting van 6 oktober 2006, werd wettig vastgesteld en de getuige werd op de rechtszitting van 10 oktober 2006 zonder eedaflegging regelmatig verhoord zonder verzet vanwege één der partijen, zodat de rechtspleging door geen nietigheid is aangetast. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 316 Wetboek van Strafvordering omdat de getuige R. M., na op 6 oktober 2006 onder eed als getuige te zijn gehoord, het verdere verloop van het debat heeft gevolgd vooraleer op 10 oktober 2006 gehoord te worden als getuige zonder eed.
  17. Anders dan het onderdeel aanvoert, is de vormvereiste van artikel 316 Wetboek van Strafvordering, noch substantieel, noch op straffe van nietigheid voorgeschreven. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  18. Voor het overige gaat het onderdeel uit van feiten die niet blijken uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan. In zoverre het onderdeel het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk. Tweede middel
  19. Het middel verplicht het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is en is mitsdien niet ontvankelijk. Derde middel in zijn geheel
  20. Het middel voert aan dat te dezen de zaak moest worden behandeld in de Franse taal en dat niet de voorzitter van het Hof van Assisen maar alle magistraten van het Hof van Assisen samen de beslissing tot taalwijziging dienden te nemen.
  21. Vermits de zaak op eisers verzoek in het Nederlands werd behandeld, heeft hij geen belang tegen deze beslissing op te komen. Het middel is niet ontvankelijk. Middelen van B. A. E. E. Middelen tegen de beslissingen van 16 januari 2006 en 17 mei 2006
  22. De middelen die geen betrekking hebben op de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep tegen die beslissingen, behoeven geen antwoord. Middelen tegen de tussenarresten van 29 mei 2006
  23. De middelen zijn gericht tegen de tussenarresten van het Hof van Assisen van 29 mei 2006, die over de taalwijziging oordelen.
  24. Artikel 19, derde lid, Taalwet Gerechtszaken bepaalt: "Voor het hof van assisen van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad wordt de rechtspleging in het Frans of in het Nederlands gevoerd en voor het hof van assisen van de provincie Luik in het Frans of in het Duits naar gelang van de taal door de beschuldigde gebruikt voor zijn verklaringen in het onderzoek. Van die regel wordt afgeweken, wanneer de beschuldigde daartoe een aanvraag doet uiterlijk in de loop van de ondervraging vermeld in artikel 293 van het Wetboek van Strafvordering."
  25. Vermits eisers verzoek de taal van de procedure opnieuw te wijzigen werd gedaan na zijn ondervraging, vermeld in artikel 293 Wetboek van Strafvordering, was het niet ontvankelijk wegens laattijdigheid. De middelen die niet tot cassatie kunnen leiden, zijn niet ontvankelijk. Middel tegen het arrest van 11 oktober 2006
  26. Het middel is gelijkluidend aan het eerste middel, eerste onderdeel, aangevoerd door W. Y.. Het Hof verwijst hiervoor naar de redengeving die vermeld is in het antwoord op het eerste middel, eerste onderdeel, van W. Y.. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering
  27. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Begroot de kosten in het geheel op 429,36 euro waarvan W. Y. 178,54 euro verschuldigd is en B. A. E. E. 250,82 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 16 januari 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070116.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010626.10 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030923.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.